HvJ EU 16 april 2026, C-672/23, ECLI:EU:C:2026:293

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

16 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Bijzondere bevoegdheid – Artikel 8, punt 1 – Pluraliteit van verweerders – Vorderingen waartussen een ‚zo nauwe band’ bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting – Begrip ‚zo nauwe band’ – Begrip ‚ankergedaagde’ – Inbreuk op artikel 101 VWEU – Richtlijn 2014/104/EU – Vergoeding van schade veroorzaakt door een kartel – Begrip ,onderneming’ – Aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en een dochteronderneming – Besluit van de Commissie – Besluit van een nationale mededingingsautoriteit – Buiten de Europese Economische Ruimte (EER) ingetreden schade”

In de gevoegde zaken C‑672/23 en C‑673/23,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het gerechtshof Amsterdam (Nederland) bij beslissingen van 19 september 2023, ingekomen bij het Hof op 13 november 2023, in de procedures

Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain,

GCC Interconnection Authority,

Kuwait Ministry of Electricity and Water,

Oman Electricity Transmission Company SAOC

tegen

Prysmian Netherlands BV,

Draka Holding BV,

Prysmian Cavi e Sistemi Srl,

Pirelli & C SpA,

Prysmian SpA,

The Goldman Sachs Group Inc.,

ABB BV,

ABB Holdings BV,

ABB AB,

ABB Ltd,

Nexans Nederland BV,

Nexans Cabling Solutions BV,

Nexans Participations SA,

Nexans SA,

Nexans France SAS (C‑672/23),

en

Smurfit Kappa Europe BV,

Smurfit International BV,

Smurfit Kappa Italia SpA,

DS Smith Italy BV,

DS Smith plc,

DS Smith Packaging Italia SpA,

DS Smith Holding Italia SpA,

Toscana Ondulati SpA

tegen

Unilever Europe BV,

Unilever Supply Chain Company AG,

Unilever Italy Holdings Srl (C‑673/23),

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 januari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain, GCC Interconnection Authority, Kuwait Ministry of Electricity and Water en Oman Electricity Transmission Company SAOC, vertegenwoordigd door J. W. de Jong, advocaat,

– Prysmian Netherlands BV, Draka Holding BV, Prysmian Cavi e Sistemi Srl en Prysmian SpA, vertegenwoordigd door R. T. Bolland, J. S. Kortmann, A. van Vugt en R. Wesseling, advocaten,

– Pirelli & C SpA, vertegenwoordigd door P. N. Malanczuk, E. Mattioli, J. Schaufeli en J. P. van der Klein, advocaten, I. Perego en M. Roberti, avvocati,

– The Goldman Sachs Group Inc., vertegenwoordigd door D. A. M. H. W. Strik, advocaat,

– ABB BV, ABB Holdings BV, ABB AB en ABB Ltd, vertegenwoordigd W. Knibbeler, M. H. J. M. Immerzeel, E. Di Pangrazio, A. Schurink en M. Sinninghe Damsté, advocaten,

– Nexans Nederland BV, Nexans Cabling Solutions BV, Nexans Participations SA, Nexans SA en Nexans France SAS, vertegenwoordigd door H. M. Cornelissen, A. Knigge en R. van Dijken, advocaten,

– Smurfit Kappa Europe BV, Smurfit International BV en Smurfit Kappa Italia SpA, vertegenwoordigd door O. W. Brouwer, E. Di Pangrazio, A. Schurink en M. Sinninghe Damsté, advocaten,

– DS Smith Italy BV, DS Smith plc, DS Smith Packaging Italia SpA, DS Smith Holding Italia SpA en Toscana Ondulati SpA, vertegenwoordigd door M. G. Bredenoord-Spoek, J. K. de Pree en S. J. The, advocaten,

– Unilever Europe BV, Unilever Supply Chain Company AG en Unilever Italy Holdings Srl, vertegenwoordigd door R. J. G. Lamberti, C. C. A. van Rest en H. J. Vanderveen, advocaten,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë, W. Wils en C. Zois als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen, ten eerste, Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain, GCC Interconnection Authority, Kuwait Ministry of Electricity and Water en Oman Electricity Transmission Company SAOC (hierna gezamenlijk: „EWAGB e.a.”), enerzijds, en Prysmian Netherlands BV, Draka Holding BV, Prysmian Cavi e Sistemi Srl, Pirelli & C SpA, Prysmian SpA, The Goldman Sachs Group Inc., ABB BV, ABB Holdings BV, ABB AB, ABB Ltd, Nexans Nederland BV, Nexans Cabling Solutions BV, Nexans Participations SA, Nexans SA en Nexans France SAS (hierna gezamenlijk: „Draka e.a.”), anderzijds, en, ten tweede, Smurfit Kappa Europe BV, Smurfit International BV, Smurfit Kappa Italia SpA, DS Smith Italy BV, DS Smith plc, DS Smith Packaging Italia SpA, DS Smith Holding Italia SpA en Toscana Ondulati SpA (hierna gezamenlijk: „Smurfit Kappa e.a.”), enerzijds, en Unilever Europe BV, Unilever Supply Chain Company AG en Unilever Italy Holdings Srl (hierna gezamenlijk: „Unilever e.a.”), anderzijds, over de bepaling van het gerecht dat relatief bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Draka e.a. en Smurfit Kappa e.a. en tot hun veroordeling tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”).

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1215/2012

3 De overwegingen 15, 16 en 21 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt: „(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen. (16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad. [...] (21) Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.”

4 Hoofdstuk II van die verordening, met als opschrift „Bevoegdheid”, bevat tien afdelingen. Afdeling 1 daarvan, met als opschrift „Algemene bepalingen”, omvat de artikelen 4 tot en met 6 van die verordening.

5 Artikel 4, lid 1, van die verordening luidt: „Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

6 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt: „Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

7 Artikel 8, punt 1, van deze verordening, dat is opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk II, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, bepaalt: „Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen: 1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

8 Artikel 63, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening hebben vennootschappen en rechtspersonen woonplaats op de plaats van: a) hun statutaire zetel, b) hun hoofdbestuur, of c) hun hoofdvestiging.”

Richtlijn 2014/104

9 Overweging 1 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1) luidt als volgt: „De artikelen 101 en 102 [VWEU] zijn voorschriften van openbare orde en moeten in de gehele [Europese] Unie op doelmatige wijze worden toegepast om ervoor te zorgen dat de mededinging op de interne markt niet wordt vervalst.”

10 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied”, bepaalt in lid 2: „In deze richtlijn worden de regels vastgesteld voor de coördinatie tussen de handhaving van de mededingingsregels door mededingingsautoriteiten en de handhaving van die regels in schadevorderingen voor de nationale rechterlijke instanties.”

11 Artikel 2 van deze richtlijn, „Definities”, bepaalt in de punten 2, 3 en 6: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 2. ‚inbreukpleger’: de onderneming of de ondernemersvereniging die een inbreuk op het mededingingsrecht heeft begaan; 3. ‚nationaal mededingingsrecht’: de bepalingen van nationaal recht die overwegend dezelfde doelstelling nastreven als de artikelen 101 en 102 VWEU en die in dezelfde zaak en parallel met het mededingingsrecht van de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 [van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 VWEU (PB 2003, L 1, blz. 1)], met uitzondering van bepalingen van nationaal recht waarbij natuurlijke personen strafrechtelijke sancties worden opgelegd, behalve voor zover zulke strafrechtelijke sancties het middel zijn op grond waarvan de op ondernemingen toepasselijke mededingingsvoorschriften worden gehandhaafd; [...] 6. ‚benadeelde partij’: een persoon die schade heeft geleden die is ontstaan door een inbreuk op het mededingingsrecht”.

12 Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Recht op volledige vergoeding”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen. 2. Een volledige vergoeding brengt een persoon die schade heeft geleden, in de positie waarin die persoon zich zou hebben bevonden indien er geen inbreuk op het mededingingsrecht was gemaakt. Zij omvat dan ook het recht op vergoeding van het daadwerkelijke verlies en voor de gederfde winst, vermeerderd met de betaling van rente. 3. Volledige vergoeding uit hoofde van deze richtlijn mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het punitieve schadevergoeding, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.”

13 Artikel 9 van richtlijn 2014/104, met als opschrift „Doorwerking van nationale beslissingen”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties ten minste kan worden gebruikt als een prima-faciebewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naargelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld. 3. Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet.”

14 Artikel 11 van deze richtlijn, „Hoofdelijke aansprakelijkheid”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die door een gemeenschappelijk optreden inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade: elk van deze ondernemingen is verplicht de schade volledig te vergoeden, en de benadeelde partij heeft het recht van elk van hen volledige vergoeding eisen totdat zij volledig is vergoed.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑672/23

15 Bij besluit C(2014) 2139 final van 2 april 2014 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39610, „Stroomkabels”/„Power Cables”) heeft de Europese Commissie het bestaan vastgesteld van een bijna wereldwijd kartel op de markten voor onderzeese en ondergrondse stroomkabels waarbij 26 rechtspersonen betrokken waren, te weten: – Nexans en Nexans France, gevestigd in Frankrijk, – Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi, gevestigd in Italië, en hun voormalige moedermaatschappijen Pirelli & C en The Goldman Sachs Group, – J-Power Systems Corporation en de moedermaatschappijen van de gemeenschappelijke onderneming, Hitachi Metals Ltd en Sumitomo Electric Industries Ltd, – VISCAS Corporation en de moedermaatschappijen van de gemeenschappelijke onderneming, Furukawa Electric Co. Ltd en Fujikura Ltd, – (voorheen) ABB AB, waarvan ABB AB de rechtsopvolger is, gevestigd in Zweden, en ABB Ltd, in haar hoedanigheid van moedermaatschappij van ABB AB, gevestigd in Zwitserland, – Brugg Kabel AG en Kabelwerke Brugg AG Holding, – Silec Cable SAS, haar huidige moedermaatschappij General Cable Corporation, en haar voormalige moedermaatschappij Safran SA, – EXSYM Corporation en de moedermaatschappijen van de gemeenschappelijke onderneming, SWCC Showa Holdings Co. Ltd en Mitsubishi Cable Industries Ltd., – LS Cable & System Ltd, – Taihan Electric Wire Co. Ltd en – nkt cables GmbH en NKT Holding A/S.

16 De Commissie was van mening dat deze ondernemingen in de periode van 18 februari 1999 tot en met 29 januari 2009 hadden deelgenomen aan een netwerk van multilaterale en bilaterale ontmoetingen en contacten hadden om de markten en de afnemers van projecten betreffende ondergrondse en onderzeese stroomkabels in specifieke gebieden onder elkaar te verdelen. Zij was van mening dat deze mededingingsverstorende praktijken een voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden.

17 Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain, Kuwait Ministry of Electricity and Water en Oman Electricity Transmission Company zijn overheidsbedrijven die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, de exploitatie en het onderhoud van de hoogspanningsnetten in Bahrein, Koeweit en Oman. GCC Interconnection Authority bezit en exploiteert interconnectie-infrastructuur die de nationale elektriciteitsnetten verbindt van de staten die partij zijn bij de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten, te weten de Verenigde Arabische Emiraten, het Koninkrijk Bahrein, het Koninkrijk Saudi-Arabië, het Sultanaat Oman, de Staat Qatar en de Staat Koeweit.

18 EWAGB e.a. hebben bij de rechtbank Amsterdam (Nederland) een declaratoire vordering ingesteld strekkende tot, ten eerste, vaststelling dat Draka e.a. jegens hen gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn vanwege hun deelname aan het betrokken kartel en, ten tweede, hoofdelijke veroordeling van deze vennootschappen tot betaling van een later vast te stellen vergoeding van de schade die zij stellen als gevolg van dat kartel buiten de EER te hebben geleden.

19 Deze declaratoire vordering is gericht tegen verschillende verwerende vennootschappen in het hoofdgeding die behoren tot de groepen Prysmian Cavi e Sistemi, (voorheen) ABB AB en Nexans. Sommige zijn gevestigd in Nederland, maar buiten het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam, en andere buiten Nederland. Alle vennootschappen zijn directe of indirecte dochterondernemingen die voor 100 % in handen zijn van de ondernemingen waaraan de Commissie heeft besloten deelname aan het betrokken kartel toe te rekenen. In haar besluit heeft de Commissie vastgesteld dat Prysmian Cavi e Sistemi, (voorheen) ABB AB en Nexans France aan het kartel hadden deelgenomen en heeft zij Prysmian, Pirelli & C, The Goldman Sachs Group, ABB Ltd en Nexans in hun hoedanigheid van (indirecte) moedermaatschappijen van die karteldeelnemers opwaarts aansprakelijk gehouden. Nexans Participations alsook Prysmian Netherlands, Draka Holding, ABB BV, ABB Holdings, Nexans Nederland en Nexans Cabling Solutions, vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd, waren geen adressaten van dat besluit. Deze Nederlandse verwerende vennootschappen zijn allemaal dochterondernemingen, direct of indirect, die voor 100 % in handen zijn van respectievelijk Prysmian Cavi e Sistemi, ABB Ltd of Nexans.

20 Draka Holding, gevestigd te Amsterdam, is de enige verwerende vennootschap met zetel in het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam en is derhalve de verweerder die fungeert als basis om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen (hierna: „ankergedaagde”). Deze vennootschap is een dochteronderneming van Prysmian Cavi e Sistemi, die ook het volledige kapitaal van Prysmian Netherlands in handen heeft. Noch Draka Holding, noch de andere in Nederland gevestigde verwerende vennootschappen waren adressaten van het besluit van de Commissie van 2 april 2014.

21 Bij declaratoir vonnis heeft de rechtbank Amsterdam zich op grond van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen alle in Nederland gevestigde verwerende vennootschappen. De rechtbank heeft zich daarentegen onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen de buiten Nederland gevestigde verwerende vennootschappen, omdat zij van oordeel was dat uit artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 noch uit enige andere rechtsgrond internationale bevoegdheid kon worden afgeleid. De rechtbank was namelijk van oordeel dat er tussen de vorderingen tegen in Nederland gevestigde vennootschappen en die tegen de buiten Nederland gevestigde vennootschappen geen voldoende nauwe band bestond die rechtvaardigt dat alle vorderingen door dezelfde rechter worden berecht om onverenigbare beslissingen te voorkomen.

22 EWAGB e.a. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.

23 Dit gerechtshof herinnert eraan dat de in Nederland gevestigde verwerende vennootschappen niet zijn opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam waarbij deze rechtbank zich relatief bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering tegen zowel Draka Holding, die binnen het rechtsgebied van deze rechtbank is gevestigd, als alle gedaagde vennootschappen die in Nederland, maar buiten het rechtsgebied van deze rechtbank zijn gevestigd. Het gerechtshof wijst er vervolgens op dat overeenkomstig de nationale procedureregels geen beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen over de relatieve bevoegdheid en dat dit hof derhalve moet oordelen dat de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd is ten aanzien van alle in Nederland gevestigde verwerende vennootschappen.

24 De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of er een voldoende nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bestaat tussen enerzijds de vordering tegen Draka Holding of andere in Nederland gevestigde verwerende vennootschappen en anderzijds de vorderingen tegen de buiten Nederland gevestigde verwerende vennootschappen.

25 In deze omstandigheden heeft het gerechtshof Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) a) Bestaat een nauwe band in de zin van art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] tussen: i) enerzijds een vordering tegen een hoofdverweerder (ook wel: ankergedaagde) die geen geadresseerde is van een kartelbeschikking van de Commissie maar, als entiteit waarvan wordt gesteld dat zij behoort tot de onderneming in de zin van het Europese mededingingsrecht (hierna: de Onderneming), neerwaarts aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod en ii) anderzijds een vordering tegen: – een medeverweerder die geadresseerde is van die beschikking, en/of – een medeverweerder die geen geadresseerde is van de beschikking ten aanzien van wie wordt gesteld dat deze als juridische entiteit behoort tot een Onderneming die in de beschikking publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod? Maakt het daarbij uit: 1. of de neerwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde in de kartelperiode louter aandelen hield en beheerde; 2. – bij bevestigende beantwoording van vraag 4a – of de neerwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde betrokken was bij de productie, distributie, verkoop en/of levering van gekartelliseerde producten en/of het leveren van gekartelliseerde diensten; 3. of de medeverweerder, die geadresseerde van de beschikking is, in de beschikking is aangemerkt als (i) feitelijk karteldeelnemer – in de zin dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de vastgestelde inbreukmakende overeenkomst(en) en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen dan wel (ii) als juridische entiteit die deel uitmaakt van de Onderneming die publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de schending van het Unierechtelijk kartelverbod; 4. of de medeverweerder, die geen geadresseerde van de beschikking is, daadwerkelijk gekartelliseerde producten en/of diensten heeft geproduceerd, gedistribueerd, verkocht en/of geleverd; 5. of de ankergedaagde en de medeverweerder al dan niet behoren tot dezelfde Onderneming, 6. de eisende partijen direct of indirect producten en/of diensten hebben gekocht of geleverd hebben gekregen van de ankergedaagde en/of de medeverweerder? b) Is voor de beantwoording van vraag 1a van belang of het al dan niet voorzienbaar is dat de desbetreffende medeverweerder wordt opgeroepen voor het gerecht van deze ankergedaagde? Zo ja, is deze voorzienbaarheid een apart criterium bij toepassing van art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012]? Is deze voorzienbaarheid in beginsel gegeven gelet op het arrest Sumal van 6 oktober 2021, C‑882/19, ECLI:EU:C:2021:800? In hoeverre maken de in vraag 1a genoemde omstandigheden genoemd (a) tot en met (f) het hier voorzienbaar dat de medeverweerder zou worden opgeroepen voor het gerecht van de ankergedaagde? 2) Dient bij de vaststelling van de rechtsmacht ook acht te worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde? Zo ja, is voor die beoordeling toereikend dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat de vordering zal worden toegewezen? 3) a) Omvat het Unierechtelijk recht van een ieder op schadevergoeding naar aanleiding van een vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod het recht om buiten de EER geleden schade te vorderen? b) Moet of kan het in het mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed door de (beboete) moedervennootschappen ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschappen (het ‚Akzo-vermoeden’) worden toegepast in (civiele) kartelschadezaken? c) Voldoet een tussenholding die louter aandelen beheert en houdt aan het tweede Sumal-criterium (het verrichten van een economische activiteit die een concreet verband heeft met het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld)? 4) a) Kunnen bij toepassing van art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] verschillende in dezelfde lidstaat gevestigde verweerders (tezamen) ankergedaagde zijn? b) Wijst art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] het relatief bevoegde gerecht rechtstreeks en onmiddellijk aan, met terzijdestelling van het nationale recht? c) Als vraag 4a ontkennend wordt beantwoord – zodat slechts één verweerder ankergedaagde kan zijn – en vraag 4b bevestigend wordt beantwoord – zodat art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] rechtstreeks, met terzijdestelling van het nationaal recht het relatief bevoegde gerecht aanwijst: Is er bij toepassing van [deze bepaling] ruimte voor interne verwijzing naar het gerecht van de woonplaats van de verweerder in dezelfde lidstaat?”

Zaak C‑673/23

26 Op 17 juli 2019 heeft de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (mededingings- en marktautoriteit, Italië) (hierna: „AGCM”) een besluit vastgesteld waarin zij heeft geoordeeld dat verschillende ondernemingen, waaronder Smurfit Kappa Italia en Toscana Ondulati, twee afzonderlijke inbreuken hadden gepleegd op artikel 101 VWEU en de artikelen 15 en 31 van de Italiaanse mededingingswet.

27 Bij dit besluit heeft de AGCM ten eerste geoordeeld dat deze ondernemingen tussen 2 februari 2004 en 30 maart 2017 hadden deelgenomen aan een kartel op de Italiaanse markt van golfkarton teneinde invloed uit te oefenen op de verkoopprijzen van dit product en andere ondernemingen ertoe aan te zetten aan dat kartel deel te nemen. Ten tweede was de AGCM van mening dat de belangrijkste producenten van kartonverpakkingen tussen 7 september 2005 en 30 maart 2017 hadden deelgenomen aan een kartel voor verpakkingsmateriaal dat tot doel had de mededinging op de Italiaanse markt van verpakkingskartons te verstoren. De AGCM heeft ook opgemerkt dat dit tweede kartel een ondersteunende functie had ten opzichte van het kartel inzake golfkarton.

28 Smurfit Kappa Italia, gevestigd te Milaan (Italië), DS Smith Holding Italia, gevestigd te Vimercate (Italië) en Toscana Ondulati, gevestigd te Capannori (Italië), waren adressaten van dit besluit, waaruit blijkt dat Smurfit Kappa Italia en Toscana Ondulati aan het kartel hebben deelgenomen. DS Smith Holding Italia wordt, als indirecte moedermaatschappij, ook opwaarts aansprakelijk gehouden voor dit kartel. De andere verzoekende vennootschappen in het hoofdgeding, die deel uitmaken van de groepen Smurfit Kappa Italia en Toscana Ondulati, waren daarentegen geen adressaten.

29 Unilever e.a., die deel uitmaken van de Unilever-groep, hebben in de loop van de inbreukperioden grondstoffen, verpakkingsmateriaal en golfkartonverpakkingen voor de Europese productiefaciliteiten van Unilever gekocht van ondernemingen die aan de kartels deelnamen. Unilever e.a. zijn van mening dat zij schade hebben geleden als gevolg van de verhoging van de prijzen van de producten die zij van de bij het kartel betrokken ondernemingen hebben gekocht, de handhaving van kunstmatig hoge prijsniveaus („beschermingsprijzen”) en de resterende gevolgen van het kartel op de markt.

30 Daarop hebben zij bij de rechtbank Amsterdam een declaratoire vordering ingesteld, strekkende tot vaststelling dat Smurfit Kappa e.a. jegens hen gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn wegens hun deelname aan het betrokken kartel. Zij vorderen tevens dat deze vennootschappen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een later vast te stellen bedrag ter vergoeding van de schade die zij door dit kartel stellen te hebben geleden.

31 Smurfit Kappa International is de enige verweerster die gevestigd is in het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam en wordt beschouwd als ankergedaagde. Deze vennootschap was geen adressaat van de beschikking van 17 juli 2019 van de AGCM. Het gaat om een tussenholding die dochteronderneming is van Smurfit Kappa Group, een in Ierland gevestigde vennootschap die niet betrokken is bij het hoofdgeding, en moedermaatschappij van Smurfit Kappa Europe. Deze laatste bezit het volledige aandelenkapitaal van Smurfit Kappa Italia, een van de geadresseerde vennootschappen van de beschikking van 17 juli 2019 van de AGCM.

32 Bij declaratoir vonnis heeft de rechtbank Amsterdam zich relatief bevoegd verklaard, zowel nationaal als internationaal, om kennis te nemen van vorderingen tegen de in Nederland gevestigde vennootschappen, maar ook tegen de vennootschappen die buiten Nederland zijn gevestigd.

33 Deze rechter heeft namelijk ten eerste geoordeeld dat hij bevoegd was om kennis te nemen van de vordering tegen Smurfit International, de enige verwerende vennootschap die te Amsterdam is gevestigd, en dus in zijn rechtsgebied, maar ook van de vorderingen tegen alle in Nederland gevestigde vennootschappen, op grond dat er tussen al deze vorderingen een samenhang bestaat die om redenen van efficiëntie een gezamenlijke behandeling rechtvaardigt. Ten tweede was hij van oordeel dat er een voldoende nauwe band bestond tussen de vorderingen tegen alle in Nederland gevestigde vennootschappen en de vorderingen tegen de buiten Nederland gevestigde vennootschappen, die rechtvaardigt dat het vonnis door dezelfde rechter wordt gewezen om onverenigbare beslissingen te voorkomen.

34 Smurfit Kappa e.a. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.

35 Dit gerechtshof herinnert eraan dat de in Nederland gevestigde vennootschappen in eerste aanleg de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam niet hebben betwist en dat overeenkomstig de nationale procedureregels tegen beslissingen inzake nationale relatieve bevoegdheid geen beroep voor dit gerecht kan worden ingesteld. De verwijzende rechter zet uiteen dat hij dus moet oordelen dat deze rechtbank nationaal relatief bevoegd is om kennis te nemen van niet alleen de vordering tegen Smurfit International – de enige vennootschap die in casu in haar rechtsgebied is gevestigd en die weliswaar geen adressaat van het besluit van de AGCM is, maar vanwege haar plaats van vestiging ankergedaagde wordt – maar ook van de vorderingen die zijn gericht tegen alle in Nederland gevestigde verwerende vennootschappen.

36 De verwijzende rechter vraagt zich daarentegen af of die rechtbank internationaal bevoegd is ten aanzien van vorderingen tegen de vennootschappen die buiten Nederland zijn gevestigd. Hij vraagt zich in essentie af of er een voldoende nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bestaat tussen enerzijds de vordering tegen Smurfit International en/of andere in Nederland gevestigde vennootschappen en anderzijds de vorderingen tegen de buiten Nederland gevestigde vennootschappen.

37 In deze omstandigheden heeft het gerechtshof Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) a) Bestaat een nauwe band in de zin van artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] tussen: i) enerzijds een vordering tegen een hoofdverweerder (ook wel: ankergedaagde) die geen geadresseerde is van een kartelbeschikking van een nationale mededingingsautoriteit maar als entiteit waarvan wordt gesteld dat zij behoort tot de Onderneming [...] opwaarts aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod en ii) anderzijds een vordering tegen: (A) een medeverweerder die geadresseerde is van die beschikking en/of dan wel, (B) een medeverweerder die geen geadresseerde is van de beschikking ten aanzien van wie wordt gesteld dat deze als juridische entiteit behoort tot een Onderneming die in de beschikking publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod? Maakt het daarbij uit: (a) of de opwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde in de kartelperiode louter aandelen hield en beheerde; (b) – bij bevestigende beantwoording van vraag 4a – of de opwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde betrokken was bij de productie, distributie, verkoop en/of levering van gekartelliseerde producten en/of het leveren van gekartelliseerde diensten; (c) of de ankergedaagde al dan niet woont in de lidstaat waar de nationale mededingingsautoriteit (enkel) een inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod op de nationale markt heeft vastgesteld; (d) of de medeverweerder, die geadresseerde van de beschikking is, in de beschikking is aangemerkt als (i) feitelijk karteldeelnemer – in de zin dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de vastgestelde inbreukmakende overeenkomst(en) en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen dan wel (ii) als juridische entiteit die deel uitmaakt van de Onderneming [die] publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de schending van het Unierechtelijk kartelverbod; (e) of de medeverweerder, die geen geadresseerde van de beschikking is, daadwerkelijk gekartelliseerde producten en/of diensten heeft geproduceerd, gedistribueerd, verkocht en/of geleverd; (f) of de ankergedaagde en de medeverweerder al dan niet behoren tot dezelfde Onderneming, (g) de eisende partijen direct of indirect producten hebben gekocht en/of diensten geleverd hebben gekregen van de ankergedaagde en/of de medeverweerder? b) Is voor de beantwoording van vraag 1a van belang of het al dan niet voorzienbaar is dat de desbetreffende medeverweerder wordt opgeroepen voor het gerecht van deze ankergedaagde? Zo ja, is deze voorzienbaarheid een apart criterium bij toepassing van artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012]? Is deze voorzienbaarheid in beginsel gegeven gelet op het arrest Sumal van 6 oktober 2021, C‑882/19, ECLI:EU:C:2021:800? In hoeverre maken de in vraag 1a genoemde omstandigheden genoemd (a) tot en met (g) het hier voorzienbaar dat de medeverweerder zou worden opgeroepen voor het gerecht van de ankergedaagde? 2) Dient bij de vaststelling van [de] rechtsmacht ook acht te worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde? Zo ja, is voor die beoordeling toereikend dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat de vordering zal worden toegewezen? 3) Moet of kan het in het mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed door de (beboete) moedervennootschappen ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschappen (het ‚Akzo-vermoeden’) worden toegepast in (civiele) kartelschadezaken? 4) a) Kunnen bij toepassing van artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] verschillende in dezelfde lidstaat gevestigde verweerders (tezamen) ankergedaagde zijn? b) Wijst artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] het relatief bevoegde gerecht rechtstreeks en onmiddellijk aan, met terzijdestelling van het nationale recht? c) Als vraag 4a ontkennend wordt beantwoord – zodat slechts één verweerder ankergedaagde kan zijn – en vraag 4b bevestigend wordt beantwoord – zodat artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] rechtstreeks, met terzijdestelling van het nationaal recht het relatief bevoegde gerecht aanwijst: Is er bij toepassing van artikel 8 [punt] 1 van verordening [nr. 1215/2012] ruimte voor interne verwijzing naar het gerecht van de woonplaats van de verweerder in dezelfde lidstaat?”

Procedure bij het Hof

38 Bij beslissing van de president van het Hof van 18 januari 2024 zijn de zaken C‑672/23 en C‑673/23 overeenkomstig artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gevoegd voor de mondelinge behandeling en de eindbeslissing.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag, onder a)

39 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 31).

40 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissingen dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag, onder a), die in de zaken C‑672/23 en C‑673/23 in essentie in dezelfde bewoordingen is geformuleerd, wenst te vernemen of bepaalde omstandigheden van die zaken kunnen aantonen dat er, gelet op artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, een voldoende nauwe band bestaat tussen enerzijds een vordering tegen een ankergedaagde, die geen adressaat is van het betrokken besluit van de nationale mededingingsautoriteit of de mededingingsautoriteit van de Unie, maar die, als entiteit waarvan wordt gesteld dat zij behoort tot de onderneming die in dat besluit aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie, ook opwaarts of neerwaarts aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde inbreuk, en anderzijds vorderingen tegen medeverweerders, al dan niet adressaten van dat besluit, op grond waarvan de rechtbank Amsterdam internationaal bevoegd zou zijn om er kennis van te nemen.

41 De verwijzende rechter vraagt zich in het bijzonder af of omstandigheden zoals, ten eerste, het loutere houden en beheren van aandelen door de ankergedaagde, ten tweede, zijn eventuele betrokkenheid bij de productie, de distributie, de verkoop en/of de levering van gekartelliseerde producten of het leveren van gekartelliseerde diensten, ten derde, het feit dat deze ankergedaagde al dan niet gevestigd is in de lidstaat waar de inbreuk op het mededingingsrecht is vastgesteld, ten vierde, de kwalificatie van de medeverweerder die adressaat is van het betrokken besluit als feitelijke deelnemer aan de inbreuk of als entiteit die deel uitmaakt van de onderneming die aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuk, ten vijfde, het feit dat de medeverweerder die geen adressaat was, daadwerkelijk gekartelliseerde producten heeft geproduceerd, gedistribueerd, verkocht en/of geleverd of gekartelliseerde diensten heeft geleverd, ten zesde, het feit dat de ankergedaagde en de medeverweerder tot dezelfde onderneming behoren en, ten zevende, het feit dat de eisende partijen direct of indirect producten hebben gekocht of diensten geleverd hebben gekregen van de ankergedaagde en/of de medeverweerder, relevant zijn voor de beoordeling van het bestaan van een dergelijke band.

42 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met de eerste vraag, onder a), in essentie wenst te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling kan bestaan tussen, enerzijds, een vordering tegen een ankergedaagde die niet als aansprakelijk is aangewezen voor een door de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, en, anderzijds, vorderingen tegen vennootschappen ten aanzien waarvan er ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie waaraan deze inbreuk is toegerekend.

43 Vooraf zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1215/2012 strekt tot opheffing en vervanging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), die op haar beurt in de plaats is gekomen van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag, zodat de uitlegging die door het Hof aan de bepalingen van die eerdere rechtsinstrumenten is gegeven, ook geldt voor verordening nr. 1215/2012, voor zover die bepalingen als „gelijkwaardig” kunnen worden beschouwd (arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C‑30/20, EU:C:2021:604, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Dat is het geval voor artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 en artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, die in wezen in vergelijkbare bewoordingen zijn gesteld, zodat deze bepalingen kunnen worden aangemerkt als „gelijkwaardig” in de zin van de in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak (zie in die zin arresten van 15 juli 2021, Volvo e.a., C‑30/20, EU:C:2021:604, punt 29, en 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 24).

45 Ingevolge artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 63, lid 1, van die verordening bepaalt dat, voor de toepassing van deze verordening, vennootschappen en rechtspersonen woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging. Deze regel, namelijk dat de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn, geldt volgens artikel 4, lid 1, evenwel „onverminderd” de andere bepalingen van verordening nr. 1215/2012. Die bevoegdheidsregel vormt overeenkomstig overweging 15 van deze verordening namelijk een basisregel, waarop die verordening in een aantal uitzonderingen voorziet (zie in die zin arrest van 25 februari 2025, BSH Hausgeräte, C‑339/22, EU:C:2025:108, punten 29 en 30). Onder deze uitzonderingen valt artikel 8, dat voorziet in uitzonderingen op deze algemene regel voor samenhangende vorderingen.

46 In dit verband bepaalt artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 dat een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een „zo nauwe band” bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

47 Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van deze verordening autonoom worden uitgelegd aan de hand van de systematiek en de doelstellingen ervan (zie in die zin arrest van 8 juni 2023, BNP Paribas, C‑567/21, EU:C:2023:452, punt 43).

48 Zoals blijkt uit de overwegingen 16 en 21 van deze verordening heeft de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 tot doel een goede rechtsbedeling te bevorderen, het risico van parallel lopende procedures tot een minimum te beperken en te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting van de zaken in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Deze bijzondere bevoegdheidsregel, waarmee wordt afgeweken van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder, moet eng worden uitgelegd. Die uitlegging mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In het kader van de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 dient te worden nagegaan of er tussen verschillende door dezelfde verzoeker tegen verschillende verweerders ingediende vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen onverenigbare beslissingen worden gegeven. Het bestaan van een dergelijk verband moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval, met name het risico op onverenigbare beslissingen.

51 In dit verband kunnen beslissingen niet reeds onverenigbaar worden geacht omdat zij tot een divergentie in de beslechting van het geschil leiden, daarvoor is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de regel van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 niet zodanig kan worden uitgelegd dat een verzoeker op grond ervan een vordering tegen meerdere verweerders kan instellen met het enkele doel om een van die verweerders te onttrekken aan de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel te omzeilen door de voorwaarden voor toepassing van die bepaling op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Het staat dus aan de verwijzende rechter om met betrekking tot de vorderingen tegen de verschillende verweerders in het hoofdgeding in eerste aanleg te beoordelen of er sprake is van dezelfde situatie feitelijk en rechtens, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, en om zich ervan te vergewissen dat de vorderingen die gericht zijn tegen de enige verweerder van wie de woonplaats de bevoegdheid van het aangezochte gerecht rechtvaardigt, niet bedoeld zijn om op kunstmatige wijze te voldoen aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punten 42 en 45).

54 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat aan de voorwaarde van het bestaan van dezelfde situatie feitelijk en rechtens met name is voldaan wanneer verschillende ondernemingen die hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op de mededingingsregels van de Unie die in een besluit van de Commissie is vastgesteld, in rechte worden opgeroepen op grond van hun deelname aan die inbreuk, ook al verschilt hun betrokkenheid bij de uitvoering ervan naargelang van de betrokken periodes of geografische gebieden (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 21).

55 Het Hof heeft ook geoordeeld dat het feit dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie niet is vastgesteld in een definitief besluit van de Commissie, er niet aan in de weg staat dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 op dergelijke vorderingen wordt toegepast (zie in die zin arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 30).

56 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 van toepassing is op vorderingen die zijn ingesteld tegen zowel een moedermaatschappij als de dochteronderneming waarmee zij een economische eenheid vormt en die zijn gebaseerd op de deelname van de dochteronderneming aan een in een besluit van een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op de mededingingsregels van de Unie (zie in die zin arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 33).

57 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat het eveneens vaste rechtspraak is dat wanneer vaststaat dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus één enkele onderneming in de zin van de mededingingsregels van de Unie vormen, het bestaan zelf van deze economische eenheid die de inbreuk heeft gepleegd doorslaggevend is voor de aansprakelijkheid van de ene of van de andere tot de onderneming behorende vennootschap voor de mededingingsverstorende gedraging van de onderneming. Om die reden leidt het begrip „onderneming”, en dus het begrip „economische eenheid”, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat (arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 In de derde plaats vormen juridisch verschillende personen die in de vorm van een groep zijn georganiseerd, volgens de rechtspraak van het Hof een en dezelfde onderneming wanneer zij niet zelfstandig hun gedrag op de betrokken markt bepalen, maar zij, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen hen en een moedermaatschappij, de gevolgen ondergaan van de daadwerkelijke uitoefening door deze leidinggevende eenheid van een beslissende invloed te dien einde (arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, een weerlegbaar vermoeden bestaat dat de moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P–C‑461/16 P, EU:C:2017:819, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Aan het vermoeden dat de moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent, ligt namelijk niet het feit ten grondslag dat de moedermaatschappij het gehele of nagenoeg het gehele maatschappelijk kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, maar de mate waarin zij ten gevolge van dat houderschap zeggenschap heeft over haar dochteronderneming (arrest van 27 januari 2021, The Goldman Sachs Group/Commissie, C‑595/18 P, EU:C:2021:73, punt 35).

61 Dat een vennootschap nagenoeg het gehele maatschappelijk kapitaal van een andere vennootschap in handen heeft, is weliswaar een zeer sterke aanwijzing dat zij deze zeggenschap heeft, maar sluit niet met zekerheid uit dat een of meer andere personen alleen of gezamenlijk de beslissingsbevoegdheid bezitten, aangezien met name de eigendom van het maatschappelijk kapitaal van de stemrechten kan zijn gescheiden (arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punt 110).

62 Een moedermaatschappij vormt slechts een en dezelfde onderneming met haar dochteronderneming wanneer zij toezicht uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, hetgeen kan worden bewezen doordat de moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming uit te oefenen en dat zij die invloed bovendien daadwerkelijk heeft uitgeoefend, of doordat die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten (arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punt 111).

63 Het Hof heeft eveneens voor recht verklaard dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen tot hoofdelijke veroordeling van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden (arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 47).

64 In de vierde plaats blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat, wat betreft de aansprakelijkheid van een dochteronderneming voor een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU door een moedermaatschappij, slachtoffers van die inbreuk in plaats van de moedermaatschappij een dochteronderneming ervan civiel aansprakelijk kunnen laten stellen. Deze dochteronderneming kan evenwel slechts aansprakelijk worden gesteld indien het slachtoffer, ten eerste, hetzij door zich te baseren op een eerder door de Commissie of de nationale mededingingsautoriteit vastgesteld besluit, hetzij op enige andere wijze, aantoont dat deze dochteronderneming op het moment waarop zij de inbreuk pleegde niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalde, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgde, gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee entiteiten verenigen, zodat zij deel uitmaken van een en dezelfde economische eenheid en derhalve één enkele onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen, die de inbreuk heeft gepleegd, en, ten tweede, dat er een concreet verband bestond tussen de economische activiteit van deze dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 51).

65 Daarbij moet worden opgemerkt dat het begrip „onderneming” in de zin van artikel 101 VWEU een functioneel begrip is, waarbij de economische eenheid die de onderneming vormt, moet worden bepaald op basis van het voorwerp van het betrokken inbreukmakende gedrag. De herstructureringen, overdrachten of andere juridische of organisatorische wijzigingen die zich later hebben voorgedaan zijn in dit verband niet relevant (zie in die zin arresten van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punt 46, en 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 46).

66 Een en dezelfde moedermaatschappij kan dus deel uitmaken van meerdere economische eenheden die, naargelang van de betrokken economische activiteit, bestaan uit haarzelf en verschillende combinaties van haar dochterondernemingen die alle tot dezelfde ondernemingsgroep behoren. Anders zou een dochteronderneming die tot een dergelijke groep behoort, aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken die zijn gepleegd in het kader van economische activiteiten die geen verband houden met haar eigen activiteit en waarbij zij op geen enkele wijze, zelfs niet indirect, betrokken was (arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 47).

67 Hoewel het Hof in dit verband heeft geoordeeld dat ondernemingen die hebben deelgenomen aan een door artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of gedraging in de zin van die bepaling, gehouden zijn tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door die mededingingsregeling of door die gedraging, kan het recht van het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging om in het kader van een schadevordering een dochteronderneming in plaats van de moedermaatschappij aansprakelijk te stellen, niet automatisch worden ingeroepen tegen elke dochteronderneming van de moedermaatschappij (zie in die zin arresten van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punt 32, en 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 46).

68 Om vast te stellen dat een moedermaatschappij en een van haar dochterondernemingen een economische eenheid vormen dient de verzoeker overeenkomstig de in punt 64 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dus niet alleen aan te tonen dat er economische, organisatorische en juridische banden tussen deze vennootschappen bestaan, maar ook dat er een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van deze dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld.

69 Zoals de advocaat-generaal in punt 74 van haar conclusie heeft opgemerkt, is dit met name het geval wanneer de mededingingsverstorende overeenkomst van de moeder- of grootmoedermaatschappij dezelfde producten betreft als die welke de dochter- of kleindochteronderneming verkoopt, of wanneer deze dochter- of kleindochteronderneming zorgt voor de productie, de verkoop, de levering of de distributie van deze gekartelliseerde producten en voor de levering van de gekartelliseerde diensten.

70 Wanneer het inbreukmakende gedrag niet is vastgesteld in een besluit van de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit op grond van artikel 101 VWEU, heeft de dochteronderneming van een moedermaatschappij waaraan een inbreuk wordt verweten, zowel het recht om te betwisten dat zij tot dezelfde onderneming behoort als die moedermaatschappij, als het recht om te weerleggen dat de gestelde inbreuk werkelijk is begaan (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 60).

71 Of de ankergedaagde al dan niet woont in de lidstaat waar de nationale mededingingsautoriteit een inbreuk op het Unierechtelijke kartelverbod op de nationale markt heeft vastgesteld, is op zichzelf niet van invloed op het bestaan van een „zo nauwe band” in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 tussen de tegen deze verweerder ingestelde vordering en de vordering tegen de andere verweerders.

72 Zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie heeft opgemerkt, hebben de andere door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden, met name dat de betrokken vennootschappen in besluiten van de Commissie of van een nationale mededingingsautoriteit als „karteldeelnemers” zijn aangewezen, bovendien geen betrekking op het criterium van het bestaan van een nauwe band tussen de vorderingen als zodanig, maar zijn zij slechts relevant als bewijs voor het bestaan van een dergelijke band.

73 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag, onder a), worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling kan bestaan tussen, enerzijds, een vordering tegen een ankergedaagde die niet als aansprakelijk is aangewezen voor een door de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst en, anderzijds, vorderingen tegen vennootschappen ten aanzien waarvan er ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie waaraan deze inbreuk is toegerekend.

Eerste vraag, onder b)

74 Met zijn eerste vraag, onder b), die in de zaken C‑672/23 en C‑673/23 in identieke bewoordingen is geformuleerd, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat er bij de beoordeling van het bestaan van een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders, als zelfstandig criterium rekening mee moet worden gehouden of het voor de medeverweerder voorzienbaar was dat hij voor het gerecht van de ankergedaagde zou worden opgeroepen.

75 In dit verband moet worden opgemerkt dat de voorzienbaarheid van de medeverweerder om voor het gerecht van de ankergedaagde te worden opgeroepen volgens de bewoordingen van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 geen zelfstandig bevoegdheidscriterium is. Deze bepaling stelt de toepassing ervan enkel afhankelijk van het bestaan van een „zo nauwe band” tussen de vorderingen dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.

76 Uit de overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 blijkt echter dat de voorspelbaarheid van de bevoegdheid van de gerechten een van de doelstellingen van de bevoegdheidsregels is, aangezien zij zowel de eiser in staat moet stellen om gemakkelijk te bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken als de verweerder in staat moet stellen om redelijkerwijs te voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.

77 Met deze voorzienbaarheid wordt beoogd rechtszekerheid te bieden om de rechtsbescherming van de in de Unie gevestigde personen te vergroten [zie in die zin arrest van 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C‑774/22, EU:C:2024:646, punt 33].

78 Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat het vereiste van voorzienbaarheid geen zelfstandig criterium naast de voorwaarden van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 vormt. Aan dit vereiste is voldaan wanneer het voor verweerders voorzienbaar was dat zij zouden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste één van hen zijn woonplaats heeft (zie in die zin arrest van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Het rechtszekerheidsbeginsel vereist met name dat bijzondere bevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen (arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, EU:C:2006:471, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Zoals de advocaat-generaal in de punten 81 tot en met 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, vormt de voorzienbaarheid een algemeen beginsel dat de bevoegdheidsregels beheerst en wordt dit beginsel geconcretiseerd door de criteria die in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of er sprake is van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012. De in deze verordening gebruikte begrippen kunnen dus niet worden uitgelegd op een wijze die in strijd is met dit beginsel. Aan dat beginsel wordt met name voldaan als de situaties waarin sprake is van een „zo nauwe band” voor een verweerder in het algemeen voorzienbaar zijn. In dit verband volstaat het dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen. Wat meer in het bijzonder vorderingen tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht betreft, is dit het geval wanneer een verweerder als deel van een onderneming aan één enkele inbreuk op artikel 101 VWEU heeft deelgenomen. Daardoor moet hij worden geacht een nauwe band met de andere deelnemers tot stand te hebben gebracht en redelijkerwijs te kunnen voorzien dat hij kan worden opgeroepen voor het gerecht van de zetel van een ander lid van die onderneming.

81 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag, onder b), worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om voor het gerecht van de ankergedaagde te worden opgeroepen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van die bepaling.

Tweede vraag in de zaken C‑672/23 en C‑673/23, derde vraag, onder a) tot en met c), in zaak C‑672/23 en derde vraag in zaak C‑673/23

82 Met de tweede vraag in de zaken C‑672/23 en C‑673/23, de derde vraag, onder a) tot en met c), in zaak C‑672/23 en de derde vraag in zaak C‑673/23 wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen in hoeverre voor de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 rekening moet worden gehouden met bepaalde elementen betreffende de gegrondheid van de vorderingen in de hoofdgedingen. Hij vraagt zich in het bijzonder af of de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde in aanmerking moet worden genomen, met name wanneer deze vordering strekt tot vergoeding van de buiten de EER ingetreden schade, en of de toepassing van het in het mededingingsrecht erkende vermoeden van beslissende invloed van moedermaatschappijen en de omstandigheid dat een tussenholding, die enkel deelnemingen houdt en beheert, voldoet aan het criterium van het bestaan van een concreet verband tussen haar economische activiteit en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld, daarvoor als aanwijzingen kunnen worden beschouwd.

83 Aangezien aan de verwijzende rechter een vraag over de internationale bevoegdheid in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 is voorgelegd, zijn de in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde vragen slechts nuttig voor de beslechting van deze geschillen voor zover zij betrekking hebben op de vaststelling van die bevoegdheid. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in het licht van de in punt 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak te herformuleren.

84 In die omstandigheden moet worden overwogen dat de verwijzende rechter met de tweede vraag in de zaken C‑672/23 en C‑673/23, de derde vraag, onder a) tot en met c), in zaak C‑672/23 en de derde vraag in zaak C‑673/23, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van het bestaan van een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders rekening moet worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde, met name wanneer deze vordering strekt tot vergoeding van de buiten de EER ingetreden schade, als aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd.

85 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de aangezochte rechter bij het onderzoek van zijn internationale bevoegdheid de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering niet onderzoekt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid in het licht van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 kunnen rechtvaardigen (arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 41).

86 Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt dat de aangezochte rechter zich kan uitspreken over zijn eigen bevoegdheid zonder dat hij gedwongen is de zaak ten gronde te onderzoeken [zie in die zin arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 61, en 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C‑774/22, EU:C:2024:646, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

87 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Hof niettemin heeft geoordeeld dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 niet zodanig kan worden uitgelegd dat een verzoeker meerdere verweerders kan dagvaarden met het enkele doel om een van hen te onttrekken aan de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel te omzeilen door de voorwaarden voor toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven (arrest van 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat deze hypothese van omzeiling van de bevoegdheidsregels uitgesloten is wanneer er op het moment dat de zaak aanhangig is gemaakt, een nauw verband bestaat tussen de vorderingen tegen elk van de verweerders, in die zin dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke afdoening ervan onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie naar analogie arresten van 11 oktober 2007, Freeport, C‑98/06, EU:C:2007:595, punten 52 en 54; 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 28, en 7 september 2023, Beverage City Polska, C‑832/21, EU:C:2023:635, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Hieruit volgt dat wanneer samenhangende vorderingen in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bij eenzelfde gerecht worden ingediend, dit gerecht een omzeiling of misbruik van deze bevoegdheidsregel slechts kan vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van die bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd (zie naar analogie arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 29).

90 Daarvoor volstaat het niet dat de vordering tegen de ankergedaagde ongegrond lijkt. Op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, moet een dergelijke vordering kennelijk ongegrond, kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, EU:C:2006:471, punten 31 en 32).

91 Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan de kennelijke ongegrondheid van de jegens de ankergedaagde ingestelde vordering een aanwijzing vormen dat de verzoeker kunstmatig de voorwaarden voor toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 heeft gecreëerd.

92 Wat in de derde plaats de vraag betreft of de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde als aanwijzing in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling of de verzoeker de bevoegdheidsregel van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 heeft willen omzeilen, zij er ten eerste aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 1, lid 1, artikel 2, punt 6, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/104, elke natuurlijke of rechtspersoon die schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht in de zin van artikel 101 VWEU, volledige vergoeding van die schade moet kunnen vorderen en verkrijgen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door dit artikel verboden mededingingsregeling of feitelijke gedraging (zie met name arrest van 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punten 22, 23 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93 Wanneer een mededingingsregeling binnen de interne markt ten uitvoer is gelegd, is de bevoegdheid van de Unie om haar mededingingsregels op dergelijke gedragingen toe te passen, gedekt door het in het internationale recht algemeen aanvaarde territorialiteitsbeginsel (zie in die zin arrest van 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, 89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85–129/85, EU:C:1988:447, punten 17 en 18).

94 In dit verband is de doeltreffende toepassing van het mededingingsrecht van de Unie op de gehele interne markt noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de mededinging op die markt niet wordt vervalst, zoals blijkt uit overweging 1 van richtlijn 2014/104. Bij de nationale rechter kunnen ingediende schadevorderingen wezenlijk bijdragen tot de handhaving van daadwerkelijke mededinging in de Unie (arrest van 14 juni 2011, Pfleiderer, C‑360/09, EU:C:2011:389, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Het is irrelevant dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, zich buiten het grondgebied van de Unie heeft voorgedaan, mits er een causaal verband bestaat met de gelaakte mededingingsverstorende gedraging.

96 Bijgevolg kan een kartelschadevordering in het stadium van de toetsing van de internationale bevoegdheid van de aangezochte rechter niet als kennelijk ongegrond worden beschouwd op grond van het enkele feit dat de schade die ter ondersteuning van die vordering voor een rechter van een lidstaat wordt aangevoerd, buiten de EER is ingetreden.

97 Ten tweede zij eraan herinnerd dat met betrekking tot de toepassing van het vermoeden dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op de economische activiteit van haar dochteronderneming, uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het begrip „onderneming” in de zin van de mededingingsregels van de Unie geen andere betekenis kan hebben naargelang het gaat om het opleggen van geldboeten of het instellen van schadevorderingen wegens schending van die regels (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punt 47).

98 De publiekrechtelijke handhaving van de mededingingsregels van de Unie („public enforcement”) en de schadevorderingen wegens schending van deze regels („private enforcement”) maken namelijk deel uit van één enkel stelsel voor de handhaving van die regels, dat ertoe strekt mededingingsverstorende gedragingen van ondernemingen te bestraffen en hen ervan te weerhouden (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 37).

99 Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, dat is ontwikkeld in het kader van de betwisting van besluiten van de Commissie die op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 zijn vastgesteld, ook van toepassing kan zijn in het geval van een vordering van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden als gevolg van de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, waarbij die vordering is ingesteld tegen een andere vennootschap die het volledige of nagenoeg volledige kapitaal van de eerstgenoemde vennootschap in handen heeft (zie in die zin arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C‑393/23, EU:C:2025:85, punt 39).

100 Hieruit volgt dat het weerlegbare vermoeden dat een moedermaatschappij die direct of indirect het volledige of nagenoeg volledige kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, een beslissende invloed op die dochteronderneming uitoefent, kan worden toegepast op schadevorderingen wegens schending van de mededingingsregels van de Unie. Met het oog op de enkele toetsing van de internationale bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 volstaat het dat de nationale rechter vaststelt dat het op het moment van de indiening van deze schadevordering niet is uitgesloten dat de betrokken verweerders deel uitmaken van dezelfde onderneming in de zin van het mededingingsrecht.

101 Wat ten derde het bestaan betreft van een concreet verband tussen de economische activiteit van een tussenholding, die zich beperkt tot het beheren en houden van deelnemingen, en het voorwerp van de door een grootmoedermaatschappij gepleegde inbreuk, moet worden opgemerkt dat een dergelijke holdingmaatschappij, afzonderlijk beschouwd, slechts aandelen aanhoudt en beheert en als zodanig de markt niet betreedt, zoals de advocaat-generaal in punt 62 van haar conclusie opmerkt.

102 Het enkele feit dat de persoon aan wie het gedrag van de dochteronderneming wordt toegerekend de vorm van een holding heeft, staat evenwel niet aan deze toerekening in de weg (zie in die zin arresten van 11 juli 2013, Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, C‑440/11 P, EU:C:2013:514, punt 43, en 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punten 101‑116).

103 Zoals blijkt uit de punten 57 tot en met 63 van het onderhavige arrest, kan de economische activiteit van een dochteronderneming aan een tussenholding worden toegerekend wanneer deze dochteronderneming, ondanks haar eigen rechtspersoonlijkheid, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de door haar moedermaatschappij vastgestelde instructies volgt. Dat is in het bijzonder het geval wanneer een dochteronderneming van de tussenholding waarop die tussenholding een beslissende invloed uitoefent, een economische activiteit uitoefent die een concreet verband heeft met het voorwerp van de door de „grootmoedermaatschappij” gepleegde inbreuk.

104 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag in de zaken C‑672/23 en C‑673/23, op de derde vraag, onder a) tot en met c), in zaak C‑672/23 en op de derde vraag in zaak C‑673/23 worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, geen rekening hoeft te worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde. Er kan niettemin rekening mee worden gehouden als aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd. Het feit dat de schade die in het kader van een kartelschadevordering voor een rechter van een lidstaat wordt aangevoerd, buiten de EER is ingetreden, impliceert op zichzelf niet dat de vordering in het kader van de toetsing van de internationale bevoegdheid van die rechter kennelijk ongegrond moet worden geacht.

Vierde vraag, onder b)

105 Met zijn vierde vraag, onder b), die in de zaken C‑672/23 en C‑673/23 in identieke bewoordingen is geformuleerd, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid bepaalt van het gerecht van een lidstaat in het rechtsgebied waarvan de ankergedaagde woonplaats heeft.

106 Op grond van artikel 8, punt 1, verordening nr. 1215/2012 kan „[e]en persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, [...] indien er meer dan één verweerder is[, ook worden opgeroepen] voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”. Deze bepaling ziet dus op het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, zoals aangewezen door het recht van de betrokken lidstaat.

107 Het Hof heeft geoordeeld dat de verwijzing naar het „gerecht van de woonplaats” van een partij aldus moet worden begrepen dat ten eerste wordt verwezen naar de lidstaat waarvan de gerechten bevoegd zijn, en ten tweede dat zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk wordt toegekend aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden [zie in die zin arresten van 3 mei 2007, Color Drack, C‑386/05, EU:C:2007:262, punt 30; 15 juli 2021, Volvo e.a., C‑30/20, EU:C:2021:604, punt 33; 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punten 37, 38 en 42, en 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C‑774/22, EU:C:2024:646, punt 42].

108 Wanneer verordening nr. 1215/2012 daarentegen verwijst naar „gerechten van een lidstaat”, met name in artikel 4, lid 1, artikel 7, punt 6, of artikel 11, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012, heeft deze uitdrukking enkel betrekking op de internationale bevoegdheid van de gerechten van die lidstaat [zie in die zin arresten van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punten 37, 38 en 42, en 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C‑774/22, EU:C:2024:646, punt 42].

109 Wat betreft de vraag welk gerecht binnen de aldus aangewezen lidstaat bevoegd is, blijkt uit de bewoordingen van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, zoals uitgelegd door het Hof, dat deze bepaling zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar een van de verweerders woonplaats heeft.

110 Zoals de advocaat-generaal in punt 92 van haar conclusie heeft opgemerkt, vindt deze uitlegging steun in het rapport over het Verdrag van 27 september 1968, opgesteld door P. Jenard (PB 1979, C 59, blz. 44), waaruit met betrekking tot artikel 6, punt 1, van dit verdrag, waarmee artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 overeenkomt, blijkt dat de daarin opgenomen bevoegdheidsregel aldus moet worden opgevat dat het gerecht van de plaats waar zich de woonplaats van een van de verweerders bevindt, als bevoegde rechter wordt aangewezen.

111 Die uitlegging voldoet tevens aan de vereisten van een goede rechtsbedeling, aangezien daardoor een doeltreffend procedureel beheer van het geding mogelijk is, de bewijsvoering en -waardering door één rechterlijke instantie kan worden verricht en het risico op afwijkende uitspraken kan worden voorkomen (zie in die zin arrest van 2 december 2025, Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims, C‑34/24, EU:C:2025:936, punt 73).

112 Opgemerkt zij dat de bundeling van individuele vorderingen – gelet op de specifieke kenmerken van mededingingszaken en meer in het bijzonder de omstandigheid dat het instellen van schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist – zowel de uitoefening van het recht op schadevergoeding voor benadeelde personen als de taak van de aangezochte rechter kan vergemakkelijken. In de context van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 kan de technisch ingewikkelde aard van de regels voor schadevorderingen die betrekking hebben op inbreuken op het mededingingsrecht dus een bevoegdheidsconcentratie rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 2 december 2025, Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims, C‑34/24, EU:C:2025:936, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113 Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag, onder b), worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid bepaalt van het gerecht van een lidstaat in het rechtsgebied waarvan de ankergedaagde woonplaats heeft.

Vierde vraag, onder c)

114 Met zijn vierde vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een gerecht van een lidstaat dat aanvankelijk op grond van deze bepaling is aangezocht, maar zich relatief onbevoegd acht om kennis te nemen van de vordering tegen de ankergedaagde, zich onbevoegd verklaart ten gunste van een ander gerecht van dezelfde lidstaat, dat door het nationale recht als relatief bevoegd is aangewezen.

115 De verwijzende rechter preciseert in dit verband dat het weinig waarschijnlijk is dat Draka Holding en Smurfit Kappa International in de bij hem aanhangige zaken ankergedaagden zijn. Volgens hem komt deze hoedanigheid toe aan andere verweerders, die in Nederland zijn gevestigd, maar buiten het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam.

116 In dit verband zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1215/2012 op het gebied van de samenwerking in burgerlijke en handelszaken beoogt het vereenvoudigde en doeltreffende stelsel van regels inzake jurisdictiegeschillen en van erkenning en tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen te versterken, teneinde de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en aldus bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden, die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arrest van 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori, C‑581/20, EU:C:2021:808, punt 67).

117 Uit geen enkele bepaling van deze verordening blijkt dat zij eraan in de weg staat dat een gerecht van een lidstaat zich onbevoegd verklaart ten gunste van een ander gerecht van dezelfde lidstaat.

118 Deze verordening heeft niet tot doel om het nationale procesrecht van de lidstaten eenvormig te maken, maar de rechterlijke bevoegdheid voor de beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken in de betrekkingen tussen de lidstaten te verdelen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori, C‑581/20, EU:C:2021:808, punt 68).

119 Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat met betrekking tot procesrecht moet worden verwezen naar de nationale procedureregels die van toepassing zijn voor de aangezochte rechter, mits de toepassing daarvan geen afbreuk doet aan het nuttig effect van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 7 maart 1995, Shevill e.a., C‑68/93, EU:C:1995:61, punt 36).

120 Zoals de advocaat-generaal in punt 97 van haar conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat een gerecht dat zich onbevoegd acht op grond van de nationale regels inzake relatieve bevoegdheid, zich op grond van die regels onbevoegd kan verklaren ten gunste van het gerecht dat het bevoegd oordeelt, voor zover die onbevoegdverklaring niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de effectieve toepassing van verordening nr. 1215/2012, met name wat de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 8, punt 1, ervan betreft.

121 Gelet op een en ander moet op de vierde vraag, onder c), worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een gerecht van een lidstaat dat aanvankelijk op grond van deze bepaling is aangezocht, maar zich relatief onbevoegd acht om kennis te nemen van de vordering tegen de ankergedaagde, zich onbevoegd verklaart ten gunste van een ander gerecht van dezelfde lidstaat dat bevoegd is om daarvan kennis te nemen, wanneer deze onbevoegdverklaring in overeenstemming is met de nationale procedureregels en geen afbreuk doet aan het nuttig effect van deze verordening.

Vierde vraag, onder a)

122 Met zijn vierde vraag, onder a), die in de zaken C‑672/23 en C‑673/23 in identieke bewoordingen zijn geformuleerd, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat meerdere in dezelfde lidstaat gevestigde verweerders gezamenlijk als ankergedaagde voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden beschouwd.

123 In dat verband zij eraan herinnerd dat de rechtvaardiging van een verzoek om een prejudiciële beslissing volgens vaste rechtspraak niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de werkelijke beslechting van een geschil dat verband houdt met het Unierecht (arrest van 3 oktober 2019, A e.a., C‑70/18, EU:C:2019:823, punt 73).

124 De relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam in de hoofdgedingen hangt echter niet af van de vraag of meerdere verweerders die in dezelfde lidstaat zijn gevestigd gezamenlijk als ankergedaagde in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 kunnen worden beschouwd. Het antwoord op de vierde vraag, onder a), kan dus geen enkele invloed hebben op de uitkomst van de hoofdgedingen en moet derhalve worden geacht kennelijk irrelevant te zijn voor de beslechting ervan.

125 Derhalve hoeft de vierde vraag, onder a), niet te worden beantwoord.

Kosten

126 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling kan bestaan tussen, enerzijds, een vordering tegen een verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen en die niet aansprakelijk is gesteld voor een door de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 en, anderzijds, vorderingen tegen vennootschappen ten aanzien waarvan er ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie waaraan deze inbreuk is toegerekend.

2) Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band ” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om voor het gerecht van de verweerder te worden opgeroepen, die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van die bepaling.

3) Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band ” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, geen rekening hoeft te worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen. Er kan niettemin rekening mee worden gehouden als aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd. Het feit dat de schade die in het kader van een kartelschadevordering voor een rechter van een lidstaat wordt aangevoerd, buiten de Europese Economische Ruimte is ingetreden, impliceert op zich niet dat de vordering in het kader van de toetsing van de internationale bevoegdheid van die rechter kennelijk ongegrond moet worden geacht.

4) Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat het zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid bepaalt van het gerecht van een lidstaat in het rechtsgebied waarvan de verweerder, die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, woonplaats heeft.

5) Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een gerecht van een lidstaat dat aanvankelijk op grond van deze bepaling is aangezocht, maar zich relatief onbevoegd acht om kennis te nemen van de vordering tegen de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, zich onbevoegd verklaart ten gunste van een ander gerecht van dezelfde lidstaat dat bevoegd is om daarvan kennis te nemen, wanneer deze onbevoegdverklaring in overeenstemming is met de nationale procedureregels en geen afbreuk doet aan het nuttig effect van deze verordening.

Biltgen von Danwitz Ziemele Kumin Gervasoni Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 april 2026. De griffier A. Calot Escobar De kamerpresident F. Biltgen

( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in

Verbonden uitspraken