HvJ EU 26 maart 2026, C-357/24, ECLI:EU:C:2026:258

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

26 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid – Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 1, onder q), iv) – Begrip ,bevoegd orgaan’ – Werkgever – Artikel 3, lid 1, onder a) – Begrip ,prestaties bij ziekte’ – Behoud van loon bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid – Artikel 85, lid 1 – Prestaties die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving van een lidstaat voor schade die op het grondgebied van een andere lidstaat is ontstaan – Recht van de werkgever op verhaal bij de aansprakelijke derde – Rechten van de getroffene – Subrogatie – Beperkingen”

In zaak C‑357/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Visoki trgovački sud (handelsrechter in tweede aanleg, Kroatië) bij beslissing van 3 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 16 mei 2024, in de procedure

Freistaat Bayern

tegen

Euroherc osiguranje d.d.,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen en A. Kornezov (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Euroherc osiguranje d.d., vertegenwoordigd door D. Lauc, odvjetnik,

– de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en A. Koričić als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, onder q), iv), artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 85, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB 2012, L 149, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 883/2004”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Freistaat Bayern (deelstaat Beieren, Duitsland) en Euroherc osiguranje d.d., een verzekeringsonderneming naar Kroatisch recht (hierna: „Euroherc”), over de terugbetaling door Euroherc van de loonvergoedingen die de deelstaat Beieren aan diens werknemer X heeft betaald wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval in Kroatië.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In artikel 1, onder q), iv), van verordening nr. 883/2004 staat te lezen: „Voor de toepassing van deze verordening: […] q) wordt onder ‚bevoegd orgaan’ verstaan: […] iv) indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 3, lid 1, bedoelde prestaties, de werkgever of de betrokken verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam dat of de autoriteit die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangewezen”.

4 Artikel 3 van deze verordening bepaalt in lid 1, onder a) en f): „Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: a) prestaties bij ziekte; […] f) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten”.

5 Artikel 9, lid 1, van deze verordening luidt: „De lidstaten stellen de Europese Commissie schriftelijk in kennis van verklaringen die worden afgelegd in overeenstemming met artikel 1, onder l), van wetgeving en regelingen als bedoeld in artikel 3, […].”

6 Artikel 85, lid 1, van die verordening bepaalt: „Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een lidstaat naar aanleiding van schade die voortvloeit uit een in een andere lidstaat voorgevallen gebeurtenis, worden de eventuele rechten die het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden als volgt geregeld: a) indien het orgaan dat de prestaties verschuldigd is krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt die de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke lidstaat die subrogatie; b) indien het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, een onmiddellijk recht ten opzichte van de derde heeft, erkent elke lidstaat dat recht.”

Duits recht

7 Artikel 6, lid 1, van het Gesetz über die Zahlung des Arbeitsentgelts an Feiertagen und im Krankheitsfall (Entgeltfortzahlungsgesetz) (wet inzake de betaling van prestaties voor werk op feestdagen en bij ziekte) van 26 mei 1994 (BGBl. I, blz. 1014, 1065; hierna: „loondoorbetalingswet”) luidt als volgt: „Indien een werknemer op grond van de bepalingen van de wet van een derde vergoeding kan vorderen voor het inkomensverlies als gevolg van arbeidsongeschiktheid, gaat dit recht over op de werkgever, voor zover de werkgever de werknemer overeenkomstig deze wet zijn loon is blijven betalen alsmede de voor de werknemer verschuldigde bijdragen die door de werkgever worden betaald aan de federale arbeidsautoriteit, en hij eveneens het aandeel van de werkgever in de socialezekerheidsbijdragen en de verzorgingsverzekering en in de aanvullende ouderdoms‑ en nabestaandenpensioenen is blijven betalen.”

Kroatisch recht

8 Artikel 27 van de Zakon o obveznim osiguranjima u prometu (wet op de verplichte motorrijtuigenverzekering) van 9 december 2005 (NN 151/05), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (NN 36/09, 75/09, 76/13 en 152/14), bepaalt in de leden 1 en 2: „(1) De verzekeringsonderneming is verplicht de werkelijke schade te vergoeden die de ziektekosten-, pensioen‑ of invaliditeitsverzekeraars hebben geleden in het kader van de aansprakelijkheid van haar verzekerde en binnen de grenzen van de in de verzekeringsovereenkomst aangegane verbintenissen. (2) Onder ,werkelijke schade’ in de zin van lid 1 van dit artikel wordt verstaan de overeenkomstig de bepalingen betreffende de ziektekostenverzekering gemaakte medische en andere noodzakelijke kosten, alsmede het evenredige bedrag van het pensioen of de uitkering van de benadeelde of zijn gezinsleden.”

9 Artikel 36 van de Zakon o obveznom zdravstvenom osiguranju (wet op de verplichte ziektekostenverzekering) van 21 juni 2013 (NN 80/13), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (NN 137/13) (hierna: „ziekteverzekeringswet”), bepaalt in lid 1, punt 1: „Verzekerden hebben in het kader van het recht dat voortvloeit uit de verplichte ziektekostenverzekering recht op: 1. prestaties gedurende perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, dat wil zeggen wanneer zij niet kunnen werken wegens medische zorgverlening of andere in artikel 39 van deze wet bedoelde omstandigheden (hierna: ‚prestaties’)”.

10 Artikel 39 van deze wet bepaalt in punt 1: „Een verzekerde heeft recht op prestaties in verband met het gebruik van de gezondheidszorg uit de verplichte ziektekostenverzekering of andere in deze wet omschreven omstandigheden indien: 1. hij tijdelijk arbeidsongeschikt is wegens ziekte of letsel, of indien hij voor behandeling of onderzoek in een medische instelling wordt geplaatst”.

11 Artikel 40 van de ziekteverzekeringswet bepaalt in punt 1: „De in artikel 39, [punt 1], van deze wet bedoelde prestaties in verband met het gebruik van de gezondheidszorg, wordt aan de verzekerde betaald door de eigen middelen van: 1. de natuurlijke of rechtspersoon – werkgever – voor de eerste 42 dagen van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en zolang de verzekerde werkt in het derde land waarnaar de natuurlijke of rechtspersoon hem heeft gedetacheerd of waar hij in dienst is.”

12 Artikel 41, lid 3, van die wet luidt: „De in artikel 39, [punt 1], van deze wet bedoelde prestaties bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden […] vanaf de 43e […] dag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid berekend en betaald door de natuurlijke of rechtspersoon – de werkgever – met dien verstande dat de Hrvatski zavod za zdravstveno osiguranje [(Kroatische ziekteverzekeringsinstelling; hierna: ,Instelling’)] ertoe gehouden is de betaalde prestaties terug te betalen binnen 45 dagen na ontvangst van het verzoek om terugbetaling.”

13 Artikel 136 van de ziekteverzekeringswet bepaalt in lid 1: „De instelling is verplicht een schadevergoeding te vorderen van degene die de ziekte, het letsel of het overlijden van de verzekerde heeft veroorzaakt.”

14 Artikel 140 van die wet luidt: „In de in artikel 136 van deze wet bedoelde gevallen moet de instelling overeenkomstig de bepalingen betreffende de verplichte verzekering van de aansprakelijkheid voor aan derden toegebrachte schade, de schadevergoeding ook rechtstreeks vorderen van de verzekeraar bij wie deze personen verzekerd zijn voor dit risico.”

15 Artikel 142 van die wet bepaalt: „De instelling moet in de in deze wet bedoelde gevallen schadevergoeding vorderen, ongeacht of de schade voortvloeit uit de betaling van de prestaties waarop die verzekerde krachtens de verplichte ziektekostenverzekering, dat wil zeggen de staatsbegroting, recht heeft.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

16 Op 18 april 2015 is X, een werknemer van de deelstaat Beieren, tijdens een fietstocht in Šibenik (Kroatië) slachtoffer geworden van een verkeersongeval waarbij een motorvoertuig betrokken was dat door Y werd bestuurd en dat verzekerd was bij Euroherc. Y is aansprakelijk bevonden voor dit ongeval. De bevoegde rechterlijke instanties hebben nog geen uitspraak gedaan over de vraag of X heeft bijgedragen tot het ontstaan van de door hem geleden schade.

17 X is verzorgd in Duitsland. Hij is driemaal tijdelijk arbeidsongeschikt geweest: van 21 april tot en met 21 mei 2015, van 16 februari tot en met 15 april 2016 en van 8 november 2016 tot en met 5 januari 2017. Gedurende deze perioden heeft de deelstaat Beieren, in zijn hoedanigheid van werkgever, hem loonvergoedingen betaald voor in totaal 28825,83 EUR.

18 Bovendien heeft Euroherc hem in het kader van een minnelijke schikking een vergoeding betaald voor de werkelijke schade van het ongeval, te weten de bijstands‑ en verzorgingskosten, de vermogensschade, de kosten voor juridische vertegenwoordiging en andere kosten en de immateriële schade, voor een totaalbedrag van 43433,43 Kroatische kuna (HRK) (ongeveer 5764,61 EUR).

19 De deelstaat Beieren heeft bij de Trgovački sud u Zagrebu (handelsrechter in eerste aanleg Zagreb, Kroatië) een procedure ingeleid om Euroherc te doen veroordelen tot terugbetaling van de aan X uitgekeerde loonvergoedingen.

20 Ter ondersteuning van deze vordering heeft de deelstaat Beieren aangevoerd dat hij, als werkgever van X, moet worden beschouwd als een „bevoegd orgaan” in de zin van artikel 1, onder q), iv), van verordening nr. 883/2004, omdat de door hem aan X betaalde loonvergoedingen onder het begrip „prestaties bij ziekte” van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening vallen.

21 De deelstaat Beieren heeft ook aangevoerd dat ingevolge artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 in de procedure in het hoofdgeding moet worden erkend dat hij ten aanzien van Euroherc is gesubrogeerd in de rechten van zijn werknemer X, zoals het Duitse recht bepaalt.

22 In dit verband beroept die deelstaat zich op artikel 6, lid 1, van de loondoorbetalingswet, dat bepaalt dat de werkgever wordt gesubrogeerd in het recht op schadevergoeding dat zijn werknemer jegens een derde heeft voor het inkomensverlies dat die werknemer wegens arbeidsongeschiktheid heeft geleden, op voorwaarde dat de werkgever het loon van de werknemer alsook de door hem verschuldigde bijdragen is blijven betalen.

23 De deelstaat Beieren heeft dan ook aangevoerd dat de loonvergoedingen aan X impliceren dat deze laatste uit hoofde van die wet prestaties heeft ontvangen voor letsels die hij wegens het ongeval in Kroatië heeft opgelopen, en dat hij bijgevolg moet worden gesubrogeerd in de rechten die X ten aanzien van derden heeft.

24 Euroherc heeft dit betoog betwist en aangevoerd dat de feiten van de onderhavige zaak niet onder verordening nr. 883/2004 vallen, met name omdat deze verordening de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels regelt en niet de vergoeding van de indirecte schade die een werkgever lijdt doordat hij zijn werknemer, die een ongeval heeft gehad, tijdens diens ziekteverlof prestaties wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid betaalt. Bovendien hebben volgens haar alleen de instellingen die belast zijn met het beheer van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten de hoedanigheid van „bevoegd orgaan” in de zin van die verordening.

25 De Trgovački sud u Zagrebu heeft de vordering van de deelstaat Beieren bij vonnis van 21 november 2023 toegewezen. Euroherc heeft tegen dat vonnis beroep ingesteld bij de Visoki trgovački sud (handelsrechter in tweede aanleg, Kroatië), de verwijzende rechter.

26 Die rechter vraagt zich ten eerste af of een werkgever als de deelstaat Beieren onder het begrip „bevoegd orgaan” in de zin van artikel 1 van verordening nr. 883/2004 valt. Ten tweede vraagt hij zich af of het begrip „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening ook ziet op loonvergoedingen die tijdens een ziekteverlof worden betaald wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een ongeval dat zich in een andere lidstaat heeft voorgedaan en waarbij het noch om een arbeidsongeval noch om een beroepsziekte gaat. Ten derde vraagt hij zich af of een autoverzekeringsmaatschappij als Euroherc gehouden kan zijn tot terugbetaling van loonvergoedingen die de werkgever aan het slachtoffer heeft betaald, zoals die welke de deelstaat Beieren aan X heeft betaald.

27 Voor het geval dat deze vragen bevestigend worden beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich ook af hoe artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 moet worden uitgelegd. Hij merkt op dat in het Kroatische recht, wanneer een werknemer ziekteprestaties ontvangt van zijn werkgever, deze laatste geen enkel verhaal heeft op de schadeveroorzaker of diens verzekeraar, en evenmin in de rechten kan treden die het slachtoffer ten aanzien van de schadeveroorzaker of diens verzekeraar heeft. Hij voegt daaraan toe dat de recente rechtspraak van de Vrhovni sud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Kroatië) bevestigt dat een dergelijk recht op vergoeding uitdrukkelijk moet zijn vastgesteld in de wet en dat geen enkele bepaling van de ziekteverzekeringswet de werkgever het recht verleent om zich op de schadeveroorzaker of diens verzekeraar te verhalen voor de loonvergoedingen die hij wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft betaald aan zijn werknemer.

28 In die omstandigheden heeft de Visoki trgovački sud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 85, lid 1, van verordening [nr. 883/2004] aldus worden uitgelegd dat een werkgever, als orgaan dat verplicht is om prestaties uit te betalen, alleen dan uit hoofde van prestaties bij ziekte die aan een werknemer zijn betaald wegens een letsel als gevolg van een gebeurtenis op het grondgebied van een andere lidstaat, tegen de derde die ertoe gehouden is de schade te vergoeden, of diens wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar, een verhaalsrecht kan uitoefenen wanneer er een rechtsgrondslag bestaat om een dergelijke vergoeding te vorderen in de lidstaat waar de schade is ingetreden?”

Procedure bij het Hof

29 Bij beslissing van de president van het Hof van 3 oktober 2024 is de behandeling van deze zaak geschorst tot de uitspraak van het arrest in zaak C‑7/24. Na de uitspraak van het arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr (C‑7/24, EU:C:2025:439), is de procedure hervat bij beslissing van de president van het Hof van 18 juni 2025.

30 Bij brief van 18 juni 2025 heeft het Hof dat arrest aan de verwijzende rechter betekend en heeft het hem gevraagd of hij, gelet op dat arrest, zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in de onderhavige zaak wenste te handhaven.

31 Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 22 juli 2025, heeft die rechter laten weten dat hij zijn verzoek wenste te handhaven. Hij heeft verduidelijkt dat de onderhavige zaak vragen doet rijzen over de uitlegging van artikel 1, onder q), iv), en artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004, vragen die het Hof in het voormelde arrest niet heeft behandeld, aangezien in de onderhavige zaak de arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van een arbeidsongeval of beroepsziekte en het verzoek tot terugbetaling van de uitgekeerde prestaties afkomstig is van de werkgever van de benadeelde.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

32 Met zijn vraag, zoals hij die heeft verduidelijkt in zijn antwoord op het in punt 31 van het onderhavige arrest genoemde verzoek van het Hof, wenst de verwijzende rechter in wezen allereerst te vernemen of artikel 1, onder q), iv), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „bevoegd orgaan” in de zin van deze bepaling ook ziet op een in een lidstaat gevestigde werkgever die zijn werknemer naar aanleiding van een ongeval dat zich in een andere lidstaat heeft voorgedaan en waarbij het noch om een arbeidsongeval noch om een beroepsziekte gaat, tijdens zijn ziekteverlof loonvergoedingen heeft betaald wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Daarnaast wenst hij eveneens te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat dergelijke vergoedingen onder het begrip „prestaties bij ziekte” in de zin van deze bepaling vallen. Indien de eerste twee vragen bevestigend worden beantwoord, wenst hij tevens te vernemen of artikel 85, lid 1, van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat een werkgever, als orgaan dat prestaties verschuldigd is, alleen dan bij de aansprakelijke derde of diens verzekeraar terugbetaling kan vorderen van de ziekteprestaties die hij zijn werknemer heeft betaald voor in een andere lidstaat ontstane schade als er in die andere lidstaat een rechtsgrondslag voor een dergelijke terugbetaling bestaat.

33 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 1, onder q), iv), van verordening nr. 883/2004 bepaalt dat „indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 3, lid 1, bedoelde prestaties” onder „bevoegd orgaan” wordt verstaan „de werkgever of de betrokken verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam dat of de autoriteit die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangewezen”.

34 Uit die bepaling volgt dat een werkgever als een „bevoegd orgaan” in de zin van die bepaling kan worden beschouwd indien hij krachtens een bepaalde regeling verplicht is om prestaties uit te keren die worden genoemd in artikel 3, lid 1, van die verordening.

35 In de tweede plaats moet worden verduidelijkt welke prestaties in artikel 3, lid 1, worden bedoeld. Volgens punt a) van deze bepaling is die verordening van toepassing „op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: prestaties bij ziekte”.

36 Artikel 9 van die verordening bepaalt in dit verband dat de „lidstaten […] de […] Commissie schriftelijk in kennis [stellen] van […] wetgeving en regelingen als bedoeld in artikel 3”.

37 De Commissie wijst erop dat de Bondsrepubliek Duitsland in casu overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 883/2004 het behoud van loon bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid als „ziekteprestatie in geld” heeft aangemeld en de werkgever heeft aangewezen als „bevoegd orgaan” in de zin van artikel 1, onder q), iv), en artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening.

38 Niettemin moet worden benadrukt dat het onderscheid tussen prestaties die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 vallen en prestaties die daarvan zijn uitgesloten voornamelijk op de constitutieve elementen van elke prestatie berust, met name het doel waarop deze is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend, terwijl irrelevant is of een uitkering door een nationale wetgeving al dan niet als een socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt (arrest van 11 april 2024, Sozialministeriumservice, C‑116/23, EU:C:2024:292, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Zo blijkt uit vaste rechtspraak dat een prestatie als een socialezekerheidsuitkering kan worden aangemerkt wanneer zij, ten eerste, zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven situatie en, ten tweede, verband houdt met een van de in artikel 3, lid 1, van die verordening uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten, waarbij deze twee voorwaarden cumulatief zijn (arrest van 11 april 2024, Sozialministeriumservice, C‑116/23, EU:C:2024:292, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Aan de eerste van deze twee voorwaarden is voldaan wanneer een prestatie wordt toegekend aan de hand van objectieve criteria die, wanneer daaraan is voldaan, recht geven op de prestatie zonder dat de bevoegde autoriteit rekening mag houden met andere persoonlijke omstandigheden (arrest van 11 april 2024, Sozialministeriumservice, C‑116/23, EU:C:2024:292, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 In de onderhavige zaak lijkt de doorbetaling in Duitsland van het loon bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid te steunen op objectieve criteria die recht geven op de prestatie zonder dat de werkgever rekening kan houden met andere persoonlijke omstandigheden van zijn werknemer dan die welke aan de basis van de arbeidsongeschiktheid liggen. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt dus te zijn voldaan aan de eerste van de twee voorwaarden.

42 Wat de tweede voorwaarden betreft, zij erop gewezen dat het begrip „prestaties bij ziekte” in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 ziet op prestaties die in hoofdzaak de genezing van de patiënt ten doel hebben door de benodigde verzorging te verlenen en die dus het risico van een toestand van ziekte dekken (arrest van 11 april 2024, Sozialministeriumservice, C‑116/23, EU:C:2024:292, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 In zoverre moet worden aangenomen dat loondoorbetaling bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid verband houdt met het risico van een toestand van ziekte, aangezien daarmee wordt gewaarborgd dat een werknemer die tijdens zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid met ziekteverlof is, zijn inkomen behoudt, met name om te kunnen rusten en de verzorging te kunnen krijgen die zijn gezondheidstoestand vereist.

44 Zo heeft het Hof in de punten 15 tot en met 19 van het arrest van 3 juni 1992, Paletta (C‑45/90, EU:C:1992:236), in verband met een Duitse wettelijke regeling die dateert van vóór de Duitse loondoorbetalingswet, in wezen geoordeeld dat dergelijke loondoorbetalingen bij ziekte voldoen aan de twee in punt 39 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden en derhalve moeten worden beschouwd als „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), welke bepaling is vervangen door artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004.

45 Onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificaties moet in die omstandigheden worden geconstateerd dat loondoorbetalingen die wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid in een lidstaat worden gedaan tijdens een ziekteverlof na een ongeval dat zich in een andere lidstaat heeft voorgedaan en waarbij het noch om een arbeidsongeval noch om een beroepsziekte gaat, zoals de doorbetalingen van loon aan X, onder het begrip „prestaties bij ziekte” van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 vallen. Hieruit volgt dat de werkgever die dergelijke uitkeringen heeft gedaan, moet worden beschouwd als een „bevoegd orgaan” in de zin van artikel 1, onder q), iv, van verordening nr. 883/2004.

46 Wat in de derde plaats de uitlegging van artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 betreft, zij er ten eerste aan herinnerd dat deze bepaling beoogt een socialezekerheidsorgaan van een lidstaat dat socialezekerheidsprestaties heeft betaald naar aanleiding van een op het grondgebied van een andere lidstaat ontstane schade, in staat te stellen om tegen de voor de schade aansprakelijke derde de rechtsmiddelen aan te wenden die het door dat orgaan toegepaste recht biedt, ongeacht of het gaat om subrogatie dan wel om een rechtstreekse vordering. Het aldus aan de nationale socialezekerheidsorganen toegekende recht vormt een logisch en billijk tegenwicht voor de uitbreiding van de verplichtingen van die organen tot het gehele grondgebied van de Unie die uit de bepalingen van deze verordening voortvloeit (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 De voormelde bepaling moet derhalve worden gezien als een conflictenregel, die de nationale rechter bij wie een schadevordering tegen de veroorzaker van de schade aanhangig wordt gemaakt, verplicht om het recht van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is toe te passen, niet alleen om te bepalen of dat orgaan rechtmatig in de rechten van de getroffene of zijn rechthebbenden is gesubrogeerd, maar ook ter bepaling van de aard en de omvang van de vorderingen waarin het orgaan is gesubrogeerd (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Indien immers de nationale rechter ter bepaling van de omvang van het recht op beroep van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, het recht zou toepassen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan, zou hij artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 geheel of gedeeltelijk zijn nuttig effect kunnen ontnemen. Dit zou in het bijzonder het geval zijn indien de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan, bepaalt dat de wettelijke subrogatie of de rechtstreekse vordering niet mogelijk is voor bepaalde soorten schuldvorderingen die dat orgaan in zijn eigen lidstaat bij wege van subrogatie of rechtstreekse vordering geldend kan maken (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Hieruit volgt dat de vraag of het orgaan dat de prestaties verschuldigd is – in dit geval de deelstaat Beieren – een subrogatierecht heeft en de aard en de omvang van de vorderingen waarin het orgaan wordt gesubrogeerd, worden bepaald door het recht van de lidstaat waaronder dat orgaan ressorteert, en dus in casu door het Duitse recht.

50 Ten tweede moet evenwel worden verduidelijkt dat artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 enkel beoogt te verzekeren dat het vorderingsrecht waarop het orgaan dat de prestaties verschuldigd is krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving aanspraak kan maken, door de andere lidstaten wordt erkend. Het wijzigt niet de regels volgens welke moet worden bepaald of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, wettelijk aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van de derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de nationale rechter bij wie de getroffene of zijn rechthebbenden de vordering instelt, normaliter moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Hieruit volgt dat de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden hebben ten opzichte van de veroorzaker van de schade, alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering aanhangig kan worden gemaakt bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan, worden bepaald volgens het recht van die lidstaat, met inbegrip van de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, kan enkel in de aldus vastgestelde rechten worden gesubrogeerd. Een dergelijke subrogatie kan immers niet tot gevolg hebben dat de ontvanger van de prestaties aanvullende rechten ten opzichte van een derde verkrijgt (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Ten derde vallen, van de vergoedingen die aan de getroffene of zijn rechthebbenden worden toegekend krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan, onder het subrogatierecht slechts de vergoedingen die overeenkomen met de prestaties die worden betaald door het orgaan dat deze verschuldigd is, met uitsluiting van vergoedingen voor immateriële schade of andere persoonlijke schadeposten (arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Bijgevolg kan het subrogatierecht in de zin van artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet voor een krachtens die wetgeving betaalde prestatie, zich slechts uitstrekken tot een prestatie waarin is voorzien door de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gebeurtenis die aanleiding gaf tot de prestatie is voorgevallen, zoals een verkeersongeval, wanneer deze prestaties wat hun respectieve voorwerp en doelstellingen betreft voldoende vergelijkbaar zijn (zie in die zin arrest van 12 juni 2025, Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr, C‑7/24, EU:C:2025:439, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 In casu benadrukt de verwijzende rechter dat het Kroatische recht de werkgever niet het recht verleent om van de voor de schade aansprakelijke derde of diens verzekeraar terugbetaling te verkrijgen van de loonvergoedingen die hij wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid aan een werknemer heeft betaald, en evenmin aan die werknemer een recht op dergelijke vergoedingen ten aanzien van de voor de schade aansprakelijke derde of diens verzekeraar waarin de werkgever zou kunnen worden gesubrogeerd.

56 In het bijzonder blijkt uit de uiteenzetting van de verwijzende rechter over de Kroatische wetgeving op het gebied van motorrijtuigen‑ en ziektekostenverzekering en uit de opmerkingen die de Republiek Kroatië en de Commissie bij het Hof hebben ingediend, dat in het Kroatische recht de werkgever zijn werknemers van de 1e tot en met de 42e dag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid een loonvergoeding uit eigen middelen betaalt. Vanaf de 43e dag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid daarentegen moet de instelling, die in Kroatië de verplichte ziektekostenverzekering ten uitvoer legt, de werkgever op diens verzoek de vanaf die dag verschuldigde loonvergoedingen terugbetalen. De instelling moet dan op haar beurt de schadeveroorzaker of diens verzekeraar verzoeken om terugbetaling van de bedragen die zij aan de werkgever heeft betaald.

57 Aldus blijkt dat de Kroatische wetgeving de werkgever voor de periode van de 1e tot en met de 42e dag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen enkel recht verleent om van de schadeveroorzaker of diens verzekeraar terugbetaling te vragen van de loonvergoedingen die hij aan zijn werknemer heeft betaald, maar dat de werkgever vanaf de 43e dag wel terugbetaling van deze vergoedingen kan verkrijgen van de instelling, die vervolgens van de schadeveroorzaker en in voorkomend geval diens verzekeraar terugbetaling kan vorderen van de vergoedingen die zij aan de werkgever betaalt.

58 In het onderhavige geval lijkt artikel 3 van de Duitse loondoorbetalingswet, zoals de Commissie opmerkt, de verplichting van de Duitse werkgever om zijn werknemer bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte loonvergoedingen te betalen, te beperken tot 6 weken, oftewel 42 dagen. Hieruit volgt dat het voorwerp van het hoofdgeding zich lijkt te beperken tot de loonvergoedingen die X van de 1e tot en met de 42e dag van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan. In die omstandigheden kan de subrogatie waarop de deelstaat Beieren zich krachtens artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004 beroept, zoals in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, er niet toe leiden dat X aanvullende rechten verkrijgt die het Kroatische recht niet erkent ten aanzien van de derde die de uit het ongeval voortvloeiende schade moet vergoeden of jegens diens verzekeraar.

59 In het verzoek om een prejudiciële beslissing wijst echter niets erop dat het hoofdgeding ook betrekking heeft op de terugbetaling van loonvergoedingen die na de 42e dag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid zouden zijn betaald, zodat de vraag of de deelstaat Beieren, in de hypothese dat hij dergelijke vergoedingen zou hebben betaald, terugbetaling daarvan zou kunnen vorderen bij de instelling – die trouwens geen partij is in het hoofdgeding – of bij de verzekeraar van de derde die de uit het ongeval voortvloeiende schade moet vergoeden, irrelevant lijkt voor de beslechting van het hoofdgeding.

60 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat: – artikel 1, onder q), iv), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „bevoegd orgaan” in de zin van deze bepaling ook ziet op de werkgever die krachtens een regeling houdende zijn verplichtingen prestaties moet betalen die onder artikel 3, lid 1, van deze verordening vallen; – artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „prestaties bij ziekte” in deze bepaling ook ziet op loondoorbetalingen die wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid in een lidstaat worden gedaan tijdens een ziekteverlof na een ongeval dat zich in een andere lidstaat heeft voorgedaan en waarbij het noch om een arbeidsongeval noch om een beroepsziekte gaat, en – artikel 85, lid 1, van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat de werkgever, als orgaan dat prestaties verschuldigd is, alleen dan bij de aansprakelijke derde of diens verzekeraar terugbetaling kan vorderen van de ziekteprestaties die hij aan zijn werknemer heeft betaald voor in een andere lidstaat ontstane schade, indien er in die andere lidstaat een rechtsgrondslag bestaat om terugbetaling te kunnen verkrijgen van die prestaties of van prestaties die vergelijkbaar zijn wat hun voorwerp en doel betreft.

Kosten

61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 1, onder q), iv), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „bevoegd orgaan” in de zin van deze bepaling ook ziet op de werkgever die krachtens een regeling houdende zijn verplichtingen prestaties moet betalen die vallen onder artikel 3, lid 1, van deze verordening, zoals gewijzigd.

2) Artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „prestaties bij ziekte” in deze bepaling ook ziet op loondoorbetalingen die wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid in een lidstaat worden gedaan tijdens een ziekteverlof na een ongeval dat zich in een andere lidstaat heeft voorgedaan en waarbij het noch om een arbeidsongeval noch om een beroepsziekte gaat.

3) Artikel 85, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, moet aldus worden uitgelegd dat de werkgever, als orgaan dat prestaties verschuldigd is, alleen dan bij de aansprakelijke derde of diens verzekeraar terugbetaling kan vorderen van de ziekteprestaties die hij aan zijn werknemer heeft betaald voor in een andere lidstaat ontstane schade, indien er in die andere lidstaat een rechtsgrondslag bestaat om terugbetaling te kunnen verkrijgen van die prestaties of van prestaties die vergelijkbaar zijn wat hun voorwerp en doel betreft.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Kroatisch.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken