HvJ EU 26 maart 2026, C-307/23, ECLI:EU:C:2026:246
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Communautair douanewetboek – In- en uitvoerprocedures – Vaststelling van de douanewaarde – Artikel 32, lid 1, onder a) ii), en onder b), iv) – Aanpassing naargelang van de kosten die ten laste komen van de koper – Kosten in verband met immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van sjablonen voor etiketten die op conservenblikken worden aangebracht– Begrip ‚verpakkingsmiddel’ – Immateriële prestaties die worden verricht op het grondgebied van de Europese Unie”
In zaak C‑307/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissing van 17 januari 2023, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2023, in de procedure
G GmbH
tegen
Hauptzollamt H,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele (rapporteur), A. Kumin, S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– G GmbH, vertegenwoordigd door L. Harings, Rechtsanwalt,
– Hauptzollamt H, vertegenwoordigd door S. Hein,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Bain, J.‑L. Carré en B. Fodda als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers en F. Moro als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 32, lid 1, onder a), ii), en onder b), iv), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G GmbH en Hauptzollamt H in verband met de navordering van invoerrechten voor etiketten die aangebracht zijn op conservenblikken met levensmiddelen.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 29, lid 1, van het douanewetboek bepaalt: „De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de [Europese Economische] Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33 [...]”.
4 Artikel 32 van dat wetboek luidt: „1. Voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met: a) de volgende elementen, voor zover zij ten laste komen van de koper en niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs: i) commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies, ii) kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen, iii) kosten van het verpakken, waaronder zowel het arbeidsloon als het materiaal is begrepen; b) de op passende wijze toegerekende waarde van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen: i) materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen worden verwerkt; ii) werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden gebruikt; iii) materialen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden verbruikt; iv) engineering, ontwikkeling, werken van kunst en ontwerpen, tekeningen en schetsen, die elders dan in de Gemeenschap worden verricht of gemaakt en voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen noodzakelijk zijn; [...]”
5 De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), bevat in het eerste deel onder titel I een afdeling A, met als opschrift „Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur”. Algemene regel 5 in verband met de indeling van goederen luidt als volgt: „Voor de hierna genoemde goederen gelden daarenboven de volgende regels: a) etuis, foedralen en koffers voor camera’s, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde post als die artikelen indien zij van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen; b) behoudens het bepaalde onder 5 a) worden gevulde verpakkingsmiddelen ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.”
6 Voetnoot nr. 1 die te vinden is onder algemene regel 5 preciseert dat onder „verpakkingsmiddelen” worden verstaan, „alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen – met name containers –, dekkleden en het stuw- en hulpmateriaal. Hieronder worden echter niet de in algemene regel 5, onder a), bedoelde bergingsmiddelen verstaan.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7 In de periode van 12 december 2012 tot 30 mei 2013 heeft G, die eigenaar is van een douane-entrepot in Duitsland, tien inklaringen verricht voor lang houdbare levensmiddelen in conservenblikken die door leveranciers uit derde landen waren verkocht, met het oog op het in het vrije verkeer brengen van die goederen in het kader van de domiciliëringsprocedure ten behoeve van een koper. De koper stelde de leveranciers kosteloos in elektronische vorm de sjablonen ter beschikking die dienden als model voor de vervaardiging van de etiketten die op de conservenblikken moesten worden aangebracht. Deze etiketten werden door de leveranciers gedrukt en op de conservenblikken aangebracht. De sjablonen van die etiketten zijn in opdracht en op kosten van de koper ontworpen door ontwerpstudio’s in Duitsland.
8 De aangegeven douanewaarden stemden overeen met het bedrag dat de koper aan de leveranciers moest betalen overeenkomstig de contractuele bedingen. Dit bedrag bevatte, naast de kosten van de levensmiddelen, de kosten van de verpakking voor verkoop in de detailhandel in de vorm van conservenblikken, alsmede de kosten van het drukken en aanbrengen van de etiketten, met uitzondering van de door de koper gedragen kosten voor het ontwerpen van de sjablonen.
9 Bij een belastingaanslag, die op 20 februari 2014 is afgegeven, heeft het Hauptzollamt H douanerechten nagevorderd voor een bedrag van 1412,61 EUR, wat overeenkomt met de opname in de aangegeven douanewaarden van de kosten voor het ontwerpen van de sjablonen van de etiketten die op de conservenblikken waren aangebracht.
10 Het door G tegen deze aanslag ingestelde beroep werd in eerste aanleg verworpen, met als motivering dat het etiket waarop de inhoud van het conservenblik wordt beschreven en aangeprezen, onlosmakelijk verbonden is met het conservenblik zelf als verpakkingsmiddel in de zin van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek.
11 G heeft bij het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in eerste aanleg. Deze rechter wijst erop dat de douanewaarde van de in het grondgebied van de Europese Unie ingevoerde goederen wordt vastgesteld op basis van de transactiewaarde, vermeerderd met de in artikel 32 van het douanewetboek bedoelde kosten.
12 Volgens deze rechter bestaat er geen twijfel over dat de door G gebruikte conservenblikken „verpakkingsmiddelen” zijn in de zin van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van dat wetboek, waarvan de productiekosten, met inbegrip van die welke verband houden met het blik zelf en met het drukken en aanbrengen van het etiket daarop, in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de douanewaarde, aangezien dit etiket een onlosmakelijk geheel vormt met het conservenblik.
13 Deze rechter merkt evenwel op dat een dergelijke vaststelling niet vanzelfsprekend is wat betreft de kosten die verband houden met de immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van de sjablonen van de op die blikken aangebrachte etiketten. De voor dit ontwerp benodigde prestaties zouden namelijk kunnen vallen onder „engineering, ontwikkeling, werken van kunst en ontwerpen, tekeningen en schetsen” als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dat wetboek.
14 In dat geval zou op grond van die bepaling de douanewaarde slechts moeten worden aangepast in de zin van een verhoging met de kosten van die prestaties indien deze buiten het grondgebied van de Unie zijn verricht, wat in casu niet het geval is, aangezien de betrokken sjablonen in Duitsland zijn ontworpen.
15 In deze context heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten de kosten voor in het douanegebied van de Unie vervaardigde printsjablonen voor etiketten worden opgeteld bij de transactiewaarde overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder a), ii), of artikel 32, lid 1, onder b), iv), van het [douanewetboek], indien de in het douanegebied van de Unie gevestigde koper de printsjablonen kosteloos in elektronische vorm ter beschikking stelt van de leveranciers in het derde land?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
16 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 32, lid 1, onder a), ii), en onder b), iv), van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de kosten van immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van sjablonen voor etiketten die worden aangebracht op conservenblikken met levensmiddelen die in het grondgebied van de Unie worden ingevoerd, moeten worden opgeteld bij de voor deze ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, wanneer deze sjablonen zijn ontworpen op verzoek en op kosten van de koper op het grondgebied van de Unie en kosteloos in elektronische vorm ter beschikking worden gesteld aan de leveranciers.
17 Aangezien het douanewetboek niet uitdrukkelijk bepaalt hoe dergelijke kosten voor douanedoeleinden moeten worden behandeld, moeten de in deze vraag vermelde bepalingen worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar eveneens met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie in die zin arrest van 18 december 2025, Storstockholms Lokaltrafik, C‑422/24, EU:C:2025:980, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van die bepalingen betreft, wordt in artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek vermeld dat bij de vaststelling van de douanewaarde de „kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen”, bij de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs worden opgeteld.
19 Op grond van artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dit wetboek wordt ook het volgende opgeteld bij de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs: de waarde van „engineering, ontwikkeling, werken van kunst en ontwerpen, tekeningen en schetsen” die worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, wanneer deze goederen en diensten gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd, mits zij „elders dan in de [Unie]” worden verricht of gemaakt en zij „voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen noodzakelijk zijn”.
20 Om de respectieve werkingssferen van deze twee bepalingen af te bakenen, moet worden benadrukt dat artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dit wetboek betrekking heeft op de kosten van de goederen en diensten die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de „ingevoerde goederen”, terwijl artikel 32, lid 1, onder a), ii), van datzelfde wetboek verwijst naar de kosten van „verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen”.
21 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat G bij de aangifte van de douanewaarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen met name rekening heeft gehouden met de kosten van de verpakkingsmiddelen, namelijk de kosten van de productie van de conservenblikken en de kosten van het drukken van de daarop aangebrachte etiketten, maar zonder de kosten die zijn gemaakt voor de immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van die etiketten in aanmerking te nemen.
22 Voor de verwijzende rechter staat niet ter discussie dat de immateriële prestaties die noodzakelijk zijn voor het ontwerpen van de sjablonen die aan de leveranciers van de ingevoerde goederen in elektronische vorm ter beschikking worden gesteld om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde etiketten te drukken, moeten worden aangemerkt als „goederen en diensten” in de zin van artikel 32, lid 1, onder b), van het douanewetboek. In dit verband is geoordeeld dat, aangezien de bewoordingen van die bepaling uitdrukkelijk verwijzen naar „goederen” of „diensten”, de werkingssfeer ervan niet beperkt is tot materiële goederen (arrest van 10 september 2020, BMW, C‑509/19, EU:C:2020:694, punt 18).
23 Zoals in herinnering is gebracht in punt 20 van het onderhavige arrest, verwijst artikel 32, lid 1, onder b), iv) van dat wetboek naar de kosten van de goederen en diensten die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de „ingevoerde goederen”.
24 De bewoordingen van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van dat wetboek maken daarentegen een onderscheid tussen die goederen en hun „verpakkingsmiddelen”, aangezien deze bepaling dat begrip uitdrukkelijk vermeldt.
25 In dit verband wordt de term „bergingsmiddelen” volgens voetnoot 1 bij algemene regel 5 in het eerste deel, titel 1, afdeling A, van de gecombineerde nomenclatuur, die bijlage I vormt bij verordening nr. 2658/87, geassocieerd met de term „verpakkingsmiddelen” voor zover onder laatstgenoemde term wordt verstaan „alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen”. Bovendien is het vaste rechtspraak dat de term „verpakkingen” betrekking heeft op verpakkingsmiddelen die zich niet enkel lenen voor het vervoer van de waren, maar ook voor de opslag en de verhandeling ervan (arrest van 5 oktober 1988, Schmid, 357/87, EU:C:1988:478, punt 8).
26 Aangezien met de immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van de sjablonen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde etiketten wordt beoogd dat de etiketten worden gedrukt die op de ingevoerde conservenblikken zullen worden aangebracht, sluiten de bewoordingen van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek niet uit dat de daardoor veroorzaakte kosten betrekking kunnen hebben op de „verpakkingsmiddelen” in de zin van deze bepaling, voor zover deze sjablonen daadwerkelijk een met deze verpakkingsmiddelen nauw verbonden element vormen.
27 In dit verband kan de vraag of deze etiketten van de conservenblikken kunnen worden losgemaakt, niet doorslaggevend zijn voor een dergelijke beoordeling. Etiketten geven namelijk informatie over onder meer de inhoud van het ingevoerde conservenblik met levensmiddelen en over de houdbaarheid ervan, en zelfs aanbevelingen voor de bereiding en/of consumptie van de inhoud van de blikken. Deze informatie is noodzakelijk voor de verkoop van het product en kan na de verkoop het gebruik ervan vergemakkelijken.
28 Wanneer geen etiketten op de conservenblikken zijn aangebracht, betekent dit evenwel niet dat de inhoud ervan onbruikbaar wordt. Derhalve kunnen die etiketten niet worden beschouwd als een integrerend deel van de inhoud van die blikken, noch als noodzakelijk voor de voortbrenging ervan in de zin van artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dat wetboek (zie in die zin arrest van 10 september 2020, BMW, C‑509/19, EU:C:2020:694, punt 20).
29 Hieruit volgt dat, hoewel noch de bewoordingen van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek, noch die van artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dat wetboek een duidelijke aanwijzing bevatten over de wijze waarop de kosten van de immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van de sjablonen van de etiketten die op de conservenblikken met levensmiddelen worden aangebracht, voor douanedoeleinden moeten worden behandeld, deze kosten kunnen vallen onder de categorie van kosten van verpakkingsmiddelen in de zin van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van dat wetboek, voor zover er een nauw verband bestaat tussen die sjablonen en de verpakkingsmiddelen, te weten die conservenblikken met levensmiddelen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
30 In de tweede plaats moet met betrekking tot de context van artikel 32, lid 1, onder a), ii) en onder b), iv), van dat wetboek en de opzet van die bepaling eraan worden herinnerd dat de douanewaarde van ingevoerde goederen krachtens artikel 29 van dat wetboek de transactiewaarde van die goederen is, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig met name artikel 32 van het douanewetboek (arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, moet de douanewaarde van ingevoerde goederen primair worden bepaald volgens de zogeheten transactiewaardemethode. Deze methode ter bepaling van de douanewaarde geldt dus als de meest geschikte en de meest gebruikte (arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 De voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs is dan ook doorgaans de basis voor de berekening van de douanewaarde, maar die prijs moet zo nodig worden aangepast (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In het bijzonder zijn de elementen die bij de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs moet worden opgeteld om de douanewaarde ervan vast te stellen, vermeld in artikel 32 van het douanewetboek.
34 Zoals in punt 20 van het onderhavige arrest is beklemtoond, heeft artikel 32, lid 1, onder a), ii), van dat wetboek in dit verband specifiek betrekking op de „verpakkingsmiddelen” van ingevoerde goederen, terwijl artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dat wetboek ziet op de waarde van de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de „ingevoerde goederen” in het algemeen.
35 Aldus stelt artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek een specifieke regel vast voor de aanpassing van de douanewaarde van ingevoerde goederen op basis van de kosten die nauw verband houden met de verpakkingsmiddelen ervan, ongeacht de aard van de prestaties waarop deze kosten betrekking hebben, in tegenstelling tot artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dat wetboek, dat voorziet in een aanpassing op basis van de immateriële prestaties die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen, zonder specifiek onderscheid tussen de goederen zelf en de verpakkingsmiddelen ervan.
36 Terwijl artikel 32, lid 1, onder b), van het douanewetboek, voor de aanpassing van de douanewaarde van „ingevoerde goederen”, in punt iv) een uitdrukkelijke geografische precisering bevat met betrekking tot de plaats waar de daarin bedoelde immateriële prestaties zijn verricht, bevat artikel 32, lid 1, onder a), ii), van dat wetboek geen enkele gelijkwaardige precisering met betrekking tot de eventuele aanpassing van die waarde op grond van de fabricagekosten van de verpakkingsmiddelen van die goederen. In die omstandigheden heeft de Uniewetgever een afzonderlijke aanpassingsregeling willen invoeren, naargelang de betrokken kosten zien op immateriële prestaties die nauw verband houden met de verpakkingsmiddelen van de ingevoerde goederen, dan wel op dergelijke prestaties wanneer deze noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen zelf.
37 De specifieke werkingssfeer van artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek pleit ervoor dat de kosten van immateriële prestaties die nauw verband houden met de verpakkingsmiddelen van ingevoerde goederen, onder dezelfde regeling voor aanpassing van de douanewaarde vallen als die welke geldt voor de kosten van materiële goederen en prestaties die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van die verpakkingsmiddelen. In dit verband zou de toepassing van een afwijkende aanpassingsregeling voor de kosten van die immateriële prestaties een uitdrukkelijke vermelding in die zin van de Uniewetgever hebben vereist, naar het voorbeeld van de vermelding in artikel 32, lid 1, onder b), iv), van dat wetboek met betrekking tot de goederen en diensten die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen.
38 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat artikel 32, lid 1, onder a), ii), van het douanewetboek van toepassing is op alle kosten die nauw verband houden met de vervaardiging van de verpakkingsmiddelen van de goederen, zoals dit het geval lijkt te zijn voor de kosten van de immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sjablonen.
39 In de derde plaats wordt met de regels van het douanewetboek inzake de vaststelling van de douanewaarde beoogd een billijke, eenvormige en neutrale regeling vast te stellen waarbij het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden wordt uitgesloten. De douanewaarde moet namelijk de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en derhalve rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen (arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 24).
40 In dit verband wordt niet betwist dat de immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van de sjablonen voor de etiketten die op conservenblikken worden aangebracht een zekere en kwantificeerbare economische waarde hebben. Wanneer met de kosten van dergelijke prestaties rekening wordt gehouden, draagt dit bij tot de verwezenlijking van de doelstelling om een douanewaarde vast te stellen die overeenkomt met de werkelijke economische waarde van de goederen.
41 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 32, lid 1, onder a), ii), en onder b), iv), van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de kosten van immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van sjablonen voor etiketten die worden aangebracht op conservenblikken met levensmiddelen die in het grondgebied van de Unie worden ingevoerd, moeten worden opgeteld bij de voor deze ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, wanneer deze sjablonen zijn ontworpen op verzoek en op kosten van de koper op het grondgebied van de Unie en kosteloos in elektronische vorm ter beschikking worden gesteld aan de leveranciers, op voorwaarde dat deze sjablonen nauw verband houden met de verpakkingsmiddelen van de ingevoerde goederen.
Kosten
42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 32, lid 1, onder a), ii), en onder b), iv), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek
moet aldus worden uitgelegd dat
de kosten van immateriële prestaties bestaande in het ontwerpen van sjablonen voor etiketten die worden aangebracht op conservenblikken met levensmiddelen die in het grondgebied van de Unie worden ingevoerd, moeten worden opgeteld bij de voor deze ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, wanneer deze sjablonen zijn ontworpen op verzoek en op kosten van de koper op het grondgebied van de Unie en kosteloos in elektronische vorm ter beschikking worden gesteld aan de leveranciers, op voorwaarde dat deze sjablonen nauw verband houden met de verpakkingsmiddelen van de ingevoerde goederen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.