HvJ EU 19 maart 2026, C-679/24, ECLI:EU:C:2026:223

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

19 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Leningsovereenkomst in vreemde valuta – Beding dat het wisselkoersrisico bij de consument legt – Gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een dergelijk beding – Vordering tot terugbetaling van de op grond van het oneerlijke beding betaalde bedragen – Aanvang van de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling – Hervatting van de verjaringstermijn na een periode van schorsing”

In zaak C‑679/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 9 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 15 oktober 2024, in de procedure

HL

tegen

UniCredit Bank Zrt.,

Momentum Credit Zrt.,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– UniCredit Bank Zrt., vertegenwoordigd door Z. Lajer, ügyvéd,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door D. Csoknyai en M. Z. Fehér als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en Zs. Teleki als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds HL, een consument, en anderzijds UniCredit Bank Zrt. en Momentum Credit Zrt., twee Hongaarse financiële instellingen, over het verzoek van HL dat ertoe strekt om, ten eerste, de ongeldigheid van de met UniCredit Bank gesloten leningsovereenkomst te doen vaststellen op grond dat in deze overeenkomst een oneerlijk beding is opgenomen en, ten tweede, te doen gelasten dat de rechtsgevolgen van die overeenkomst – met uitzondering van dat beding – worden gehandhaafd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de tiende overweging van richtlijn 93/13 staat het volgende te lezen: „Overwegende dat door het vaststellen van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen een doeltreffender bescherming van de consument kan worden bewerkstelligd […]”.

4 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

5 Artikel 2, onder b), van die richtlijn bepaalt het volgende: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […] b) ‚consument’: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen”.

6 Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt het volgende: „Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

7 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

8 Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

9 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt het volgende: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Hongaars recht

Oud burgerlijk wetboek

10 § 209, lid 1, van Polgári Törvénykönyvről szóló 1959. évi IV. törvény (wet nr. IV van 1959 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „oud burgerlijk wetboek”), bepaalde het volgende: „Algemene contractvoorwaarden en bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk wanneer zij de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen in strijd met de goede trouw en billijkheid eenzijdig en zonder rechtvaardiging vastleggen ten nadele van de partij die de contractvoorwaarden niet heeft opgesteld.”

11 In § 234, lid 1, van het oud burgerlijk wetboek was het volgende bepaald: „Tenzij de wet anders bepaalt, kan eenieder zich beroepen op de ongeldigheid van een nietige overeenkomst, zonder beperking in de tijd. De nietigheid kan worden vastgesteld zonder dat een afzonderlijke procedure hoeft te worden ingeleid.”

12 § 237 van dat wetboek luidde als volgt: „(1) Wanneer de overeenkomst ongeldig is, moet naar de situatie van vóór de sluiting van de overeenkomst worden teruggekeerd. (2) Indien niet kan worden teruggekeerd naar de situatie van vóór de sluiting van de overeenkomst, verklaart de rechter de overeenkomst van toepassing voor de periode tot aan de uitspraak van zijn vonnis. Een ongeldige overeenkomst kan geldig worden verklaard indien de oorzaak van de ongeldigheid kan worden weggenomen door het onevenredige voordeel te elimineren, met name in het geval van een overeenkomst die is aangetast door een wilsgebrek bestaande in misbruik van afhankelijkheid of een kennelijk onevenwicht tussen de prestaties van de partijen. In een dergelijk geval moet terugbetaling worden gelast van de verrichte prestaties waarvoor eventueel geen tegenprestatie is verricht. […]”

13 § 321 van dat wetboek bepaalde: „(1) Eenieder die op grond van de overeenkomst of de wet het recht heeft om de overeenkomst op te zeggen, oefent dit recht uit door een aan de wederpartij gerichte verklaring. De opzegging beëindigt de overeenkomst. (2) Indien de opzegging niet onmiddellijk van kracht wordt, blijft de overeenkomst bestaan tot het einde van de contractuele of wettelijke opzegtermijn.”

14 § 324 van dat wetboek bepaalde het volgende: „(1) Tenzij anders is bepaald, verjaren vorderingen na afloop van vijf jaar. (2) De verjaring van de hoofdvordering leidt tot verjaring van de nevenvorderingen. De verjaring van de nevenvorderingen heeft geen invloed op de hoofdvordering. […]”

15 § 326 van het oud burgerlijk wetboek luidde als volgt: „(1) De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de vordering opeisbaar wordt. (2) Indien de schuldeiser om een geldige reden de vordering niet kan doen gelden, kan hij de nakoming ervan alsnog vorderen binnen een termijn van één jaar (of drie maanden indien de verjaringstermijn niet meer dan één jaar bedraagt) vanaf het moment waarop het beletsel is weggevallen, zelfs indien de verjaringstermijn reeds is verstreken of de resterende duur minder dan één jaar bedraagt (of minder dan drie maanden indien de verjaringstermijn niet meer dan één jaar bedraagt). Deze bepaling is ook van toepassing indien de schuldeiser de schuldenaar, nadat de termijn is verstreken, een verlenging toestaat van de termijn waarover hij beschikt om zijn verplichting na te komen.”

16 § 327 van dit wetboek bepaalde het volgende: „(1) De verjaring wordt gestuit door de schuldenaar schriftelijk aan te manen zijn verplichting na te komen, door de vordering in rechte in te stellen, door de vordering bij overeenkomst te wijzigen (met inbegrip van een schikking) en, ten slotte, door erkenning van de schuld door de schuldenaar. (2) De verjaringstermijn begint opnieuw te lopen vanaf de dag waarop de verjaring is gestuit of vanaf de datum waarop de procedure die de verjaring heeft gestuit, definitief is afgesloten. […]”

Wet DH1

17 § 1 van Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvény [wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties in verband met de beslissing die de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) ter uniformisering van het recht heeft gegeven met betrekking tot leningsovereenkomsten die financiële instellingen met consumenten hebben gesloten], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet DH1”), luidt als volgt: „(1) Deze wet is van toepassing op leningsovereenkomsten die met consumenten zijn gesloten tussen 1 mei 2004 en de datum van inwerkingtreding van deze wet. Voor de toepassing van deze wet wordt onder de term ‚leningsovereenkomst die met een consument is gesloten’ verstaan elke krediet-, lenings‑ of leasingovereenkomst die is gebaseerd op vreemde valuta (gekoppeld aan of luidend in een vreemde valuta en terug te betalen in Hongaarse forint) of op de Hongaarse forint, en die is gesloten tussen een financiële instelling en een consument, wanneer daarin standaardbedingen met de in § 3, lid 1, of § 4, lid 1, beschreven inhoud zijn opgenomen of enig beding waarover niet individueel is onderhandeld met een dergelijke inhoud. […] (6) Voor vorderingen die voortvloeien uit met consumenten gesloten leningsovereenkomsten moeten de bepalingen van [het oud burgerlijk wetboek] inzake verjaring aldus worden uitgelegd dat deze vorderingen niet verjaren zolang de overeenkomst bestaat, aangezien de verjaringstermijn pas ingaat op de dag waarop de overeenkomst eindigt. (7) De verjaring van de in lid 6 bedoelde vorderingen wordt geschorst vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet tot de datum die overeenkomstig § 3, lid 5, en § 4, lid 3, in een afzonderlijke wet is vastgesteld. […]”

Wet DH2

18 § 9 van de Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvényben rögzített elszámolás szabályairól és egyes egyéb rendelkezésekről szóló 2014. évi XL. törvény (wet nr. XL van 2014 betreffende de regels inzake afrekening die zijn vastgesteld in wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties in verband met de beslissing die de Kúria heeft gegeven ter uniformisering van het recht inzake leningsovereenkomsten die financiële instellingen met consumenten hebben gesloten, en betreffende verschillende andere bepalingen), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet DH2”), bepaalt het volgende: „De in § 1, lid 7, van [wet DH1] bedoelde verjaringstermijn van vorderingen die voortvloeien uit met consumenten gesloten overeenkomsten wordt geschorst tot het tijdstip waarop de in deze wet bedoelde afrekening aan de consument wordt meegedeeld, en uiterlijk tot en met 31 december 2015.”

19 In § 37, lid 1, van deze wet is bepaald: „De partijen kunnen met betrekking tot overeenkomsten die binnen de werkingssfeer van deze wet vallen – ongeacht de ongeldigheidsgrond – slechts vorderen dat de rechter de overeenkomst of bepaalde bedingen ervan ongeldig verklaart (hierna: ‚gedeeltelijke ongeldigheid’) indien zij tevens vorderen dat de rechter de rechtsgevolgen van de ongeldigheid toepast, namelijk dat hij de overeenkomst geldig verklaart of van toepassing verklaart tot de datum waarop de beslissing [tot ongeldigverklaring] wordt gegeven. Bij gebreke daarvan en wanneer niet wordt ingegaan op het verzoek om het verzoekschrift aan te vullen, kan de rechter geen uitspraak doen over de grond van de zaak. Indien een partij vordert dat de rechter de rechtsgevolgen vaststelt van de volledige of gedeeltelijke ongeldigheid, moet zij ook aangeven welk rechtsgevolg dient te worden toegepast. In dit verband moet de vordering nauwkeurig en becijferd zijn, en tevens de afrekening tussen de partijen omvatten.”

Nationale rechtspraak

20 In advies 1/2010. (VI. 28.) PK (Legfelsőbb Bíróság Polgári Kollégiuma) vélemény az érvénytelenség jogkövetkezményeiről [advies nr. 1/2010 (VI. 28.) van de verenigde civiele kamer van de Legfelsőbb Bíróság (hooggerechtshof van Hongarije) over de rechtsgevolgen van de ongeldigheid (hierna: „advies 1/2010”)] staat het volgende te lezen: „[…] 2. Het algemene rechtsgevolg van de ongeldigheid bestaat erin dat uit de rechtshandeling geen rechten kunnen voortvloeien, dat wil zeggen dat de door de partijen beoogde rechtsgevolgen niet kunnen worden verwezenlijkt. Dit is het rechtsgevolg dat de rechter in geval van nietigheid ambtshalve moet toepassen, en waarop eenieder een beroep kan doen zonder dat hiervoor een verjaringstermijn geldt, tenzij de wet anders bepaalt. In geval van aanvechtbaarheid kan dit algemene rechtsgevolg als zodanig echter slechts worden toegepast indien de daartoe gerechtigde partij met succes rechtens is opgekomen tegen de overeenkomst. De andere rechtsgevolgen van de ongeldigheid (§ 237 van [het oud burgerlijk wetboek]) kunnen door de rechter, zowel in geval van nietigheid als vatbaarheid voor beroep van de overeenkomst, uitsluitend worden toegepast op daartoe strekkend verzoek van een partij, binnen de grenzen van de extinctieve en de verkrijgende verjaring. 3. De vroegere situatie kan alleen in natura worden hersteld. Er is geen sprake van herstel wanneer een partij de ontvangen prestatie slechts kan restitueren door betaling van de tegenwaarde ervan in geld. […]”

21 In beslissing 2/2014. számú PJE [Polgári jogegységi] határozat (beslissing 2/2014 van de Kúria van 16 juni 2014, gegeven ter uniformisering van de toepassing van het burgerlijk recht), staat te lezen: „[…] Indien een bepaalde consument, die wordt beschouwd als ‚gemiddelde consument’, aan de hand van de voorwaarden van de overeenkomst en de door de financiële instelling verstrekte informatie duidelijk kon begrijpen dat hij het wisselkoersrisico alleen en onbeperkt op zich nam en dat er geen bovengrens gold voor de voor hem ongunstige wisselkoerswijzigingen, kan het oneerlijke karakter van het onderzochte beding niet worden vastgesteld op basis van § 209, lid 5, van het oud burgerlijk wetboek. Derhalve moet de omstandigheid dat de consument de door de wet voorgeschreven informatie heeft ontvangen en een verklaring inzake de mededeling van het risico heeft ondertekend, tot bewijs van het tegendeel, aldus worden uitgelegd dat het voor de consument duidelijk en begrijpelijk was of had moeten zijn dat het wisselkoersrisico onbeperkt bij hem lag. Het staat aan de financiële instelling om aan te tonen dat de consument op die wijze is geïnformeerd. Indien daarentegen het beding waarin een onbeperkt wisselkoersrisico wordt afgewenteld op de consument wegens een fout van de financiële instelling voor de consument niet duidelijk herkenbaar of niet begrijpelijk was, zijn de voorwaarden vervuld om het oneerlijke karakter van de overeenkomst te kunnen vaststellen. […] Het staat aan de consument om te bewijzen dat de informatie ontoereikend was en dat het contractuele beding inzake het wisselkoersrisico bijgevolg voor hem onduidelijk en onbegrijpelijk was.”

22 Arrest Gfv.VI.30.382/2023/3 van de Kúria van 14 februari 2024 luidt als volgt: „[26] Hoewel eenieder zich krachtens § 234, lid 1, van het oud burgerlijk wetboek – behoudens de bij wet genoemde uitzonderingen – zonder tijdsbeperking op de nietigheid van een overeenkomst kan beroepen en de nietigheid kan worden vastgesteld zonder dat een afzonderlijke procedure hoeft te worden ingesteld, past de rechter de andere rechtsgevolgen van de ongeldigheid [(§ 237 van het oud burgerlijk wetboek)] uitsluitend toe op verzoek van een partij en binnen de grenzen van de extinctieve en de verkrijgende verjaring [advies 1/2010, punt [2, tweede alinea]. Sinds de inwerkingtreding op 1 november 2014 van § 37, lid 1, van wet DH2, kunnen de partijen met betrekking tot overeenkomsten die binnen de werkingssfeer van die bepaling vallen slechts vorderen dat de rechter een overeenkomst ongeldig verklaart indien zij tevens vorderen dat de rechter de rechtsgevolgen van de ongeldigheid toepast. De vordering die ertoe strekt dat de rechter de ongeldigheid van de overeenkomst vaststelt en bepaalt welke rechtsgevolgen voortvloeien uit die ongeldigheid vormt geen samenloop van vorderingen, maar één enkele vordering tot veroordeling zoals ontwikkeld in de rechtspraak (arrest Gfv.VII.30.758/2017/10 van de Kúria). In het kader van een procedure met een dergelijk voorwerp hoeft de rechter zich niet bij tussenvonnis uit te spreken over de rechtsgrondslag van de vordering. [27] Krachtens de bijzondere regeling die van toepassing is op de litigieuze leningsovereenkomst in vreemde valuta, te weten § 1, lid 6, van wet DH1, valt het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen samen met het einde van de overeenkomst en niet met het tijdstip waarop de schuldeiser de nakoming van de daaruit voortvloeiende bankvordering kan vorderen. Volgens deze bepaling moeten de regels van het oud burgerlijk wetboek inzake verjaring immers aldus worden uitgelegd dat vorderingen die voortvloeien uit met consumenten gesloten leningsovereenkomsten niet verjaren zolang de overeenkomst bestaat, aangezien de verjaringstermijn pas ingaat op de dag waarop de overeenkomst eindigt. Wanneer de overeenkomst door uitvoering ervan eindigt, heeft de financiële instelling op die datum per definitie geen vordering meer op de schuldenaar. Indien de overeenkomst daarentegen eindigt als gevolg van de onmiddellijke opzegging ervan [§ 321, lid 1, van het oud burgerlijk wetboek], blijft de vordering logischerwijs na het einde van de overeenkomst bestaan. […] [40] Indien de exceptie van verjaring wordt opgeworpen, wordt deze kwestie behandeld voordat de vordering ten gronde wordt onderzocht, aangezien de tenuitvoerlegging van een verjaarde schuldvordering niet in rechte kan worden gevorderd. De verjaringstermijn van vorderingen die voortvloeien uit met consumenten gesloten leningsovereenkomsten gaat krachtens een bijzondere wettelijke regeling op uniforme wijze in op de dag waarop de overeenkomst eindigt. De vraag of de vordering van de consument die ertoe strekt dat de rechter vaststelt welke rechtsgevolgen voortvloeien uit de ongeldigheid van de overeenkomst verjaard is, wordt beoordeeld los van de vraag of de vordering van de financiële instelling verjaard is.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

23 Op 14 februari 2008 heeft HL met UniCredit Bank een in Zwitserse frank (CHF) uitgedrukte hypothecaire leningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van 5100000 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 12750 EUR), die in Hongaarse forint moet worden terugbetaald over een looptijd van 360 maanden.

24 Deze overeenkomst bevatte een beding op grond waarvan het risico dat verbonden was aan de waardering van de vreemde valuta ten opzichte van de Hongaarse forint volledig bij de consument werd gelegd (hierna: „beding inzake het wisselkoersrisico”).

25 Op 17 mei 2012 heeft UniCredit Bank de leningsovereenkomst opgezegd wegens een betalingsachterstand met betrekking tot de sinds 15 november 2011 verschuldigde maandelijkse termijnen.

26 Op 28 december 2012 heeft UniCredit Bank een executoriale titel verkregen op grond waarvan zij tegen HL een – nog steeds lopende – executieprocedure heeft ingesteld. Op 17 maart 2017 heeft UniCredit Bank haar uit de leningsovereenkomst voortvloeiende vordering overgedragen aan Momentum Credit.

27 Op 4 april 2023 heeft HL zich tot de bevoegde rechter in eerste aanleg gewend teneinde primair te doen vaststellen dat de leningsovereenkomst ongeldig was omdat de bank haar informatieplicht niet was nagekomen en de verstrekte informatie over het wisselkoersrisico ontoereikend was en – als rechtsgevolg van die vaststelling – te doen gelasten dat de rechtsgeldigheid van die overeenkomst wordt gehandhaafd, met uitzondering van het als niet geschreven beschouwde beding inzake het wisselkoersrisico. HL heeft tevens verzocht om overeenkomstig § 3 van wet DH2 en in het licht van het arrest van 31 maart 2022, Lombard Lízing (C‑472/20, EU:C:2022:242) een afrekening tussen de partijen vast te stellen, waarbij hij zich ertoe heeft verbonden zijn op 5 september 2012 uitstaande schuld van 5223492 HUF (ongeveer 13058 EUR), vermeerderd met rente, terug te betalen vanaf de definitieve beslissing.

28 Subsidiair heeft HL de aangezochte rechter verzocht om vast te stellen dat de leningsovereenkomst ongeldig is en – in het kader van de rechtsgevolgen van die ongeldigheid – te verklaren dat deze overeenkomst krachtens § 37, lid 1, van wet DH2 rechtsgevolgen sorteert tot de dag van de uitspraak van het te wijzen vonnis.

29 UniCredit Bank en Momentum Credit hebben een exceptie van verjaring van de vordering van HL opgeworpen en betoogd dat het beroep diende te worden verworpen.

30 De rechter in eerste aanleg heeft het beroep van HL verworpen op grond van verjaring. Hij heeft zich niet uitgesproken over de ongeldigheid van de overeenkomst, aangezien hij van oordeel was dat de vordering van de betrokkene die ertoe strekt dat de rechter vaststelt welke rechtsgevolgen uit de ongeldigheid voortvloeien, hoe dan ook was verjaard.

31 HL heeft tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije), de verwijzende rechter. Bij deze rechter heeft hij met name aangevoerd dat de litigieuze leningsovereenkomst ongeldig was omdat de door de bank verstrekte informatie over het wisselkoersrisico ontoereikend was. Bovendien heeft HL betoogd dat zijn vordering niet was verjaard en heeft hij, onder verwijzing naar de arresten van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance (C‑609/19, EU:C:2021:469), en van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance (C‑776/19–C‑782/19, EU:C:2021:470), benadrukt dat voor de terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van een oneerlijk beding, geen verjaringstermijn kan worden tegengeworpen aan de consument die zich niet bewust is van het oneerlijke karakter van een dergelijk beding in een leningsovereenkomst.

32 UniCredit Bank en Momentum Credit hebben verzocht om bevestiging van het vonnis in eerste aanleg.

33 De verwijzende rechter merkt op dat hij zich moet uitspreken over het lot van een leningsovereenkomst in vreemde valuta wanneer een in die overeenkomst opgenomen beding, waarin is bepaald dat het wisselkoersrisico uitsluitend wordt gedragen door de consument, als oneerlijk wordt aangemerkt omdat die consument onvoldoende is geïnformeerd over de aard van dat risico, en dat de schrapping van dat beding, dat het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst bepaalt, tot gevolg heeft dat de overeenkomst in haar geheel ongeldig is.

34 Deze rechter heeft twijfels over de wijze waarop de verjaringstermijn moet worden berekend die van toepassing is op de vordering waarbij de consument de rechter verzoekt vast te stellen welke rechtsgevolgen voortvloeien uit de ongeldigheid van de leningsovereenkomst.

35 De verwijzende rechter geeft aan dat krachtens het Hongaarse recht, met name § 1, lid 6, van wet DH1, de verjaringstermijn voor vorderingen die voortvloeien uit een consumentenovereenkomst in beginsel ingaat op het tijdstip waarop die overeenkomst eindigt.

36 In dit verband heeft de rechter in eerste aanleg onder verwijzing naar punt 2 van advies 1/2010 en naar arrest Gfv.VI.30.382/2023/3 van de Kúria van 14 februari 2024 om te beginnen geoordeeld dat de vordering van HL die ertoe strekt dat de rechter vaststelt welke rechtsgevolgen voortvloeien uit de ongeldigheid van de leningsovereenkomst, onder de bepalingen betreffende de verjaring valt, met name onder § 324, lid 1, van het oud burgerlijk wetboek. Daarin is bepaald dat vorderingen verjaren na afloop van vijf jaar.

37 Wat voorts het tijdstip betreft waarop de verjaringstermijn van deze vordering is beginnen lopen, heeft de rechter in eerste aanleg geoordeeld dat deze termijn is ingegaan op het tijdstip waarop de leningsovereenkomst is gesloten, aangezien de aangevoerde ongeldigheidsgronden reeds bestonden op het tijdstip waarop die overeenkomst tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder was de rechter in eerste aanleg van oordeel dat § 1, lid 6, van wet DH1 in casu niet van toepassing is omdat een ongeldige en derhalve ex tunc nietige overeenkomst in beginsel slechts kan worden beschouwd als een overeenkomst die nooit rechtsgevolgen heeft teweeggebracht, waardoor deze zich onderscheidt van een overeenkomst die op een dag wordt beëindigd of ophoudt rechtsgevolgen te sorteren.

38 Wat de schorsing van de verjaring betreft, merkt de verwijzende rechter op dat in het vonnis in eerste aanleg wordt verduidelijkt dat deze slechts loopt gedurende de in § 1, lid 7, van wet DH1 en § 9 van wet DH2 vastgestelde termijn, namelijk tot het tijdstip waarop de in wet DH2 voorgeschreven afrekening aan de consument wordt meegedeeld en uiterlijk tot en met 31 december 2015, gesteld al dat deze bepalingen van toepassing worden geacht op vorderingen die voortvloeien uit de ongeldigheid van een overeenkomst.

39 De verwijzende rechter merkt op dat de verjaring volgens de rechter in eerste aanleg niet werd gestuit. Indien § 1, lid 6, van wet DH1 aldus moet worden uitgelegd dat de verjaringstermijn van toepassing is op vorderingen die voortvloeien uit de ongeldigheid van een overeenkomst en pas ingaat vanaf de beëindiging van die overeenkomst, zou namelijk moeten worden vastgesteld dat de in het oud burgerlijk wetboek bedoelde termijn van vijf jaar is verstreken, aangezien deze termijn is verlopen tussen de datum van beëindiging van de overeenkomst (17 mei 2012) en de datum waarop het beroep in het hoofdgeding is ingesteld (4 april 2023).

40 De verwijzende rechter is zelf van oordeel dat in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin het oneerlijke beding betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de leningsovereenkomst en tot gevolg heeft dat de overeenkomst in haar geheel ongeldig is, deze vijfjarige termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de overeenkomst is gesloten (14 februari 2008), zonder dat deze termijn kan worden verlengd door middel van een eventuele schorsing van de verjaring uiterlijk tot 31 december 2015 als bedoeld in wetten DH1 en DH2. Een dergelijke verlenging zou de consument in voorkomend geval in staat hebben gesteld om te onderkennen dat het contractuele beding inzake het wisselkoersrisico oneerlijk was.

41 In het licht van besluit nr. 2/2014 van de Kúria van 16 juni 2014 en de rechtspraak van het Hof betreffende de omvang van de informatie die de bank aan de consument moet verstrekken, vraagt de verwijzende rechter zich dan ook af of deze verjaringstermijn volstaat om de consument in staat te stellen het oneerlijke karakter van dat beding te onderkennen en zijn rechten te doen gelden indien deze termijn begint te lopen op de dag waarop de overeenkomst is gesloten.

42 In die omstandigheden heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Worden de in de §§ 1 en 7 van richtlijn 93/13 geformuleerde doelstellingen verwezenlijkt wanneer in een door een consument ingeleide procedure het recht van deze consument om een vordering geldend te maken die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van het eigenlijke voorwerp van de leningsovereenkomst ([betreffende] de informatie over het wisselkoersrisico), wordt onderworpen aan de krachtens het Hongaarse burgerlijk wetboek geldende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de datum waarop de vordering opeisbaar wordt, mede gelet op de bepalingen van wetten DH1 en DH2 betreffende de schorsing van de verjaring, terwijl het oneerlijke karakter van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst de ongeldigheid van de overeenkomst in haar geheel meebrengt, met als gevolg dat opzegging niet tot de beëindiging van de overeenkomst kan leiden, waardoor de datum van sluiting van de overeenkomst bepalend is voor de aanvangsdatum van de verjaring? 2) Zijn de beslissingen van het Hof, en in navolging daarvan de voor de Hongaarse rechter bindende, of op zijn minst leidende, beslissingen van de Kúria […], die de consument in staat stellen om het oneerlijke karakter van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst te onderkennen, in het licht van de doelstellingen van richtlijn 93/13 relevant voor de verjaring van vorderingen van een consument? Zo ja, kan [de datum van uitspraak van] deze beslissingen dan worden beschouwd als de aanvangsdatum van de verjaring van vorderingen tot vaststelling van het oneerlijke karakter van bedingen, of dient te worden aangenomen dat de verjaring is geschorst vanaf de datum van sluiting van de overeenkomst tot de datum van uitspraak van deze beslissingen? 3) Moet naast de datum van uitspraak van de in de tweede vraag bedoelde beslissingen, rekening worden gehouden met het tijdstip waarop de consument kennis heeft genomen van deze beslissingen als aanvangsdatum van de verjaring, of dient dit tijdstip te worden beschouwd als het eindpunt van de periode van schorsing van de verjaring die is begonnen met de sluiting van de overeenkomst? 4) Wanneer in het geval van een vordering van een consument die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, de verjaringstermijn ingaat op de datum van sluiting van de overeenkomst, is het dan gerechtvaardigd om de consument toe te staan om zijn aanspraken tot uiterlijk aan het einde van de looptijd van de consumentenovereenkomst geldend te maken indien de looptijd langer is dan de thans geldende verjaringstermijn van vijf jaar?”

Bevoegdheid van het Hof

43 UniCredit Bank betoogt dat het Hof niet bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden, aangezien de verwijzende rechter met deze vragen niet verzoekt om uitlegging van een bepaling van het Unierecht. Gelet op het feit dat richtlijn 93/13 geen regel inzake verjaring bevat, hebben de vragen in feite betrekking op de uitlegging van regels van het nationale burgerlijk recht ter zake, die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen.

44 In dit verband moet worden opgemerkt dat het argument van UniCredit Bank berust op de onjuiste premisse dat de werkingssfeer van het Unierecht zich niet uitstrekt tot de uitoefening door de lidstaten van hun recht om de uitvoeringsbepalingen vast te leggen in het kader waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is en de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling vorm krijgen [arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling), C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

45 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat het feit dat het nationale recht een regelingskader biedt voor de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming, de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming niet mag wijzigen en aldus geen afbreuk mag doen aan de door de wetgever van de Europese Unie gewenste versterking van de doeltreffendheid van deze bescherming door de vaststelling van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen, zoals ook is aangegeven in de tiende overweging van deze richtlijn [arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling), C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de procedure van artikel 267 VWEU een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen voor de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij voor de beslechting van het hun voorgelegde geding nodig hebben. In het kader van deze samenwerking staat het aan de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is gemaakt, die als enige precieze kennis heeft van de feitelijke achtergrond van het geding en die de verantwoordelijkheid moet dragen voor de te geven rechterlijke beslissing, om zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arrest van 7 december 2023, mBank (Verklaring van de consument), C‑140/22, EU:C:2023:965, punt 47].

47 Daarnaast kan het Hof zich in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet uitspreken over de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of over de verenigbaarheid daarvan met het Unierecht. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel kan uitleggen binnen de grenzen van de aan de Europese Unie toegekende bevoegdheden [arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling), C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

48 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter twijfels heeft over de wijze waarop de vijfjarige verjaringstermijn moet worden berekend die van toepassing is op de vordering waarbij de consument de nationale rechter verzoekt de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van de leningsovereenkomst vast te stellen.

49 De verwijzende rechter wenst dienaangaande in essentie van het Hof te vernemen of richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een uitlegging van het nationale recht waarbij de in het oud burgerlijk wetboek vastgestelde vijfjarige verjaringstermijn begint te lopen vanaf de datum waarop een leningsovereenkomst met een consument is gesloten, ingeval een beding in die overeenkomst als oneerlijk wordt aangemerkt en de schrapping van dat beding, dat het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst bepaalt, tot de ongeldigheid van die overeenkomst in haar geheel zou leiden. Verder stelt de verwijzende rechter het Hof aanvullende vragen over de vaststelling van de aanvang van die verjaringstermijn indien het Hof de berekening van die termijn vanaf de datum van sluiting van de betrokken overeenkomst niet verenigbaar acht met de doelstellingen en de strekking van richtlijn 93/13.

50 Bijgevolg kan niet worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op de uitlegging van het Hongaarse recht, zodat het argument van UniCredit Bank dat het Hof onbevoegd is, moet worden afgewezen.

51 Uit het voorgaande volgt dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen op het verzoek om een prejudiciële beslissing.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

52 UniCredit Bank betwist tevens de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing omdat, ten eerste, de verwijzende rechter niet aantoont dat er een verband bestaat tussen het Hongaarse recht en het Unierecht. Ten tweede zijn de juridische vraagstukken die ten grondslag liggen aan de gestelde prejudiciële vragen hypothetisch, aangezien een antwoord op die vragen niet noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen uitspraak te doen in het hoofdgeding. In dit verband betoogt UniCredit Bank dat niets deze rechter belet de rechtspraak van de Kúria te volgen, die bovendien in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet correct is uiteengezet.

53 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te nemen rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen (arrest van 24 juli 2023, Lin,C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Derhalve geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van de geldigheid van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 24 juli 2023, Lin,C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 In de onderhavige zaak komt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing naar voren dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht noodzakelijk blijkt voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding.

56 De verwijzende rechter heeft immers twijfels over de berekening van de verjaringstermijn, met name in het licht van de rechtspraak van het Hof betreffende richtlijn 93/13 en, meer in het bijzonder, over de omvang van de informatie die de bank de consument met betrekking tot het wisselkoersrisico moet verstrekken.

57 Wat de verwijzingen van de verwijzende rechter naar de rechtspraak van de Kúria betreft, staat het voorts niet aan het Hof om in het kader van het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking de door de nationale rechter gegeven uitlegging van het nationale recht te verifiëren of ter discussie te stellen, aangezien deze uitlegging tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter behoort. Wanneer het Hof uitspraak moet doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, dient het zich dus te houden aan de uitlegging die deze rechter aan het nationale recht heeft gegeven (arrest van 12 december 2024, Volvo Group Belgium,C‑436/23, EU:C:2024:1023, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

59 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 1 en 7 van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht volgens welke de consument in geval van nietigheid van een leningsovereenkomst die zonder het oneerlijke beding niet kan voortbestaan omdat dit beding betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, de rechtsgevolgen van de vaststelling van die nietigheid slechts in rechte kan doen gelden binnen een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

60 Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 93/13 volgens artikel 1, lid 1, ervan strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.

61 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn verplicht de lidstaten om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

62 Volgens vaste rechtspraak is het – bij gebreke van Unievoorschriften ter zake – aan de nationale rechtsorde van elke lidstaat om krachtens het beginsel van procedurele autonomie de procedureregels vast te stellen voor vorderingen in rechte die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [arrest van 8 september 2022, D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C‑80/21–C‑82/21, EU:C:2022:646, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

63 Wat de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel betreft – het enige beginsel waarnaar in de onderhavige procedure wordt verwezen – moet erop worden gewezen dat de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure [arrest van 25 april 2024, Caixabank (Verjaringstermijn), C‑484/21, EU:C:2024:360, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

64 Voorts heeft het Hof verklaard dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en onder meer geldt voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance,C‑776/19–C‑782/19, EU:C:2021:470, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Met betrekking tot de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die in het kader van de uitvoering van een kredietovereenkomst onverschuldigd zijn betaald op grond van een oneerlijk beding in de zin van richtlijn 93/13, heeft het Hof reeds herhaaldelijk verklaard dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich niet verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat de vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet verjaart, maar die wel een verjaringstermijn stelt voor de vordering van een dergelijke consument die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, op voorwaarde dat met name het doeltreffendheidsbeginsel wordt geëerbiedigd [arrest van 25 januari 2024, Caixabank (Verjaringstermijn voor de terugbetaling van hypotheekkosten), C‑810/21–C‑813/21, EU:C:2024:81, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

66 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de tegenwerping van een verjaringstermijn in het kader van vorderingen tot teruggave die consumenten instellen om rechten af te dwingen die zij ontlenen aan richtlijn 93/13, op zich niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel, voor zover de toepassing ervan het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om de door deze richtlijn verleende rechten uit te oefenen [arrest van 25 april 2024, Caixabank (Verjaringstermijn), C‑484/21, EU:C:2024:360, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

67 Wat het onderzoek van de kenmerken van een verjaringstermijn als die in het hoofdgeding betreft, heeft het Hof aangegeven dat dit onderzoek betrekking moet hebben op de duur van een dergelijke termijn en de wijze waarop deze termijn moet worden toegepast, waaronder ook de wijze waarop deze termijn ingaat (arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance,C‑776/19–C‑782/19, EU:C:2021:470, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Aangaande de aanvang van de verjaringstermijn volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer een vijfjarige verjaringstermijn die ingaat bij de sluiting van de overeenkomst impliceert dat de consument enkel gedurende de eerste vijf jaar na de ondertekening van deze overeenkomst terugbetaling kan vorderen van de bedragen die hij uit hoofde van een oneerlijk bevonden beding heeft betaald, ongeacht of hij kennis had of redelijkerwijs kon hebben van het oneerlijke karakter van dit beding, dit de uitoefening van de door richtlijn 93/13 verleende rechten uiterst moeilijk kan maken voor de consument en derhalve in strijd kan zijn met het doeltreffendheidsbeginsel in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel (arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 91).

69 De datum waarop de overeenkomst met het oneerlijke beding is gesloten, kan dus als zodanig niet het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn vormen [arrest van 25 april 2024, Caixabank (Verjaringstermijn), C‑484/21, EU:C:2024:360, punt 31].

70 In dat verband moet er rekening mee worden gehouden dat de consument zich ten opzichte van de verkoper in een ondergeschikte positie bevindt, zowel wat zijn mogelijkheid tot onderhandelen betreft als met betrekking tot de informatie waarover hij beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder invloed op de inhoud daarvan te kunnen uitoefenen. Evenzo is het van belang eraan te herinneren dat de consument zich mogelijk niet bewust is van het oneerlijke karakter van een beding in een hypothecaire leenovereenkomst of de omvang van zijn uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten niet ten volle beseft (arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance,C‑776/19–C‑782/19, EU:C:2021:470, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Tevens zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, over het algemeen een lange looptijd hebben. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de verjaring, althans voor een deel van de verrichte betalingen, reeds vóór de beëindiging van de overeenkomst intreedt, zodat een dergelijke verjaringsregeling de consument systematisch de mogelijkheid kan ontnemen om terugbetaling te vorderen van betalingen die zijn verricht op basis van bedingen die onverenigbaar zijn met richtlijn 93/13 [arrest van 8 september 2022, D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C‑80/21–C‑82/21, EU:C:2022:646, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

72 Wat de datum van aanvang van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verjaringstermijn betreft, bestaat dus een niet te verwaarlozen risico dat de consument, gelet op de wijze waarop die in de nationale rechtspraak wordt bepaald, de rechten die richtlijn 93/13 hem verleent, niet op nuttige wijze kan doen gelden.

73 Indien de rechterlijke uitlegging van het nationale recht die de rechter in eerste aanleg ertoe heeft gebracht de datum van aanvang (dies a quo) van de verjaringstermijn vast te stellen op de datum waarop de leningsovereenkomst tussen UniCredit Bank en HL is gesloten – te weten 14 februari 2008 – zou worden bevestigd, zou blijkens de verwijzingsbeslissing de verjaringstermijn immers zijn beginnen te lopen ongeacht de vraag of HL kennis had – of had kunnen hebben – van het oneerlijke karakter van het beding inzake het wisselkoersrisico en of hij dus zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 doeltreffend kon doen gelden. In dit verband wijst niets in de verwijzingsbeslissing erop dat de consument op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst kennis had of had kunnen hebben van het oneerlijke karakter van het beding inzake het wisselkoersrisico en dus zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 doeltreffend kon doen gelden. Hoe dan ook is het aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

74 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht volgens welke de consument in geval van nietigheid van een leningsovereenkomst die zonder het oneerlijke beding niet kan voortbestaan omdat dit beding betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, de rechtsgevolgen van de vaststelling van die nietigheid slechts in rechte kan doen gelden binnen een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten, wanneer de consument op die datum geen kennis had of had kunnen hebben van het oneerlijke karakter van het betrokken beding en dus zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 niet doeltreffend kon doen gelden.

Tweede en derde vraag

75 Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de datum waarop het Hof zich heeft uitgesproken over de uitlegging van deze richtlijn of de datum waarop de hoogste nationale rechterlijke instantie uitspraak heeft gedaan over het oneerlijke karakter van bedingen in consumentenovereenkomsten, wordt gebruikt hetzij voor de vaststelling van de aanvang van de verjaringstermijn van een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die zijn betaald op grond van een beding dat vergelijkbaar is met het beding dat aanleiding heeft gegeven tot de door het Hof gegeven uitlegging van die richtlijn of met het beding dat het voorwerp vormde van de beslissing van de nationale rechter, hetzij voor de hervatting van die termijn na de schorsing ervan.

76 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen, en rekening houdend met de voorgeschiedenis van het geding zoals beschreven in de verwijzingsbeslissing, beperkt de analyse zich tot het geval waarin een consument een vordering instelt die ertoe strekt de terugbetalingsverplichting te doen gelden die ontstaat wanneer wordt vastgesteld dat een contractueel beding oneerlijk is.

77 In herinnering moet worden gebracht dat de consument, met name om te garanderen dat de rechten die hij aan richtlijn 93/13 ontleent doeltreffend worden beschermd, het oneerlijke karakter van een contractueel beding te allen tijde moet kunnen aanvoeren, niet alleen als verweermiddel, maar ook om een contractueel beding als oneerlijk te laten aanmerken door de rechter, zodat er geen verjaringstermijn kan gelden voor de vordering van de consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument (arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance,C‑776/19–C‑782/19, EU:C:2021:470, punt 38).

78 Niettemin heeft het Hof reeds geoordeeld dat de vastlegging van de aanvang van de verjaringstermijn van een door een consument op grond van een oneerlijk contractueel beding ingestelde vordering tot terugbetaling op de datum waarop de hoogste nationale rechterlijke instantie arresten heeft gewezen waarbij standaardbedingen die overeenkomen met het in de litigieuze overeenkomst opgenomen beding oneerlijk zijn verklaard, de verkoper in veel gevallen in staat zou stellen de op grond van het oneerlijke beding ten nadele van die consument wederrechtelijk verkregen bedragen te behouden, hetgeen onverenigbaar zou zijn met het vereiste dat voortvloeit uit de in punt 68 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. Volgens deze rechtspraak kan die aanvangsdatum niet worden vastgelegd zonder rekening te houden met de vraag of de consument kennis had of redelijkerwijs kon hebben van het oneerlijke karakter van het beding waarop het recht op terugbetaling is gebaseerd en zonder de verkoper een zorgvuldigheids‑ en informatieplicht ten aanzien van de consument op te leggen. Daarmee legt deze rechtspraak dus de nadruk op de zwakke positie van de consument, die richtlijn 93/13 beoogt te verhelpen [arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punt 47].

79 Bij gebreke van een informatieplicht van de verkoper kan bovendien niet worden aangenomen dat de consument redelijkerwijs kennis kon hebben van het feit dat een in zijn overeenkomst opgenomen beding dezelfde strekking heeft als een beding dat door de hoogste nationale rechterlijke instantie oneerlijk is bevonden. Het is wel zo dat deze rechtspraak de gemiddelde consument in staat kan stellen kennis te nemen van het oneerlijke karakter van een in zijn overeenkomst met een verkoper opgenomen standaardbeding, mits aan deze rechtspraak voldoende bekendheid wordt gegeven. Evenwel kan van die consument, die richtlijn 93/13 beoogt te beschermen wegens zijn zwakke positie ten opzichte van de verkoper, niet worden verwacht dat hij juridische naspeuringen verricht [arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

80 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat blijkens de bewoordingen van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 de door deze richtlijn verleende bescherming enkel geldt wanneer een natuurlijke persoon handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen. Van verkopers kan weliswaar worden verlangd dat zij op de hoogte blijven van de juridische aspecten van de bedingen die zij willen opnemen in de overeenkomsten die zij in het kader van hun normale werkzaamheden met consumenten sluiten, en met name van de nationale rechtspraak over dergelijke bedingen, maar van consumenten kan geen soortgelijke houding worden verwacht, gelet op het feit dat zij slechts incidenteel of zelfs bij uitzondering een overeenkomst sluiten die een dergelijk beding bevat [arrest van 25 januari 2024, Caixabank (Verjaringstermijn voor de terugbetaling van hypotheekkosten), C‑810/21–C‑813/21, EU:C:2024:81, punt 60].

81 Bovendien moet worden benadrukt dat een dergelijke nationale rechtspraak het niet noodzakelijk ipso facto mogelijk maakt alle bedingen van dit type in alle overeenkomsten tussen een verkoper en een consument in deze lidstaat als oneerlijk aan te merken. Wanneer een standaardbeding door de hoogste nationale rechterlijke instantie oneerlijk is bevonden, moet in beginsel overeenkomstig artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 nog per geval worden vastgesteld in hoeverre een beding in een specifieke overeenkomst gelijkwaardig is aan dat standaardbeding en net zoals dat standaardbeding oneerlijk moet worden geacht [arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punten 50 en 51].

82 Uit deze overwegingen volgt dat van een gemiddelde, redelijk oplettende en omzichtige consument niet kan worden verlangd dat hij zich niet alleen uit eigen beweging regelmatig in kennis stelt van de beslissingen van de hoogste nationale rechterlijke instantie over standaardbedingen in overeenkomsten van dezelfde aard als die welke hij eventueel met verkopers heeft gesloten, maar dat hij ook op basis van een arrest van een hoogste nationale rechter vaststelt of bedingen zoals opgenomen in een specifieke overeenkomst oneerlijk zijn [arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punt 52].

83 Richtlijn 93/13 verzet zich er dus tegen dat voor de vaststelling van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn van de vordering van een consument tot terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald ter uitvoering van een oneerlijk contractueel beding, het bestaan van nationale rechtspraak – zelfs als het gaat om vaste rechtspraak – over de nietigheid van vergelijkbare bedingen kan aantonen dat is voldaan aan de voorwaarde dat de betrokken consument kennis heeft van het oneerlijke karakter van dat beding en van de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen [zie in die zin arrest van 25 januari 2024, Caixabank (Verjaringstermijn voor de terugbetaling van hypotheekkosten), C‑810/21–C‑813/21, EU:C:2024:81, punt 61].

84 De in de punten 78 tot en met 81 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat arresten van een hoogste nationale rechterlijke instantie waarin wordt vastgesteld dat bepaalde standaardbedingen oneerlijk zijn, op zich niet kunnen impliceren dat een consument kennis heeft of redelijkerwijs kennis kon hebben van het oneerlijke karakter van een soortgelijk beding in een overeenkomst die hij met een verkoper heeft gesloten, gelden mutatis mutandis voor beslissingen van het Hof waarbij het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doet over de uitlegging van richtlijn 93/13.

85 In dit verband moet worden opgemerkt dat de prejudiciële beslissingen van het Hof over de uitlegging van het Unierecht weliswaar op zodanige wijze worden gepubliceerd dat zij ook voor consumenten gemakkelijk toegankelijk zijn, maar dat het Hof zich daarin niet uitspreekt over het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen en het concrete onderzoek van die bedingen systematisch overlaat aan de nationale rechterlijke instanties, aangezien dat onderzoek in beginsel niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Hieruit volgt dat een dergelijke beslissing van het Hof een consument, ook al heeft het hoofdgeding rechtstreeks betrekking op hem, geen zekerheid verschaft over het oneerlijke karakter van een contractueel beding in een overeenkomst die hij met een verkoper heeft gesloten, en dat de door de verwijzende rechter aangehaalde arresten van het Hof dan ook niet kunnen worden beschouwd als een bron van informatie voor de gemiddelde consument over het oneerlijke karakter van een specifiek contractueel beding [arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punten 58 en 59].

86 Daarentegen kan een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarbij het oneerlijke karakter van een contractueel beding wordt vastgesteld en die overeenkomstig de toepasselijke nationale regels naar behoren is meegedeeld aan de betrokken consument als adressaat van die beslissing, het beginpunt van de verjaringstermijn vormen. Zodra een dergelijke beslissing definitief is geworden, wordt de consument geacht volledig kennis te hebben van de onrechtmatigheid van het beding en kan hij dus zelf beoordelen of het opportuun is om binnen de door het nationale recht gestelde termijn een vordering tot terugbetaling van de op grond van het oneerlijke beding betaalde bedragen in te stellen [zie in die zin arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punten 36 en 37].

87 Daarbij zij evenwel aangetekend dat richtlijn 93/13 zich er weliswaar tegen verzet dat de verjaringstermijn voor de vordering tot terugbetaling van de bedragen die een consument op grond van een oneerlijk contractueel beding heeft betaald, kan beginnen te lopen ongeacht of de consument kennis had of redelijkerwijs kon hebben van het oneerlijke karakter van dat beding, maar dat die richtlijn zich er niet tegen verzet dat de verkoper de mogelijkheid heeft om te bewijzen dat de consument daar reeds voor de nietigverklaring van dat beding kennis van had of redelijkerwijs kon hebben [arrest van 25 april 2024, Caixabank (Verjaringstermijn), C‑484/21, EU:C:2024:360, punt 35].

88 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat er geen definitieve rechterlijke beslissing bestaat waarin wordt vastgesteld dat het beding inzake het wisselkoersrisico oneerlijk en nietig is.

89 In die omstandigheden kan noch de datum waarop de relevante beslissingen van de Kúria of de arresten van het Hof zijn gewezen, noch de dag waarop HL er daadwerkelijk kennis van heeft genomen, de aanvang van de verjaringstermijn vormen, zelfs indien HL kennis had van die uitspraken.

90 Het staat in voorkomend geval aan de verwijzende rechter om na te gaan of UniCredit Bank en Momentum Credit hebben aangetoond dat HL kennis had of redelijkerwijs kon hebben van het oneerlijke karakter van het beding inzake het wisselkoersrisico [zie in die zin arrest van 25 april 2024, Banco Santander (Aanvang van de verjaringstermijn), C‑561/21, EU:C:2024:362, punt 38].

91 Wat ten slotte de vraag betreft of de verjaringstermijn na de schorsing ervan is hervat, moet worden opgemerkt dat de schorsing van de verjaring tot doel heeft te waarborgen dat de verjaring, waarvan de grondslag juist bestaat in de bestraffing van het stilzitten van de houder van een recht, geen gevolgen heeft in een situatie waarin dit stilzitten gerechtvaardigd is. De schorsing beoogt aldus bescherming te bieden in situaties waarin de rechthebbende om objectieve, bij wet vastgestelde redenen in een situatie verkeert waarin objectieve moeilijkheden hem beletten zijn recht uit te oefenen, door te voorkomen dat het verloop van de tijd ertoe leidt dat dit recht tenietgaat.

92 Bijgevolg moeten voor de hervatting van de verjaringstermijn na een periode van schorsing dezelfde waarborgen gelden als voor de vaststelling van het beginpunt van die termijn.

93 Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de datum waarop het Hof zich heeft uitgesproken over de uitlegging van deze richtlijn of de datum waarop de hoogste nationale rechterlijke instantie uitspraak heeft gedaan over het oneerlijke karakter van bedingen in consumentenovereenkomsten, wordt gebruikt hetzij voor de vaststelling van de datum van aanvang van de verjaringstermijn van een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die zijn betaald op grond van een beding dat vergelijkbaar is met het beding dat aanleiding heeft gegeven tot de door het Hof gegeven uitlegging van die richtlijn of met het beding dat het voorwerp vormde van de beslissing van de nationale rechter, hetzij voor de hervatting van die termijn na de schorsing ervan.

Vierde vraag

94 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

95 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 1, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht volgens welke de consument in geval van nietigheid van een leningsovereenkomst die zonder het oneerlijke beding niet kan voortbestaan omdat dit beding betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, de rechtsgevolgen van de vaststelling van die nietigheid slechts in rechte kan doen gelden binnen een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten, wanneer de consument op die datum geen kennis had of had kunnen hebben van het oneerlijke karakter van het betrokken beding en dus zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 niet doeltreffend kon doen gelden.

2) Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de datum waarop het Hof zich heeft uitgesproken over de uitlegging van deze richtlijn of de datum waarop de hoogste nationale rechterlijke instantie uitspraak heeft gedaan over het oneerlijke karakter van bedingen in consumentenovereenkomsten, wordt gebruikt hetzij voor de vaststelling van de datum van aanvang van de verjaringstermijn van een door een consument ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die zijn betaald op grond van een beding dat vergelijkbaar is met het beding dat aanleiding heeft gegeven tot de door het Hof gegeven uitlegging van die richtlijn of met het beding dat het voorwerp vormde van de beslissing van de nationale rechter, hetzij voor de hervatting van die termijn na de schorsing ervan.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken