HvJ EU 19 maart 2026, C-43/25, ECLI:EU:C:2026:220
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
19 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Insolventieprocedures – Artikel 13 – Conflictregels – Lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap is verstrekt aan die vennootschap – Vordering tot terugbetaling van de betalingen die de kredietverstrekker vóór de opening van de insolventieprocedure heeft ontvangen – Vordering die ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in die procedure in acht wordt genomen”
In zaak C‑43/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 16 januari 2025, ingekomen bij het Hof op 23 januari 2025, in de procedure
SML Maschinengesellschaft mbH
tegen
AK, als curator in de insolventieprocedure betreffende het vermogen van MAPLAN Maschinenfabrik und Anlagen für Kunststofftechnik Schwerin GmbH,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Schalin, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), president van de Tweede kamer, en M. Gavalec, rechter,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– SML Maschinengesellschaft mbH, vertegenwoordigd door T. Winter, Rechtsanwalt,
– AK, als curator in de insolventieprocedure betreffende het vermogen van MAPLAN Maschinenfabrik und Anlagen für Kunststofftechnik Schwerin GmbH, vertegenwoordigd door A. Druckenbrodt, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en A. Sahner als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en N. Schaeffer als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1) en van artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6) (hierna: „Rome I-verordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SML Maschinengesellschaft mbH (hierna: „SML”), een in Oostenrijk gevestigde vennootschap, en de curator van MAPLAN Maschinenfabrik und Anlagen für Kunststofftechnik Schwerin GmbH (hierna: „Maplan”), een in Duitsland gevestigde vennootschap, over de terugbetaling van de bedragen die Maplan aan SML, met name ter aflossing van leningen, heeft betaald in de maanden voorafgaand aan de opening van een insolventieprocedure tegen Maplan.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1346/2000
3 Artikel 4 van verordening nr. 1346/2000, met als opschrift „Toepasselijk recht”, bepaalt: „1. Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ‚lidstaat waar de procedure wordt geopend’. 2. Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name: […] g) welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure; […] i) de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die krachtens een zakelijk recht of ingevolge verrekening gedeeltelijk zijn voldaan; […] m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”
4 Artikel 13 van deze verordening, met als opschrift „Nadelige handeling”, bepaalt: „Artikel 4, lid 2, onder m), is niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst: – dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en – dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.”
Rome I-verordening
5 Artikel 9 van de Rome I-verordening, met als opschrift „Bepalingen van bijzonder dwingend recht”, bepaalt in lid 1: „Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij [moeten] worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst.”
Duits recht
6 § 39 van de Insolvenzordnung (insolventiewet) van 5 oktober 1994 (BGBl. I, blz. 2866), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „InsO”), luidt als volgt: „(1) In een lagere rang dan de andere schuldvorderingen van de insolventieschuldeisers worden in de volgende rangorde, met gelijke rangorde volgens de verhouding van de bedragen, voldaan: […] 5. overeenkomstig de leden 4 en 5, vorderingen tot terugbetaling van een aandeelhouderslening of vorderingen uit rechtshandelingen die economisch overeenstemmen met een dergelijke lening. […] (4) Lid 1, punt 5, is van toepassing op vennootschappen die noch een natuurlijke persoon noch een vennootschap waarvan een persoonlijk aansprakelijke aandeelhouder een natuurlijke persoon is, als persoonlijk aansprakelijke aandeelhouder hebben. […] […]”
7 § 135 InsO bepaalt: „(1) Vernietigbaar is een rechtshandeling waarbij de vordering van een aandeelhouder tot terugbetaling van een lening in de zin van § 39, lid 1, punt 5, of voor een gelijkgestelde vordering: 1. is zeker gesteld, indien de handeling is verricht in de laatste tien jaar voorafgaand aan of na het verzoek tot opening van de insolventieprocedure, of 2. is voldaan, indien de handeling is verricht in het laatste jaar voorafgaand aan of na het verzoek tot opening van de insolventieprocedure. […] (4) § 39, leden 4 en 5, is van overeenkomstige toepassing.”
8 § 174, lid 3, InsO bepaalt: „Vorderingen van achtergestelde schuldeisers mogen pas ter verificatie worden ingediend indien de insolventierechter de schuldeisers uitdrukkelijk tot indiening van deze vorderingen sommeert. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 SML en Maplan maken deel uit van dezelfde Oostenrijkse vennootschapsgroep. Beide hebben onder hun aandeelhouders de Oostenrijkse vennootschap Franz S. Huemer GmbH, die respectievelijk 78 % van het kapitaal van SML en 33 % van het kapitaal van Maplan in handen heeft.
10 Bij overeenkomst van 19 mei 2015 heeft SML een lening van 3 miljoen EUR verstrekt aan Maplan en bij een andere overeenkomst van 16 juni 2015 een tweede lening van 2 miljoen EUR (hierna samen: „twee leningen”). In beide leningen was een clausule opgenomen volgens welke zij onder het Oostenrijkse recht vielen. Om de uit de eerste leningsovereenkomst voortvloeiende rechten veilig te stellen heeft Maplan haar vorderingen op een andere onderneming, voor een bedrag van 3 miljoen EUR, aan SML overgedragen.
11 Op 10 maart 2016 heeft Maplan aan SML een bedrag van 500000 EUR betaald ter aflossing van de eerste lening. Voorts heeft zij haar 89397,92 EUR rente betaald voor het vierde kwartaal van 2015 en het eerste en het tweede kwartaal van 2016. Wat de tweede lening betreft, heeft Maplan aan SML rente betaald voor het derde en het vierde kwartaal van 2015 ten bedrage van 101666,68 EUR.
12 Op 1 oktober 2016 is tegen Maplan op haar verzoek een insolventieprocedure geopend en is een curator aangesteld.
13 Na de opening van deze procedure heeft SML bij het Landgericht Schwerin (rechter in eerste aanleg Schwerin, Duitsland) een verzoek ingediend om haar vorderingen uit de twee leningen te verhalen op het vermogen van Maplan. Zij vorderde ook voorrang op de vorderingen die haar als zekerheid voor de eerste lening waren overgedragen. De curator betwistte deze vorderingen en heeft in reconventie via een actio pauliana terugbetaling gevorderd van de hoofdsom en de rente die Maplan uit hoofde van de twee leningen aan SML had betaald, vermeerderd met rente.
14 Het Landgericht Schwerin heeft de vorderingen van SML afgewezen en de actio pauliana toegewezen. Het door SML bij het Oberlandesgericht Rostock (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren, Rostock, Duitsland) ingestelde hoger beroep is afgewezen. Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, waarbij beroep in Revision is ingesteld, vraagt zich af welk recht van toepassing is op de reconventionele vordering tot nietigverklaring.
15 Op grond van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. Aangezien in casu de insolventieprocedure met betrekking tot het vermogen van Maplan in Duitsland is geopend, is dus het Duitse recht van toepassing.
16 Op grond van dit recht is SML gehouden de ter aflossing van de twee leningen ontvangen bedragen terug te betalen aan de curator.
17 Volgens de vaststellingen van de appelrechter, die de verwijzende rechter binden, wordt SML krachtens de Duitse regeling inzake aandeelhoudersleningen namelijk gelijkgesteld met een aandeelhouder van Maplan, gelet op de deelnemingen van de vennootschap Franz S. Huemer in het kapitaal van SML en Maplan.
18 Vanwege die hoedanigheid van aandeelhouder zijn de vorderingen van SML die zien op de terugbetaling van de twee leningen, in de insolventieprocedure overeenkomstig § 39, lid 1, punt 5, InsO vorderingen van lagere rang. Bovendien heeft SML niet het recht om aan deze procedure deel te nemen, aangezien de ter zake bevoegde rechter schuldeisers die lager in rang staan niet heeft verzocht hun vorderingen in te dienen, hetgeen een voorwaarde is voor hun deelname aan de insolventieprocedure.
19 In die omstandigheden moeten de betalingen die Maplan ter aflossing van de twee leningen heeft verricht, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de InsO door SML aan de insolvente boedel worden terugbetaald. Deze betalingen hebben SML immers in staat gesteld om voldoening te krijgen voor vorderingen die een lagere rang hadden dan die van de schuldeisers die reeds waren uitgenodigd om hun vorderingen in te dienen, zodat deze schuldeisers door die betalingen zijn benadeeld.
20 SML betoogt daarentegen dat op grond van de rechtskeuze die voor beide leningsovereenkomsten is gemaakt, het Oostenrijkse recht van toepassing is. Op grond van dat recht kunnen de betrokken rechtshandelingen niet worden aangevochten.
21 In deze context is de verwijzende rechter van oordeel dat hij, wat de reconventionele vordering betreft, opheldering moet verkrijgen over de uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000. Volgens deze bepaling is artikel 4, lid 2, onder m), van die verordening – op grond waarvan het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend de regels bepaalt met name betreffende niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen – immers niet van toepassing indien degene die voordeel heeft gehad bij een handeling die nadelig is voor het geheel van schuldeisers, bewijst dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden.
22 De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 ook van toepassing is op een vordering tot terugbetaling waarbij wordt aangevoerd dat een schuldeiser volgens het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, een lagere rangorde heeft.
23 Voor het geval dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is, rijst in de tweede plaats de vraag of dit artikel ook van toepassing is op vorderingen tot nietigverklaring die – net als § 135 InsO – tot doel hebben om leningen die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap zijn verstrekt in de periode voorafgaand aan de opening van de insolventieprocedure, gelijk te stellen met het aansprakelijk vermogen van die vennootschap.
24 Indien ook deze tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst in de derde plaats de vraag of het recht dat van toepassing is op een lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap aan die vennootschap is verstrekt, voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 wordt bepaald door het recht dat op die vennootschap van toepassing is, althans waar het gaat om de toepassing ten aanzien van bepaalde schuldeisers van een lagere rangorde en de terugvordering van de aan hen verrichte betalingen die in strijd zijn met deze rangorde.
25 Indien deze derde vraag ontkennend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich in de vierde en laatste plaats af of artikel 9, lid 1, van de Rome I-verordening van toepassing is op het recht dat wordt bepaald op grond van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000, en of artikel 9 van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat bepalingen van bijzonder dwingend recht ook kunnen worden opgenomen in regels van overeenkomstenrecht in nationale insolventievoorschriften, zoals die welke betrekking hebben op de lagere rang van aandeelhoudersleningen als bedoeld in § 39, lid 1, punt 5, InsO en de rechtsgevolgen van de lagere rang.
26 In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 13 van verordening [nr. 1346/2000] aldus worden uitgelegd dat degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling zich ten aanzien van een vordering tot terugbetaling van de curator ook kan beroepen op de werking van deze bepaling wanneer de vordering tot terugbetaling is bedoeld om de lagere rang die geldt volgens het toepasselijke recht van de lidstaat waar de procedure is geopend [artikel 4, lid 2, tweede volzin, onder i), van deze verordening] af te dwingen? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling ook van toepassing is op vorderingen tot nietigverklaring die zijn bedoeld om de lening die voorafgaand aan de insolventie door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap is verstrekt om het kapitaal van de vennootschap zeker te stellen, grotendeels gelijk te stellen met het aansprakelijk vermogen? 3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op een lening die door een aandeelhouder van een kapitaalvennootschap aan de vennootschap is verstrekt, wordt beheerst door de lex societatis? 4) Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord: Geldt artikel 9, lid 1, van [de Rome I-verordening] voor het overeenkomstig artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 te bepalen toepasselijke recht en moet het aldus worden uitgelegd dat bepalingen van bijzonder dwingend recht ook kunnen zijn opgenomen in regels van overeenkomstenrecht in nationale insolventievoorschriften, zoals die met betrekking tot de lagere rang van aandeelhoudersleningen en de rechtsgevolgen daarvan?”
Eerste vraag
27 Vooraf zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak niet aan het Hof staat om zich in het kader van een prejudiciële verwijzing uit te spreken over de uitlegging van de nationale bepalingen en te beoordelen of de verwijzende rechter deze correct uitlegt (zie arresten van 3 oktober 2000, Corsten,C‑58/98, EU:C:2000:527, punt 24; 16 februari 2017, IOS Finance EFC,C‑555/14, EU:C:2017:121, punt 21, en 19 december 2024, Loredas,C‑531/23, EU:C:2024:1050, punt 45). Het Hof moet in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechterlijke instanties dus acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (zie arresten van 25 oktober 2001, Ambulanz Glöckner,C‑475/99, EU:C:2001:577, punt 10, en 19 december 2024, Loredas,C‑531/23, EU:C:2024:1050, punt 45). Bijgevolg moeten de prejudiciële vragen worden onderzocht op basis van de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van het nationale recht en staat het niet aan het Hof om de juistheid daarvan te onderzoeken [arrest van 29 juli 2024, CU en ND (Sociale bijstand – Indirecte discriminatie), C‑112/22 en C‑223/22, EU:C:2024:636, punt 40].
28 In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat voor de relevante juridische context moet worden gekeken naar §§ 39 en 135 InsO, die volgens die rechter nauw met elkaar verbonden zijn.
29 Volgens de toelichting van de verwijzende rechter blijkt ten eerste uit § 39, lid 1, punt 5, InsO dat vorderingen in verband met de terugbetaling van een aandeelhouderslening van lagere rang zijn wanneer de schuldenaar van die lening een vennootschap is die noch een natuurlijke persoon noch een vennootschap waarvan een persoonlijk aansprakelijke aandeelhouder een natuurlijke persoon is, als persoonlijk aansprakelijke aandeelhouder heeft. Wat ten tweede § 135 InsO betreft, is het zo dat die bepaling voorziet in een procedure waarmee de voorrang van derden-schuldeisers boven de in § 39, lid 1, punt 5, InsO bedoelde aandeelhouder-schuldeiser kan worden afgedwongen overeenkomstig het recht dat van toepassing is op de opening van de insolventieprocedure, namelijk het recht dat krachtens artikel 4, lid 2, onder i), van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is.
30 Uit de beschrijving van het toepasselijke nationale rechtskader volgt derhalve dat het betoog dat ter ondersteuning van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reconventionele actio pauliana is aangevoerd, betrekking heeft op de rangorde van de schuldeisers en de volgorde van verdeling van hun vorderingen, en niet op een situatie waarin concurrerende schuldeisers van gelijke rang tegenover elkaar staan.
31 In dat rechtskader moet de eerste vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.
32 Het is juist dat bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht rekening moet worden gehouden met de bewoordingen, de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag het Hof echter niet van deze uitlegging afwijken (zie in die zin arresten van 28 februari 2008, Carboni e derivati,C‑263/06, EU:C:2008:128, punt 48, en 25 januari 2022, VYSOČINA WIND,C‑181/20, EU:C:2022:51, punt 39).
33 Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat de uitzondering van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 16 april 2015, Lutz,C‑557/13, EU:C:2015:227, punt 34; 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands,C‑310/14, EU:C:2015:690, punt 18, en 22 april 2021, Oeltrans Befrachtungsgesellschaft,C‑73/20, EU:C:2021:315, punt 24).
34 Uit de bewoordingen van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 blijkt dat „[a]rtikel 4, lid 2, onder m), [van die verordening] […] niet van toepassing [is] indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling bewijst […] dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend, en dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden”.
35 Hieruit volgt dat, aangezien artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 een uitzondering vormt op artikel 4, lid 2, onder m), van die verordening, de werkingssfeer ervan beperkt is tot het in die bepaling genoemde geval, namelijk wanneer de vraag naar het toepasselijke recht betrekking heeft op de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen, en niet wanneer het gaat om de regels die zien op welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar of welke rangindeling zij hebben.
36 Bovendien moet worden vastgesteld dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 de daarin opgenomen uitzondering niet uitbreidt tot het recht dat van toepassing is op de vorderingen die kunnen worden ingediend of tot het recht dat van toepassing is op de bepaling van de rangorde van de vorderingen, ook al worden deze gevallen uitdrukkelijk genoemd in artikel 4, lid 2, onder g) en i), van die verordening. Artikel 13 van deze verordening kan dus niet worden ingeroepen wanneer het gaat om een vordering als die in het hoofdgeding, die – zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is aangegeven – betrekking heeft op de rangorde en de volgorde van verdeling van die vorderingen.
37 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich niet op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.
Tweede tot en met vierde vraag
38 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede tot en met de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 13 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures
moet aldus worden uitgelegd dat
een persoon die betalingen ter aflossing van een aandeelhouderslening heeft ontvangen die als nadelig voor het geheel van schuldeisers worden beschouwd, zich niet op deze bepaling kan beroepen om een vordering tot terugbetaling daarvan die is ingesteld door de curator van de vennootschap waaraan de lening is verstrekt, af te weren wanneer die vordering ertoe strekt dat de rangorde van de vorderingen in acht wordt genomen zoals die is vastgelegd in de regeling van de staat waar de insolventieprocedure is geopend.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 19 december 2024, C-531/23, ECLI:EU:C:2024:1050
- HvJ EU 29 juli 2024, C-112/22, ECLI:EU:C:2024:636
- HvJ EU 25 januari 2022, C-181/20, ECLI:EU:C:2022:51
- HvJ EU 22 april 2021, C-73/20, ECLI:EU:C:2021:315
- HvJ EU 16 februari 2017, C-555/14, ECLI:EU:C:2017:121
- HvJ EU 15 oktober 2015, C-310/14, ECLI:EU:C:2015:690
- HvJ EU 16 april 2015, C-557/13, ECLI:EU:C:2015:227
- HvJ EU 28 februari 2008, C-263/06, ECLI:EU:C:2008:128
- HvJ EU 25 oktober 2001, C-475/99, ECLI:EU:C:2001:577
- HvJ EU 3 oktober 2000, C-58/98, ECLI:EU:C:2000:527