HvJ EU 19 maart 2026, C-513/24, ECLI:EU:C:2026:214
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
19 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Recht op btw-aftrek – Artikel 173, lid 1 – Evenredige aftrek – Uitgaven die deel uitmaken van de algemene kosten van een belastingplichtige – Minimale technische en materiële uitrusting van gezondheidsinstellingen die vereist is om een vergunning te verkrijgen voor het verrichten van gezondheidsdiensten waarvoor geen recht op aftrek bestaat – Diensten die noodzakelijk zijn voor het verrichten van diensten die recht geven op aftrek”
In zaak C‑513/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 15 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 23 juli 2024, in de procedure
Oblastní nemocnice Kolín, a.s., nemocnice Středočeského kraje
tegen
Odvolací finanční ředitelství,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 juni 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– Oblastní nemocnice Kolín, a.s., nemocnice Středočeského kraje, vertegenwoordigd door M. Bohuslav en J. Procházková, advokáti,
– Odvolací finanční ředitelství, vertegenwoordigd door V. Mertová,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en J. Hradil als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 173, lid 1 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Oblastní nemocnice Kolín, a.s., nemocnice Středočeského kraje (ziekenhuis van de regio Midden-Bohemen te Kolín, naamloze vennootschap, Tsjechië; hierna: „Nemocnice Kolín”) en de Odvolací finanční ředitelství (kamer van beroep van de belastingdienst, Tsjechië) betreffende het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (btw).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 168, aanhef en onder a), van de btw-richtlijn bepaalt: „Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken: a) de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht”.
4 Artikel 173, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de btw dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek). Het aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.”
Tsjechisch recht
5 Artikel 1, lid 1, van de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende vyhláška č. 92/2012 Sb., o požadavcích na minimální technické a věcné vybavení zdravotnických zařízení a kontaktních pracovišť domácí péče (besluit nr. 92/2012 over de vereisten betreffende de minimale technische en materiële uitrusting van gezondheidsinstellingen en contactpunten voor thuiszorg; hierna: „besluit nr. 92/2012”), bepaalt in wezen dat de algemene vereisten betreffende de minimale technische en materiële uitrusting (hierna: „technische en materiële uitrusting”) van gezondheidsinstellingen in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen.
6 In bijlage 4 bij besluit nr. 92/2012 wordt in deel II, met als opschrift „Bijzondere vereisten”, in punt 2.1 bepaald dat iedere afdeling voor intensive care voor volwassenen onder andere moet zijn uitgerust met een defibrillator.
7 In de bijlagen bij dat besluit worden ook enkele honderden benodigdheden op het gebied van technische en materiële uitrusting genoemd waarover de verschillende soorten gezondheidsinstellingen moeten beschikken. Daartoe behoren voorschriften met betrekking tot ruimten (spreekkamers, wachtkamers, toiletten voor patiënten en opslagruimten), de uitrusting van dergelijke ruimten (behandelstoelen, wastafels, kasten, stoelen en tafels), instrumenten (stethoscopen en loepen), eenvoudige uitrustingen (tonometers, weegschalen en glucosemeters) en meer complexe uitrustingen (ECG-, echografie- en laryngoscopie-apparatuur en monitoren voor vitale functies).
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 Nemocnice Kolín is een ziekenhuis met als voornaamste economische activiteit het verrichten van gezondheidsdiensten waarvoor geen recht op aftrek van btw bestaat. Daarenboven verricht zij andere diensten die recht geven op aftrek van btw (hierna: „aanvullende diensten”), waaronder met name klinische studies naar de effecten van geneesmiddelen, huisvesting van personen die patiënten vergezellen, medische stages, instrumentensterilisatie voor derden, prenatale cursussen, echo- en röntgenonderzoeken en veterinair onderzoek.
9 Op 18 januari 2019 heeft Nemocnice Kolín een aanvullende belastingaangifte voor december 2016 ingediend, waarin zij haar recht op aftrek uitoefende voor een pro rata berekend btw-bedrag van 4176327 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 164500 EUR). Op 5 februari 2021 heeft de Finanční úřad pro Středočeský kraj (belastingdienst voor de regio Midden-Bohemen, Tsjechië) een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij zij een deel van deze aftrek heeft aanvaard. Deze belastingdienst is evenwel tot de slotsom gekomen dat Nemocnice Kolín niet had aangetoond dat zij recht had op aftrek van een btw-bedrag van 3287723 CZK (ongeveer 129500 EUR), aangezien de in verband met dat bedrag ontvangen diensten hoofdzakelijk waren bestemd en gebruikt voor het verrichten van gezondheidsdiensten, dat wil zeggen voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat.
10 Aangezien het door Nemocnice Kolín tegen deze navorderingsaanslag bij de kamer van beroep van de belastingdienst gemaakte bezwaar slechts gedeeltelijk was toegewezen, heeft Nemocnice Kolín beroep in rechte ingesteld bij de Krajský soud v Praze (rechter in eerste aanleg Praag, Tsjechië). Bij arrest van 25 februari 2022 heeft deze rechter dit beroep verworpen op grond dat het niet juist was om de kosten van alle materiële en technische uitrustingen waarover gezondheidsinstellingen moesten beschikken om te kunnen functioneren en al hun diensten te kunnen verrichten (gezondheidsdiensten en aanvullende diensten) als algemene kosten aan te merken. Deze technische en materiële uitrusting vormt immers geen bestanddeel van de prijs van de goederen of diensten waarvoor recht op aftrek van btw bestaat. Bijgevolg heeft deze rechter geoordeeld dat de kosten van die technische en materiële uitrusting niet van de verschuldigde btw konden worden afgetrokken in verhouding tot het gebruik ervan.
11 Nemocnice Kolín heeft vervolgens tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië), de verwijzende rechter. Zij betoogt dat de kosten in verband met de technische en materiële uitrusting algemene kosten vormen. Om de aanvullende diensten te kunnen verrichten, moet zij namelijk over een vergunning voor het verstrekken van gezondheidsdiensten beschikken. Volgens besluit nr. 92/2012 moeten gezondheidsinstellingen aan minimale technische en materiële vereisten voldoen om over een dergelijke vergunning te beschikken. Hieruit volgt dat de aankoop, de reparatie, de revisie en het onderhoud van deze uitrusting noodzakelijk zijn voor het verrichten van de aanvullende diensten.
12 De verwijzende rechter merkt op dat voor de stelling dat de bij besluit nr. 92/2012 opgelegde uitgaven algemene kosten zijn steun kan worden gevonden in het feit dat het duidelijk is dat Nemocnice Kolín zonder deze uitgaven geen gezondheidsdiensten zou mogen verrichten en dus niet de aanvullende diensten zou kunnen verrichten. Deze rechter merkt echter in essentie op dat besluit nr. 92/2012 uitsluitend betrekking heeft op het verrichten van gezondheidsdiensten en niet op alle diensten die door een ziekenhuis kunnen worden verricht, zoals onderzoeks- of onderwijsactiviteiten. Hij wenst dus te vernemen of het in dit besluit vastgestelde verband tussen de handelingen in een eerder stadium en die in een later stadium voldoende rechtstreeks en onmiddellijk is.
13 In die omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 173, lid 1, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat wanneer voor het uitvoeren van een handeling waarvoor recht op aftrek bestaat het bezit van een vergunning vereist is om handelingen te mogen verrichten waarvoor geen recht op aftrek bestaat (zoals in casu gezondheidsdiensten), de goederen en daarmee samenhangende diensten die volgens de nationale regeling deel uitmaken van de minimale technische en materiële uitrusting van gezondheidsinstellingen en nodig zijn voor het verrichten van de gezondheidsdiensten, algemene (indirecte) kosten vormen die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele economische activiteit van de belastingplichtige en bijgevolg recht geven op evenredige aftrek van de btw?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
14 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 173, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van goederen en diensten die volgens een nationale regeling noodzakelijk zijn voor het verrichten van gezondheidsdiensten waarvoor geen recht op aftrek bestaat, maar die ook worden gebruikt voor het verrichten van diensten waarvoor recht op aftrek bestaat, louter op grond van dit wettelijke vereiste algemene kosten vormen die recht geven op evenredige aftrek.
15 Vooraf dient te worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak het recht op aftrek waarin artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn voorziet integrerend deel uitmaakt van de btw-regeling en in beginsel niet kan worden beperkt. Dit recht kan onmiddellijk worden uitgeoefend voor alle belastingen die hebben gedrukt op handelingen die in eerdere stadia zijn verricht. De aftrekregeling heeft namelijk tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het doel of het resultaat van die activiteiten, mits deze in beginsel zelf aan btw zijn onderworpen. Een belastingplichtige die als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed of een dienst verwerft en het goed of de dienst gebruikt voor zijn belaste handelingen, mag de over dit goed of deze dienst verschuldigde of voldane btw aftrekken (zie in die zin arresten van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punten 25‑27, en 25 november 2021, Amper Metal, C‑334/20, EU:C:2021:961, punt 23).
16 Uit artikel 173, lid 1, van de btw-richtlijn volgt dat wanneer een belastingplichtige goederen en diensten zowel gebruikt voor handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, aftrek slechts wordt toegestaan voor het gedeelte van de btw dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen, en dat het aftrekbare gedeelte voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen wordt bepaald volgens de in de artikelen 174 en 175 van deze richtlijn bedoelde methode.
17 Opdat de belastingplichtige voorbelasting in aftrek kan brengen en om de omvang van dat recht te kunnen bepalen, dient er volgens de rechtspraak van het Hof in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van btw die wordt geheven over in een eerder stadium verworven goederen of diensten vooronderstelt dat de voor de verwerving ervan gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (arresten van 8 februari 2007, Investrand, C‑435/05, EU:C:2007:87, punt 23, en 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 28).
18 De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium die recht geven op aftrek, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Dergelijke kosten houden immers rechtstreeks en onmiddellijk verband met de algehele economische activiteit van de belastingplichtige [arresten van 8 februari 2007, Investrand, C‑435/05, EU:C:2007:87, punt 24, en 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren), C‑696/22, EU:C:2024:499, punt 87].
19 Wanneer door een belastingplichtige verworven goederen of afgenomen diensten verband houden met vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen, kan er evenwel geen sprake zijn van belastingheffing in een later stadium of van aftrek van voorbelasting [arresten van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 30, en 8 september 2022, Finanzamt R (Aftrek van btw in verband met een inbreng van een vennoot), C‑98/21, EU:C:2022:645, punt 48].
20 Het Hof heeft voorts verduidelijkt dat het bestaan van een verband tussen handelingen moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud ervan. Met name dienen de nationale belastingdiensten en rechterlijke instanties alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden in aanmerking te nemen en alleen rekening te houden met de handelingen die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de belastingplichtige. In die zin is geoordeeld dat rekening kan worden gehouden met het daadwerkelijke gebruik van de in een eerder stadium door de belastingplichtige verworven goederen en afgenomen diensten en met de uitsluitende oorzaak van deze handeling [zie in die zin arresten van 14 september 2017, Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments, C‑132/16, EU:C:2017:683, punt 31; 25 november 2021, Amper Metal, C‑334/20, EU:C:2021:961, punt 34, en 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren), C‑696/22, EU:C:2024:499, punt 89).
21 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat Nemocnice Kolín overeenkomstig besluit nr. 92/2012 over technische en materiële uitrusting moet beschikken om een vergunning voor het verrichten van gezondheidsdiensten te verkrijgen. Deze inrichting moet ook voldoen aan de voorwaarden voor het verrichten van die gezondheidsdiensten om de aan btw onderworpen aanvullende diensten te kunnen verrichten.
22 In deze context wenst de verwijzende rechter met name te vernemen of een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de aankoop van goederen in een eerder stadium en de algehele economische activiteit van de belastingplichtige kan worden vastgesteld op grond dat de aankoop van deze goederen het gevolg is van een wettelijke verplichting die op de belastingplichtige rust.
23 Gelet op de voorgaande overwegingen en de punten 20, 24 en 25 van de conclusie van de advocaat-generaal moet evenwel worden geoordeeld dat het bestaan van een wettelijke verplichting tot aankoop van goederen of diensten als zodanig niet volstaat om vast te stellen dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen een dergelijke aankoop en de handelingen in een later stadium waarvoor recht op btw-aftrek bestaat of de algehele economische activiteit van de belastingplichtige. Bovendien is, gelet op de met het gemeenschappelijke btw-stelsel ingevoerde objectieve btw-regeling, uitsluitend de objectieve verhouding tussen de handelingen in een eerder stadium en die in een later stadium of de algehele economische activiteit van de belastingplichtige doorslaggevend; anders loopt de uniforme toepassing van het Unierecht op dit gebied groot gevaar (zie in die zin arrest van 21 februari 2013, Becker, C‑104/12, EU:C:2013:99, punt 32).
24 Het bestaan van een dergelijke verplichting kan evenwel in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van alle in punt 20 van het onderhavige arrest bedoelde relevante omstandigheden.
25 Het staat dus aan de verwijzende rechter om in het licht van al deze omstandigheden voor elk van de in een eerder stadium aangekochte technische en materiële uitrustingen te beoordelen of zij rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met een door Nemocnice Kolín in een later stadium verrichte handeling waarvoor recht op aftrek bestaat, of bij gebreke daarvan, als algemene kosten verband houden met de algehele economische activiteit van Nemocnice Kolín [zie in die zin arresten van 25 november 2021, Amper Metal, C‑334/20, EU:C:2021:961, punt 38, en 8 september 2022, Finanzamt R (Aftrek van btw in verband met een inbreng van een vennoot), C‑98/21, EU:C:2022:645, punt 51).
26 In dit verband zij eraan herinnerd dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, elke waardering van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort. Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven kan het Hof hem evenwel, in een geest van samenwerking met de nationale rechters, alle aanwijzingen geven die het noodzakelijk acht (zie arresten van 21 maart 1985, Celestri & C., 172/84, EU:C:1985:137, punt 12; 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 30, en 30 mei 2024, Amazon Services Europe, C‑665/22, EU:C:2024:435, punt 40).
27 In casu blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt dat Nemocnice Kolín enerzijds gezondheidsdiensten verricht. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie zijn al deze diensten van btw vrijgesteld. Nemocnice Kolín heeft voor het Hof evenwel aangevoerd dat bepaalde van die diensten, zoals een vrijwillige zwangerschapsafbreking, ook aan btw kunnen worden onderworpen. Anderzijds verricht Nemocnice Kolín aanvullende diensten, die aan btw zijn onderworpen.
28 Ten eerste moet worden benadrukt dat het aan de verwijzende rechter staat om voor elk van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde technische en materiële uitrustingen na te gaan of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de aankoop van die uitrusting en een of meer activiteiten in een later stadium. Daartoe kan deze rechter overeenkomstig de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak met name rekening houden met het daadwerkelijke gebruik van die uitrusting en, zoals de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie opmerkt, met het beoogde gebruik van die uitrustingen.
29 In dit verband moet worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 27 van zijn conclusie heeft gedaan, dat, gelet op de vaststellingen van de verwijzende rechter en onverminderd de door hem te verrichten beoordelingen, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde materiële en technische uitrusting op het eerste gezicht bestemd lijkt te zijn voor het verrichten van gezondheidsdiensten en niet voor het verrichten van aanvullende diensten.
30 Wat de gezondheidsdiensten betreft, moet worden gepreciseerd dat indien na de in punt 28 van het onderhavige arrest bedoelde beoordeling blijkt dat bepaalde in het hoofdgeding aan de orde zijnde materiële en technische uitrusting uitsluitend bedoeld is om te worden gebruikt voor vrijgestelde gezondheidsdiensten, de aankoop van die uitrusting geen recht op aftrek geeft, zoals blijkt uit de in punt 19 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
31 Indien bepaalde van die materiële en technische uitrustingen daarentegen bedoeld zijn om zowel voor aan btw onderworpen gezondheidsdiensten als voor van btw vrijgestelde gezondheidsdiensten te worden gebruikt, dient overeenkomstig artikel 173, lid 1, van de btw-richtlijn het aftrekbare gedeelte te worden bepaald volgens de in de artikelen 174 en 175 van deze richtlijn bedoelde methode.
32 Gelet op de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt en onverminderd de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, kan dit bijvoorbeeld het geval zijn bij een defibrillator waarvan de aankoop noodzakelijk is voor het verkrijgen van een vergunning voor het verrichten van gezondheidsdiensten, ongeacht of deze diensten van btw zijn vrijgesteld dan wel aan btw zijn onderworpen, en die zo nodig bij het verrichten van deze diensten moet worden gebruikt.
33 Wat de aanvullende diensten betreft, moet worden geoordeeld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het feit dat op grond van de nationale regeling niet automatisch een rechtstreeks en onmiddellijk verband kan worden gelegd tussen de handelingen die in een eerder stadium zijn belast en de door Nemocnice Kolín in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op btw-aftrek bestaat, er niet aan in de weg staat dat het bestaan van een dergelijk verband per geval kan worden aangetoond volgens de hierboven vermelde beginselen.
34 Indien een deel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde technische en materiële uitrustingen ook noodzakelijk is voor het verrichten van de aanvullende diensten, kan dus een rechtstreeks en onmiddellijk verband worden aangetoond tussen de verwerving ervan in een eerder stadium en die handelingen in een later stadium, zodat een recht op evenredige aftrek wordt toegekend volgens de in punt 31van dit arrest genoemde methode.
35 Voorts moet worden gepreciseerd dat de omstandigheid dat een in het hoofdgeding aan de orde zijnde technische en materiële uitrusting in voorkomend geval niet wordt gebruikt tijdens het verrichten van een van de in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde diensten, niet van invloed is op de beoordeling van het rechtstreekse en onmiddellijke verband.
36 Zoals in punt 15 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, waarborgt het gemeenschappelijke btw-stelsel namelijk een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het doel of het resultaat van die activiteiten, mits deze in beginsel zelf aan btw zijn onderworpen. Zodra het recht op aftrek is ontstaan, blijft het dus in stand, ook indien de beoogde activiteit niet van de grond is gekomen en derhalve niet tot belaste handelingen heeft geleid of indien de belastingplichtige de goederen of diensten die tot de aftrek hebben geleid, wegens omstandigheden buiten zijn wil niet heeft kunnen gebruiken in het kader van belastbare handelingen (zie in die zin arrest van 25 november 2021, Amper Metal, C‑334/20, EU:C:2021:961, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, kan het beoogde gebruik van de in een eerder stadium verworven goederen dus bepalend zijn.
37 Ten tweede dient slechts indien blijkt dat de verwerving van bepaalde technische en materiële uitrustingen niet rechtstreeks en onmiddellijk verband houdt met een of meer specifieke handelingen in een later stadium, te worden onderzocht of er niettemin een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat met de algehele economische activiteit van de belastingplichtige als onderdeel van zijn algemene kosten. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer een nationale regeling om redenen van veiligheid of comfort vereist dat bepaalde uitrustingen in bepaalde lokalen aanwezig zijn.
38 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 173, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van goederen en diensten die volgens een nationale regeling noodzakelijk zijn voor het verrichten van gezondheidsdiensten waarvoor geen recht op aftrek bestaat, maar die ook worden gebruikt voor het verrichten van diensten waarvoor recht op aftrek bestaat, niet louter op grond van dit wettelijke vereiste algemene kosten vormen die recht geven op evenredige aftrek.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 173, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moet aldus worden uitgelegd dat
de kosten die zijn gemaakt voor de aankoop van goederen en diensten die volgens een nationale regeling noodzakelijk zijn voor het verrichten van gezondheidsdiensten waarvoor geen recht op aftrek bestaat, maar die ook worden gebruikt voor het verrichten van diensten waarvoor recht op aftrek bestaat, niet louter op grond van dit wettelijke vereiste algemene kosten vormen die recht geven op evenredige aftrek.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 13 juni 2024, C-696/22, ECLI:EU:C:2024:499
- HvJ EU 30 mei 2024, C-665/22, ECLI:EU:C:2024:435
- HvJ EU 8 september 2022, C-98/21, ECLI:EU:C:2022:645
- HvJ EU 25 november 2021, C-334/20, ECLI:EU:C:2021:961
- HvJ EU 14 september 2017, C-132/16, ECLI:EU:C:2017:683
- HvJ EU 21 februari 2013, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99
- HvJ EU 1 juli 2008, C-49/07, ECLI:EU:C:2008:376
- HvJ EU 8 februari 2007, C-435/05, ECLI:EU:C:2007:87