HvJ EU 19 maart 2026, C-649/23, ECLI:EU:C:2026:213

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

19 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijn 2001/29/EG – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij – Reproductierecht – Artikel 2, onder a) – Begrip ‚werk’ – Bescherming van werken door het auteursrecht – Voorwaarden – Richtlijn 2006/116/EG – Artikel 5 – Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst – Artikel 2 – Kritische publicatie van een bestaand werk met als doel om een Latijns manuscript te reconstrueren – Intellectuele schepping die een uitdrukking vormt van de persoonlijkheid van de auteur ervan en blijk geeft van diens vrije en creatieve keuzen – Voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd”

In zaak C‑649/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) bij beslissing van 6 december 2022, ingekomen bij het Hof op 31 oktober 2023, in de procedure

Institutul de Istorie și Teorie Literară „G. Călinescu”,

Fundația Națională pentru Știință și Artă

tegen

HK, als erfgenaam van TB,

VP,

GR,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele (rapporteur), A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– het Institut de Istorie şi Teorie Literară „G. Călinescu”, vertegenwoordigd door P. Buta, avocat

– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, L. Ghiță en A. Rotăreanu als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door T. Lechevallier en B. Travard als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door D. G. Pintus, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds het Institut de Istorie și Teorie Literară „G. Călinescu” (Călinescu-instituut voor literaire geschiedenis en theorie; hierna: „Călinescu-instituut”) en de Fundație Națională pentru Știință și Artă (nationale stichting voor wetenschap en kunst; hierna: „FNSA”) en anderzijds HK, in zijn hoedanigheid van erfgenaam van TB, VP en GR, over de auteursrechtelijke bescherming van een kritische publicatie van een publiek domein geworden werk.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

Berner Conventie

3 Artikel 1 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), luidt als volgt: „De landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Unie voor de bescherming van de rechten van de auteurs op hun werken van letterkunde en kunst.”

4 Artikel 2, leden 1 tot en met 3, van dit verdrag luidt: „(1) „De term ‚werken van letterkunde en kunst’ omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer‑ en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen. (2) Het is nochtans aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden te bepalen dat werken van letterkunde en kunst, of een of meer categorieën daarvan, niet beschermd zijn voor zover zij niet in een tastbare vorm zijn vastgelegd. (3) Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk: vertalingen, bewerkingen, muziekarrangementen en andere wijzigingen van een werk van letterkunde of kunst.”

5 Artikel 9, lid 1, van die Conventie is als volgt verwoord: „De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitende recht om toestemming te verlenen tot het verveelvoudigen van deze werken, ongeacht op welke wijze en in welke vorm.”

6 Artikel 12 van datzelfde verdrag bepaalt: „Auteurs van werken van letterkunde of kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot bewerkingen, arrangementen en andere veranderingen van hun werken.”

WIPO-verdrag inzake het auteursrecht

7 Het op 20 december 1996 te Genève ondertekende Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake het auteursrecht is namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 (PB 2000, L 89, blz. 6).

8 Artikel 1 van het WIPO-Verdrag inzake auteursrecht, met als opschrift „Verhouding tot de Berner Conventie”, bepaalt in lid 4: „De verdragsluitende partijen dienen te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 21 en het aanhangsel van de Berner Conventie.”

TRIPs-Overeenkomst

9 De Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom van 15 april 1994 (PB 1994, L 336, blz. 214; hierna: „Trips-overeenkomst”) is opgenomen als bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die is ondertekend te Marrakesh op 15 april 1995 en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1). De leden van de WTO, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie alsook de Unie zelf, zijn partij bij de Trips-overeenkomst.

10 Artikel 9 van de Trips-overeenkomst bepaalt: „1) De leden leven de artikelen 1 tot en met 21 van en het aanhangsel bij de Berner Conventie […] na. […] 2) De bescherming van het auteursrecht strekt zich uit tot uitdrukkingsvormen en niet tot denkbeelden, procedures, werkwijzen of mathematische concepten als zodanig.”

Unierecht

Richtlijn 93/98

11 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 1993, L 290, blz. 9) voorzag in de auteursrechtelijke bescherming van werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn dood.

12 Artikel 5 van deze richtlijn, met als opschrift „Kritische en wetenschappelijke publicaties”, bepaalde: „De lidstaten kunnen kritische en wetenschappelijke publicaties van publiek domein geworden werken beschermen. De beschermingstermijn van die rechten bedraagt maximaal 30 jaar vanaf het tijdstip waarop de publicatie voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd is.”

13 Richtlijn 93/98 is ingetrokken bij richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 2006, L 372, blz. 12), die richtlijn 93/98 codificeert en in hoofdzaak dezelfde bepalingen bevat als die richtlijn. Richtlijn 2006/116 is op 16 januari 2007 in werking getreden.

Richtlijn 2001/29

14 Artikel 2 van richtlijn 2001/29 heeft als opschrift „Reproductierecht” en bepaalt: „De lidstaten voorzien ten behoeve van: a) auteurs, met betrekking tot hun werken, […] in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

Richtlijn 2006/116

15 Overweging 19 van richtlijn 2006/116 luidt: „De lidstaten kunnen, met name ter bescherming van kritische en wetenschappelijke publicaties, vrij andere naburige rechten handhaven of invoeren. Het is ter wille van de transparantie op communautair niveau echter nodig dat lidstaten die nieuwe naburige rechten invoeren, de [Europese] Commissie hiervan in kennis stellen.”

16 Artikel 5 van deze richtlijn heeft als opschrift „Kritische en wetenschappelijke publicaties” en bepaalt: „De lidstaten kunnen kritische en wetenschappelijke publicaties van publiek domein geworden werken beschermen. De beschermingstermijn van die rechten bedraagt maximaal 30 jaar vanaf het tijdstip waarop de publicatie voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd is.”

Roemeens recht

17 Artikel 16 van Lege nr. 8/1996 privind dreptul de autor și drepturile conexe (wet nr. 8/1996 inzake het auteursrecht en de naburige rechten) van 14 maart 1996 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 60 van 26 maart 1996), bepaalde in de versie die gold in 2001: „De auteur van een werk heeft het exclusieve vermogensrecht om toestemming te verlenen voor de vertaling, publicatie in verzamelingen, bewerking en elke andere transformatie van zijn werk waardoor een afgeleid werk wordt verkregen.”

18 Artikel 8 van wet nr. 8/1996 inzake het auteursrecht en de naburige rechten, zoals in 2015 en thans van kracht (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 489 van juni 2018), bepaalt: „Onverminderd de rechten van de auteurs van het oorspronkelijke werk is het auteursrecht eveneens van toepassing op afgeleide werken die zijn gecreëerd op basis van een of meer reeds bestaande werken, te weten: a) vertalingen, bewerkingen, annotaties, documentaire werken, muziekarrangementen en elke andere transformatie van een werk van letterkunde, kunst of wetenschap die een creatief intellectueel werk vormt; b) compilaties van werken van letterkunde, kunst of wetenschap, zoals encyclopedieën en bloemlezingen, verzamelingen of compilaties van al dan niet beschermde materialen of gegevens, met inbegrip van databanken, die door de keuze of de schikking van het materiaal een intellectuele schepping vormen.”

19 Volgens artikel 23 van wet nr. 8/1996 inzake het auteursrecht en de naburige rechten, zoals in 2015 en thans van kracht, geldt het volgende: „Voor de toepassing van deze wet wordt onder ‚afgeleide werken’ verstaan: de vertaling, de publicatie in verzamelingen, de bewerking en elke andere transformatie van een bestaand werk, indien die een intellectuele schepping vormt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

20 Professor Dan Slușanschi is de auteur van een kritische publicatie van een aan het begin van de 18e eeuw door prins Dimitrie Cantemir in het Latijn geschreven werk met de titel „Incrementorum et decrementorum aulae othman(n)icae sive aliothman(n)icae historiae a prima gentis origine ad nostra usque tempora deductae libri tres” (Geschiedenis van de opkomst en het verval van het Ottomaanse of Aliottomaanse hof vanaf het ontstaan van die dynastie tot heden, in drie boeken), dat inmiddels publiek domein is geworden (hierna: „kritische publicatie van Slușanschi”). Deze kritische publicatie werd voor het eerst in 2001 gepubliceerd door uitgeverij Amarcord uit Timișoara (Roemenië). Een tweede door professor Slușanschi herziene en gecorrigeerde kritische publicatie werd in 2008 door uitgeverij Paideia uit Boekarest (Roemenië) gepubliceerd met heruitgaven in 2010 en 2012.

21 De kritische publicatie van Slușanschi is gebaseerd op het Latijnse manuscript van Dimitrie Cantemir, dat in 1984 aan de Harvard University (Verenigde Staten) is ontdekt en waarvan die universiteit sinds 1901 eigenaar is.

22 In het bijzonder gebruikte professor Slușanschi voor de eerste editie van de kritische publicatie van Slușanschi het facsimile van dit manuscript dat in 1999 in Roemenië is gepubliceerd en voor de tweede editie de door de eigenaar van het werk van Dimitrie Cantemir ter beschikking gestelde fotokopieën.

23 In 2013, na het overlijden van professor Slușanschi, hebben TB en VP, als zijn erfgenamen, en het Călinescu-instituut een overeenkomst gesloten waarbij aan dit instituut het recht werd verleend om de transcripties en vertalingen van Slușanschi van verschillende teksten van Cantemir, waaronder de kritische publicatie van Slușanchi, te gebruiken met het oog op een publicatie van het verzamelde werk van Cantemir. Dit instituut heeft de werken van professor Slușanschi ter beschikking gesteld aan de FNSA.

24 In 2015 heeft de FNSA in tweetalige vorm (Latijn en Roemeens) en in twee delen het werk Dimitrie Cantemir – Istoria măririi și decăderii Curții othomane (Dimitrie Cantemir – Geschiedenis van de opkomst en het verval van het Ottomaanse hof) uitgegeven, waarbij de Latijnse tekst was voorzien van kritische noten door de auteurs van de FNSA (hierna: „publicatie van de FNSA”). Dit werk bevatte de tekst van de kritische publicatie van Slușanschi zoals gepubliceerd in 2001.

25 Op 8 december 2015 hebben TB en VP bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) beroep ingesteld wegens schending van het auteursrecht met betrekking tot de kritische publicatie van Slușanschi.

26 Bij vonnis van 21 december 2017 heeft de Tribunal București vastgesteld dat de kritische publicatie van Slușanschi integraal was overgenomen in de publicatie van de FNSA en dat de FNSA ook gebruik had gemaakt van de destijds niet-gepubliceerde aanvullingen en correcties die professor Slușanschi in zijn eigen publicatie had aangebracht en die hij in de toekomst wilde gebruiken. Er werd echter alleen in de voetnoten van de publicatie van de FNSA verwezen naar professor Slușanschi. In die omstandigheden heeft deze rechter vastgesteld dat het Călinescu-instituut en de FNSA inbreuk hebben gemaakt op het immateriële recht van professor Slușanschi om te worden erkend als auteur van de kritische publicatie van Slușanschi en op de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten die toekomen aan zijn erfgenamen, TB en VP, en heeft deze rechter verweerders veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor die immateriële en materiële schade.

27 Het Călinescu-instituut en de FNSA hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië).

28 Bij vonnis van 7 april 2021 heeft de Curte de Apel București met name geoordeeld dat de kritische publicatie van Slușanschi een afgeleid werk in de zin van wet nr. 8/1996 was, aangezien deze publicatie een creatieve inspanning vereiste en het resultaat was van de intellectuele activiteit van de auteur ervan. Deze appelrechter heeft aldus de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde schending van het auteursrecht bevestigd maar het bedrag van de door het Călinescu-instituut en de FNSA hoofdelijk verschuldigde immateriële schadevergoeding verlaagd.

29 Het Călinescu-instituut en de FNSA hebben tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië), de verwijzende rechter.

30 Zij betwisten in wezen de vaststelling van de Curte de Apel București dat een kritische publicatie zoals de kritische publicatie van Slușanschi kan worden gekwalificeerd als een werk, waarbij zij aanvoeren dat deze rechter heeft nagelaten de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde criteria toe te passen om de auteursrechtelijke bescherming van een dergelijke kritische publicatie te beoordelen.

31 Volgens het Călinescu-instituut en de FNSA heeft de auteur van een kritische publicatie nauwelijks tot geen vrijheid wanneer het gaat om een wetenschappelijk werk dat is geschreven in een oude taal zoals het Latijn met nauwkeurige regels voor de syntaxis en zinsbouw.

32 Dienaangaande zijn zij van mening dat bij een kritische publicatie geen sprake kan zijn van vrije en creatieve keuzen van de auteur, aangezien zijn enige doel erin bestaat zijn professionele vaardigheden te gebruiken om, wanneer de bedoeling van de oorspronkelijke auteur niet duidelijk uit de gebruikte manuscripten blijkt, te bepalen welke versies van de tekst de bedoeling van de auteur van het oorspronkelijke werk zo dicht mogelijk benaderen, maar nooit om deze bedoeling te vervangen door zijn eigen bedoeling.

33 De mogelijkheid om te kiezen tussen verschillende vertalingen van de gebruikte woorden of formuleringen betekent niet dat er sprake is van een creatieve en originele bijdrage van de auteur van de kritische publicatie, zodat in casu niet kan worden gesteld dat de kritische publicatie van Slușanschi een uitdrukking vormt van de persoonlijkheid van de auteur ervan.

34 In deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen of de kritische publicatie van een werk kan worden aangemerkt als een krachtens artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 auteursrechtelijk beschermd „werk”.

35 Hij herinnert eraan dat, volgens de rechtspraak van het Hof, om te kunnen spreken van een „werk” moet zijn voldaan aan twee cumulatieve criteria, te weten dat sprake is van, ten eerste, een oorspronkelijk voorwerp, in die zin dat het zowel noodzakelijk als voldoende is dat het voorwerp de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt door uiting te geven aan diens vrije en creatieve keuzen en, ten tweede, een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd.

36 Wat het eerste criterium betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of werkelijk sprake is van een vrije en creatieve keuze van de auteur van een kritische publicatie wanneer deze publicatie de inhoud van een reeds bestaande tekst weergeeft in een begrijpelijke vorm die de bedoeling van de auteur van dat oorspronkelijke werk zo dicht mogelijk benadert, met eerbiediging van de stijl en de taalkundige uitdrukkingswijze van die auteur, waarbij de tekst wordt vergezeld van kritische noten, commentaren en verklaringen voor eventuele correcties, vervangen woorden of aanvullingen die nodig zijn voor de begrijpelijkheid van het manuscript.

37 Wat het tweede criterium betreft, vraagt de verwijzende rechter zich ook af of daaraan is voldaan, aangezien het onduidelijk blijft of een kritische publicatie moet worden beschouwd als een werk dat losstaat van het oorspronkelijke werk, dan wel daarmee samenvalt aangezien het juist tot doel heeft om de tekst van het bestaande werk weer te geven.

38 Deze rechter stelt dat, in het geval van een kritische publicatie, de auteur ervan daar immers mee beoogt het oorspronkelijke werk te reconstrueren in een vorm die de oorspronkelijke vorm ervan zo dicht mogelijk benadert. De auteur van een kritische publicatie raadpleegt het manuscript van het oorspronkelijke werk en brengt in voorkomend geval correcties of aanvullingen aan om ervoor te zorgen dat het zijn betekenis behoudt, waarbij hij commentaren en toelichtingen verstrekt ter rechtvaardiging van de keuze van de juiste bewoordingen. Ook het daarin opgenomen kritisch apparaat impliceert een intellectuele inspanning die een vaak uiterst omslachtig en tijdrovend onderzoek weerspiegelt.

39 Vanuit dit oogpunt kan de schepping van de auteur van een kritische publicatie niet gelijkgesteld worden met een reproductie of facsimiletranscriptie van het manuscript van het betrokken oorspronkelijke werk. Op zijn minst zouden alleen de kritische noten, commentaren en toelichtingen bij de tekst een nauwkeurig en objectief identificeerbaar voorwerp kunnen vormen, zodat in dat geval enkel die delen van de kritische publicatie, waarvan het voorwerp identificeerbaar is, auteursrechtelijk kunnen worden beschermd.

40 Voorts herinnert de verwijzende rechter eraan dat volgens artikel 2, lid 3, van de Berner Conventie „als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk: vertalingen, bewerkingen, muziekarrangementen en andere wijzigingen van een werk van letterkunde of kunst.”

41 In dit verband merkt deze rechter op dat in het hoofdgeding het oorspronkelijke werk in het Latijn onmiskenbaar een „werk van letterkunde” in de zin van de Berner Conventie is, aangezien deze conventie onder de in artikel 2, lid 1, genoemde voorbeelden van „werken van letterkunde en kunst”, ook voortbrengselen op het gebied van wetenschap vermeldt.

42 Opdat een kritische publicatie zoals de kritische publicatie van Slușanschi als een oorspronkelijk werk kan worden beschermd, moet er daarentegen krachtens artikel 2, lid 3, van die conventie sprake zijn van een „wijziging” van een werk van letterkunde.

43 Volgens de verwijzende rechter is de Unie, hoewel zij geen partij is bij de Berner Conventie, niettemin krachtens artikel 1, lid 4, van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, waarbij zij wel partij is en waaraan richtlijn 2001/29 uitvoering beoogt te geven, verplicht om zich te voegen naar de artikelen 1 tot en met 21 van die conventie.

44 Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag of en onder welke voorwaarde een kritische publicatie van een oorspronkelijk werk zelf kan worden aangemerkt als een „werk” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 of, in voorkomend geval, een andere bepaling van een rechtshandeling van de Unie, hetgeen een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU rechtvaardigt.

45 Daarop heeft de Înaltă Curte de Casație și Justiție de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 2, onder a), van richtlijn [2001/29] aldus worden uitgelegd dat een kritische publicatie van een werk, die tot doel heeft om de tekst van een oorspronkelijk werk weer te geven door raadpleging van het manuscript, vergezeld van commentaar en het nodige kritisch apparaat, kan worden beschouwd als een auteursrechtelijk beschermd werk?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

46 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de kritische publicatie van een publiek domein geworden werk, die tot doel heeft om de tekst van dat werk te reconstrueren, vergezeld van commentaar en het nodige kritisch apparaat, kan worden beschouwd als een auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van deze bepaling.

47 Er zij aan herinnerd dat richtlijn 2001/29 in de artikelen 2 tot en met 4 bepaalt dat de lidstaten ten behoeve van auteurs voorzien in een geheel van uitsluitende rechten op hun „werken”, en in artikel 5 een aantal uitzonderingen en beperkingen op die rechten opsomt. Deze richtlijn verwijst voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte van het begrip „werk” niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten. Gelet op de vereisten in verband met zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel, moet dat begrip bijgevolg normaal gesproken in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd (arrest van 13 november 2018, Levola Hengelo, C‑310/17, EU:C:2018:899, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Hieruit volgt dat de kritische publicatie van een bestaand werk, zoals de kritische publicatie van Slușanschi, alleen auteursrechtelijk kan worden beschermd op grond van richtlijn 2001/29 indien een dergelijke publicatie kan worden aangemerkt als een „werk” in de zin van deze richtlijn.

49 In dit verband zij eraan herinnerd dat de kwalificatie als „werk” de combinatie van twee cumulatieve elementen veronderstelt. Ten eerste moet het gaan om een oorspronkelijk voorwerp, dat wil zeggen om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als een „werk” worden aangemerkt (arrest van 12 september 2019, Cofomel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Wat in de eerste plaats het oorspronkelijkheidscriterium betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het, om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp een intellectuele schepping van de auteur is die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt door uiting te geven aan diens vrije creatieve keuzen. Wanneer daarentegen voor de verwezenlijking van een voorwerp technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, kan dat voorwerp niet worden geacht de oorspronkelijkheid te hebben die vereist is om een werk te kunnen vormen (arrest van 12 september 2019, Cofomel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Het feit dat het betrokken voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uiting te geven aan zijn vrije creatieve keuzen, vormt dus een doorslaggevend onderdeel van het begrip „oorspronkelijkheid” en is bijgevolg doorslaggevend voor de auteursrechtelijke bescherming van dat voorwerp naar Unierecht.

52 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat persartikelen auteursrechtelijk beschermde „werken” kunnen zijn, waarbij de eigen intellectuele schepping van de auteur schuilt in de wijze waarop het onderwerp wordt gepresenteerd en in het taalgebruik van die auteur (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punt 44).

53 Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat noch woorden als dusdanig (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punt 46), noch militaire verslagen – waarvan de inhoud volledig wordt bepaald door de erin vervatte informatie, waardoor die informatie en de uitdrukking ervan in die verslagen samenvallen en deze verslagen dus een louter technische functie hebben, hetgeen iedere vorm van oorspronkelijkheid uitsluit – kunnen worden aangemerkt als „werken” (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Om te bepalen of een literair voorwerp zoals de kritische publicatie van Slușanschi oorspronkelijk is, moet, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden nagegaan of de auteur bij het opstellen van dat voorwerp vrije en creatieve keuzen heeft kunnen maken die zijn schepping een oorspronkelijkheid kunnen verlenen die niet voortvloeit uit de afzonderlijk beschouwde woorden zelf maar uit de keuze, de schikking en de combinatie van die woorden, waarmee de auteur op originele wijze uitdrukking heeft gegeven aan zijn creatieve geest en tot een resultaat is gekomen dat een intellectuele schepping vormt, waarbij de deskundigheid bij het creëren van het voorwerp niet van belang is (zie in die zin arresten van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punten 45 en 46, en 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punt 23).

55 Tegen deze achtergrond en zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen de grammaticale, lexicale, literaire en stilistische keuzen die de auteur van een kritische publicatie maakt waarschijnlijk worden bepaald of op zijn minst worden beïnvloed door zijn jarenlange ervaring, zijn filologische expertise en zijn kennis en begrip van het tijdperk waarin het oorspronkelijke werk is geschreven en van de historische periode waarop dat werk betrekking heeft, zijn kennis van de auteur van het oorspronkelijke werk en van zijn stijl en taalgebruik, en zijn interpretatie van wat hij ziet als de bedoeling van die auteur.

56 Ten slotte kan het oorspronkelijkheidsvereiste, zoals de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie eveneens heeft opgemerkt, ook worden beoordeeld aan de hand van de samenstelling van de betrokken kritische publicatie, de structuur van het werk, de vormgeving ervan en de rangschikking van de oorspronkelijke tekst ten opzichte van de commentaren en het kritisch apparaat.

57 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de kritische publicatie van Slușanschi geen eenvoudige transcriptie is van het Latijnse manuscript van het werk van Dimitrie Cantemir, noch van het facsimile van dit manuscript. Het doel van de kritische publicatie van Slușanschi was immers om door middel van correcties en aanvullingen de tekst van het oorspronkelijke werk te reconstrueren in een volledige en begrijpelijke vorm die de bedoeling van de auteur ervan, namelijk Dimitrie Cantemir, zo dicht mogelijk benadert.

58 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de commentaren en het kritisch apparaat in de kritische publicatie van Slușanschi, die betrekking hebben op correcties, vervangingen van woorden en eventuele aanvullingen die noodzakelijk zijn voor de begrijpelijkheid van het manuscript van het werk van Dimitrie Cantemir, alsmede op verschillende taalversies of varianten van woorden of op uitdrukkingen die zijn weggelaten, ook voortkomen uit een intellectuele schepping van professor Slușanschi.

59 Tenzij de redactie van de kritische publicatie van Slușanschi werd ingegeven door louter technische overwegingen, regels of beperkingen zonder enige creatieve vrijheid, lijkt deze kritische publicatie dus te voldoen aan het oorspronkelijkheidscriterium, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

60 Wat in de tweede plaats het criterium van de identificeerbaarheid van het betrokken voorwerp betreft, heeft het Hof verduidelijkt dat het begrip „werk” noodzakelijkerwijs impliceert dat er sprake is van een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd. Ten eerste moeten de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de bescherming van de aan het auteursrecht inherente exclusieve rechten namelijk duidelijk en nauwkeurig kunnen onderkennen welk voorwerp aldus wordt beschermd. Hetzelfde geldt voor derden tegen wie de bescherming waarop de auteur van dat voorwerp aanspraak maakt, kan worden ingeroepen. Ten tweede vereist de noodzaak om elke – de rechtszekerheid aantastende – subjectiviteit bij de vaststelling van het voorwerp van de bescherming uit te sluiten, dat dit voorwerp nauwkeurig en objectief is uitgedrukt (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punten 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 In casu sluit de verwijzende rechter niet uit dat de kritische publicatie van Slușanschi kan worden geacht samen te vallen met het manuscript van het werk van Dimitrie Cantemir, aangezien deze publicatie tot doel had de tekst van dat bestaande werk weer te geven. Deze rechter erkent niettemin dat de auteur van een kritische publicatie een werk kan aanpassen of aanvullen om de oorspronkelijke betekenis van het manuscript ervan te reconstrueren, zodat deze kritische publicatie aan het tweede criterium kan voldoen.

62 In dit verband en zoals in punt 60 van dit arrest in herinnering is gebracht, impliceert het in richtlijn 2001/29 bedoelde begrip „werk” noodzakelijkerwijs een uitdrukkingsvorm die het mogelijk maakt om het werk voldoende nauwkeurig en objectief te identificeren (zie in die zin arrest van 13 november 2018, Levola Hengelo, C‑310/17, EU:C:2018:899, punt 40) in verhouding tot de delen die overeenkomen met het oorspronkelijke werk.

63 Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan een kritische publicatie van een oorspronkelijk werk in zijn geheel worden beschouwd als een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd.

64 Het is immers niet noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen de delen die overeenkomen met het oorspronkelijke werk, waarin eventueel tekstuele wijzigingen zijn aangebracht, en de commentaren, kritische noten of toelichtingen bij die delen, teneinde in voorkomend geval te bepalen welke delen onder de auteursrechtelijke bescherming kunnen vallen. Een dergelijke benadering zou het risico inhouden dat een werk dat slechts in zijn geheel betekenis heeft, wordt opgesplitst, met name wanneer dergelijke commentaren, noten of toelichtingen een aanvulling vormen op of verband houden met een specifiek deel van de tekst van het oorspronkelijke werk dat zij becommentariëren of analyseren.

65 Bijgevolg kan in casu de kritische publicatie van Slușanschi, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, rekening houdend met de specifieke kenmerken van deze kritische publicatie, waarvan het doel is om de gedeeltelijk verloren gegane tekst van het oorspronkelijke werk weer te geven, vergezeld van commentaar en het nodige kritisch apparaat, beschouwd worden als een „werk” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29, op voorwaarde dat het gaat om een intellectuele schepping van de auteur die zijn persoonlijkheid weerspiegelt door uiting te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, en dat het werk met voldoende nauwkeurigheid en objectiviteit kan worden geïdentificeerd.

66 Wat in de derde plaats de omvang van de bescherming van een werk betreft, zij eraan herinnerd dat wanneer een kritische publicatie de in punt 49 van dit arrest beschreven kenmerken heeft en dus een werk vormt, het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moet genieten overeenkomstig richtlijn 2001/29, waarbij moet worden opgemerkt dat de omvang van die bescherming niet afhangt van de mate van creatieve vrijheid waarover de auteur ervan beschikte en derhalve niet geringer is dan de bescherming die elk werk dat onder die richtlijn valt, geniet (arrest van 12 september 2019, Cofomel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Hieraan moet worden toegevoegd dat, zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een inbreuk op het auteursrecht niet noodzakelijkerwijs de volledige reproductie van het werk impliceert, maar kan bestaan in een gedeeltelijke reproductie. De verschillende delen van een werk worden namelijk ook beschermd op grond van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29, op voorwaarde dat zij bestanddelen bevatten die de uitdrukking vormen van de eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punt 39), hetgeen het geval zou kunnen zijn wanneer een auteur tracht een ten dele verloren gegaan literair werk te herstellen in de vorm die naar zijn mening de oorspronkelijke vorm van het werk zo dicht mogelijk benadert.

68 Ten slotte, en los van bovenstaande overwegingen, leidt de erkenning van het auteursrecht van de kritische publicatie van een literair en tot het publieke domein behorend werk er niet toe dat dat werk tot het privédomein wordt gerekend en kan deze erkenning de auteur van die kritische publicatie geen exclusief recht op dat eerdere werk verlenen.

69 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de kritische publicatie van een publiek domein geworden werk, die tot doel heeft om de tekst van dat werk te reconstrueren, vergezeld van commentaar en het nodige kritisch apparaat, kan worden beschouwd als een auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van deze bepaling, op voorwaarde dat die publicatie een intellectuele schepping van de auteur is die zijn persoonlijkheid weerspiegelt door uiting te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, en dat deze publicatie met voldoende nauwkeurigheid en objectiviteit kan worden geïdentificeerd.

Kosten

70 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

moet aldus worden uitgelegd dat

de kritische publicatie van een publiek domein geworden werk, die tot doel heeft om de tekst van dat werk te reconstrueren, vergezeld van commentaar en het nodige kritisch apparaat, kan worden beschouwd als een auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van deze bepaling, op voorwaarde dat die publicatie een intellectuele schepping van de auteur is die zijn persoonlijkheid weerspiegelt door uiting te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, en dat deze publicatie met voldoende nauwkeurigheid en objectiviteit kan worden geïdentificeerd.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Roemeens.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken