HvJ EU 15 januari 2026, C-45/24, ECLI:EU:C:2026:2
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
15 januari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 8, lid 1 – Terugbetaling van de prijs van een ticket in geval van annulering van een vlucht – Provisie geïnd door een persoon die bij de aankoop van het ticket optreedt als tussenpersoon tussen de passagier en de luchtvaartmaatschappij – Voorwaarden om daaronder te worden begrepen – Bedrag van de provisie dat buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij zou zijn vastgesteld – Bewijslast”
In zaak C‑45/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 13 december 2023, ingekomen bij het Hof op 24 januari 2024, in de procedure
Verein für Konsumenteninformation
tegen
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen (rapporteur) en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Verein für Konsumenteninformation, vertegenwoordigd door M. Strohmayer, Rechtsanwalt,
– Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV, vertegenwoordigd door M. Flitsch en D. Weiß, Rechtsanwälte,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificaties in PB 2006, L 365, blz. 89, PB 2021, L 420, blz. 134, en PB 2022, L 68, blz. 24).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Verein für Konsumenteninformation (vereniging voor consumenteninformatie, Oostenrijk) (hierna: „VKI”) en Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV, een in Nederland gevestigde luchtvaartmaatschappij (hierna: „KLM”), over de terugbetaling aan luchtreizigers, na de annulering van hun vlucht, van de provisie die zij aan het boekingsportaal van het reisbureau Opodo (hierna: „Opodo”) hebben betaald bij de aankoop van hun vliegtickets op de website van dat reisbureau.
Toepasselijke bepalingen
3 In overweging 1 van verordening nr. 261/2004 heet het: „Het optreden van de Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.”
4 Artikel 1 („Onderwerp”) van die verordening bepaalt in lid 1, onder b): „Deze verordening stelt onder de erin genoemde voorwaarden de minimumrechten vast die luchtreizigers hebben bij: […] b) annulering van hun vlucht”.
5 Artikel 2 („Definities”) van deze verordening luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] f) ‚ticket’: een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan; […]”
6 Artikel 5 („Annulering”) van die verordening bepaalt in lid 1, onder a): „In geval van annulering van een vlucht: a) wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8”.
7 Artikel 8 („Recht op terugbetaling of een alternatief reisplan”) van verordening nr. 261/2004 bepaalt in lid 1, onder a): „Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen: a) – volledige terugbetaling van het ticket binnen zeven dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was, […], alsmede in voorkomend geval, – een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt bij de eerste gelegenheid”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 Passagiers hebben voor vluchten vanuit Wenen (Oostenrijk) naar Lima (Peru) via Amsterdam (Nederland) en voor vluchten vanuit Lima naar Wenen via Amsterdam, die op respectievelijk 19 augustus 2020 en 28 september 2020 door KLM moesten worden uitgevoerd, vliegtickets gekocht via het boekingsportaal van Opodo, een door de International Air Transport Association (IATA) gecertificeerd reisbureau dat vliegtickets voor KLM mocht afgeven. Deze passagiers hebben Opodo een totaalbedrag van 2053,48 EUR betaald, bestaande uit de prijs van de tickets van 1958,34 EUR en een bemiddelingsprovisie van 95,14 EUR voor de aankoop van die tickets op haar boekingsportaal.
9 Daar deze vluchten waren geannuleerd, heeft KLM de ticketprijs aan die passagiers terugbetaald, terwijl de bemiddelingsprovisie van 95,14 EUR voor hun eigen rekening bleef.
10 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat, hoewel KLM al ten minste tien jaar met Opodo samenwerkte en er ten tijde van de aankoop van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tickets tussen KLM en Opodo een overeenkomst bestond, de zogenoemde „Global Incentive”, waarin, afhankelijk van het aantal verkochte tickets van KLM, bepaalde premies voor Opodo waren voorzien, noch in die overeenkomst, noch in de IATA-overeenkomsten was geregeld of Opodo een bemiddelingsprovisie kon vragen van de passagiers en wat daarvan eventueel het bedrag was.
11 De VKI, waaraan de passagiers in het hoofdgeding hun schuldvorderingen inzake de terugbetaling van de kosten van de vliegtickets hebben overgedragen, heeft bij het Bezirksgericht Schwechat (rechter in eerste aanleg Schwechat, Oostenrijk) een vordering krachtens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 261/2004 ingesteld tot betaling door KLM van het bedrag van 95,14 EUR, vermeerderd met rente, met het argument dat de kosten van de bemiddelingsprovisie deel uitmaakten van de terug te betalen kosten van die tickets. Aangezien KLM wist dat Opodo in het algemeen zo’n provisie vaststelt, zou het volgens de VKI namelijk onbillijk zijn om KLM niet te verplichten deze terug te betalen, temeer daar zij van de bemiddeling van Opodo profiteert. Verder blijkt uit de rechtspraak van het Hof niet dat door het opnemen van deze provisie in de totale prijs van het vliegticket die krachtens die bepaling moet worden terugbetaald, wordt verondersteld dat KLM het precieze bedrag van die provisie goedkeurt.
12 KLM concludeert tot verwerping van het beroep van de VKI en stelt dat zij niet wist dat Opodo een bemiddelingsprovisie in rekening bracht en, a fortiori, niet wist wat het bedrag van die provisie was. KLM voert hoe dan ook aan dat zij geen toestemming had gegeven voor een verandering in de prijs van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vliegtickets. Volgens de rechtspraak van het Hof was toestemming van haar kant evenwel noodzakelijk, wilden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde passagiers in geval van annulering van de betrokken vluchten ook terugbetaling van het bedrag van die provisie kunnen vorderen.
13 Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft het Bezirksgericht Schwechat het beroep van de VKI toegewezen.
14 KLM heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Landesgericht Korneuburg (rechter in tweede aanleg Korneuburg, Oostenrijk), dat bij arrest van 21 maart 2023 die uitspraak heeft vernietigd en het beroep heeft verworpen.
15 De VKI heeft tegen dat arrest beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter.
16 Deze rechter wijst erop dat het Hof in het arrest van 12 september 2018, Harms (C‑601/17, EU:C:2018:702), voor recht heeft verklaard dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat de bemiddelingsprovisie moet worden opgenomen in het bedrag dat krachtens die bepaling wordt terugbetaald, tenzij deze provisie is vastgesteld buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij. Volgens de verwijzende rechter kan deze uitzondering, die betrekking heeft op de vraag of de luchtvaartmaatschappij al dan niet van de provisie op de hoogte is, evenwel op verschillende manieren worden uitgelegd.
17 In dit verband vraagt hij zich af hoe de luchtvaartmaatschappij moet worden geïnformeerd over het bestaan en de hoogte van de bemiddelingsprovisie, en op wie de bewijslast voor de kennis van het bestaan van die provisie rust.
18 De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat een luchtvaartmaatschappij wel moet weten dat een erkende agent in de zin van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004 zijn activiteiten noodzakelijkerwijs uitoefent met het doel een provisie te ontvangen, zodat deze luchtvaartmaatschappij niet kan stellen dat zij niet op de hoogte was van het concrete bedrag van de bemiddelingsprovisie, tenzij dat bedrag abnormaal hoog is, hetgeen door haar moet worden aangetoond.
19 In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd: „1) Moet verordening [nr. 261/2004], en met name artikel 8, lid 1, onder a), ervan, aldus worden uitgelegd dat de ticketprijs die in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, ook het verschil tussen het door de passagier betaalde bedrag en het door de luchtvaartmaatschappij ontvangen bedrag omvat, welk verschil overeenkomt met de provisie ontvangen door een persoon die als tussenpersoon tussen hen is opgetreden, wanneer de luchtvaartmaatschappij weliswaar op de hoogte is van het feit dat andere ondernemingen voor een bemiddeling doorgaans een provisie (bemiddelingsvergoeding) in rekening brengen, maar in het concrete geval niet bekend is met de hoogte ervan? 2) Ligt de bewijslast voor de vereiste kennis van de luchtvaartmaatschappij bij de passagier die terugbetaling vordert of moet de luchtvaartmaatschappij bewijzen dat zij geen kennis droeg van de provisie?”
Procedure bij het Hof
20 Bij beslissing van 5 november 2024 heeft het Hof deze zaak verwezen naar de Negende kamer en ingevolge artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist om geen pleitzitting te houden. Het Hof heeft bovendien beslist dat de zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal zou worden berecht.
21 Op verzoek van de Negende kamer, ingediend krachtens artikel 60, lid 3, van dat Reglement, heeft het Hof de onderhavige zaak op 1 april 2025 toegewezen aan de Vierde kamer en beslist om overeenkomstig artikel 76, lid 2, van dat Reglement geen pleitzitting te houden. Het heeft beslist dat de zaak zou worden berecht na conclusie van de advocaat-generaal.
22 Bij beschikking van 28 april 2025, Verein für Konsumenteninformation (Door een tussenpersoon geïnde provisie) (C‑45/24, EU:C:2025:287), heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de opening van de mondelinge behandeling gelast.
23 Op 19 juni 2025 heeft de advocaat-generaal zijn conclusie genomen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de prijs van het vliegticket die in aanmerking moet worden genomen ter vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, het verschil omvat tussen het bedrag dat door de passagier is betaald en het bedrag dat door deze luchtvaartmaatschappij is ontvangen, welk verschil overeenkomt met een provisie die is geïnd door een vennootschap die is opgetreden als tussenpersoon, zonder dat deze luchtvaartmaatschappij het precieze bedrag van die provisie hoeft te kennen.
25 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat KLM, zonder formeel de ontvankelijkheid van de eerste vraag ter discussie te stellen, in haar schriftelijke opmerkingen betoogt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de begrippen „bemiddelingsvergoeding” en „bemiddelingsprovisie”, die de verwijzende rechter in de bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag als synoniemen gebruikt. Terwijl de „bemiddelingsvergoeding” overeenkomt met de beloning die de reisbureaus voor de door hen aangeboden diensten ontvangen van hun klanten, hebben de „bemiddelingsprovisies” namelijk betrekking op de beloning die deze reisbureaus ontvangen van de luchtvaartmaatschappijen.
26 In dit verband zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, de verwijzende rechter bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het bij hem aanhangige geding vast te stellen en te beoordelen, alsook om het nationale recht uit te leggen en toe te passen. Het Hof moet in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (arrest van 17 oktober 2024, NFŠ, C‑28/23, EU:C:2024:893, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 In casu blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat er een bedrag van 95,14 EUR, dat volgens de door hem gebruikte bewoordingen overeenkomt met de „[bemiddelings]provisie (bemiddelingsvergoeding)”, door Opodo bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde passagiers is geïnd toen zij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tickets kochten op de website van dat reisbureau.
28 Voorts herinnert deze rechter eraan dat het Hof zich in het arrest van 12 september 2018, Harms (C‑601/17, EU:C:2018:702), reeds over bemiddelingsprovisies heeft uitgesproken in het kader van de uitlegging van de omvang van het recht op terugbetaling van passagiers krachtens artikel 5 juncto artikel 8 van verordening nr. 261/2004.
29 In dit verband moet worden opgemerkt dat het door KLM gemaakte onderscheid tussen een „bemiddelingsprovisie” en de „bemiddelingsvergoeding”, die ten laste komen van respectievelijk de luchtvaartmaatschappij en de passagier, juridisch gezien hoe dan ook niet van betekenis is, aangezien zowel het hoofdgeding als het door de verwijzende rechter genoemde arrest van 12 september 2018, Harms (C‑601/17, EU:C:2018:702), betrekking heeft op de terugbetaling van het bedrag dat door de tussenpersoon bij een passagier is geïnd, dat wil zeggen het verschil tussen het bedrag dat deze passagier voor het vliegticket heeft betaald en het bedrag dat deze luchtvaartmaatschappij heeft ontvangen.
30 Met betrekking tot de kern van de gestelde vraag zij er aan herinnerd dat, volgens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening, de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers bijstand te bieden die er onder meer in bestaat dat hun de terugbetaling van hun ticket tegen de prijs waarvoor het gekocht was wordt aangeboden en, in voorkomend geval, een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt (arrest van 12 september 2018, Harms, C‑601/17, EU:C:2018:702, punt 12).
31 Het Hof heeft aldus geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 een direct verband leggen tussen het begrip „ticket” en de uitdrukking „prijs waarvoor het gekocht was”, waarbij de betrokken passagiers een dergelijk ticket rechtstreeks bij de luchtvaartmaatschappij kunnen kopen, dan wel via een tussenpersoon zoals met name de door deze luchtvaartmaatschappij erkende agent als bedoeld in artikel 2, onder f), van deze verordening (zie in die zin arrest van 12 september 2018, Harms, C‑601/17, EU:C:2018:702, punt 13).
32 Wat betreft dit laatste volgt uit de bewoordingen van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004 dat een „ticket” een document of een immaterieel equivalent daarvan – inclusief in elektronische vorm – is, dat door een luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan. Blijkens deze definitie moeten de verschillende elementen van een ticket, waaronder de prijs ervan, in het geval dat het ticket niet door de luchtvaartmaatschappij zelf wordt uitgegeven, in elk geval door haar worden toegestaan.
33 In dat verband moet een bemiddelingsprovisie, als bestanddeel van de prijs van het vliegticket, worden geacht noodzakelijk en derhalve „onvermijdelijk” te zijn om gebruik te kunnen maken van de door deze luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten (zie in die zin arresten van 22 juni 2016, Mennens, C‑255/15, EU:C:2016:472, punt 36, en 12 september 2018, Harms, C‑601/17, EU:C:2018:702, punt 18).
34 Zoals uit de punten 19 en 27 van de conclusie van de advocaat-generaal naar voren komt, vormt de aankoop van het vliegticket via een tussenpersoon een „enkele transactie”, aangezien de bemiddelingsprovisie onderdeel is van de prijs van het ticket, in de zin van artikel 8, lid 1, onder a), van die verordening, omdat de passagier deze provisie bij de aankoop van het ticket niet kan weglaten.
35 In die omstandigheden moet de inning van deze bemiddelingsprovisie, als „onvermijdelijk” onderdeel van de prijs van het vliegticket, worden geacht door de luchtvaartmaatschappij te zijn toegestaan en moet die provisie derhalve worden geacht te moeten worden terugbetaald op grond van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004.
36 Wanneer deze luchtvaartmaatschappij aanvaardt dat de tussenpersoon in haar naam en voor haar rekening vliegtickets uitgeeft en afgeeft, kan immers worden aangenomen dat deze luchtvaartmaatschappij noodzakelijkerwijs op de hoogte is van de handelspraktijk van deze tussenpersoon die erin bestaat om bij de aankoop van een vliegticket bij de passagier een bemiddelingsprovisie in rekening te brengen, zelfs wanneer daartoe geen uitdrukkelijke contractuele bepaling bestaat, temeer daar die provisie onlosmakelijk verbonden is met de prijs van het betrokken vliegticket.
37 De luchtvaartmaatschappij hoeft echter niet te weten wat het exacte bedrag van de bemiddelingsprovisie is als voorwaarde voor terugbetaling ervan ingevolge artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 aan de passagier wiens vlucht is geannuleerd.
38 Een uitlegging waarbij de terugbetaling van het door de passagier betaalde bedrag afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de luchtvaartmaatschappij vooraf het exacte bedrag van de bemiddelingsprovisie kent, zou er namelijk toe kunnen leiden dat deze luchtvaartmaatschappij tracht de terugbetaling te weigeren op grond dat zij niet in kennis is gesteld van het precieze bedrag van de bemiddelingsprovisie. In een dergelijke situatie zou die passagier gedwongen kunnen zijn om zich tot de tussenpersoon te wenden om, krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, terugbetaling te verkrijgen van de prijs van het ticket, met inbegrip van het bedrag van de bemiddelingsprovisie, met het risico dat een dergelijke procedure die terugbetaling vertraagt en voor die reiziger extra of zelfs onevenredige kosten meebrengt.
39 Een dergelijk resultaat zou in strijd zijn met de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen, zoals vermeld in overweging 1 van verordening nr. 261/2004, en met de vereenvoudiging van de door deze verordening ingevoerde terugbetalingsprocedures.
40 In dezelfde lijn zou deze uitlegging de passagier ertoe kunnen brengen om af te zien van de mogelijkheid om gebruik te maken van een tussenpersoon en liever rechtstreeks te boeken bij de luchtvaartmaatschappij, hoewel de prijs van het door een dergelijke tussenpersoon afgegeven vliegticket voor die reiziger financieel aantrekkelijker kan zijn.
41 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de prijs van het vliegticket die in aanmerking moet worden genomen ter vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, het verschil omvat tussen het bedrag dat door de passagier is betaald en het bedrag dat door deze luchtvaartmaatschappij is ontvangen, welk verschil overeenkomt met de provisie die is geïnd door een vennootschap die is opgetreden als tussenpersoon, zonder dat deze luchtvaartmaatschappij het precieze bedrag van die provisie hoeft te kennen.
Tweede vraag
42 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), ervan,
moet aldus worden uitgelegd dat
de prijs van het vliegticket die in aanmerking moet worden genomen ter vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, het verschil omvat tussen het bedrag dat door de passagier is betaald en het bedrag dat door deze luchtvaartmaatschappij is ontvangen, welk verschil overeenkomt met de provisie die is geïnd door een vennootschap die is opgetreden als tussenpersoon, zonder dat deze luchtvaartmaatschappij het precieze bedrag van die provisie hoeft te kennen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.