HvJ EU 12 maart 2026, C-515/24, ECLI:EU:C:2026:190
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
12 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Aftrek van de voorbelasting – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 176, tweede alinea – Uitsluiting van het recht op btw-aftrek – Aankoop van tickets voor evenementen en recreatieve diensten – Inwerkingtreding van het recht op aftrek van de btw op de datum van de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Economische Gemeenschap – Standstillclausule”
In zaak C‑515/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 22 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 24 juli 2024, in de procedure
Randstad España SLU
tegen
Administración General del Estado
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Randstad España SLU, vertegenwoordigd door C. Durán Haeussler, J. M. Martínez Gimeno en A. Villegas Viñeta, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Calvo Langdon, M. Herold en B. Martenczuk als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 168, onder a), en van artikel 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Randstad España SLU en de Agencia Tributaria española (Spaanse belastingdienst) in verband met een naheffingsaanslag inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw) waarbij deze belastingdienst het recht op aftrek van de voorbelasting die is betaald in verband met de aankoop van tickets voor evenementen en recreatieve diensten heeft geweigerd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassingen van de Verdragen
3 Artikel 395 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23) bepaalt: „De nieuwe lidstaten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van hun toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EEG‑Verdrag en van artikel 161 van het EGA-Verdrag alsmede aan de beschikkingen en aanbevelingen in de zin van artikel 14 van het EGKS-Verdrag, tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XXXVI of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld.”
Zesde richtlijn (77/388)
4 Artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”) bepaalde: „Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad [van de Europese Gemeenschappen], op voorstel van de Commissie [van de Europese Gemeenschappen], met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de [btw] bestaat. In ieder geval zijn uitgaven zonder strikt professioneel karakter, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, van het recht op aftrek uitgesloten. Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag.”
5 De Zesde richtlijn is ingetrokken bij en vervangen door de btw-richtlijn, die op 1 januari 2007 in werking is getreden.
Btw-richtlijn
6 Artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn bepaalt: „Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken: a) de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht”.
7 Artikel 176 van de btw-richtlijn bepaalt: „De Raad [van de Europese Unie] bepaalt op voorstel van de [Europese] Commissie met eenparigheid van stemmen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de btw bestaat. In ieder geval zijn uitgaven zonder strikt professioneel karakter, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, van het recht op aftrek uitgesloten. Totdat de in de eerste alinea bedoelde bepalingen in werking treden, kunnen de lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving op 1 januari 1979 dan wel, voor de lidstaten die na die datum tot de [Europese] Gemeenschap zijn toegetreden, op de datum van hun toetreding voorzag.”
8 Op de datum van het onderhavige arrest heeft de Raad de lijst van uitgaven waarvoor geen recht op aftrek van de btw bestaat niet vastgesteld.
Spaans recht
Wet 30/1985
9 Artikel 33, lid 1, punten 3 en 5, van Ley 30/1985 del Impuesto sobre el Valor Añadido (wet 30/1985 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) van 2 augustus 1985 (BOE nr. 190 van 9 augustus 1985, blz. 25214) bepaalde: „1) Aftrek is niet mogelijk voor: [...] 3. [d]e voorbelasting over de verwerving of de invoer van voedingsmiddelen of dranken of over hotel-, restaurant‑ of entertainmentdiensten, behalve wanneer deze bestemd zijn om te worden gebruikt of geconsumeerd door werknemers of derden tegen betaling[;] [...] 5. [d]e voorbelasting over de verwerving van goederen of diensten die bestemd zijn voor attenties aan klanten, werknemers of derden.”
10 Wet 30/1985 trad op 1 januari 1986 in werking en is ingetrokken bij Ley 37/1992 del Impuesto sobre el Valor Añadido (wet 37/1992 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) van 28 december 1992 (BOE nr. 312 van 29 december 1992, blz. 44247).
Wet 37/1992
11 Artikel 96, lid 1, van wet 37/1992, in de voor het hoofdgeding relevante versie, luidt: „1) Komen niet in aanmerking voor aftrek, in geen enkele verhouding, de bedragen die zijn betaald voor de verwerving, waaronder voor eigen verbruik, de invoer, de leasing, de bewerking of verwerking, de reparatie, het onderhoud of het gebruik van de hiernavolgende goederen en diensten, alsmede alle daaraan gerelateerde bijkomende of aanvullende goederen en diensten: [...] 4. evenementen en recreatieve diensten; 5. goederen of diensten die zijn bestemd om als relatiegeschenk te worden verstrekt aan klanten, werknemers of derden. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 In de jaren 2009 tot 2011 heeft Randstad España tickets gekocht voor voetbalwedstrijden van Real Madrid C. F. en F. C. Barcelona, alsook uitnodigingen voor de Paddock Club van de Formule 1 Grand Prix van Spanje en uitnodigingen voor excursies aan boord van het schip Clipper Stad Amsterdam. Zij heeft de btw over de aankoop van deze tickets, die bestemd waren om gratis te worden verstrekt aan haar klanten, afgetrokken.
13 Na afloop van een verificatieprocedure en een onderzoek van de Dependencia de Control Tributario y Aduanero de la Delegación Central de Grandes Contribuyentes de la Agencia Tributaria (eenheid belasting‑ en douanecontrole van de centrale afdeling grote belastingplichtigen van de belastingdienst, Spanje) heeft de Spaanse belastingdienst aanslagen opgelegd waarbij zij Randstad España het recht op aftrek van btw in verband met de aankoop van tickets voor evenementen en recreatieve diensten voor de jaren 2009 tot en met 2011 overeenkomstig artikel 96, lid 1, van wet 37/1992 heeft geweigerd, en de regularisatie van het bedrag van de overeenkomstige btw heeft gelast.
14 Randstad España is tegen deze aanslagen opgekomen bij de Tribunal Económico-Administrativo Central (centrale rechter in economische en bestuurszaken, Spanje), maar haar vordering is op 22 november 2017 afgewezen. Tegen die afwijzingsbeslissing heeft Randstad España beroep ingesteld bij de kamer voor bestuurlijke geschillen van de Audiencia Nacional (nationaal gerechtshof, Spanje).
15 Deze rechter heeft bij beslissing van 17 januari 2022 de afwijzingsbeslissing bevestigd voor zover deze sloeg op de naheffing in verband met de aankoop van tickets voor sportevenementen en recreatieve diensten. De Audiencia Nacional heeft zich gebaseerd op de toepassing van de standstillclausule die voortvloeit uit de uitvoering op nationaal niveau van artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn, en van artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn.
16 Randstad España heeft cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), de verwijzende rechter.
17 Randstad España betoogt dat de belastingplichtige op grond van het beginsel van de neutraliteit van de btw het recht moet hebben om de voorbelasting over aankopen in verband met zijn beroepsactiviteit af te trekken. Dat geldt ook voor de aankoop van tickets om sportmanifestaties of recreatieve evenementen bij te wonen die bestemd zijn om gratis ter beschikking te worden gesteld van zijn klanten. Op basis van een standstillclausule kan de nationale wettelijke regeling van een lidstaat die van kracht was ten tijde van zijn toetreding tot de Europese Unie worden gehandhaafd en kan de mogelijkheid om btw af te trekken worden beperkt. Dat is volgens Randstad España in casu echter niet het geval. De Spaanse wettelijke regeling die bepaalt dat de aftrek van de voorbelasting voor dergelijke aankopen is uitgesloten, was niet van kracht vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Economische Gemeenschap.
18 Volgens de Spaanse regering is deze wetgeving weliswaar in werking getreden op de datum van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap, maar is zij vastgesteld op 2 augustus 1985, dus vóór deze toetreding, en kan zij op grond van die standstillclausule worden gehandhaafd.
19 De verwijzende rechter merkt op dat de regeling van artikel 176 van de btw-richtlijn waarmee wordt afgeweken van het recht op aftrek, met name wat betreft de beperkingen aan dat recht, reeds is uitgelegd door het Hof, met name in de arresten van 30 september 2010, Oasis East (C‑395/09, EU:C:2010:570), en 18 juli 2013, AES‑3C Maritza East 1 (C‑124/12, EU:C:2013:488). Uit deze arresten volgt dat de beperkingen van het recht op aftrek niet alleen voorafgaand aan de toetreding tot de Unie vastgesteld hadden moeten worden, maar ook voordien van kracht en daadwerkelijk van toepassing hadden moeten zijn. Volgens de verwijzende rechter is de context van de Spaanse wetgeving inzake btw evenwel van bijzondere aard. Vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap bestond er in deze lidstaat namelijk geen btw. Geen enkele van de toenmalige belastingen, met name de algemene belasting op de omzet van ondernemingen en de weeldebelasting, was dus vergelijkbaar met het btw-stelsel. In het bijzonder boden deze belastingen niet de mogelijkheid om voorbelasting af te trekken.
20 Derhalve heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Staan artikel 168, onder a), en artikel 176, eerste alinea, van de btw-richtlijn in de weg aan een bepaling als artikel 96, lid 1, punten 4 en 5, van [wet 37/1992], krachtens welke de voorbelasting die is betaald over de aankoop van goederen en diensten zoals tickets voor sportevenementen en relatiegeschenken voor klanten, werknemers of derden, in geen enkele verhouding aftrekbaar is, ook niet indien de belastingplichtige aantoont dat die uitgaven rechtstreeks verband houden met zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit en zijn gedaan voor een strikt zakelijk of beroepsmatig doel en dat de goederen en diensten zijn gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen door de belastingplichtige, en ofschoon het bedrag ervan wel een fiscaal aftrekbare uitgave is voor de belasting over inkomen (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting)? 2) Staat artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn in de weg aan een bepaling als artikel 96, lid 1, punten 4 en 5, van [wet 37/1992], waarbij een beperkende voorwaarde voor de uitoefening van het recht op aftrek is ingevoerd, welke bepaling van toepassing is geworden op de datum van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de [Gemeenschap], te weten 1 januari 1986, terwijl er tot die datum van toetreding geen regel van kracht was die voorzag in die beperking?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
21 In het onderhavige geval moet bij de beantwoording van het verzoek om een prejudiciële beslissing eerst de tweede vraag worden onderzocht. Zoals blijkt uit dat verzoek heeft de Spaanse belastingdienst de beperking van het recht op aftrek van de voorbelasting waarop zij zich tegenover Randstad España beroept namelijk uitsluitend gebaseerd op de standstillclausule.
22 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die van kracht wordt op de datum waarop die lidstaat toetreedt tot de Unie en de aftrek uitsluit van voorbelasting die is betaald in verband met de aankoop van goederen en diensten, zoals tickets om sportevenementen bij te wonen, die bedoeld zijn als attenties voor klanten, werknemers of derden.
23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het bij artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn toegekende recht op aftrek een integrerend deel van de btw-regeling en kan het in beginsel niet worden beperkt. Dit recht kan onmiddellijk worden uitgeoefend voor alle btw die heeft gedrukt op handelingen die in eerdere stadia zijn verricht (zie arrest van 2 mei 2019, Grupa Lotos, C‑225/18, EU:C:2019:349, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt eveneens dat derogaties aan het recht op aftrek van de btw enkel geoorloofd zijn in de gevallen die uitdrukkelijk zijn voorzien in de bepalingen van de richtlijnen die deze belasting regelen en strikt moeten worden uitgelegd (zie arrest van 2 mei 2019, Grupa Lotos, C‑225/18, EU:C:2019:349, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Onder die derogaties valt artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn, dat in wezen identiek is aan artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn. De vaststelling van artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn heeft geen impact gehad op de rechtspraak over de uitlegging van de bepaling van de Zesde richtlijn (zie arrest van 2 mei 2019, Grupa Lotos, C‑225/18, EU:C:2019:349, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Net als artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn, dat eraan voorafging, bevat artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn een standstillclausule, volgens welke de lidstaten die tot de Unie toetreden de nationale uitsluitingen van het recht op btw-aftrek die reeds golden op de datum van hun toetreding, mogen handhaven totdat de Raad de in de eerste alinea van artikel 176 bedoelde voorschriften vaststelt, wat de Raad tot nog toe niet heeft gedaan (zie arrest van 2 mei 2019, Grupa Lotos, C‑225/18, EU:C:2019:349, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Het Hof heeft gepreciseerd dat de restbevoegdheid van de lidstaten om nationale uitsluitingen van het recht op btw-aftrek krachtens artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn te handhaven, niettemin niet absoluut is. De standstillclausule heeft dus niet tot doel om een nieuwe lidstaat naar aanleiding van zijn toetreding tot de Unie de mogelijkheid te bieden zijn nationale wetgeving aldus te wijzigen dat die wetgeving door uitbreiding van de werkingssfeer van de bestaande uitsluitingen verder af komt te staan van de doelstellingen van de btw-richtlijn, wat zou indruisen tegen de geest van deze clausule (zie arrest van 2 mei 2019, Grupa Lotos, C‑225/18, EU:C:2019:349, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In het hoofdgeding blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat er vóór de datum van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap op 1 januari 1986, in Spanje geen consumptiebelasting bestond met een structuur die vergelijkbaar is met die van de destijds in de Gemeenschap geldende btw. Volgens de verwijzende rechter bestond er in de belastingen die door de btw zijn vervangen – met name en hoofdzakelijk de algemene belasting op de omzet van ondernemingen en de weeldebelasting – geen algemene aftrekregeling.
29 De inwerkingtreding van de Zesde richtlijn in Spanje heeft dan ook geleid tot de invoering van een algemeen stelsel voor de aftrek van btw.
30 Uit de analyse van de reikwijdte van de standstillclausule die is neergelegd in artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn blijkt echter dat zij zich niet verzet tegen een bepaling die ertoe leidt dat een uitsluiting die vóór de toetreding van een lidstaat tot de Unie bestond, in de wetgeving van die lidstaat gehandhaafd blijft, voor zover de reikwijdte ervan ongewijzigd blijft.
31 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter moet allereerst evenwel worden opgemerkt dat artikel 33, lid 1, punten 3 en 5, van wet 30/1985, waarvan de inhoud in essentie is overgenomen in artikel 96, lid 1, punten 4 en 5, van wet 37/1992, de werkingssfeer van de uitsluiting van het recht op aftrek dat aan de orde is in het hoofdgeding niet lijkt te hebben uitgebreid in strijd met de doelstellingen van de standstillclausule in artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn.
32 Derhalve moet worden vastgesteld dat de inwerkingtreding van deze nationale bepalingen niet heeft geresulteerd in werkelijke wijzigingen voor ondernemers, die de voorbelasting over de betrokken uitgaven vóór die inwerkingtreding van die regeling ook niet konden aftrekken omdat een btw-stelsel ontbrak.
33 Vervolgens moet worden vastgesteld dat de uitsluiting van de aftrek van de btw voor uitgaven voor ontspanning en representatie verenigbaar is met de wil van de Uniewetgever, zoals de advocaat-generaal in punt 42 van haar conclusie heeft opgemerkt. Gezien het nauwe verband tussen deze uitgaven en de bevrediging van particuliere behoeften past deze uitsluiting namelijk in de logica van het btw-stelsel.
34 In dat verband volgt uit artikel 176, eerste alinea, van de btw-richtlijn dat het weliswaar aan de Raad staat om te bepalen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de btw bestaat, maar dat „in ieder geval [...] uitgaven zonder strikt professioneel karakter, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, van het recht op aftrek [zijn] uitgesloten”.
35 Onder deze omstandigheden zou veeleer de mogelijkheid om de voorbelasting over uitgaven voor bijvoorbeeld ontspanning of representatie wel af te trekken in strijd kunnen zijn met de doelstellingen van de btw-richtlijn.
36 Daarenboven kan het nuttig effect van artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn bij een dergelijke uitlegging alle lidstaten ten goede komen, ongeacht welke stelsels van indirecte belastingen op consumptie vóór hun toetreding tot de Unie van kracht waren. Zoals de advocaat-generaal in de punten 4 en 46 tot en met 48 van haar conclusie in wezen opmerkt, zou een andere uitlegging nadelig kunnen zijn voor de lidstaten die vóór hun toetreding tot de Unie in hun wetgeving geen belasting hadden die gelijkwaardig of identiek was aan de btw.
37 Tot slot maakt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling voldoende nauwkeurig duidelijk wat de aard of het voorwerp is van de goederen of diensten waarvoor het recht op btw-aftrek is uitgesloten, om te garanderen dat de aan de lidstaten toegekende bevoegdheid er niet toe dient om algemene uitsluitingen van die regeling in te voeren (zie arrest van 2 mei 2019, Grupa Lotos, C‑225/18, EU:C:2019:349, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 De uitsluiting van het recht op aftrek voor de verwerving van goederen of diensten die als relatiegeschenken voor klanten, werknemers of derden bestemd zijn, is namelijk voldoende nauwkeurig en niet van algemene aard.
39 In ieder geval is de door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag genoemde omstandigheid dat het bedrag van de betrokken uitgaven voor de belasting over inkomen in Spanje wel een fiscaal aftrekbare uitgave is, irrelevant. Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van haar conclusie benadrukt, is de inkomstenbelasting niet geharmoniseerd op het niveau van de Unie, zodat de lidstaten verschillende regels mogen handhaven of invoeren met betrekking tot het verbod op aftrek van uitgaven van de grondslag van deze belasting. Voorts worden met de wetgeving inzake deze belasting andere doelstellingen nagestreefd, namelijk doorgaans inkomsten uit activiteiten of goederen belasten, terwijl in het btw-recht de uitgaven voor een consumptiegoed worden belast.
40 Gezien het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 176, tweede alinea, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die van kracht wordt op de datum waarop die lidstaat toetreedt tot de Unie en de aftrek uitsluit van voorbelasting die is betaald in verband met de aankoop van goederen en diensten, zoals tickets om sportevenementen bij te wonen, die bedoeld zijn als attenties voor klanten, werknemers of derden.
Eerste vraag
41 Gelet op het antwoord op de tweede vraag behoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moet aldus worden uitgelegd dat
die bepaling zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die van kracht wordt op de datum waarop die lidstaat toetreedt tot de Europese Unie en de aftrek uitsluit van belasting over de toegevoegde waarde die is betaald in verband met de aankoop van goederen en diensten, zoals tickets om sportevenementen bij te wonen, die bedoeld zijn als attenties voor klanten, werknemers of derden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.