HvJ EU 5 maart 2026, C-828/24, ECLI:EU:C:2026:154
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
5 maart 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten – Richtlijn 2003/49/EG – Besluit tot verlening van vrijstelling ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip van de verstrekking van het attest en de bewijsstukken – Artikel 1, lid 12 – Termijn voor de verstrekking van het attest – Beperking van het tijdvak waarvoor vrijstelling kan worden verleend”
In zaak C‑828/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 26 november 2024, ingekomen bij het Hof op 4 december 2024, in de procedure
Erdrich Umformtechnik GmbH
tegen
Odvolací finanční ředitelství,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin en S. Gervasoni (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Odvolací finanční ředitelství, vertegenwoordigd door T. Rozehnal,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Ferrand en J. Hradil als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 12, van richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (PB 2003, L 157, blz. 49).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Erdrich Umformtechnik GmbH, een vennootschap naar Duits recht, en de Odvolací finanční ředitelství (kamer van beroep van de belastingdienst, Tsjechië) over de weigering om vrijstelling van belasting over inkomsten uit royalty’s te verlenen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 1 tot en met 4 van richtlijn 2003/49 zijn als volgt verwoord: „(1) In een interne markt die de kenmerken van een binnenlandse markt heeft, zouden transacties tussen ondernemingen van verschillende lidstaten niet aan minder gunstige belastingvoorschriften onderworpen moeten zijn dan die welke voor soortgelijke transacties tussen ondernemingen van eenzelfde lidstaat gelden. (2) Met betrekking tot uitkeringen van interest en royalty’s wordt thans niet aan deze eis voldaan; de nationale belastingwetten, in voorkomend geval in samenhang met bilaterale of multilaterale overeenkomsten, kunnen niet altijd waarborgen dat dubbele belasting wordt geëlimineerd en de toepassing ervan plaatst de betrokken ondernemingen vaak voor belastende administratieve formaliteiten en kasmiddelenproblemen. (3) Er moet worden gewaarborgd dat uitkeringen van interest en royalty’s eenmaal in een lidstaat worden belast. (4) De afschaffing van de belasting op uitkeringen van interest en royalty’s in de lidstaat waar zij ontstaan, ongeacht of deze door inhouding aan de bron of door aanslag wordt geïnd, is het geschiktste middel om deze formaliteiten en problemen uit te bannen en een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale transacties te waarborgen. Deze belasting moet met name worden afgeschaft voor uitkeringen tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten en tussen vaste inrichtingen van deze ondernemingen.”
4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt het volgende: „1. Uitkeringen van interest of royalty’s die ontstaan in een lidstaat, worden vrijgesteld van alle belastingen in die bronstaat (door inhouding dan wel door aanslag), op voorwaarde dat een onderneming van een andere lidstaat, of een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat, de uiteindelijk gerechtigde tot de interest of de royalty’s is. 2. Uitkeringen die worden uitbetaald door een onderneming van een lidstaat of een in die lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een andere lidstaat, worden geacht in die lidstaat te ontstaan (hierna: ‚bronstaat’). […] 11. De bronstaat kan eisen dat op het tijdstip van uitbetaling van de interest of royalty’s door middel van een attest wordt aangetoond dat de voorwaarden van dit artikel en van artikel 3 vervuld zijn. Indien op het tijdstip van uitbetaling niet is aangetoond dat de voorwaarden van dit artikel vervuld zijn, staat het de lidstaat vrij inhouding van bronbelasting op te leggen. 12. De bronstaat mag aan vrijstelling uit hoofde van deze richtlijn de voorwaarde verbinden dat hij ingevolge een attest dat de voorwaarden van dit artikel en van artikel 3 zijn vervuld, een besluit heeft genomen op grond waarvan op dat ogenblik vrijstelling kan worden verleend. Het vrijstellingsbesluit moet uiterlijk drie maanden na de afgifte van het attest en de verstrekking van de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken, worden genomen en heeft vervolgens een geldigheidsduur van ten minste een jaar. 13. Voor de toepassing van de leden 11 en 12 heeft het attest voor elke overeenkomst die aan de uitkering ten grondslag ligt, een geldigheidsduur van ten minste een jaar tot ten hoogste drie jaar vanaf de datum van afgifte; het behelst de volgende gegevens: a) een bewijs van de fiscale woonplaats van de ontvangende onderneming en, in voorkomend geval, van het bestaan van een vaste inrichting, afgegeven door de belastingautoriteit van de lidstaat waar de ontvangende onderneming haar fiscale woonplaats heeft of waar de vaste inrichting gelegen is; b) een verklaring dat de ontvangende onderneming de uiteindelijk gerechtigde is zoals bedoeld in lid 4, dan wel dat de voorwaarden van lid 5 vervuld zijn indien de ontvanger van de uitkering een vaste inrichting is; c) een verklaring dat de voorwaarden van artikel 3, onder a), punt iii), voor de ontvangende onderneming vervuld zijn; d) een verklaring dat de ontvangende onderneming houdster is van een minimumdeelneming dan wel van een minimumpercentage van de stemrechten overeenkomstig artikel 3, onder b); e) de vermelding hoelang die deelneming of stemrechten bestaan. Daarnaast kunnen de lidstaten verzoeken om de rechtsgrond voor de uitkering uit hoofde van de overeenkomst (bijvoorbeeld de lenings- of licentieovereenkomst). […] 15. Indien de uitbetalende onderneming of vaste inrichting bronbelasting waarvoor op grond van dit artikel vrijstelling moet worden verleend, heeft ingehouden, kan een vordering tot teruggave van die bronbelasting worden ingesteld. De lidstaat kan de in lid 13 genoemde gegevens opeisen. Het verzoek om teruggave moet binnen de gestelde termijn worden ingediend. Die termijn bedraagt ten minste twee jaar en gaat in op de datum waarop de interest of royalty’s uitgekeerd zijn. […]”
5 Artikel 2 van die richtlijn luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] b) ‚royalty’s’: vergoedingen van welke aard dan ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap – daaronder begrepen bioscoopfilms en software – van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap; […].”
Tsjechisch recht
6 § 19, lid 1, onder zj), punten 1 en 2, van zákon č. 586/1992 Sb., o daních z příjmů (wet nr. 586/1992 inzake de inkomstenbelasting), waarbij richtlijn 2003/49 in Tsjechisch recht is omgezet, stelt royalty’s vrij van inkomstenbelasting wanneer deze worden geïnd door een handelsvennootschap met fiscale woonplaats in een andere Unielidstaat dan Tsjechië en worden betaald door een handelsvennootschap met fiscale woonplaats in Tsjechië of door een vaste inrichting van een handelsvennootschap met fiscale woonplaats in een andere Unielidstaat dan Tsjechië wanneer die inrichting in Tsjechië is gevestigd.
7 In § 19, lid 5, van deze wet is het volgende bepaald: „De in lid 1, onder zj) en zk), bedoelde vrijstelling kan worden toegepast, indien 1. de betaler van de interest op een kredietinstrument of de betaler van royalty’s en de ontvanger van dergelijke interest of de ontvanger van royalty’s personen zijn die gedurende minstens vierentwintig opeenvolgende maanden rechtstreekse kapitaalbanden met elkaar hebben gehad en 2. de ontvanger van de interest op een kredietinstrument of de ontvanger van royalty’s de daadwerkelijke rechthebbende eis en 3. de interest op een schuldinstrument of de royalty’s niet kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting die gevestigd is op het grondgebied van Tsjechië of van een staat die geen lidstaat van de Europese Unie, geen staat van de Europese Economische Ruimte of niet de Zwitserse Bondsstaat is, en 4. een in § 38nb bedoeld besluit is vastgesteld ten aanzien van de ontvanger van de interest op een schuldinstrument of de ontvanger van de royalty’s. Vrijstelling kan ook worden toegepast voordat aan de in punt 1 genoemde voorwaarde is voldaan, mits die voorwaarde later wordt voldaan. Gebeurt dit niet, dan is lid 4 van overeenkomstige toepassing.”
8 § 38nb van die wet, met als opschrift „Vrijstellingsbesluit ten aanzien van inkomsten uit royalty’s en interest op een kredietinstrument”, bepaalt in lid 1: „Een belastingplichtige die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van § 19, lid 1, onder zj) en zk), verzoekt de voor hem territoriaal bevoegde belastingautoriteit om vaststelling van een besluit tot vrijstelling van inkomsten uit royalty’s en interest op een kredietinstrument. […]”
9 In § 38nb, lid 2, van diezelfde wet worden de gegevens opgesomd die in het verzoek om vrijstelling moeten worden opgenomen of die daarbij moeten worden gevoegd.
10 § 38nb, lid 3, van wet nr. 586/1992 bepaalt dat de informatie in het verzoek en in de vereiste bewijsstukken minstens één jaar geldig moet zijn en niet ouder mag zijn dan drie jaar.
11 § 38nb, lid 4, van deze wet luidt als volgt: „Op verzoek, waarvan de vereiste gegevens worden uiteengezet in lid 2, is de belastingautoriteit gehouden om een vrijstellingsbesluit vast te stellen wanneer is voldaan aan de voorwaarden van § 19, lid 1, onder zj) en zk), en § 19, lid 5, en § 23, lid 7, van deze wet. De belastingautoriteit is gehouden om dat besluit vast te stellen binnen een termijn van drie maanden nadat de belastingplichtige alle informatie en bewijzen heeft verstrekt die nodig zijn om aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het besluit is tevens bindend voor de betaler van de belasting.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 Op 5 juni 2019 heeft Erdrich Umformtechnik ingevolge § 38nb van wet nr. 586/1992 bij de Tsjechische belastingautoriteit een verzoek om vrijstelling van belasting op haar inkomsten uit royalty’s ingediend voor de belastingtijdvakken die samenvallen met de jaren 2014 tot en met 2018.
13 De kamer van beroep van de belastingdienst heeft de in die § 38nb bedoelde vrijstelling verleend voor de belastingtijdvakken 2017 en 2018. Zij heeft deze vrijstelling daarentegen afgewezen voor de jaren 2014 tot en met 2016 op grond dat het verzoek om vrijstelling was ingediend nadat de termijn van twee jaar was verstreken.
14 Erdrich Umformtechnik heeft tegen het besluit van de kamer van beroep van de belastingdienst beroep ingesteld bij de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië). Deze rechter heeft het beroep verworpen op grond dat de kamer van beroep van de belastingdienst er terecht van was uitgegaan dat Erdrich Umformtechnik haar verzoek om vrijstelling te laat had ingediend, namelijk nadat een termijn van twee jaar was verstreken. Hoewel de Tsjechische regeling niet voorziet in een termijn voor de indiening van een dergelijk verzoek, vloeit deze termijn van twee jaar volgens die rechter voort uit artikel 1, lid 15, van richtlijn 2003/49, dat ten aanzien van Erdrich Umformtechnik rechtstreekse werking heeft.
15 Erdrich Umformtechnik heeft cassatieberoep ingesteld bij de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië), de verwijzende rechter, waarbij zij aanvoert dat artikel 1, lid 15, van richtlijn 2003/49 jegens haar geen verticale rechtstreekse werking heeft. Zij betoogt tevens dat de in deze bepaling vastgestelde termijn een minimumduur vormt om een verzoek om teruggaaf van bronbelasting in te dienen, maar dat die termijn niet kan worden toegepast op een verzoek om vrijstelling krachtens artikel 1, lid 12, van deze richtlijn.
16 In dit verband acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om twee vragen te laten verduidelijken, waarvan de eerste betrekking heeft op de mogelijkheid voor een lidstaat om bij een krachtens artikel 1, lid 12, van richtlijn 2003/49 genomen besluit tevens vrijstelling van inkomstenbelasting te verlenen ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip van de verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar die staat redelijkerwijs om kan verzoeken, of zelfs ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip van het vrijstellingsbesluit. Een dergelijke mogelijkheid komt er volgens deze rechter op neer dat het verzuim om bronbelasting in te houden op de royalty’s met terugwerkende kracht geldig kan worden verklaard indien de belastingplichtige achteraf zou aantonen dat ten aanzien van het betreffende belastingtijdvak was voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling.
17 Indien het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt, wenst de verwijzende rechter met zijn tweede vraag te vernemen of richtlijn 2003/49 aldus moet worden uitgelegd dat zij voorziet in een termijn voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat krachtens artikel 1, lid 12, van deze richtlijn redelijkerwijs om kan verzoeken of in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan die verstrekking en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
18 Deze rechter betwijfelt of een dergelijke termijn of beperking kan worden afgeleid uit artikel 1, lid 15, van richtlijn 2003/49. Deze bepaling mag niet, door hieraan verticale rechtstreekse werking toe te kennen, ten nadele van de belastingplichtige aldus worden uitgelegd dat zij de termijn vaststelt waarover deze laatste beschikt om een verzoek om vrijstelling in te dienen. Bovendien mag de in die bepaling bedoelde minimumduur, die betrekking heeft op het verzoek om teruggaaf van bronbelasting, niet worden verward met de termijn voor de indiening van een verzoek om vrijstelling.
19 Naar het oordeel van de verwijzende rechter kan de enige mogelijke beperking in de tijd voortvloeien uit artikel 1, lid 13, van richtlijn 2003/49, waarin is bepaald dat „het attest voor elke overeenkomst die aan de uitkering ten grondslag ligt, een geldigheidsduur [heeft] van ten minste een jaar tot ten hoogste drie jaar vanaf de datum van afgifte”.
20 In die omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan richtlijn [2003/49] aldus worden uitgelegd dat zij de bronstaat toestaat om krachtens een vrijstellingsbesluit overeenkomstig artikel 1, lid 12, van de genoemde richtlijn tevens vrijstelling te verlenen ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip van verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken of in voorkomend geval voorafgaat aan het tijdstip waarop het vrijstellingsbesluit is vastgesteld? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: voorziet de richtlijn of een andere bepaling van het Unierecht direct of indirect in a) een termijn voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken ter vaststelling van een vrijstellingsbesluit overeenkomstig artikel 1, lid 12, van de richtlijn of b) een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip van verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken, waarvoor een vrijstelling kan worden verleend?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
21 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2003/49 aldus moet worden uitgelegd dat zij de bronstaat toestaat om krachtens een vrijstellingsbesluit overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn vrijstelling te verlenen ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop dat besluit is vastgesteld, of zelfs ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken waar die bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken, aan de bevoegde autoriteit zijn verstrekt.
22 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/49 bepaalt dat uitkeringen van interest of royalty’s die ontstaan in een lidstaat, worden vrijgesteld van alle belastingen in die bronstaat (door inhouding dan wel door aanslag), op voorwaarde dat een onderneming van een andere lidstaat, of een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat, de uiteindelijk gerechtigde tot de interest of de royalty’s is.
23 Volgens artikel 1, lid 12, van deze richtlijn mag de bronstaat de vrijstelling van belasting afhankelijk stellen van een administratief besluit, dat wordt vastgesteld na de verstrekking van een attest en de bewijsstukken waar die bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken.
24 In dit verband moet volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck,292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 25 februari 2025, BSH Hausgeräte,C‑339/22, EU:C:2025:108, punt 27).
25 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 1, lid 12, van richtlijn 2003/49 er niet aan in de weg staan dat de bronstaat vrijstelling verleent ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het administratieve besluit is vastgesteld, of zelfs ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken aan de bevoegde autoriteit zijn verstrekt. Voor zover de tweede volzin van artikel 1, lid 12, van deze richtlijn vermeldt dat het vrijstellingsbesluit wordt „genomen en […] vervolgens een geldigheidsduur van ten minste een jaar [heeft]”, stelt deze bepaling een minimumduur vast voor de geldigheid van dat besluit, maar verbiedt zij niet dat een bronstaat vrijstelling verleent ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop dat besluit is vastgesteld.
26 Wat vervolgens de context van die bepaling betreft, moet erop worden gewezen dat artikel 1, lid 11, van richtlijn 2003/49 met betrekking tot de in die richtlijn vastgestelde procedures voor vrijstellingen bepaalt dat een vrijstelling kan worden verleend op basis van een attest, terwijl volgens artikel 1, lid 12, van die richtlijn de lidstaat een dergelijke vrijstelling kan verlenen door middel van een besluit dat wordt genomen op verzoek van de belastingplichtige.
27 Bovendien preciseert artikel 1, lid 13, van richtlijn 2003/49 de geldigheidsduur en de inhoud van het attest dat voor de toepassing van artikel 1, leden 11 en 12, van deze richtlijn moet worden verstrekt, alsmede de gegevens waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken.
28 Hieruit blijkt dat de bepalingen van richtlijn 2003/49 de reikwijdte van een vrijstelling niet beperken tot uitsluitend het tijdvak na het tijdstip waarop het in artikel 1, lid 12, van richtlijn 2003/49 bedoelde besluit is vastgesteld of waarop het attest en de bewijsstukken aan de bevoegde autoriteit zijn verstrekt.
29 Wat ten slotte de doelstellingen van richtlijn 2003/49 betreft, blijkt uit de overwegingen 2 tot en met 4 ervan dat deze richtlijn ertoe strekt dubbele belasting op uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen uit verschillende lidstaten af te schaffen en te waarborgen dat deze uitkeringen eenmaal in één enkele lidstaat worden belast, en dat de afschaffing van de belasting op deze uitkeringen in de lidstaat waar zij ontstaan het meest geschikte middel is om een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale transacties te waarborgen (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria,C‑257/20, EU:C:2022:125, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De mogelijkheid voor een lidstaat om krachtens artikel 1, lid 12, van deze richtlijn vrijstelling te verlenen ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het vrijstellingsbesluit is genomen, of zelfs ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt teneinde het verzoek om vrijstelling te staven, draagt bij tot de verwezenlijking van deze doelstelling.
30 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2003/49 aldus moet worden uitgelegd dat zij de bronstaat toestaat om krachtens een besluit overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn vrijstelling te verlenen ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop dat besluit is vastgesteld, of zelfs ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken waar die bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken, aan de bevoegde autoriteit zijn verstrekt.
Tweede vraag
31 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2003/49 aldus moet worden uitgelegd dat zij voorziet in een termijn voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken teneinde een vrijstellingsbesluit vast te stellen overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn, dan wel of zij voorziet in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
32 Uit de bewoordingen van artikel 1, lid 12, van richtlijn 2003/49 blijkt niet dat deze bepaling voorziet in een termijn om het attest en de bewijsstukken aan de bevoegde autoriteit te verstrekken, noch dat zij voorziet in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
33 Hetzelfde geldt voor artikel 1, lid 13, van deze richtlijn. Lid 13 bepaalt weliswaar dat het attest voor elke overeenkomst die aan de uitkering ten grondslag ligt een geldigheidsduur heeft van ten hoogste drie jaar vanaf de datum van afgifte, maar legt de aanvrager geen termijn op waarbinnen het attest en de bewijsstukken aan de bevoegde autoriteit moeten worden verstrekt, en voorziet evenmin in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
34 Artikel 1, lid 15, van richtlijn 2003/49 bevat geen termijn die van toepassing is op overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn ingediende verzoeken om vrijstelling.
35 Artikel 1, lid 15, dat de uitbetalende onderneming of vaste inrichting die bronbelasting heeft ingehouden waarvoor vrijstelling moet worden verleend de mogelijkheid biedt om een vordering tot teruggaaf van die bronbelasting in te stellen, komt namelijk overeen met een andere procedurele regeling dan de overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn ingediende verzoeken om vrijstelling. Hoewel artikel 1, lid 15, van richtlijn 2003/49 verduidelijkt dat de door de lidstaat vastgestelde termijn voor de indiening van een verzoek om teruggaaf van bronbelasting een minimumtermijn vormt van twee jaar die ingaat op de datum waarop de interest of royalty’s zijn uitgekeerd, is deze termijn niet van toepassing op de in artikel 1, lid 12, van deze richtlijn bedoelde procedures.
36 Deze uitlegging vindt steun in de in punt 29 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling van richtlijn 2003/49. Om dat doel te bereiken is het immers niet noodzakelijk dat de richtlijn zelf voorziet in een termijn voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken of in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
37 Wat het hoofdgeding betreft, blijkt dat er voor Erdrich Umformtechnik – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – geen verplichting bestond in de zin van artikel 1, lid 15, van richtlijn 2003/49. Daarnaast kan een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen en als zodanig dus niet aan particulieren worden tegengeworpen (arrest van 3 mei 2005, Berlusconi e.a., C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, EU:C:2005:270, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Aangezien richtlijn 2003/49 geen termijn vaststelt voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken van een verzoek om vrijstelling van inkomsten uit royalty’s, staat het krachtens het beginsel van procedurele autonomie aan de interne rechtsorde van elke lidstaat om deze termijn vast te stellen (zie naar analogie arrest van 22 december 2022, Shell Deutschland Oil, C‑553/21, EU:C:2022:1030, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, staat het in casu aan de verwijzende rechter om na te gaan of het Tsjechische recht een termijn bevat die van toepassing is op de situatie in het hoofdgeding.
39 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat richtlijn 2003/49 aldus moet worden uitgelegd dat zij noch voorziet in een termijn voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken teneinde een vrijstellingsbesluit vast te stellen overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn, noch voorziet in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
Kosten
40 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat zij de bronstaat toestaat om krachtens een besluit overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn vrijstelling te verlenen ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop dat besluit is vastgesteld, of zelfs ten aanzien van een tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken waar die bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken, aan de bevoegde autoriteit zijn verstrekt.
2) Richtlijn 2003/49 moet aldus worden uitgelegd dat zij noch voorziet in een termijn voor de verstrekking van het attest en de bewijsstukken waar de bronstaat redelijkerwijs om kan verzoeken teneinde een vrijstellingsbesluit vast te stellen overeenkomstig artikel 1, lid 12, van deze richtlijn, noch voorziet in een beperking van de duur van het tijdvak dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het attest en de bewijsstukken zijn verstrekt en dat in aanmerking komt voor vrijstelling.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.