HvJ EU 5 maart 2026, C-564/24, ECLI:EU:C:2026:151

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

5 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 2011/83/EU – Overeenkomst op afstand tussen een consument en een handelaar – Begrip ‚consument’ – Contact tussen de consument en de handelaar tot stand gebracht via een door de consument aangewezen andere handelaar – Artikel 2, punt 7 – Herroepingsrecht van de consument – Artikel 9, lid 1 – Rechtsmisbruik”

In zaak C‑564/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Kammergericht Berlijn (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 9 april 2024, ingekomen bij het Hof op 20 augustus 2024, in de procedure

Eisenberger Gerüstbau GmbH

tegen

JK,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, S. Šindelková en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en I. Rubene als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 september 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 7, artikel 9, lid 1, en artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eisenberger Gerüstbau GmbH, een vennootschap naar Duits recht, en JK in verband met de betaling van een vergoeding wegens de terbeschikkingstelling en montage van steigers door deze vennootschap.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 4, 5, 7, 14, 17, 20 en 57 van richtlijn 2011/83 luiden: „(4) […] Harmonisatie van bepaalde aspecten van overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten consumentenovereenkomsten is noodzakelijk voor de bevordering van een echte interne markt voor de consument, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. (5) […] De volledige harmonisatie van consumenteninformatie en van het herroepingsrecht voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten zal dan ook bijdragen tot een hoog beschermingsniveau voor de consument en een beter functioneren van de b2c-interne markt. […] (7) Volledige harmonisatie van een aantal centrale regelgevingsaspecten moet de rechtszekerheid voor zowel de consumenten als de handelaren aanzienlijk verbeteren. […] Bovendien moeten de consumenten een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming genieten in de gehele [Europese] Unie. […] (14) Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het nationale recht op het gebied van het verbintenissenrecht voor de verbintenissenrechtelijke aspecten die niet door deze richtlijn worden geregeld. Deze richtlijn dient derhalve het nationale recht inzake bijvoorbeeld het sluiten of de geldigheid van een overeenkomst, zoals in het geval van het ontbreken van overeenstemming, onverlet te laten. De richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan het nationale recht inzake de algemene contractuele rechtsmiddelen, de regels inzake de openbare economische orde, bijvoorbeeld regels betreffende buitensporige prijzen of woekerprijzen, en de regels betreffende onethische rechtshandelingen. […] (17) Onder de definitie van consument dienen natuurlijke personen te vallen die buiten hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit handelen. Bij gemengde overeenkomsten, waar een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen en het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst niet overheerst, dient die persoon echter ook als consument te worden aangemerkt. […] (20) […] Het begrip ‚georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand’ dient die systemen te omvatten die door andere derden dan de handelaar worden aangeboden, maar door de handelaar worden gebruikt, zoals een onlineplatform. Hieronder mogen echter niet websites worden gerekend die louter informatie over de handelaar, zijn goederen en/of diensten en zijn contactgegevens bevatten. […] (57) Het is noodzakelijk dat de lidstaten sancties vaststellen voor inbreuken op deze richtlijn en erop toezien dat ze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

4 Artikel 1 van deze richtlijn luidt als volgt: „Het doel van deze richtlijn is om door de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake tussen consumenten en handelaren gesloten overeenkomsten onderling aan te passen.”

5 Artikel 2 van de richtlijn luidt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. ‚consument’: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen; 2. ‚handelaar’: iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon, ongeacht of deze privaat of publiek is, die met betrekking tot onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit; […] 6. ‚dienstenovereenkomst’: iedere andere overeenkomst dan een verkoopovereenkomst, waarbij de handelaar de consument een dienst levert of zich ertoe verbindt een dienst te leveren en de consument de prijs daarvan betaalt of zich ertoe verbindt de prijs daarvan te betalen; 7. ‚overeenkomst op afstand’: iedere overeenkomst die tussen de handelaar en de consument wordt gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van handelaar en consument en waarbij, tot op en met inbegrip van het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand; 8. ‚buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst’: iedere overeenkomst tussen de handelaar en de consument: a) die wordt gesloten in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument op een andere plaats dan de verkoopruimten van de handelaar; b) waarvoor door de consument een aanbod werd gedaan onder dezelfde omstandigheden als bedoeld onder a); c) die gesloten wordt in de verkoopruimten van de handelaar of met behulp van een middel voor communicatie op afstand, onmiddellijk nadat de consument persoonlijk en individueel is aangesproken op een plaats die niet de verkoopruimte van de handelaar is, in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument; of d) die gesloten wordt tijdens een excursie die door de handelaar is georganiseerd met als doel of effect de promotie en de verkoop van goederen of diensten aan de consument; […] 15. ‚aanvullende overeenkomst’: een overeenkomst waarbij een consument goederen of diensten verwerft in verband met een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, en deze goederen of diensten door de handelaar worden geleverd of door een derde partij op basis van een afspraak tussen die derde partij en de handelaar”.

6 Artikel 3, lid 5, van die richtlijn luidt: „Voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet bij deze richtlijn worden geregeld, laat deze richtlijn de algemene bepalingen van het nationale verbintenissenrecht, zoals over de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten, onverlet.”

7 In artikel 4 van richtlijn 2011/83 wordt het volgende bepaald: „De lidstaten behouden in hun nationale wetgeving geen bepalingen die afwijken van de bepalingen opgenomen in deze richtlijn, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van consumentenbescherming waarborgen, of voeren dergelijke bepalingen niet in, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.”

8 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „Voordat de consument door een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, dan wel een daarmee overeenstemmend aanbod daartoe is gebonden, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie: […] h) wanneer een herroepingsrecht bestaat, de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht overeenkomstig artikel 11, lid 1, alsmede het modelformulier voor herroeping opgenomen in bijlage I, deel B; […]”

9 Artikel 9 van die richtlijn bepaalt: „1. Behoudens wanneer de in artikel 16 bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn, beschikt de consument over een termijn van 14 dagen om de overeenkomst op afstand of de buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst zonder opgave van redenen te herroepen, en zonder andere kosten te moeten dragen dan die welke in artikel 13, lid 2, en artikel 14 zijn vastgesteld. 2. Onverminderd artikel 10 verstrijkt de in lid 1 van dit artikel bedoelde herroepingstermijn 14 dagen na: a) voor dienstenovereenkomsten, de dag waarop de overeenkomst wordt gesloten; […] 3. De lidstaten verbieden de partijen bij de overeenkomst niet hun contractuele verplichtingen na te komen gedurende de herroepingstermijn. […]”

10 Artikel 10 van die richtlijn luidt: „1. Indien de handelaar de consument niet de ingevolge artikel 6, lid 1, onder h), verplichte informatie over het herroepingsrecht heeft verstrekt, loopt de herroepingstermijn af twaalf maanden na het einde van de oorspronkelijke, overeenkomstig artikel 9, lid 2, vastgestelde herroepingstermijn. 2. Indien de handelaar de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie aan de consument heeft verstrekt binnen twaalf maanden na de in artikel 9, lid 2, bedoelde dag, verstrijkt de herroepingstermijn 14 dagen na de dag waarop de consument die informatie heeft ontvangen.”

11 Artikel 11 van richtlijn 2011/83 bepaalt in lid 1: „Voor het verstrijken van de herroepingstermijn stelt de consument de handelaar op de hoogte van zijn beslissing de overeenkomst te herroepen. Daartoe kan de consument: a) gebruikmaken van het modelformulier voor herroeping zoals opgenomen in bijlage I, deel B, of b) een andere ondubbelzinnige verklaring afgeven waarin hij verklaart de overeenkomst te herroepen. De lidstaten leggen geen andere formele vereisten op met betrekking tot het modelformulier voor herroeping dan deze die zijn opgenomen in bijlage I, deel B.”

12 Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: „De uitoefening van het herroepingsrecht beëindigt de verplichting voor de partijen om: a) de overeenkomst op afstand of de buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst uit te voeren, of b) een overeenkomst op afstand of buiten verkoopruimten te sluiten, in het geval de consument een aanbod heeft gedaan.”

13 Artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn luidt als volgt: „De handelaar vergoedt alle van de consument ontvangen betalingen, inclusief, voor zover van toepassing, de leveringskosten, onverwijld en in elk geval uiterlijk 14 dagen na de dag waarop hij wordt geïnformeerd van de beslissing van de consument om de overeenkomst overeenkomstig artikel 11 te herroepen.”

14 Artikel 14 van deze richtlijn luidt: „[…] 4. De consument draagt geen kosten voor: a) de uitvoering van diensten, of de levering van water, gas of elektriciteit, wanneer deze niet in beperkte volumes of in een bepaalde hoeveelheid gereed voor verkoop zijn gemaakt, of van stadsverwarming, die geheel of ten dele tijdens de herroepingstermijn zijn verleend, indien i) de handelaar heeft nagelaten de informatie overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder h) of j), te verstrekken, of ii) de consument er niet uitdrukkelijk om heeft verzocht met de uitvoering van de dienst te beginnen tijdens de herroepingstermijn overeenkomstig artikel 7, lid 3, en artikel 8, lid 8, […] […] 5. Tenzij anders bepaald in artikel 13, lid 2, en in onderhavig artikel, kan de consument in geen enkel opzicht aansprakelijk worden gesteld ingevolge de uitoefening van zijn herroepingsrecht.”

15 Artikel 15 van richtlijn 2011/83 stelt: „1. Onverminderd artikel 15 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten [en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66)] worden, wanneer de consument gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht voor een overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 14 van deze richtlijn op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, alle eventuele aanvullende overeenkomsten automatisch eveneens beëindigd, zonder kosten voor de consument, behoudens de kosten die in artikel 13, lid 2, of artikel 14 van deze richtlijn zijn voorzien. 2. De lidstaten stellen gedetailleerde regels vast voor de beëindiging van dergelijke overeenkomsten.”

16 Artikel 24, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

Duits recht

17 § 242 van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) bepaalt het volgende: „De schuldenaar is verplicht de prestatie te goeder trouw uit te voeren, met inachtneming van de handelsgebruiken.”

18 § 312c BGB bepaalt: „(1) Onder ‚overeenkomsten op afstand’ worden verstaan: overeenkomsten waarbij de handelaar, of een persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, en de consument uitsluitend gebruikmaken van middelen voor communicatie op afstand voor de onderhandeling over en de sluiting van de overeenkomst, behalve wanneer de overeenkomst niet wordt gesloten via een georganiseerd systeem voor verkoop op afstand of het verrichten van diensten. (2) De middelen voor communicatie op afstand in de zin van deze wet zijn alle communicatiemiddelen die kunnen worden gebruikt voor het voorbereiden of het sluiten van een overeenkomst zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de contractpartijen, zoals brieven, catalogi, telefoongesprekken, faxberichten, e-mails, berichten die via een mobieletelefoniedienst (sms) worden verzonden, alsmede radio en media.”

19 § 357 BGB luidt als volgt: „(1) De ontvangen prestaties moeten uiterlijk na 14 dagen worden teruggegeven. […] (8) Wanneer de consument een dienstenovereenkomst herroept […], moet hij een vergoeding betalen voor de prestatie die tot aan de herroeping is verricht, indien de consument de handelaar uitdrukkelijk heeft verzocht met de uitvoering van de prestatie te beginnen vóór het verstrijken van de herroepingstermijn. Het uit de eerste volzin voortvloeiende recht bestaat slechts wanneer de handelaar de consument overeenkomstig artikel 246a, § 1, lid 2, eerste volzin, punten 1 en 3, van het [Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek)] naar behoren in kennis heeft gesteld. […] De schadevergoeding moet worden berekend op basis van de totale prijs die is overeengekomen. Indien de totale overeengekomen prijs buitensporig hoog is, moet de schadevergoeding worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde prestatie. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20 Eisenberger Gerüstbau verhuurt bedrijfsmatig steigers die zij voor haar klanten monteert en vervolgens demonteert. JK, die als ambtenaar van de federale overheid in Duitsland werkt, is eigenaar van een perceel in Berlijn (Duitsland) waarop een meergezinswoning met meerdere verdiepingen is gebouwd.

21 In 2020 heeft JK besloten om twee nieuwe verdiepingen met in totaal vier wooneenheden voor eigen woondoeleinden toe te voegen op de bovenste verdieping van dit gebouw. Daartoe heeft zij een architect belast met de planning en het toezicht op de bouwwerkzaamheden. Die architect moest tevens bestekken voor de noodzakelijke werken opstellen, offertes bij gespecialiseerde bedrijven opvragen en ten slotte meewerken aan het sluiten van de overeenkomsten door ontwerpovereenkomsten op te stellen. In het kader van deze taken heeft die architect met name Eisenberger Gerüstbau een bestek voor de terbeschikkingstelling en montage van steigers toegezonden met het verzoek om op basis daarvan een offerte in te dienen. Eisenberger Gerüstbau heeft dit bestek aanvaard en daarbij eenheidsprijzen en een geraamde totale prijs van 45663,18 EUR bruto vermeld. Zij heeft dit bestek op 24 april 2020 ondertekend en aan de architect teruggezonden.

22 De architect heeft Eisenberger Gerüstbau geselecteerd als gespecialiseerd bedrijf voor de terbeschikkingstelling en montage van de steigers. Hij heeft dienovereenkomstig een ontwerpovereenkomst opgesteld op basis van de offerte van 24 april 2020, en heeft dit ontwerp op 14 december 2020 per e-mail aan beide partijen, te weten Eisenberger Gerüstbau en JK, toegezonden. In dit ontwerp werd niet vermeld dat JK het recht had om de overeenkomst te herroepen. Eisenberger Gerüstbau heeft de ontwerpovereenkomst op 14 december 2020, zonder wijzigingen, ondertekend en aan JK toegezonden. Deze laatste heeft deze ontwerpovereenkomst op 15 december 2020 eveneens ondertekend en het door beide partijen ondertekende exemplaar per post aan Eisenberger Gerüstbau teruggezonden (hierna: „betrokken overeenkomst”).

23 Op 1 januari 2021 heeft Eisenberger Gerüstbau JK per e-mail een voorstel voor een addendum bij de betrokken overeenkomst toegezonden in verband met twee extra mobiele platforms ten belope van in totaal 7730 EUR bruto voor de montage, de demontage en het beschikbaar houden gedurende vier weken, vanaf de vijfde week te vermeerderen met een extra huurbedrag van 517,65 EUR bruto per week gebruik van die steigers. JK heeft het voorstel voor een addendum ondertekend en op 22 januari 2021 per e-mail aan Eisenberger Gerüstbau teruggezonden. In januari 2021 is Eisenberger Gerüstbau begonnen met de plaatsing van de steigers.

24 Op 26 januari 2021 heeft Eisenberger Gerüstbau de steigers ter beschikking gesteld van JK met het oog op de uitvoering van de in het betrokken gebouw geplande bouwwerkzaamheden. Tot eind mei 2021 heeft verweerster uit hoofde van tussentijdse facturen die Eisenberger Gerüstbau had opgesteld een totaalbedrag van 95937,84 EUR betaald.

25 Bij brief van 7 december 2021 heeft JK Eisenberger Gerüstbau meegedeeld dat zij haar wilsverklaringen voor de sluiting van de betrokken overeenkomst en het addendum herriep, dat zij in dat verband weigerde verdere betalingen te verrichten, en dat zij de terugbetaling van de ten belope van dat bedrag betaalde voorschotten vorderde. In december 2021 waren alle door JK geplande bouwwerkzaamheden waarvoor de steigers nodig waren, voltooid. Op verzoek van JK zijn de steigers op 20 december 2021 gedemonteerd.

26 Eisenberger Gerüstbau heeft JK bij het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) gedagvaard tot betaling van de volgens haar op de datum van de dagvaarding nog verschuldigde vergoeding, namelijk 101000,25 EUR uit hoofde van de overeenkomst inzake het steigerwerk. In het kader van deze procedure heeft JK een reconventionele vordering ingesteld tot terugbetaling van de door haar gedane aanbetalingen ten belope van 95937,84 EUR.

27 Bij vonnis van 19 mei 2023 heeft het Landgericht Berlin de vordering afgewezen en de reconventionele vordering in haar geheel toegewezen.

28 Eisenberger Gerüstbau heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Kammergericht Berlin (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland), de verwijzende rechter.

29 Deze rechter is van mening dat de betrokken overeenkomst, die via de architect als hulppersoon bij de onderhandelingen tot stand is gekomen, niet binnen de werkingssfeer valt van § 312c, lid 1, BGB, die artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 heeft omgezet in Duits recht.

30 In dat verband preciseert de verwijzende rechter dat het juist is dat Eisenberger Gerüstbau enerzijds en JK en de architect anderzijds tot en met het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst uitsluitend met middelen voor communicatie op afstand met elkaar hebben gecommuniceerd, namelijk per post of e-mail. Omdat JK een beroep heeft gedaan op de architect – die een handelaar is – om de overeenkomst voor te bereiden, is de bescherming van § 312c BGB volgens hem evenwel niet van toepassing.

31 Volgens de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot § 312c BGB en de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) beoogt deze bepaling, die eveneens gebaseerd is op overweging 37 van richtlijn 2011/83, de consument te beschermen die de betrokken goederen of diensten niet kan inspecteren voor het sluiten van de overeenkomst en in dit verband geen nadere informatie kan verkrijgen.

32 Evenwel is het niet zo dat de consument onvoldoende informatie krijgt in een geval als in het hoofdgeding aan de orde, waarin die consument een beroep doet op een handelaar die optreedt als tussenpersoon bij de onderhandelingen, over voldoende deskundigheid beschikt ten aanzien van de diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft en de consument bijstaat om te antwoorden op eventuele vragen ter zake.

33 Hoe dan ook heeft de consument geen herroepingsrecht in het kader van een overeenkomst wanneer een handelaar die optreedt als tussenpersoon bij de onderhandelingen het voorwerp van de prestatie bepaalt en alleen contact opneemt met de handelaar die de medecontractant van deze consument is, om bepaalde contractuele voorwaarden te verduidelijken.

34 Indien de consument niet het recht heeft om zijn wilsverklaring voor de sluiting van de hoofdovereenkomst te herroepen, kan dit recht evenmin worden toegekend met betrekking tot aanvullende overeenkomsten of addenda die op die overeenkomst betrekking hebben.

35 Indien het recht van JK om de betrokken overeenkomst te herroepen in casu toch zou worden erkend, is de verwijzende rechter van oordeel dat Eisenberger Gerüstbau geen recht heeft op een vergoeding voor de verrichte diensten en overeenkomstig § 357, lid 8, BGB en artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/83 evenmin recht heeft op een compenserende vergoeding.

36 Deze rechter is van oordeel dat het feit dat een consument die in omstandigheden als die van de bij hem aanhangige zaak een overeenkomst heeft herroepen, weigert de handelaar met wie hij door die overeenkomst was gebonden een compenserende vergoeding voor de reeds verrichte prestaties te betalen, in strijd kan worden geacht met het vereiste van goede trouw.

37 De verwijzende rechter vraagt zich echter af of deze uitlegging verenigbaar is met het arrest van 17 mei 2023, DC (Herroeping na uitvoering van de overeenkomst) (C‑97/22, EU:C:2023:413), waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling een consument vrijstelt van elke verplichting tot betaling van de prestaties die zijn verricht ter uitvoering van een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, wanneer de betrokken handelaar hem niet de in artikel 14, lid 4, onder a), i), van deze richtlijn bedoelde informatie heeft verstrekt en deze consument zijn herroepingsrecht heeft uitgeoefend nadat de overeenkomst reeds was uitgevoerd.

38 Daarop heeft het Kammergericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is er ook sprake van een krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 2011/83 herroepbare overeenkomst op afstand in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83, indien de consument vóór of bij het sluiten van de overeenkomst wordt bijgestaan door een handelaar aan wie hij, onafhankelijk van de dienstverrichter, een opdracht heeft gegeven? 2) Indien de eerste prejudiciële vraag door het Hof bevestigend wordt beantwoord: Is er ook sprake van een krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 2011/83 herroepbare overeenkomst op afstand in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83, indien aan een van de volgende aanvullende voorwaarden is voldaan: a) Het was de handelaar die de consument heeft bijgestaan op wiens initiatief het contact tussen de consument en de dienstverrichter tot stand is gekomen. b) De handelaar die de consument heeft bijgestaan, heeft invloed uitgeoefend op wezenlijke onderdelen van de inhoud van de overeenkomst voordat deze is gesloten (zoals het opstellen van een bestek of het ter beschikking stellen van een ontwerpovereenkomst). 3) Indien er naar het oordeel van het Hof geen sprake is van een herroepbare overeenkomst op afstand in de gevallen als bedoeld in de vragen 1 en 2, onder a) of b): Indien de partijen na het sluiten van die overeenkomst en wederom uitsluitend met gebruikmaking van middelen voor communicatie op afstand een andere overeenkomst sluiten die betrekking heeft op aanvullende prestaties van de dienstverrichter die ten opzichte van de eerste overeenkomst van ondergeschikt belang zijn: Is dit addendum op zichzelf een krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 2011/83 herroepbare overeenkomst op afstand in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 of is dit addendum, net zoals de hoofdovereenkomst die het aanvult, niet als overeenkomst op afstand herroepbaar? 4) Indien de consument zijn herroepingsrecht bij een herroepbare overeenkomst op afstand heeft uitgeoefend, nadat zijn wederpartij al prestaties heeft verricht: Kan de consument ondanks artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/83 verplicht zijn om de handelaar de waarde van zijn prestatie in redelijke mate te vergoeden, indien een ander resultaat, gelet op alle omstandigheden van het individuele geval, rechtsmisbruik zou opleveren dan wel in strijd met de goede trouw zou zijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

39 Met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een consument vóór en bij het sluiten van een overeenkomst tussen deze consument en een handelaar wordt bijgestaan door een andere, door hem gekozen handelaar, op wiens initiatief het contact tussen de consument en eerstgenoemde handelaar tot stand is gekomen en die invloed heeft uitgeoefend op wezenlijke onderdelen van de inhoud van deze overeenkomst, relevant is om deze overeenkomst aan te merken als een „overeenkomst op afstand” in de zin van deze bepaling.

40 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens deze bepaling een overeenkomst slechts als een overeenkomst op afstand kan worden aangemerkt indien cumulatief is voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste moet deze overeenkomst worden gesloten tussen een consument en een handelaar in de zin van de definities van artikel 2, punten 1 en 2, van richtlijn 2011/83. Ten tweede moet de overeenkomst worden gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand. Ten derde moet die overeenkomst worden gesloten zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument en moet de contractuele verhouding tussen de partijen worden vastgesteld door uitsluitend gebruik te maken van een of meer middelen voor communicatie op afstand, tot en met het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten.

41 Het is juist dat uit de verwijzingsbeslissing niet ondubbelzinnig blijkt over welke van deze voorwaarden de verwijzende rechter twijfels heeft. Deze rechter heeft evenwel nader toegelicht dat JK en de architect enerzijds en Eisenberger Gerüstbau anderzijds tot aan de sluiting van de overeenkomst uitsluitend via middelen voor communicatie op afstand, te weten per post of per e-mail, hebben gecommuniceerd, waaruit blijkt dat hij de derde voorwaarde als vervuld beschouwt. Derhalve dienen alleen de eerste twee voorwaarden te worden onderzocht.

42 In de eerste plaats moet worden nagegaan of een persoon als JK, die eigenaar is van een perceel waarop een meergezinswoning met meerdere verdiepingen is gebouwd en die een beroep heeft gedaan op een handelaar, te weten Eisenberger Gerüstbau, om twee nieuwe verdiepingen met in totaal vier wooneenheden te doen bouwen, als „consument” moet worden aangemerkt wat de betrokken overeenkomst betreft.

43 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 een „consument” iedere natuurlijke persoon is die bij een onder deze richtlijn vallende overeenkomst handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen.

44 Volgens vaste rechtspraak beoogt richtlijn 2011/83 een hoog niveau van bescherming van consumenten te verwezenlijken, die zich ten opzichte van een handelaar in een zwakkere positie bevinden in die zin dat zij moeten worden geacht minder goed te zijn geïnformeerd en als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moeten worden beschouwd [zie in die zin arresten van 27 maart 2019, slewo, C‑681/17, EU:C:2019:255, punt 32, en 14 mei 2020, NK (Ontwerp van eengezinswoning), C‑208/19, EU:C:2020:382, punt 39].

45 Het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), dat overeenstemt met het begrip „consument” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83, is een objectief begrip dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon daadwerkelijk beschikt (zie in die zin arresten van 3 september 2015, Costea, C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 21, en 8 mei 2025, Pielatak, C‑410/23, EU:C:2025:325, punt 36).

46 Om na te gaan of de betrokkene als „consument” in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt, moet de nationale rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, en met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument), C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

47 Uit de uitleg die de verwijzende rechter heeft gegeven blijkt dat hij wenst te vernemen of de omstandigheid dat JK werd bijgestaan door een andere, door hem gekozen handelaar, namelijk een architect, die invloed heeft uitgeoefend op de wezenlijke onderdelen van de inhoud van de betrokken overeenkomst, al dan niet relevant is voor de kwalificatie van JK als consument.

48 Ten eerste, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, doet het feit dat, zoals in het hoofdgeding, een consument wordt bijgestaan door een handelaar – in casu een architect – bij de onderhandelingen over en de sluiting van een overeenkomst tussen deze consument en een andere handelaar, niet af aan de in punt 44 van het onderhavige arrest bedoelde zwakkere positie van die consument ten opzichte van laatstgenoemde handelaar, zelfs indien het contact tussen de consument en de andere handelaar tot stand is gekomen op initiatief van de handelaar die de consument heeft bijgestaan, en die handelaar invloed heeft uitgeoefend op de inhoud van die overeenkomst.

49 Ten tweede, zoals in herinnering is gebracht in punt 45 van het onderhavige arrest, moet het begrip „consument” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 worden uitgelegd als een objectief begrip dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover deze persoon daadwerkelijk beschikt. Dat een dergelijke persoon door een handelaar wordt bijgestaan, doet dus niet af aan zijn hoedanigheid van consument en impliceert overigens niet dat aan de betrokken overeenkomst een beroepsmatig doel wordt toegekend (zie in die zin arrest van 3 september 2015, Costea, C‑110/14, EU:C:2015:538, punten 21 en 25-27).

50 Voor het geval de verwijzende rechter van oordeel is dat JK in het kader van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst moet worden aangemerkt als een consument, moet in de tweede plaats worden onderzocht of een dergelijke overeenkomst, gelet op de feitelijke gegevens die deze rechter in zijn verwijzingsbeslissing heeft uiteengezet over de wijze waarop die overeenkomst tussen JK en Eisenberger Gerüstbau is gesloten en de bijstand die in dat kader is verleend door de architect waarop JK een beroep heeft gedaan, moet worden geacht te zijn gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83.

51 In dat verband staat in overweging 20 van deze richtlijn te lezen dat het begrip „georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand” de systemen dient te omvatten die door andere derden dan de handelaar worden aangeboden, maar door de handelaar worden gebruikt, zoals een onlineplatform, maar hieronder echter geen websites mogen worden gerekend die louter informatie over de handelaar, zijn goederen en/of diensten en zijn contactgegevens bevatten.

52 In casu moet worden vastgesteld, zoals ook de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat het dossier waarover het Hof beschikt geen gegevens bevat met betrekking tot een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand dat door Eisenberger Gerüstbau zou zijn opgezet. De door de verwijzende rechter uiteengezette feiten lijken er echter op te wijzen dat de betrokken overeenkomst niet in het kader van een dergelijk systeem is gesloten. Uit deze feiten blijkt namelijk dat deze overeenkomst is gesloten op basis van een ontwerpovereenkomst die onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van JK was opgesteld en waarin de precieze prestaties werden vermeld die zij aan Eisenberger Gerüstbau wenste toe te vertrouwen, welk ontwerp per e-mail aan deze onderneming ter ondertekening is toegezonden en door haar ongewijzigd is ondertekend. Zelfs indien die onderneming over een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand beschikte, blijkt dus niet dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst in het kader van een dergelijk systeem is gesloten, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

53 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een consument vóór en bij het sluiten van een overeenkomst tussen deze consument en een handelaar wordt bijgestaan door een andere, door hem gekozen handelaar, op wiens initiatief het contact tussen de consument en eerstgenoemde handelaar tot stand is gekomen en die invloed heeft uitgeoefend op wezenlijke onderdelen van de inhoud van deze overeenkomst, niet relevant is om deze overeenkomst aan te merken als een „overeenkomst op afstand” in de zin van deze bepaling.

Derde vraag

54 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer partijen bij een overeenkomst die niet als een „overeenkomst op afstand” in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt, uitsluitend met gebruikmaking van middelen voor communicatie op afstand een addendum bij die overeenkomst sluiten dat betrekking heeft op aanvullende prestaties die van ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de in die overeenkomst voorziene prestaties, dat addendum een „overeenkomst op afstand” vormt in de zin van die bepaling.

55 Ter beantwoording van deze vraag moet vooraf in herinnering worden gebracht dat artikel 2, punt 15, van richtlijn 2011/83 een „aanvullende overeenkomst” omschrijft als een overeenkomst waarbij een consument goederen of diensten verwerft in verband met een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, en deze goederen of diensten door de handelaar worden geleverd of door een derde partij op basis van een afspraak tussen die derde partij en de handelaar.

56 In dit verband regelt artikel 15 van deze richtlijn de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht voor een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst op aanvullende overeenkomsten.

57 Deze richtlijn bevat echter geen specifieke regels betreffende de juridische kwalificatie, als overeenkomst op afstand, van een overeenkomst tot wijziging van een andere overeenkomst die niet als een overeenkomst op afstand kan worden aangemerkt.

58 In die omstandigheden zal de verwijzende rechter, om na te gaan of de overeenkomst tot wijziging van een andere overeenkomst moet worden aangemerkt als een „overeenkomst op afstand” in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83, moeten onderzoeken of is voldaan aan de in punt 40 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarden door de wijzigingsovereenkomst, in casu dat addendum bij de betrokken overeenkomst.

59 Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer partijen bij een overeenkomst die niet als een „overeenkomst op afstand” in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt, uitsluitend met gebruikmaking van middelen voor communicatie op afstand een addendum bij die overeenkomst sluiten dat betrekking heeft op aanvullende prestaties die van ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de in die overeenkomst voorziene prestaties, dat addendum een „overeenkomst op afstand” vormt in de zin van die bepaling, mits aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.

Vierde vraag

60 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een consument een overeenkomst op afstand herroept aan het einde van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van die richtlijn verlengde herroepingstermijn en op een tijdstip waarop de niet-restitueerbare prestaties waarop die overeenkomst betrekking heeft reeds zijn verricht, de handelaar op goede gronden kan stellen dat de uitoefening van het herroepingsrecht door die consument misbruik oplevert.

61 In dit verband bepaalt artikel 6, lid 1, onder h), van richtlijn 2011/83 dat de handelaar de consument, voordat deze door een overeenkomst op afstand wordt gebonden, op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekt over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het herroepingsrecht overeenkomstig artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, alsmede het in bijlage I, deel B, bij deze richtlijn opgenomen modelformulier voor herroeping verstrekt.

62 Bovendien beschikt de consument overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 2011/83, behoudens wanneer de in artikel 16 bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn, over een termijn van 14 dagen om de overeenkomst op afstand of de buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst zonder opgave van redenen te herroepen, en zonder andere kosten te moeten dragen dan die welke in artikel 13, lid 2, en artikel 14 van deze richtlijn zijn vastgesteld.

63 Daarenboven bepaalt artikel 9, lid 2, onder a), van richtlijn 2011/83 dat, onverminderd artikel 10, de in artikel 9, lid 1, bedoelde herroepingstermijn voor dienstenovereenkomsten verstrijkt 14 dagen na de dag waarop de overeenkomst wordt gesloten.

64 Volgens artikel 10, lid 1, van die richtlijn leidt het verzuim om de in artikel 6, lid 1, onder h), van die richtlijn bedoelde informatie te verstrekken evenwel tot een verlenging van de oorspronkelijke herroepingstermijn met 12 maanden vanaf het einde van die termijn.

65 Voorts bepaalt artikel 14, lid 4, onder a), i), van deze richtlijn dat de consument geen kosten draagt voor de uitvoering van diensten indien de handelaar heeft nagelaten de in artikel 6, lid 1, onder h) of j), van deze richtlijn bedoelde informatie te verstrekken.

66 Tevens kan de consument overeenkomstig artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/83, tenzij anders bepaald in artikel 13, lid 2, en artikel 14 van die richtlijn, in geen enkel opzicht aansprakelijk worden gesteld ingevolge de uitoefening van zijn herroepingsrecht.

67 Vooraf moet worden vastgesteld dat de gestelde vraag berust op de veronderstelling dat JK voldoet aan de voorwaarden voor uitoefening van het herroepingsrecht als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2011/83, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 1, ervan.

68 Derhalve moet worden onderzocht of, indien een consument – zoals JK – een overeenkomst op afstand binnen de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van richtlijn 2011/83 verlengde herroepingstermijn herroept nadat de handelaar op grond van die overeenkomst reeds prestaties heeft verricht die niet kunnen worden teruggegeven, deze handelaar kan opwerpen dat de uitoefening van het herroepingsrecht door die consument misbruik oplevert.

69 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat Unieregelgeving niet zo ruim mag worden toegepast dat zij transacties dekt die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 282).

70 Voor het bewijs dat er sprake is van misbruik is er enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door die Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 285).

71 Wanneer de verwijzende rechter nagaat of van een dergelijk misbruik sprake is, dient hij alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen, met inbegrip van de feiten en omstandigheden die volgen op de transactie die misbruik zou opleveren (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 286).

72 Het staat dus aan de verwijzende rechter om, overeenkomstig de in het nationale recht vastgestelde bewijsregels en voor zover de doeltreffendheid van het Unierecht daardoor niet wordt aangetast, na te gaan of in het hoofdgeding de in punt 70 van dit arrest uiteengezette bestanddelen van misbruik van recht zijn verenigd. In zijn prejudiciële beslissing kan het Hof echter in voorkomend geval preciseringen geven om de nationale rechter bij zijn uitlegging te leiden (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 287).

73 Met betrekking tot het bestaan van het in punt 70 van het onderhavige arrest bedoelde objectieve element dat op misbruik van recht duidt, moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit artikel 1 van richtlijn 2011/83, gelezen in het licht van de overwegingen 4, 5 en 7 ervan, deze richtlijn beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken door de voorlichting en veiligheid van consumenten in hun transacties met handelaren te waarborgen. Die richtlijn beoogt dus consumenten een ruime bescherming te bieden door hun bepaalde rechten te verlenen, met name inzake op afstand gesloten overeenkomsten, waaronder het herroepingsrecht. De Uniewetgever heeft beoogd te vermijden dat het gebruik van middelen voor communicatie op afstand leidt tot een vermindering van de aan de consument verstrekte informatie (zie in die zin arrest van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch, C‑430/17, EU:C:2019:47, punten 34 en 35).

74 In het bijzonder beoogt artikel 9 van richtlijn 2011/83 de consument de mogelijkheid te bieden om de overeenkomst te kiezen die het best bij zijn behoeften past en dus om zich terug te trekken uit overeenkomsten die na de sluiting, gedurende de bedenktermijn om het herroepingsrecht uit te oefenen, niet aan zijn behoeften blijken te voldoen. In dit verband heeft artikel 10, lid 1, van deze richtlijn tot doel ervoor te zorgen dat de consument informatie ontvangt over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het herroepingsrecht, alsmede het modelformulier voor herroeping ontvangt, en de handelaar die hem deze niet verstrekt, te sanctioneren (zie naar analogie arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 288).

75 Zoals de advocaat-generaal in de punten 54 tot en met 56 van zijn conclusie in wezen opmerkt, worden dezelfde doelstellingen ook nagestreefd met artikel 14, lid 4, onder a), i), van richtlijn 2011/83, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 5, ervan, op grond waarvan de consument die de in artikel 6, lid 1, onder h), van deze richtlijn bedoelde informatie niet heeft ontvangen, geen kosten draagt wegens de uitoefening van zijn herroepingsrecht.

76 Het is juist dat het Hof in verband met het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 neergelegde herroepingsrecht heeft geoordeeld dat om de handelaar ervan te weerhouden de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen jegens de consument te schenden, wanneer die handelaar de consument de in artikel 10 van deze richtlijn bedoelde informatie niet heeft verstrekt en de consument beslist de kredietovereenkomst te herroepen nadat de termijn van 14 dagen na de sluiting van die overeenkomst is verstreken, die handelaar die consument niet kan verwijten dat deze misbruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht, ook al is aanzienlijke tijd verstreken tussen het sluiten van die overeenkomst en de herroeping door de consument (arresten van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736, punten 126 en 127, en 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punten 289 en 290).

77 Om soortgelijke redenen kan niet worden geoordeeld dat het enkele feit dat de consument zijn herroepingsrecht als bedoeld in artikel 9, lid 1, van richtlijn 2011/83 uitoefent tegen het einde van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van deze richtlijn verlengde herroepingstermijn, op zich volstaat om een dergelijk objectief element aan te tonen.

78 In het onderhavige geval heeft de consument evenwel niet alleen zijn herroepingsrecht uitgeoefend tegen het einde van de aldus met 12 maanden verlengde termijn, maar is de overeenkomst – zoals is opgemerkt in punt 52 van het onderhavige arrest en zoals eveneens de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie in essentie heeft benadrukt – gesloten op basis van een ontwerp dat onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de consument was voorbereid door een door hem gekozen tussenpersoon en overeenkomstig de aanwijzingen van die tussenpersoon wat de precieze prestaties betreft die van de handelaar werden verwacht, waarbij dat ontwerp vervolgens door die handelaar ongewijzigd is ondertekend.

79 In een dergelijk geval lijkt het niet uitgesloten dat de uitoefening door de consument van zijn herroepingsrecht niet beantwoordt aan de in punt 73 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen.

80 Deze omstandigheden pleiten voor de vaststelling – die uiteindelijk door de verwijzende rechter moet worden gedaan – dat er sprake is van een objectief element dat wijst op misbruik door de consument die de overeenkomst op afstand herroept, in casu JK.

81 Indien dat het geval is, dient de verwijzende rechter na te gaan of er bij de consument sprake is van een subjectief element dat, ondanks de door deze rechter geuite twijfels, een noodzakelijke voorwaarde is om te kunnen spreken van misbruik in de zin van de in de punten 69 en 70 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. In dit verband kunnen elementen relevant zijn die erop wijzen dat de consument het tijdstip van uitoefening van het herroepingsrecht uitdrukkelijk heeft gekozen met als enig doel het volledige voordeel van de door de handelaar volledig of nagenoeg volledig verrichte prestatie te kunnen verkrijgen, zonder dat hij daarvoor als tegenprestatie enige vergoeding verschuldigd is.

82 Gelet op een en ander dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een consument een overeenkomst op afstand herroept aan het einde van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van die richtlijn verlengde herroepingstermijn en op een tijdstip waarop de niet-restitueerbare prestaties waarop die overeenkomst betrekking heeft reeds zijn verricht, de handelaar op goede gronden kan stellen dat de consument het herroepingsrecht heeft uitgeoefend op een wijze die, gelet op diens eigen gedrag, misbruik oplevert, indien uit het geheel van omstandigheden blijkt dat, ten eerste, de uitoefening van het herroepingsrecht door de consument niet in overeenstemming is met de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen wat betreft de voorlichting en veiligheid van consumenten in hun transacties met handelaren en, ten tweede, de consument met zijn gedrag beoogt om op oneigenlijke wijze een voordeel te verkrijgen ten nadele van de handelaar.

Kosten

83 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een consument vóór en bij het sluiten van een overeenkomst tussen deze consument en een handelaar wordt bijgestaan door een andere, door hem gekozen handelaar, op wiens initiatief het contact tussen de consument en eerstgenoemde handelaar tot stand is gekomen en die invloed heeft uitgeoefend op wezenlijke onderdelen van de inhoud van deze overeenkomst, niet relevant is om deze overeenkomst aan te merken als een „overeenkomst op afstand” in de zin van deze bepaling.

2) Artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer partijen bij een overeenkomst die niet als een „overeenkomst op afstand” in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt, uitsluitend met gebruikmaking van middelen voor communicatie op afstand een addendum bij die overeenkomst sluiten dat betrekking heeft op aanvullende prestaties die van ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de in die overeenkomst voorziene prestaties, dat addendum een „overeenkomst op afstand” vormt in de zin van die bepaling, mits aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan.

3) Richtlijn 2011/83 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een consument een overeenkomst op afstand herroept aan het einde van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van die richtlijn verlengde herroepingstermijn en op een tijdstip waarop de niet-restitueerbare prestaties waarop die overeenkomst betrekking heeft reeds zijn verricht, de handelaar op goede gronden kan stellen dat de consument het herroepingsrecht heeft uitgeoefend op een wijze die, gelet op diens eigen gedrag, misbruik oplevert, indien uit het geheel van omstandigheden blijkt dat, ten eerste, de uitoefening van het herroepingsrecht door de consument niet in overeenstemming is met de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen wat betreft de voorlichting en veiligheid van consumenten in hun transacties met handelaren en, ten tweede, de consument met zijn gedrag beoogt om op oneigenlijke wijze een voordeel te verkrijgen ten nadele van de handelaar.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in