HvJ EU 5 maart 2026, C-151/24, ECLI:EU:C:2026:144

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

5 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2011/98/EU – Rechten van werknemers uit derde landen met een gecombineerde vergunning – Artikel 12 – Recht op gelijke behandeling – Onderdaan van een derde land – Verblijfsvergunning om gezinsredenen – Sociale zekerheid – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Artikel 3 – Begrip ,takken van sociale zekerheid’ – Artikel 70 – Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties – Sociale uitkering voor behoeftige ouderen – Toekenningsvoorwaarden – Uitsluiting van onderdanen van derde landen die geen houder zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen”

In zaak C‑151/24 [Luevi] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) bij beslissing van 27 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 27 februari 2024, in de procedure

Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS)

tegen

V. M.,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele (rapporteur), A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS), vertegenwoordigd door P. Ciacci, M. Massa, C. Pulli en M. Sferrazza, avvocati,

– V. M., vertegenwoordigd door A. Guariso en R. Randellini, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux, B.‑R. Killmann en E. Montaguti als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PB 2011, L 343, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen V. M., een Albanees onderdaan die in Italië verblijft, en de Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS) [nationaal instituut voor de sociale zekerheid (INPS), Italië] betreffende de weigering van de INPS om V. M. een uitkering toe te kennen voor personen ouder dan 65 jaar (sinds 1 januari 2019, ouder dan 67 jaar) die zich in een precaire economische situatie bevinden.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2011/98

3 De overwegingen 2, 19, 20, 24 en 26 van richtlijn 2011/98 luiden als volgt: „(2) De Europese Raad heeft tijdens zijn speciale bijeenkomst van 15 en 16 oktober 1999 in Tampere de noodzaak erkend van onderlinge afstemming van nationale rechtsregels over de voorwaarden voor toelating en verblijf van onderdanen van derde landen. In dit verband heeft de Europese Raad verklaard dat de Unie moet zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven en dat een krachtiger integratiebeleid erop gericht moet zijn hun rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Unie. [...] [...] (19) Omdat horizontale wetgeving van de Unie ontbreekt, verschillen de rechten van de onderdanen van derde landen naargelang van de lidstaat waar zij werken en naargelang van hun nationaliteit. Met het oog op een verdere ontwikkeling van een samenhangend immigratiebeleid en om de verschillen in rechtspositie tussen burgers van de Unie en in een lidstaat legaal werkende onderdanen van derde landen te verkleinen en de bestaande voorschriften inzake immigratie aan te vullen, zou een pakket rechten moeten worden vastgelegd om, in het bijzonder, de gebieden te specificeren waarop een gelijke behandeling geldt van nationale onderdanen en dergelijke onderdanen van derde landen, die nog niet de status van langdurig ingezetene hebben. Dergelijke bepalingen zijn bedoeld om binnen de Unie een minimum aan gelijke voorwaarden te scheppen en te onderstrepen dat dergelijke onderdanen van derde landen, door hun werk en belastingafdrachten bijdragen aan de economie van de Unie; bovendien kunnen zij dienen als waarborg om oneerlijke concurrentie tussen onderdanen van een lidstaat en onderdanen van derde landen als gevolg van de mogelijke uitbuiting van de laatstgenoemden te verkleinen. De definitie van ,werknemer uit een derde land’ in deze richtlijn betekent, onverminderd de uitleg van het begrip arbeidsrelatie in het overige recht van de Unie: iedere onderdaan van een derde land die tot het grondgebied van een lidstaat is toegelaten, aldaar legaal verblijft en er, in het kader van een arbeidsrelatie in loondienst, mag werken overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht of de nationale praktijk. (20) Alle onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven en werken, moeten ten minste een gemeenschappelijk pakket rechten gebaseerd op gelijke behandeling hebben met de onderdanen van hun gastlidstaat, ongeacht het oorspronkelijke doel van de toelating of de oorspronkelijke toelatingsgrond. Het recht op gelijke behandeling op de in deze richtlijn genoemde gebieden moet niet alleen worden verleend aan die onderdanen van derde landen die in een lidstaat zijn toegelaten om er te werken, maar ook aan diegenen die voor andere doeleinden zijn toegelaten en aan wie toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is verleend overeenkomstig andere bepalingen uit het recht van de Unie of het nationale recht, met inbegrip van de gezinsleden van werknemers uit derde landen die tot de lidstaat zijn toegelaten overeenkomstig richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging [(PB 2003, L 251, blz. 12)], [...]. [...] (24) Werknemers uit derde landen dienen op het gebied van sociale zekerheid op dezelfde manier te worden behandeld als nationale onderdanen. De takken van de sociale zekerheid worden gedefinieerd in verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels [(PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB L 200, blz. 1)]. De bepalingen inzake gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid die in deze richtlijn zijn opgenomen, moeten ook gelden voor werknemers die rechtstreeks vanuit een derde land tot een lidstaat zijn toegelaten. Niettemin mag deze richtlijn aan werknemers uit derde landen niet meer rechten toekennen dan die welke krachtens het bestaande recht van de Unie op het gebied van de sociale zekerheid reeds gelden voor onderdanen van derde landen die zich in een grensoverschrijdende situatie bevinden. Voorts mag deze richtlijn geen rechten verlenen met betrekking tot situaties die niet onder het recht van de Unie vallen, zoals met betrekking tot gezinsleden die in een derde land verblijven. Aan de onderhavige richtlijn zouden door gezinsleden alleen rechten mogen worden ontleend indien dezen zich bij de werknemer uit een derde land voegen om in een lidstaat te verblijven in het kader van gezinshereniging of indien de gezinsleden reeds legaal in de betrokken lidstaat verblijven. [...] (26) Het recht van de Unie houdt geen beperking in van de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te organiseren. Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie moet elke lidstaat de voorwaarden vaststellen waaronder socialezekerheidsuitkeringen worden toegekend, alsook de hoogte van deze uitkeringen en de periode gedurende welke zij worden verstrekt. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten de lidstaten evenwel het recht van de Unie naleven.”

4 Artikel 1 („Onderwerp”) van richtlijn 2011/98 bepaalt: „1. Deze richtlijn bepaalt: [...] b) een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, ongeacht de doeleinden waarvoor zij oorspronkelijk tot het grondgebied van die lidstaat waren toegelaten, gebaseerd op gelijke behandeling ten opzichte van de onderdanen van deze lidstaat. [...]”

5 Artikel 2 („Definities”) van deze richtlijn bepaalt het volgende: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚onderdaan van derde land’: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU; b) ,werknemer uit een derde land’: een onderdaan van een derde land die tot het grondgebied van een lidstaat is toegelaten, aldaar legaal verblijft en er, in het kader van een arbeidsrelatie in loondienst, mag werken overeenkomstig het nationale recht of de nationale praktijk; c) ‚gecombineerde vergunning’: een door de autoriteiten van een lidstaat aan een onderdaan van een derde land verstrekte verblijfsvergunning om legaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat te verblijven met het oog op werk; [...]”

6 Artikel 3 („Toepassingsgebied”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „Deze richtlijn is van toepassing op: a) onderdanen van derde landen die verzoeken te mogen verblijven in een lidstaat met het oog op werk; b) onderdanen van derde landen die overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht zijn toegelaten tot een lidstaat voor andere doeleinden dan werk, die mogen werken en die beschikken over een verblijfsvergunning overeenkomstig verordening (EG) nr. 1030/2002 [van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB 2002, L 157, blz. 1)]; en c) onderdanen van derde landen die overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht zijn toegelaten tot een lidstaat met het oog op werk.”

7 Artikel 12 („Recht op gelijke behandeling”) van richtlijn 2011/98 is geformuleerd als volgt: „1. Werknemers uit derde landen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), worden in de lidstaten waar zij verblijven op dezelfde manier behandeld als nationale onderdanen, op het vlak van: [...] e) de takken van de sociale zekerheid als omschreven in verordening [nr. 883/2004]; [...] 2. De lidstaten mogen beperkingen stellen aan de gelijke behandeling: [...] b) door de rechten die in lid 1, onder e), aan werknemers uit derde landen worden toegekend, te beperken, waarbij zij deze rechten evenwel niet mogen beperken voor werknemers uit derde landen die in loondienst zijn of ten minste gedurende zes maanden in loondienst zijn geweest en die als werkloos geregistreerd staan. Tevens kunnen de lidstaten besluiten dat lid 1, onder e), waar het om gezinsbijslagen gaat, niet van toepassing is op onderdanen van derde landen die toestemming hebben voor een periode van ten hoogste zes maanden op hun grondgebied te werken, op onderdanen van derde landen die voor studiedoeleinden zijn toegelaten en op onderdanen van derde landen die mogen werken omdat ze een visum bezitten; [...] 3. Het bij lid 1 vastgestelde recht van gelijke behandeling doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaat om de op grond van deze richtlijn verstrekte verblijfsvergunning, de voor andere doeleinden dan werk verstrekte verblijfsvergunning of enige andere vergunning om in een lidstaat arbeid te verrichten, in te trekken of niet te verlengen. [...]”

Verordening nr. 883/2004

8 Overweging 1 van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB 2009, L 284, blz. 43) (hierna: „verordening nr. 883/2004”), luidt als volgt: „De voorschriften ter coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels behoren tot de regelingen betreffende het vrije verkeer van personen en moeten bijdragen aan de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden.”

9 Artikel 3 van deze verordening bepaalt: „1. Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: a) prestaties bij ziekte; b) moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen; c) uitkeringen bij invaliditeit; d) uitkeringen bij ouderdom; e) uitkeringen aan nabestaanden; f) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten; g) uitkeringen bij overlijden; h) uitkeringen bij werkloosheid; i) uitkeringen bij vervroegde uittreding; j) gezinsbijslagen. [...] 3. Deze verordening is tevens van toepassing op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, als bedoeld in artikel 70. [...] 5. Deze verordening is niet van toepassing op: a) sociale en medische bijstand [...] [...]”

10 Artikel 7 van deze verordening luidt als volgt: „Tenzij in deze verordening anders bepaald, kunnen de uitkeringen verschuldigd op grond van de wetgeving van een of meer lidstaten of op grond van deze verordening, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of de leden van zijn gezin in een andere lidstaat wonen dan die waar zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”

11 Hoofdstuk 9 van titel III van verordening nr. 883/2004, met het opschrift „Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties”, bevat artikel 70 („Algemene bepaling”), waarin het volgende is bepaald: „1. Dit artikel is van toepassing op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties waarop wetgeving van toepassing is die, wegens haar personele werkingssfeer, doelstellingen en/of de voorwaarden voor het ingaan van een recht, kenmerken heeft van zowel de in artikel 3, lid 1, bedoelde socialezekerheidswetgeving als van de bijstand. 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‚bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties’ verstaan prestaties die: a) bedoeld zijn: i) voor de extra, aanvullende of bijkomende dekking van de gebeurtenissen in de in artikel 3, lid 1, vermelde takken van de sociale zekerheid en om de betrokken personen een minimum voor levensonderhoud te garanderen in verhouding tot de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat; of ii) om uitsluitend personen met een handicap een bijzondere bescherming te bieden, die nauw aansluit bij hun sociale omstandigheden in de betrokken lidstaat; en b) uitsluitend worden gefinancierd door de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven en waarvoor de voorwaarden voor de toekenning en berekening niet afhankelijk zijn van de betaling van enige premie of bijdrage door de betrokkene. Prestaties ter aanvulling van op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties mogen evenwel niet alleen om die reden als op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties worden beschouwd; en c) opgenomen zijn in bijlage X. 3. Artikel 7 en de andere hoofdstukken van titel III zijn niet van toepassing op de in lid 2 van dit artikel bedoelde prestaties. 4. De in lid 2 bedoelde uitkeringen zullen uitsluitend worden toegekend door de lidstaat waarin de betreffende persoon woont, overeenkomstig de wetgeving van deze staat. Deze prestaties worden verstrekt door, en voor rekening van, het orgaan van de woonplaats.”

12 Wat Italië betreft, vermeldt bijlage X bij verordening nr. 883/2004, onder g), het sociaal pensioen waarin legge n. 335 – Riforma del sistema pensionistico obbligatorio e complementare (wet nr. 335 tot hervorming van het verplichte en aanvullende pensioenstelsel) van 8 augustus 1995 (GURI nr. 190 van 16 augustus 1995, gewoon supplement nr. 101; hierna: „wet nr. 335/1995”) voorziet als bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie.

Richtlijn 2004/38

13 Artikel 24 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB L 229, blz. 35) bepaalt: „1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten. 2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.”

Italiaans recht

Wet nr. 335/1995

14 Artikel 3 van wet nr. 335/1995 bepaalt in lid 6 dat Italiaanse onderdanen die in Italië wonen en de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt (sinds 1 januari 2019, 67 jaar) en die voldoen aan de inkomensvoorwaarden van lid 6, in plaats van het sociaal pensioen en de verhogingen daarvan, een sociale uitkering ontvangen. Indien de betrokkene over eigen inkomsten beschikt, wordt deze uitkering in beginsel toegekend voor een verminderd bedrag zodat het in de wet neergelegde nettojaarbedrag wordt bereikt. Latere verhogingen van het inkomen tot boven de maximumgrens leiden tot opschorting van die sociale uitkering.

Wet nr. 388/2000

15 Artikel 80, lid 19, van legge n. 388 – Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (legge finanziaria 2001) [wet nr. 388 houdende bepalingen voor het opstellen van de jaar- en meerjarenbegroting van de staat (begrotingswet 2001)] van 23 december 2000 (GURI nr. 302 van 29 december 2000, gewoon supplement nr. 219; hierna: „wet nr. 388/2000”) bepaalt dat de sociale uitkering en de economische voordelen die subjectieve rechten vormen, onder de in de wet bepaalde voorwaarden worden toegekend aan Italiaanse onderdanen die in Italië wonen, met wie onderdanen van derde landen met een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen worden gelijkgesteld.

Voorlopig wetsbesluit nr. 112 van 25 juni 2008

16 Artikel 20, lid 10, van decreto-legge n. 112 – Disposizioni urgenti per lo sviluppo economico, la semplificazione, la competitività, la stabilizzazione della finanza pubblica e la perequazione tributaria (voorlopig wetsbesluit nr. 112 houdende dringende bepalingen inzake economische ontwikkeling, vereenvoudiging, concurrentievermogen, stabilisering van de overheidsfinanciën en fiscale nivellering) van 25 juni 2008 (GURI nr. 147 van 25 juni 2008, gewoon supplement nr. 152), met wijzigingen omgezet bij wet nr. 133/2008 moet een aanvrager die onderdaan is van een derde land, om in aanmerking te komen voor de in punt 14 van het onderhavige arrest genoemde sociale uitkering, in het bezit zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en ten minste tien jaar legaal en ononderbroken op het nationale grondgebied hebben verbleven.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

17 V. M. is een Albanees onderdaan die in 2006 het Italiaanse grondgebied is binnengekomen in het kader van gezinshereniging. Aangezien zij houder is van een om gezinsredenen verleende verblijfsvergunning voor twee jaar, die haar tevens het recht geeft om in Italië te werken, heeft de INPS haar de sociale uitkering waarin artikel 3, lid 6, van wet nr. 335/1995 voorziet, geweigerd op grond dat zij niet beschikte over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, zoals bepaald in artikel 80, lid 19, van wet nr. 388/2000.

18 Nadat haar beroep tegen deze weigering van de INPS in eerste aanleg was verworpen, heeft V. M. beroep ingesteld bij de Corte d’appello di Firenze (rechter in tweede aanleg Firenze, Italië), die haar hoger beroep heeft toegewezen.

19 De INPS heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië). Aangezien deze laatste rechter twijfels had over de grondwettigheid van artikel 80, lid 19, van wet nr. 388/2000, heeft hij bij beschikking van 8 maart 2023 de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië), de verwijzende rechter, aangezocht.

20 De verwijzende rechter merkt op dat de sociale uitkering waarin artikel 3, lid 6, van wet nr. 335/1995 voorziet, de volgende kenmerken van een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie vertoont: – Het gaat om een uitkering die op aanvraag wordt toegekend aan personen ouder dan 65 jaar (sinds 1 januari 2019, ouder dan 67 jaar) die zich in een precaire economische situatie bevinden omdat zij geen inkomen hebben of omdat hun inkomen lager is dan de drempel die elk jaar wordt vastgelegd in de wet houdende vaststelling van het maximumbedrag van deze uitkering. – Deze uitkering is een „zuivere bijstandsuitkering” aangezien zij uitsluitend tot doel heeft de financiële nood te lenigen van personen die behoeftig zijn omdat zij niet over voldoende economische middelen beschikken en die, als gevolg van hun hoge leeftijd, hun arbeidsvermogen zien afnemen, en zij wordt toegekend ongeacht of de begunstigde thans of in het verleden de status werknemer heeft of heeft gehad. – Deze uitkering wordt gefinancierd uit de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven.

21 Deze rechter preciseert voorts dat de uitkering behalve aan Italiaanse staatsburgers die op het Italiaanse grondgebied verblijven, krachtens artikel 80, lid 19, van wet nr. 388/2000 ook wordt toegekend aan onderdanen van derde landen die houder zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

22 Hij wijst erop dat hij in zijn arrest nr. 50 van 15 maart 2019 heeft geoordeeld dat het binnen de discretionaire bevoegdheid van de wetgever valt om een behoeftige onderdaan van een derde land slechts een uitkering toe te kennen indien hij door zijn integratie in de samenleving dezelfde bijstand verdient als een Italiaans staatsburger. Derhalve is hij tot de slotsom gekomen dat het vereiste van artikel 80, lid 19, van wet nr. 388/2000, volgens hetwelk onderdanen van een derde land slechts aanspraak kunnen maken op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sociale uitkering indien zij houder zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, niet discriminerend noch kennelijk onredelijk is.

23 Desalniettemin vraagt de verwijzende rechter zich af of het vereiste van artikel 80, lid 19, van wet nr. 388/2000 niet in strijd is met de in artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 neergelegde regel van gelijke behandeling op het vlak van sociale zekerheid.

24 Hij geeft aan dat hij bij de beoordeling van de grondwettigheid van dit vereiste dient vast te stellen of de sociale uitkering waarin artikel 3, lid 6, van wet nr. 335/1995 voorziet, een van de socialezekerheidsuitkeringen is waarvoor onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning die is afgegeven met het oog op tewerkstelling of die hen althans in staat stelt om te werken, krachtens artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 recht hebben op gelijke behandeling.

25 In dit verband merkt deze rechter op dat de Uniewetgever voor de vaststelling van de werkingssfeer van deze laatste bepaling heeft verwezen naar de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004 genoemde takken van sociale zekerheid.

26 De verwijzende rechter is van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sociale uitkering een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is, als bedoeld in artikel 70 van deze verordening, die stricto sensu niet onder het begrip „takken van sociale zekerheid” in de zin van artikel 3, lid 1, van die verordening valt.

27 Ten eerste bepaalt artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 de prestaties voor toekenning waarvan de regel van gelijke behandeling geldt op basis van hun band met een van die takken als omschreven in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004.

28 Ten tweede is dit artikel 12, lid 1, onder e), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2011/98, alleen van toepassing op onderdanen van derde landen die in Italië werken of hebben gewerkt.

29 Ten derde kan uit het feit dat verordening nr. 883/2004 krachtens artikel 3, lid 3, ervan ook van toepassing is op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, niet worden afgeleid dat een dergelijke uitbreiding ook geldt voor de werkingssfeer van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98. De bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties dekken de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004 genoemde gebeurtenissen immers slechts extra, aanvullend of bijkomend, en niet rechtstreeks.

30 Ten vierde herinnert de verwijzende rechter, onder verwijzing naar de arresten van 11 november 2014, Dano, C‑333/13 (EU:C:2014:2358), en 15 september 2015, Alimanovic, C‑67/14 (EU:C:2015:597), eraan dat de regel van gelijke behandeling er volgens het Hof niet aan in de weg staat dat de autoriteiten van het gastland weigeren bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties toe te kennen aan onderdanen van andere lidstaten die geen werknemer zijn. De lidstaten kunnen niet worden verplicht om op onderdanen van derde landen minder strenge regels toe te passen dan die welke gelden voor burgers van de Unie, aldus de verwijzende rechter.

31 Derhalve heeft de Corte costituzionale de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn [2011/98], waarmee de in artikel 34, leden 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: „Handvest”)] neergelegde bescherming van het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen is geconcretiseerd, aldus worden uitgelegd dat een voorziening als de sociale uitkering bedoeld in artikel 3, lid 6, van [wet nr. 335/1995] binnen de werkingssfeer daarvan valt? En staat het Unierecht bijgevolg in de weg aan een nationale wettelijke regeling die de bovengenoemde prestaties wel toekent aan vreemdelingen die houder zijn van een verblijfsvergunning van de Unie voor langdurig ingezetenen maar niet aan vreemdelingen die houder zijn van de in die richtlijn bedoelde gecombineerde vergunning?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

32 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98, gelezen in het licht van artikel 34, leden 1 en 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 70 van verordening nr. 883/2004 en, bijgevolg, of het zich verzet tegen een nationale regeling die de toekenning aan de in artikel 3, lid 1, onder b) en c), van deze richtlijn bedoelde onderdanen van derde landen van een dergelijke prestatie in de vorm van een sociale uitkering voor personen ouder dan 65 jaar (sinds 1 januari 2019, ouder dan 67 jaar) die zich in een precaire economische situatie bevinden en wier arbeidsgeschiktheid wegens hun leeftijd beperkt is, onderwerpt aan de voorwaarde dat zij in het bezit zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

33 Artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 bepaalt dat werknemers uit derde landen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), van deze richtlijn wat de in verordening nr. 883/2004 omschreven takken van de sociale zekerheid betreft in de lidstaten waar zij verblijven op dezelfde manier moeten worden behandeld als nationale onderdanen. Deze bepalingen moeten worden gelezen in het licht van artikel 34, leden 1 en 2, van het Handvest, dat handelt over socialezekerheidsvoorzieningen.

34 In zoverre artikel 80, lid 19, van wet nr. 388/2000 aan de toekenning van de sociale uitkering waarin artikel 3, lid 6, van wet nr. 335/1995 voorziet voor Italiaanse onderdanen enkel een woonplaatsvereiste verbindt, terwijl artikel 80, lid 19, de toekenning van deze uitkering aan onderdanen van derde landen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zij in het bezit zijn van EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, moet worden nagegaan of de regel van gelijke behandeling van artikel 12, lid 1, onder e), van die richtlijn van toepassing is op een persoon als verweerster in het hoofdgeding en op een prestatie in de vorm van voornoemde uitkering, in welk geval de toekenning daarvan niet afhankelijk kan worden gesteld van een dergelijke voorwaarde van langdurig verblijf.

Personele werkingssfeer van richtlijn 2011/98

35 Volgens de rechtspraak is artikel 12, lid 1, van richtlijn 2011/98 zowel van toepassing op onderdanen van derde landen die overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht zijn toegelaten tot een lidstaat om er te werken, als op onderdanen van derde landen die overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht zijn toegelaten tot een lidstaat voor andere doeleinden dan werk, die mogen werken en die beschikken over een verblijfsvergunning overeenkomstig verordening nr. 1030/2002 [arrest van 2 september 2021, INPS (Geboortetoelage en moederschapsuitkering voor houders van een gecombineerde vergunning), C‑350/20, EU:C:2021:659, punt 48].

36 De bewoordingen van dit artikel 12, lid 1, vereisen dus geenszins dat de betrokken onderdaan van een derde land daadwerkelijk in het gastland heeft gewerkt om recht te hebben op de gelijke behandeling waarin deze bepaling voorziet.

37 Deze vaststelling wordt ten eerste bevestigd door overweging 2 van richtlijn 2011/98, volgens welke deze richtlijn moet „zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven”, zonder dat daarbij wordt gespecificeerd dat zij daar daadwerkelijk moeten werken of hebben gewerkt.

38 Ten tweede preciseert overweging 20 van deze richtlijn dat de gelijke behandeling van deze onderdanen van derde landen ten opzichte van onderdanen van het gastland moet worden gewaarborgd ongeacht het oorspronkelijke doel van de toelating tot het grondgebied van die lidstaat of de oorspronkelijke toelatingsgrond. Als begunstigden van deze gelijke behandeling vermeldt deze overweging onder meer de gezinsleden van de werknemer uit een derde land die uit hoofde van het recht op gezinshereniging tot een lidstaat zijn toegelaten en aan wie toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is verleend.

39 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat V. M. in Italië verblijft in het kader van gezinshereniging en dat zij houder is van een om gezinsredenen verleende verblijfsvergunning voor twee jaar, die haar tevens het recht geeft om in deze lidstaat te werken.

40 Bijgevolg valt een persoon in een situatie als die van verweerster in het hoofdgeding binnen de personele werkingssfeer van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98.

Materiële werkingssfeer van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98

41 Voor de beantwoording van de vraag of een sociale prestatie als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sociale uitkering binnen de materiële werkingssfeer van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 valt, moet bij de uitlegging van deze bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Lindenapotheke, C‑21/23, EU:C:2024:846, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42 Uit de bewoordingen van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 blijkt dat de werkingssfeer van deze bepaling wordt gedefinieerd op grond van „de takken van de sociale zekerheid als omschreven in verordening [nr. 883/2004]”.

43 In dit verband blijkt uit de rechtspraak dat uit overweging 24 van deze richtlijn volgt dat de betrokken prestatie, wil de in die bepaling bedoelde gelijke behandeling ten aanzien daarvan gelden, onder een van de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004 genoemde takken van sociale zekerheid moet vallen [zie in die zin arrest van 2 september 2021, INPS (Geboortetoelage en moederschapsuitkering voor houders van een gecombineerde vergunning), C‑350/20, EU:C:2021:659, punt 51].

44 Artikel 3 („Materiële werkingssfeer”) van die verordening bepaalt in lid 1 dat zij van toepassing is op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: prestaties bij ziekte, moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, uitkeringen bij invaliditeit, uitkeringen bij ouderdom, uitkeringen aan nabestaanden, prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, uitkeringen bij overlijden, uitkeringen bij werkloosheid, uitkeringen bij vervroegde uittreding en gezinsbijslagen.

45 Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 883/2004 bepaalt dat deze verordening „tevens” van toepassing is op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, als bedoeld in artikel 70 van deze verordening.

46 In die omstandigheden moet worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sociale uitkering een prestatie is die onder een van de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004 genoemde takken van sociale zekerheid valt, dan wel of het gaat om een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 70 van deze verordening.

47 In de eerste plaats heeft het Hof geoordeeld dat een uitkering als een „socialezekerheidsuitkering”, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004, kan worden beschouwd indien zij, ten eerste, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven situatie en, ten tweede, verband houdt met een van de in die bepaling uitdrukkelijk genoemde gebeurtenissen (arrest van 28 oktober 2021, ASGI e.a., C‑462/20, EU:C:2021:894, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Wat specifiek de in artikel 3, lid 1, onder d), van verordening nr. 883/2004 bedoelde uitkeringen bij ouderdom betreft, zij erop gewezen dat deze als voornaamste kenmerk hebben dat zij ertoe strekken het levensonderhoud te waarborgen van personen die bij het bereiken van een bepaalde leeftijd hun betrekking opgeven en niet meer verplicht zijn zich ter beschikking van de diensten voor arbeidsbemiddeling te houden (arrest van 16 september 2015, Commissie/Slowakije, C‑361/13, EU:C:2015:601, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat met name een uitkering die uitsluitend wordt uitbetaald aan rechthebbenden op een ouderdomspensioen en/of een weduwe- of weduwnaarspensioen, die met dezelfde middelen wordt gefinancierd als de ouderdomspensioenen en de weduwe- of weduwnaarspensioenen en die hoort bij het ouderdomspensioen, in die zin dat zij de rechthebbenden in staat stelt in hun behoeften te voorzien door hun een toeslag te waarborgen waardoor zij eventueel op reis kunnen gaan, kan worden aangemerkt als een „uitkering bij ouderdom” in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van verordening nr. 883/2004 die wordt uitbetaald als aanvullende uitkering (arrest van 16 september 2015, Commissie/Slowakije, C‑361/13, EU:C:2015:601, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de sociale uitkering waarin artikel 3, lid 6, van wet nr. 335/1995 voorziet niet uitsluitend wordt betaald aan rechthebbenden op een ouderdomspensioen, maar bedoeld is om de nood te lenigen die voortvloeit uit de behoeftigheid van personen die niet over voldoende economische middelen beschikken en als gevolg van hun hoge leeftijd, hun arbeidsvermogen zien afnemen. Bijgevolg is een dergelijke sociale uitkering geen socialezekerheidsuitkering in de zin van de in punt 47 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Hierbij moet worden gepreciseerd dat een dergelijke uitkering evenmin binnen de werkingssfeer van de leden 1 en 2 van artikel 34 van het Handvest valt, die betrekking hebben op socialezekerheidsvoorzieningen.

51 Bovendien blijkt uit de opzet van verordening nr. 883/2004 dat de begrippen „socialezekerheidsuitkering” en „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie” elkaar uitsluiten en dat een uitkering die voldoet aan de voorwaarden van een socialezekerheidsuitkering niet kan worden aangemerkt als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie, en omgekeerd (zie naar analogie arrest van 21 februari 2006, Hosse, C‑286/03, EU:C:2006:125, punt 36).

52 In de tweede plaats moet een prestatie om als „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie” te worden aangemerkt volgens artikel 70, lid 2, van verordening nr. 883/2004 om te beginnen bedoeld zijn voor de extra, aanvullende of bijkomende dekking van de gebeurtenissen in de in artikel 3, lid 1, van deze verordening vermelde takken van de sociale zekerheid, en om de betrokken personen een minimum voor levensonderhoud te garanderen in verhouding tot de economische en sociale situatie van de betrokken lidstaat. Vervolgens wordt de prestatie in kwestie slechts als „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie” aangemerkt indien zij uitsluitend wordt gefinancierd uit de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven en de voorwaarden voor de toekenning en berekening ervan niet afhankelijk zijn van de betaling van enige premie of bijdrage door de betrokkene. Wanneer een uitkering wordt betaald ter aanvulling van een op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie mag deze bovendien niet alleen om die reden als een op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie worden beschouwd. Ten slotte moet de betrokken prestatie zijn opgenomen in bijlage X bij die verordening.

53 In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sociale uitkering onder het begrip „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie” van artikel 70, lid 2, van verordening nr. 883/2004 valt. Deze uitkering strekt er immers toe om aan personen die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, de eerste levensbehoeften te verzekeren, en zij berust niet op premie of bijdrage maar wordt gefinancierd uit de belastingen. Bovendien voldoet die uitkering aan de voorwaarden van dat artikel 70, lid 2, aangezien zij is opgenomen in bijlage X bij die verordening.

54 Daaraan dient nog te worden toegevoegd dat een dergelijke uitkering tevens onder het begrip „sociale bijstand” valt, als bedoeld in artikel 70, lid 1, van die verordening, dat ziet op alle van overheidswege ingevoerde bijstandsstelsels, ongeacht of het om het nationale, het regionale of het lokale niveau gaat, waarop een beroep wordt gedaan door een persoon die niet beschikt over inkomsten die volstaan om in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien en die daardoor tijdens zijn verblijf ten laste van de overheidsfinanciën van het gastland dreigt te komen waardoor het totale bedrag van de door deze staat toekenbare steun zou kunnen worden beïnvloed (zie naar analogie arrest van 15 september 2015, Alimanovic, C‑67/14, EU:C:2015:597, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter de sociale uitkering waarin artikel 3, lid 6, van wet nr. 335/1995 voorziet terecht aangemerkt als een „bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie”, als bedoeld in artikel 70 van verordening nr. 883/2004.

56 Aangezien artikel 3, lid 3, van verordening nr. 883/2004 bepaalt dat deze verordening „tevens” op dit soort prestaties van toepassing is, moet worden onderzocht of deze niettemin binnen de werkingssfeer vallen van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98, waarin uitsluitend wordt verwezen naar de „takken van de sociale zekerheid”.

57 Ten eerste verwijst artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 voor de definitie van de werkingssfeer ervan juist naar de „de takken van de sociale zekerheid als omschreven” in verordening nr. 883/2004.

58 Hoewel deze verordening volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 3, ervan „tevens” van toepassing is op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, moet worden vastgesteld dat deze bepaling uitsluitend het toepassingsgebied van die verordening bepaalt, en de definitie van de werkingssfeer van richtlijn 2011/98, zoals die voortvloeit uit de bewoordingen van artikel 12, lid 1, onder e), van die richtlijn, onverlet laat.

59 Wat ten tweede de systematische uitlegging van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 betreft, moet worden benadrukt dat socialezekerheidsuitkeringen en bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties krachtens de bepalingen van verordening nr. 883/2004 aan verschillende regelingen zijn onderworpen.

60 Om te beginnen moet in verband met het woonplaatsvereiste voor de toekenning van deze uitkeringen worden opgemerkt dat artikel 7 van deze verordening voorziet in de exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen omdat zij onder bepaalde voorwaarden door een lidstaat moeten worden verleend ook al woont de rechthebbende niet op zijn grondgebied, terwijl artikel 70, lid 4, van die verordening bepaalt dat de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties uitsluitend worden toegekend door de lidstaat waarin de betrokkene woont, overeenkomstig de wetgeving van deze staat.

61 Vervolgens zij erop gewezen dat een dergelijk verschil in behandeling berust op het feit dat deze twee soorten prestaties andere kenmerken vertonen.

62 Zo worden socialezekerheidsuitkeringen om te beginnen gefinancierd uit de bijdragen van werknemers en werkgevers, terwijl bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties uitsluitend worden gefinancierd uit de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven.

63 Voorts blijkt uit de in punt 47 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat een uitkering kan worden aangemerkt als een socialezekerheidsuitkering voor zover zij de rechthebbenden zonder enige discretionaire en individuele beoordeling van persoonlijke behoeften wordt toegekend op basis van een wettelijk omschreven situatie en zij tevens verband houdt met een van de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004 uitdrukkelijk genoemde gebeurtenissen.

64 Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties worden daarentegen toegekend ongeacht de tijdvakken van arbeid die de rechthebbenden hebben vervuld, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar zij wonen, zoals artikel 70, lid 4, van deze verordening bepaalt.

65 Zoals de advocaat-generaal in de punten 55 en 56 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever, door de personele werkingssfeer van het in artikel 12, lid 1, van richtlijn 2011/98 neergelegde recht op gelijke behandeling te beperken, er uitdrukkelijk voor gekozen om dit recht niet uit te breiden tot prestaties die niet als „socialezekerheidsprestaties” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 883/2004 kunnen worden gekwalificeerd. De in de punten 62 tot en met 64 van het onderhavige arrest uiteengezette verschillende kenmerken van deze twee soorten prestaties rechtvaardigen dat waar socialezekerheidsuitkeringen binnen de werkingssfeer van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 vallen, dit niet het geval is voor bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties.

66 De lidstaten zijn dus niet verplicht om met betrekking tot deze bijzondere prestaties de in die bepaling neergelegde regel van gelijke behandeling in acht te nemen en kunnen bijgevolg besluiten om de toekenning van dergelijke uitkeringen aan onderdanen van derde landen afhankelijk te stellen van de vervulling van een ander criterium dan het voor hun onderdanen geldende criterium, zoals het integratiecriterium, waarvan de inachtneming blijkt uit het bezit van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

67 Ten slotte waarborgt een dergelijke uitlegging de samenhang tussen de verschillende uit het Unierecht voortvloeiende statussen die aan onderdanen van derde landen worden toegekend afhankelijk van hun mate van integratie in het gastland.

68 De status van langdurig ingezetene waarin richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44) voorziet, komt immers overeen met het hoogste niveau van integratie dat onderdanen van derde landen kunnen bereiken, en rechtvaardigt dat hun wordt gegarandeerd dat zij op gelijke wijze worden behandeld als de onderdanen van het gastland, onder meer op het gebied van sociale zekerheid, sociale bijstand en sociale bescherming [arrest van 29 juli 2024, CU en ND (Sociale bijstand – Indirecte discriminatie), C‑112/22 en C‑223/22, EU:C:2024:636, punt 46].

69 Om naar behoren rekening te houden met het criterium van de duur van het verblijf en met de gevolgen daarvan voor de mate van integratie van onderdanen van derde landen, kan artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 er niet aan in de weg staan dat de lidstaten de toekenning van een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie, die – zoals in punt 54 van het onderhavige arrest is benadrukt – tevens een socialebijstandsuitkering is, afhankelijk stellen van een voorwaarde inzake de duur van het verblijf.

70 Ten derde wordt de in punt 66 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging bevestigd door de doelstellingen van richtlijn 2011/98.

71 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat deze richtlijn, zoals blijkt uit overweging 19 ervan, beoogt om de gebieden te specificeren waarop een gelijke behandeling geldt van nationale onderdanen en onderdanen van derde landen, en binnen de Unie een minimum aan gelijke voorwaarden te scheppen.

72 Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk en uitputtend aangegeven op welke gebieden de regel van gelijke behandeling van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 moest worden toegepast.

73 Voorts staat in overweging 2 van deze richtlijn te lezen dat „de Unie moet zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven” en dat „een krachtiger integratiebeleid erop gericht moet zijn hun rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Unie”.

74 Gelet op de doelstelling om de rechten en verplichtingen van onderdanen van derde landen te harmoniseren met die van burgers van de Unie, moet wat deze laatsten betreft worden opgemerkt dat artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 de lidstaten toestaat het recht op socialebijstandsuitkeringen afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat deze burgers beschikken over een duurzaam verblijfsrecht op hun grondgebied dat is verworven na een ononderbroken verblijf van vijf jaar op dit grondgebied.

75 Wat de toegang tot dit soort prestaties betreft, kan een burger van de Unie zich immers alleen beroepen op het beginsel van gelijke behandeling als een onderdaan van het gastland indien zijn verblijf op het grondgebied van die lidstaat voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 (arrest van 15 juli 2021, The Department for Communities in Northern Ireland, C‑709/20, EU:C:2021:602, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76 In die omstandigheden zou een toepassing van de regel van gelijke behandeling van artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98, die ertoe zou leiden dat wordt afgeweken van het in de regeling van een lidstaat gestelde vereiste inzake de verblijfsduur van onderdanen van derde landen voor de toekenning van een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie die tevens een socialebijstandsuitkering is, tot gevolg hebben dat die onderdanen gunstiger worden behandeld dan burgers van de Unie.

77 Dat zou verder gaan dan de in overweging 2 van richtlijn 2011/98 genoemde doelstelling om onderdanen van derde landen rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Unie.

78 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 70 van verordening nr. 883/2004, en zich bijgevolg niet verzet tegen een nationale regeling die de toekenning aan de in artikel 3, lid 1, onder b) en c), van deze richtlijn bedoelde onderdanen van derde landen van een dergelijke prestatie in de vorm van een sociale uitkering voor personen ouder dan 65 jaar (sinds 1 januari 2019, ouder dan 67 jaar) die zich in een precaire economische situatie bevinden en wier arbeidsgeschiktheid wegens hun leeftijd beperkt is, onderwerpt aan de voorwaarde dat zij in het bezit zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

Kosten

79 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 12, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

moet aldus worden uitgelegd dat

het niet van toepassing is op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie, als bedoeld in artikel 70 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, en zich bijgevolg niet verzet tegen een nationale regeling die de toekenning aan de in artikel 3, lid 1, onder b) en c), van deze richtlijn bedoelde onderdanen van derde landen van een dergelijke prestatie in de vorm van een sociale uitkering voor personen ouder dan 65 jaar (sinds 1 januari 2019, ouder dan 67 jaar) die zich in een precaire economische situatie bevinden en wier arbeidsgeschiktheid wegens hun leeftijd beperkt is, onderwerpt aan de voorwaarde dat zij in het bezit zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken