HvJ EU 15 januari 2026, C-822/24, ECLI:EU:C:2026:13

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

15 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 2 – Reproductierecht – Artikel 5 – Beperkingen en restricties – Billijke compensatie voor het kopiëren voor privégebruik – Nationale regeling die voorziet in betaling van een dergelijke compensatie door producenten, importeurs en distributeurs van opslagmedia die voor reproductiedoeleinden kunnen worden gebruikt en bestemd zijn voor professionele eindafnemers – Verplichting die gepaard gaat met een weerlegbaar vermoeden dat die opslagmedia gebruikt worden voor het kopiëren voor privégebruik – Toelaatbaarheid”

In zaak C‑822/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 26 september 2024, ingekomen bij het Hof op 3 december 2024, in de procedure

bluechip Computer Aktiengesellschaft

tegen

Zentralstelle für private Überspielungsrechte (ZPÜ),

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– bluechip Computer Aktiengesellschaft, vertegenwoordigd door M. Kianfar en J. Schäfer, Rechtsanwälte,

– de Zentralstelle für private Überspielungsrechte (ZPÜ), vertegenwoordigd door D. Kögel, Rechtsanwalt,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en A. Sahner als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en B. Herbaut als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door V. Pilloni, procuratore dello Stato, en D. G. Pintus, avvocato delle Stato,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door D. Csoknyai en Z. Fehér als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door C. Alves, P. Barros da Costa en M. Martins da Cruz als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen en J. Samnadda als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Zentralstelle für private Überspielungsrechte (hierna: „ZPÜ”) en bluechip Computer Aktiengesellschaft (hierna: „bluechip”) betreffende de betaling van een vergoeding ter financiering van de billijke compensatie voor het maken van kopieën voor privégebruik.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de overwegingen 31, 35 en 38 van richtlijn 2001/29 staat te lezen: „(31) Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. De in de lidstaten geldende beperkingen en restricties op de rechten moeten opnieuw worden bezien in het licht van de nieuwe elektronische omgeving. De huidige verschillen in beperkingen en restricties op bepaalde aan toestemming onderworpen handelingen hebben directe negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze verschillen zullen ten gevolge van de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende exploitatie van werken en grensoverschrijdende activiteiten wellicht nog belangrijker worden. Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt. […] (35) Rechthebbenden dienen, in bepaalde uitzonderlijke gevallen, een billijke compensatie te ontvangen om hen naar behoren te compenseren voor het gebruik van hun beschermde werken of ander beschermd materiaal. Bij de bepaling van de vorm, de modaliteiten en het mogelijke niveau van die billijke compensatie moet rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk geval. Bij de beoordeling van deze omstandigheden zou een zinvol criterium worden gevormd door het mogelijke nadeel voor de rechthebbenden als resultaat van de betreffende handeling. In gevallen waarin de rechthebbenden reeds betaling in een andere vorm hebben ontvangen, bijvoorbeeld als onderdeel van een licentierecht, is eventueel geen specifieke of afzonderlijke betaling nodig. Bij de bepaling van het niveau van de billijke compensatie dient ten volle rekening te worden gehouden met de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de in deze richtlijn bedoelde technische voorzieningen. In bepaalde situaties waar de schade voor de rechthebbende minimaal zou zijn, is het mogelijk dat geen betalingsverplichting ontstaat. […] (38) Het moet de lidstaten worden toegestaan om ten aanzien van bepaalde vormen van reproductie van geluidsmateriaal, beeldmateriaal en audiovisueel materiaal voor privégebruik, in een beperking of restrictie op het reproductierecht te voorzien, welke gepaard gaat met een billijke compensatie. Dit kan de invoering of verdere toepassing omvatten van vergoedingsstelsels om het nadeel voor de rechthebbenden te compenseren. Hoewel de verschillen tussen de bestaande vergoedingsstelsels de werking van de interne markt beïnvloeden zullen zij, wat de analoge reproductie voor privégebruik betreft, wellicht geen noemenswaardige gevolgen voor de ontwikkeling van de informatiemaatschappij hebben. Het is aannemelijk dat het digitaal kopiëren voor privégebruik op grotere schaal zal plaatsvinden en een grotere economische impact zal hebben. Daarom moet terdege rekening worden gehouden met de verschillen tussen digitaal en analoog kopiëren voor privégebruik, en moet in bepaalde gevallen een onderscheid tussen beide worden gemaakt.”

4 Artikel 2 („Reproductierecht”) van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten voorzien ten behoeve van: a) auteurs, met betrekking tot hun werken, b) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen, c) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen, d) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en e) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen, in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

5 Artikel 5 („Beperkingen en restricties”) van die richtlijn bepaalt in lid 2: „De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van: […] b) de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal; […]”

Duits recht

6 § 53 („Reproductie voor privégebruik en ander eigen gebruik”) van de Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte – Urheberrechtsgesetz (wet betreffende het auteursrechten en de naburige rechten) van 9 september 1965 (BGB1. 1965 I, blz. 1273) (hierna: „UrhG”), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidde als volgt: „(1) Het maken van afzonderlijke kopieën van een werk voor privégebruik door een natuurlijke persoon, op welke drager dan ook, is geoorloofd voor zover dit niet direct of indirect met een commercieel oogmerk geschiedt en de kopieën niet worden gemaakt op basis van een klaarblijkelijk illegaal vervaardigd of voor het publiek beschikbaar gemaakt exemplaar. […] […]”

7 § 54 UrhG („Verplichting tot betaling van een vergoeding”) bepaalde: „(1) Indien, vanwege de aard van een werk, te verwachten valt dat dit overeenkomstig het bepaalde in § 53, leden 1 tot en met 3, wordt gereproduceerd, heeft de auteur van dat werk jegens de producent van het type apparaten en opslagmedia dat alleen of in verbinding met andere apparaten, opslagmedia of toebehoren wordt gebruikt voor het maken van dergelijke reproducties, recht op betaling van een billijke compensatie. (2) Het recht uit hoofde van lid 1 komt te vervallen voor zover op grond van de omstandigheden kan worden verwacht dat de apparaten of opslagmedia binnen de werkingssfeer van deze wet niet voor reproducties zullen worden gebruikt.”

8 In § 54b UrhG („Verplichting van de distributeur of importeur tot betaling van een vergoeding”) was bepaald: „(1) Eenieder die de apparaten of opslagmedia binnen de werkingssfeer van deze wet commercieel invoert of wederinvoert of daarin handelt, is hoofdelijk aansprakelijk samen met de producent ervan. […] […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9 ZPÜ is een vereniging van Duitse collectieve beheersorganisaties die auteursrechtelijke aanspraken op vergoeding kunnen doen gelden voor de reproductie van audio- en audiovisuele werken. Bluechip is een vennootschap die pc’s, laptops en werkstations met ingebouwde harde schijf produceert, invoert en distribueert.

10 ZPÜ heeft een vordering ingesteld die er in essentie toe strekt bluechip te veroordelen om, voor elk van de bovengenoemde apparaten die tussen 1 januari 2014 en 31 december 2017 in de handel zijn gebracht, een vergoeding te betalen ter financiering van de billijke compensatie als bedoeld in § 54 UrhG, ten belope van de tarieven die zijn vastgesteld in collectieve overeenkomsten die zij daartoe heeft gesloten met organisaties die beroepsbeoefenaren uit de telecommunicatiesector en de sector voor elektrische en elektronische goederen vertegenwoordigen.

11 Het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) heeft bij deelarrest van 1 december 2023 geoordeeld dat, aangezien de door bluechip aan professionele eindafnemers verkochte apparaten technisch gezien konden worden gebruikt voor het maken van kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken voor privégebruik, op weerlegbare wijze moest worden vermoed dat dergelijke kopieën zouden worden gemaakt, zodat een rechtspersoon als bluechip op grond van de §§ 54 en 54b UrhG de vergoeding moest betalen ter financiering van de billijke compensatie die aan de auteurs verschuldigd was voor het maken van dergelijke kopieën.

12 Na te hebben geoordeeld dat bluechip geen elementen had aangedragen die dit vermoeden konden weerleggen, heeft deze rechter haar onder meer ertoe veroordeeld om aan ZPÜ voor elk type apparaat dat tussen 1 januari 2014 en 31 december 2017 in Duitsland werd verkocht of in de handel is gebracht, een dergelijke vergoeding te betalen, berekend volgens de in de bovengenoemde collectieve overeenkomsten vastgestelde tarieven, tenzij bluechip met name kan aantonen dat de betrokken apparaten kennelijk voor andere doeleinden dan het maken van kopieën voor privégebruik zijn bestemd en dat dergelijke kopieën hooguit in geringe mate zijn gemaakt en volgens de normale gang van zaken worden gemaakt.

13 Bluechip heeft tegen dat arrest beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.

14 Het Bundesgerichtshof herinnert eraan dat de lidstaten krachtens artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, dat met name bij artikel 54 UrhG in Duits recht is omgezet, beperkingen en restricties op het in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde uitsluitende reproductierecht kunnen stellen ten aanzien van houders van auteursrechten en naburige rechten. De lidstaten kunnen met name dergelijke beperkingen en restricties stellen voor het geval dat reproducties door natuurlijke personen voor privégebruik worden gemaakt, zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen.

15 De verwijzende rechter brengt in herinnering dat wanneer het gaat om opslagmedia die kunnen worden gebruikt om dergelijke reproducties te maken, deze compensatie kan worden gevorderd van producenten, importeurs of distributeurs die, zoals bluechip, de last ervan kunnen afwentelen op de eindafnemers, wanneer er praktische moeilijkheden bestaan die verband houden met de vaststelling van een dergelijk privégebruik en de identificatie van de eindgebruiker. Volgens de verwijzende rechter kunnen die afnemers met name natuurlijke en rechtspersonen omvatten die dergelijke opslagmedia voor beroeps- of commerciële doeleinden hebben besteld. Bij een normale gang van zaken kan immers niet worden uitgesloten dat die opslagmedia in een professionele of commerciële omgeving worden gebruikt om kopieën voor privégebruik te maken of dat dergelijke natuurlijke of rechtspersonen deze na afloop van de periode van fiscale afschrijving door nieuwe opslagmedia vervangen en op de markt van tweedehandsapparatuur verkopen, waarna de kopers deze kunnen gebruiken voor het maken van kopieën voor privégebruik.

16 De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat, gelet op het bestaan van die praktische moeilijkheden, indien producenten, importeurs of distributeurs zoals bluechip niet zouden worden verplicht tot betaling van de billijke compensatie, niet zou kunnen worden gewaarborgd dat de schade wordt vergoed die de rechthebbenden hebben geleden wegens het maken van kopieën voor privégebruik, en dus evenmin dat die compensatie daadwerkelijk wordt geïnd. Deze rechter neigt naar de opvatting dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat op weerlegbare wijze kan worden vermoed dat opslagmedia zoals die welke door bluechip worden verkocht, worden gebruikt voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, zodat een billijke compensatie kan worden gevorderd van dergelijke producenten, importeurs of distributeurs.

17 Die rechter preciseert dat, wanneer hij vaststelt of de voor hem in geding zijnde vergoeding verschuldigd is, de verkopers van opslagmedia die kunnen worden gebruikt om reproducties voor privédoeleinden te maken, het bewijs kunnen leveren dat het bij een normale gang van zaken uitgesloten lijkt dat die opslagmedia zullen worden gebruikt om kopieën te maken of dat het op zijn minst onwaarschijnlijk is dat dit het geval is in meer dan minimale mate. Daartoe kunnen deze verkopers met name een schriftelijke verklaring overleggen waarin de professionele eindafnemer verklaart dat hij het gekochte opslagmedium alleen in het kader van zijn beroepsactiviteit zal gebruiken.

18 Dat verkopers zoals bluechip een verplichting tot betaling van een billijke compensatie wordt opgelegd, gepaard gaande met een weerlegbaar vermoeden van privégebruik van opslagmedia die kunnen worden gebruikt voor reproductiedoeleinden, zou bovendien in overeenstemming zijn met de rechtspraak van het Hof volgens welke de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken met betrekking tot de vaststelling van de personen die deze compensatie moeten betalen en wat betreft de vorm, de voorwaarden en het niveau ervan, mits deze lidstaten zich ervan vergewissen dat een dergelijk vermoeden er niet toe leidt dat deze compensatie wordt opgelegd in gevallen waarin het eindgebruik van de betrokken opslagmedia kennelijk niet valt onder de situatie waarop artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 betrekking heeft.

19 Gelet op het mogelijke bestaan van uiteenlopende rechtspraak over de uitlegging van deze bepaling in Duitsland en Oostenrijk, is de verwijzende rechter evenwel van oordeel dat het voor de beslechting van het hoofdgeding noodzakelijk is om het Hof te verzoeken om uitlegging van die bepaling.

20 Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is het verenigbaar met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, dat een nationale regeling producenten, importeurs of distributeurs die opslagmedia verkopen aan professionele eindafnemers (rechtspersonen of natuurlijke personen die – voor de producent, importeur of distributeur als zodanig herkenbaar – als eindgebruikers voor commerciële doeleinden een bestelling plaatsen), verplicht een vergoeding ter financiering van de billijke compensatie uit hoofde van de uitzondering op het reproductierecht voor kopieën voor privégebruik te betalen, voor zover zij overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht niet bewijzen dat met behulp van deze apparaten hoogstens in beperkte mate daadwerkelijk door een natuurlijke persoon voor privégebruik reproducties van een werk op enige drager zijn vervaardigd of bij een normale gang van zaken worden vervaardigd?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de producenten, importeurs en distributeurs van opslagmedia die voor reproductiedoeleinden kunnen worden gebruikt, de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie moeten betalen wanneer zij die opslagmedia aan professionele eindafnemers verkopen, tenzij deze producenten, importeurs of distributeurs aantonen dat die opslagmedia niet door natuurlijke personen zullen worden gebruikt om reproducties te maken voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk of dat dit slechts zal gebeuren in een mate waarbij kan worden aangenomen dat de rechthebbenden slechts een gering nadeel ondervinden.

22 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 2 van richtlijn 2001/29 ten behoeve van de in deze bepaling bedoelde rechthebbenden voorzien in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van hun werken, de vastleggingen van hun uitvoeringen, hun fonogrammen, het origineel en de kopieën van hun films en de vastleggingen van hun uitzendingen, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.

23 Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bepaalt dat de lidstaten beperkingen of restricties op het in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde uitsluitende reproductierecht kunnen stellen ten aanzien van de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 van die richtlijn bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal.

24 Voorts zij eraan herinnerd dat volgens de bewoordingen van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 de lidstaten slechts in de betaling van een billijke compensatie kunnen voorzien indien de installatie, het apparaat of de drager voor reproductie door „een natuurlijke persoon” als eindgebruiker wordt gebruikt voor het maken van reproducties „voor privégebruik […] en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk”. Hieruit volgt dat de werkingssfeer van deze bepaling onder meer afhangt van de hoedanigheid van de eindgebruiker en van het doel van het gebruik (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 83).

25 Zoals blijkt uit de overwegingen 35 en 38 van richtlijn 2001/29, weerspiegelt dit artikel 5, lid 2, onder b), de wil van de Uniewetgever om te voorzien in een specifiek vergoedingsstelsel dat wordt toegepast wanneer rechthebbenden nadeel ondervinden dat in beginsel de verplichting doet ontstaan om hen te „compenseren”. Het maken van een kopie voor privégebruik door een natuurlijk persoon moet immers worden beschouwd als een handeling die de betrokken rechthebbende kan benadelen aangezien die kopie wordt gemaakt zonder vooraf toestemming te vragen aan die rechthebbende. Het is echter geenszins noodzakelijk dat die personen daadwerkelijk privékopieën vervaardigen, aangezien deze personen terecht worden geacht volledig gebruik te maken van de terbeschikkingstelling van de installaties, apparaten en dragers voor reproductie, waarbij deze terbeschikkingstelling, gelet op het reproductievermogen van deze installaties, apparaten en dragers, volstaat om de toepassing van de billijke compensatie ten gunste van de rechthebbenden te rechtvaardigen. Het Hof heeft in dit verband gepreciseerd dat de lidstaten een weerlegbaar vermoeden kunnen invoeren dat dergelijke installaties, apparaten en dragers aan natuurlijke personen voor privégebruik ter beschikking worden gesteld (zie in die zin arresten van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 43; 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 24 en 25; 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 november 2023, Seven.One Entertainment Group, C‑260/22, EU:C:2023:900, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Aldus volgt uit vaste rechtspraak dat de billijke compensatie en derhalve het stelsel waarop zij berust alsook het niveau ervan, verband moeten houden met de schade die de rechthebbenden lijden als gevolg van het maken van kopieën voor privégebruik. Elke billijke compensatie die geen verband houdt met de schade die de rechthebbenden lijden ten gevolge van het kopiëren voor privégebruik, zou immers niet voldoen aan het in overweging 31 van richtlijn 2001/29 neergelegde vereiste dat een rechtvaardig evenwicht wordt gewaarborgd tussen de rechthebbenden en de gebruikers van beschermd materiaal (arrest van 23 november 2023, Seven.One Entertainment Group, C‑260/22, EU:C:2023:900, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Daarnaast heeft het Hof reeds benadrukt dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, opdat er niet elk nuttig effect aan wordt ontnomen, moet worden geacht aan de lidstaten die de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik invoeren, een resultaatsverplichting op te leggen die inhoudt dat zij verplicht zijn om, binnen het kader van hun bevoegdheden, te verzekeren dat de billijke compensatie die bedoeld is om de rechthebbenden te compenseren, daadwerkelijk wordt geïnd (arrest van 9 juni 2016, EGEDA e.a., C‑470/14, EU:C:2016:418, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Aangezien de bepalingen van richtlijn 2001/29 de verschillende aspecten van het stelsel van de billijke compensatie niet nader regelen, hebben de lidstaten een ruime beoordelingsmarge bij de vaststelling ervan. Het is met name aan de lidstaten om te bepalen wie deze compensatie moet betalen en om de vorm, de voorwaarden en het niveau ervan vast te stellen (arrest van 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij de bepaling van de vorm, de voorwaarden en het mogelijke niveau van de billijke compensatie dienen de lidstaten, zoals blijkt uit overweging 35 van richtlijn 2001/29, rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van elk geval en met name met het mogelijke nadeel voor de rechthebbenden (arrest van 23 november 2023, Seven.One Entertainment Group, C‑260/22, EU:C:2023:900, punt 36).

29 Gelet op de praktische moeilijkheden om particuliere gebruikers te identificeren en hen te verplichten de houders van het uitsluitende reproductierecht te compenseren voor de schade die zij hun berokkenen, staat het de lidstaten vrij om met het oog op de financiering van de billijke compensatie een „vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik” in te voeren die niet door de betrokken particulieren dient te worden betaald, maar – voordat de kopieën voor privégebruik worden gemaakt – door de personen, rechtspersonen daaronder begrepen, die over installaties, apparaten en dragers voor reproductie beschikken en deze daartoe juridisch of feitelijk ter beschikking stellen van particulieren. In het kader van een dergelijk stelsel dienen de personen die over die installaties, apparaten en dragers beschikken de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik te betalen. De lidstaten kunnen de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik onder bepaalde omstandigheden zonder onderscheid opleggen ter zake van alle dragers die geschikt zijn voor reproductie, waaronder in het geval waarin deze dragers uiteindelijk worden gebruikt op een manier die niet onder de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bedoelde situatie valt (zie in die zin arresten van 9 juni 2016, EGEDA e.a., C‑470/14, EU:C:2016:418, punten 32 en 33, en 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Aangezien dat stelsel het de betalingsplichtigen mogelijk maakt het bedrag van de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik door te rekenen in de prijs van de terbeschikkingstelling van die installaties, apparaten en dragers, wordt de last van de vergoeding uiteindelijk gedragen door de privégebruiker die deze prijs betaalt, hetgeen voldoet aan het in overweging 31 van richtlijn 2001/29 bedoelde „rechtvaardige evenwicht” tussen de belangen van de houders van het uitsluitende reproductierecht en die van de gebruikers van beschermd materiaal (arrest van 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Er zij evenwel aan herinnerd dat de lidstaten, wanneer zij kiezen voor een dergelijke financiering die wordt gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden, zoals de onmogelijkheid om particuliere eindgebruikers te identificeren, ten gunste van de daadwerkelijke betalingsplichtigen, ongeacht of het de producenten, importeurs of distributeurs van installaties, apparaten of dragers voor reproductie dan wel de eindgebruikers zijn, moeten voorzien in een vrijstellingsregeling of, bij gebreke daarvan, in een recht op terugbetaling wanneer de compensatie niet verschuldigd is, zoals met name het geval is wanneer dergelijke installaties, apparaten of dragers aan andere personen dan natuurlijke personen worden geleverd voor duidelijk andere doeleinden dan het maken van kopieën voor privégebruik (zie in die zin arresten van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 31; 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 45, 47, 50 en 53; 9 juni 2016, EGEDA e.a., C‑470/14, EU:C:2016:418, punten 36 en 40; 22 september 2016, Microsoft Mobile Sales International e.a., C‑110/15, EU:C:2016:717, punten 34 en 36, en 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punt 39).

32 Het aldus voorziene recht op terugbetaling moet doeltreffend zijn en mag de teruggave van de betaalde vergoeding niet buitensporig moeilijk maken. In dat verband moeten de reikwijdte, de doeltreffendheid, de beschikbaarheid, de bekendheid en de eenvoud van de uitoefening van het recht op terugbetaling het mogelijk maken eventuele onevenwichtigheden te compenseren die door het vergoedingsstelsel voor het kopiëren voor privégebruik zijn veroorzaakt om tegemoet te komen aan de geconstateerde praktische moeilijkheden (arresten van 22 september 2016, Microsoft Mobile Sales International e.a., C‑110/15, EU:C:2016:717, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Ten slotte heeft het Hof reeds geoordeeld dat de lidstaten de mogelijkheid hebben betalingsplichtigen in bepaalde gevallen die binnen de werkingssfeer van de beperking vallen die zij op grond van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 hebben ingevoerd, vrij te stellen van de betaling van een billijke compensatie wanneer de schade voor de rechthebbende minimaal is, waarbij de vaststelling van de drempelwaarde waaronder de schade als minimaal wordt gekwalificeerd, binnen de beoordelingsbevoegdheid van die lidstaten valt (zie in die zin arrest van 23 november 2023, Seven.One Entertainment Group, C‑260/22, EU:C:2023:900, punten 38‑40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 De vraag van de verwijzende rechter moet in het licht van al deze rechtspraak worden onderzocht.

35 In casu blijkt uit de toelichting van deze rechter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, bepaalt dat de billijke compensatie verschuldigd is door producenten, importeurs of distributeurs die, zoals bluechip, opslagmedia die voor reproductiedoeleinden kunnen worden gebruikt (hierna: „opslagmedia”) verkopen aan professionele eindafnemers, ongeacht of deze rechtspersonen dan wel natuurlijke personen zijn. Uit die toelichting blijkt in essentie ook dat het niet is uitgesloten dat de aldus door dergelijke professionele eindafnemers gekochte opslagmedia worden gebruikt in andere situaties dan die bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, te weten dat zij niet „voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk” of slechts in beperkte mate voor een dergelijk gebruik en dergelijke doeleinden worden gebruikt.

36 Overeenkomstig de in de punten 29 en 31 tot en met 33 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan de billijke compensatie in een dergelijk geval slechts ten laste van de verkopers van opslagmedia worden gelegd indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een dergelijke regeling worden gerechtvaardigd door praktische moeilijkheden, zoals de moeilijkheid om de eindgebruikers en het doel van het gebruik van de met behulp van deze opslagmedia gemaakte reproducties te identificeren. Ten tweede moeten, wanneer vaststaat dat de eindgebruikers deze opslagmedia gebruiken voor kennelijk andere doeleinden dan het kopiëren voor privégebruik of op zijn minst de rechthebbenden slechts een zeer gering nadeel berokkenen wanneer zij die opslagmedia gebruiken voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, die verkopers in aanmerking komen voor vrijstelling van betaling van de billijke compensatie of, bij gebreke daarvan, recht hebben op een daadwerkelijke terugbetaling die niet zodanig is geregeld dat de teruggave van deze compensatie uiterst moeilijk is.

37 De verwijzende rechter zal dus moeten nagaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling aan deze twee voorwaarden voldoet, met dien verstande dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing de nationale rechterlijke instantie richtsnoeren voor haar beslissing kan verstrekken (arrest van 5 mei 2022, Victorinox, C‑179/21, EU:C:2022:353, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Wat in de eerste plaats het bestaan betreft van praktische moeilijkheden in verband met de identificatie van de eindgebruikers en het doel van het gebruik van de reproducties die zijn gemaakt met behulp van opslagmedia als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet worden vastgesteld dat dergelijke praktische identificatiemoeilijkheden bestaan wanneer die opslagmedia aan professionele eindafnemers worden verkocht.

39 Uit de hoedanigheid van „professionele eindafnemer” alleen kan immers niet worden afgeleid dat de opslagmedia nooit door natuurlijke personen voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk zullen worden gebruikt in de zin van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, en dat de rechthebbenden daardoor nooit meer dan minimale schade zullen lijden.

40 Ten eerste moet worden opgemerkt dat in casu tot de professionele eindafnemers zowel natuurlijke als rechtspersonen behoren die opslagmedia voor commerciële of beroepsdoeleinden bestellen. Zelfs wanneer die opslagmedia door rechtspersonen worden aangeschaft, kunnen zij in beginsel slechts worden gebruikt door natuurlijke personen aan wie deze dragers ter beschikking worden gesteld. De eindgebruikers van de door professionele eindafnemers gekochte opslagmedia kunnen dus in elk geval alleen natuurlijke personen zijn, waarbij het voor de vaststelling of de billijke compensatie verschuldigd is van weinig belang is dat de natuurlijke personen die de opslagmedia gebruiken, deze niet zelf hebben aangeschaft of niet de eigenaar ervan zijn. De billijke compensatie is namelijk ook verschuldigd wanneer natuurlijke personen reproducties van beschermde werken kunnen maken vanaf of met behulp van een inrichting die aan een derde toebehoort (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Copydan Båndkopi, C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 91).

41 Ten tweede worden, overeenkomstig de in punt 25 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, de betrokken natuurlijke personen, ongeacht of zij zowel afnemers als eindgebruikers zijn of alleen eindgebruikers omdat de professionele eindafnemer hun opslagmedia ter beschikking heeft gesteld, op goede gronden geacht deze dragers volledig te gebruiken, ook om er reproducties voor privégebruik mee te maken en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk. Het Hof heeft in dat verband geoordeeld dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 zich niet verzet tegen een nationale regeling die een dergelijk vermoeden invoert, voor zover het weerlegbaar is (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a., C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 43 en 45).

42 In die omstandigheden kan het moeilijk zijn om op het tijdstip van de verkoop van opslagmedia aan professionele eindafnemers vast te stellen of de natuurlijke persoon die over deze opslagmedia zal beschikken, hetzij omdat hij deze zelf voor commerciële of beroepsdoeleinden heeft gekocht, hetzij omdat die in het kader van zijn werk aan hem ter beschikking zijn gesteld door de professionele eindafnemer, deze uitsluitend zal gebruiken voor kennelijk andere doeleinden dan het maken van kopieën voor privégebruik, dan wel of hij ze ook voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk zal gebruiken in een mate die niet kan worden geacht slechts minimale schade voor de rechthebbenden te veroorzaken.

43 Zoals de verwijzende rechter aangeeft kan in het bijzonder niet worden uitgesloten dat de opslagmedia in een professionele omgeving door natuurlijke personen voor een dergelijk gebruik in meer dan geringe mate en voor dergelijke doeleinden worden gebruikt, en evenmin dat die opslagmedia vóór het einde van hun gemiddelde levensduur, bijvoorbeeld na afloop van de periode van fiscale afschrijving ervan, ter beschikking worden gesteld van natuurlijke personen die deze vervolgens voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk zullen gebruiken. Bovendien kunnen zelfstandigen, als natuurlijke personen die bestellingen voor commerciële of professionele doeleinden plaatsen, opslagmedia zoals degenen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, zowel voor professionele als voor privédoeleinden gebruiken.

44 Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of er, gelet op het voorgaande, in casu praktische moeilijkheden bestaan bij de identificatie van het doel van het gebruik van de opslagmedia door de natuurlijke personen voor wie zij bestemd zijn.

45 In de tweede plaats moet de verwijzende rechter overeenkomstig de in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak nagaan of producenten, importeurs en distributeurs van opslagmedia die voor reproductiedoeleinden kunnen worden gebruikt, zoals bluechip, van de betaling van de billijke compensatie kunnen worden vrijgesteld indien zij aantonen dat die opslagmedia door natuurlijke personen zullen worden gebruikt in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, of op zijn minst terugbetaling van de ten onrechte betaalde compensatie kunnen verkrijgen indien dat bewijs pas na de verkoop en de betaling van die compensatie kan worden geleverd.

46 In dit verband verzet deze bepaling zich niet tegen een stelsel voor de inning van de compensatie voor het kopiëren voor privégebruik, zoals vermeld door de verwijzende rechter, volgens hetwelk een dergelijke producent, importeur of distributeur met name een schriftelijke verklaring van de professionele eindafnemer overlegt waarin in essentie wordt bevestigd dat de opslagmedia zullen worden gebruikt voor duidelijk andere doeleinden dan het maken van kopieën voor privégebruik, of dat deze opslagmedia voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk zullen worden gebruikt in een mate die de rechthebbenden slechts minimale schade kan berokkenen,. Een verkoper zoals bluechip lijkt dus gemakkelijk te kunnen worden vrijgesteld van de betaling van de billijke compensatie.

47 Het Hof heeft overigens bevestigd dat dergelijke eenzijdige verklaringen voor een dergelijke vrijstelling kunnen worden gebruikt, voor zover de met het beheer van de billijke compensatie belaste entiteit in de betrokken lidstaat de mogelijkheid heeft om de juistheid van de betrokken verklaringen te controleren teneinde een daadwerkelijke inning van die compensatie te verzekeren (zie in die zin arrest van 8 september 2022, Ametic, C‑263/21, EU:C:2022:644, punten 42 en 70).

48 Bovendien moet een nationale regeling die voorziet in een vrijstellingsregeling wat de billijke compensatie betreft door middel van dergelijke verklaringen, overeenkomstig de in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak hoe dan ook voorzien in een recht op terugbetaling van ten onrechte betaalde compensatie, waarbij dat recht doeltreffend moet zijn en niet zodanig mag zijn geregeld dat de teruggave van de betaalde compensatie buitensporig moeilijk is.

49 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de producenten, importeurs en distributeurs van opslagmedia die voor reproductiedoeleinden kunnen worden gebruikt, de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie moeten betalen wanneer zij die opslagmedia aan professionele eindafnemers verkopen, tenzij deze producenten, importeurs of distributeurs aantonen dat die opslagmedia niet door natuurlijke personen zullen worden gebruikt om reproducties te maken voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk of dat dit slechts zal gebeuren in een mate die wordt geacht voor de rechthebbenden slechts minimale schade te doen ontstaan.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de producenten, importeurs en distributeurs van opslagmedia die voor reproductiedoeleinden kunnen worden gebruikt, de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie moeten betalen wanneer zij die opslagmedia aan professionele eindafnemers verkopen, tenzij deze producenten, importeurs of distributeurs aantonen dat die opslagmedia niet door natuurlijke personen zullen worden gebruikt om reproducties te maken voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk of dat dit slechts zal gebeuren in een mate die wordt geacht voor de rechthebbenden slechts minimale schade te doen ontstaan.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in