HvJ EU 15 januari 2026, C-615/24, ECLI:EU:C:2026:10

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

15 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Landbouwsector – Verordening (EU) nr. 1408/2013 – De-minimissteun – Monitoring – Lidstaat waar de-minimissteun kan worden toegekend en uitbetaald zonder dat er een specifieke verklaring van de aanvragende onderneming wordt verlangd over het bedrag en de aard van de staatssteun die in een periode van drie belastingjaren eventueel is ontvangen – Overlegging van een eigen verklaring omtrent dergelijke steun”

In zaak C‑615/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 19 september 2024, ingekomen bij het Hof op 20 september 2024, in de procedure

Ambito territoriale di caccia Ancona 2

tegen

Azienda Agricola Camarzano di RK,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– het Ambito territoriale di caccia Ancona 2, vertegenwoordigd door M. Fioretti, avvocato,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door L. Vignato, avvocato dello Stato, en P. Passolunghi, procuratore dello Stato,

– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en R. Stoyanov als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Georgiopoulos en C. Molinari als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 2, van verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 [VWEU] op de-minimissteun in de landbouwsector (PB 2013, L 352, blz. 9).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Azienda Agricola Camarzano di RK (hierna: „Azienda Agricola”), een landbouwonderneming, en het Ambito territoriale di caccia Ancona 2 (jachtgebied Ancona 2, Italië) (hierna: „ATC”) over de vordering tot vergoeding van de schade die in het wild levende dieren in 2014 aan de biologische durumtarweteelt van Azienda Agricola hadden veroorzaakt.

Toepasselijke bepalingen

3 In de overwegingen 1, 20 en 21 van verordening nr. 1408/2013 staat het volgende te lezen: „(1) Overheidsfinanciering die aan de criteria van artikel 107, lid 1, [VWEU] voldoet, vormt staatssteun en moet krachtens artikel 108, lid 3, [VWEU] bij de [Europese] Commissie worden aangemeld. Op grond van artikel 109 [VWEU] kan de Raad [van de Europese Unie] evenwel bepalen welke soorten van steunmaatregelen van die aanmeldingsverplichting zijn vrijgesteld. Overeenkomstig artikel 108, lid 4, [VWEU] kan de Commissie verordeningen betreffende die soorten van staatssteun vaststellen. Bij verordening (EG) nr. 994/98 [van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen [107 en 108 VWEU] op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB 1998, L 142, blz. 1)] heeft de Raad overeenkomstig artikel 109 [VWEU] besloten dat de-minimissteun een van die soorten kan zijn. Op basis daarvan wordt de-minimissteun, d.w.z. aan één onderneming over een bepaalde periode toegekende steun die een bepaald vastgesteld bedrag niet overschrijdt, geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, [VWEU] te voldoen en derhalve niet onder de aanmeldingsprocedure te vallen. [...] (20) [...] [D]e lidstaten [moeten] bij het verlenen van de-minimissteun de betrokken onderneming in kennis stellen van het toegekende bedrag aan de-minimissteun en van het feit dat het om de-minimissteun gaat en daarbij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijzen. De lidstaten zijn verplicht tot monitoring van de verleende steun om ervoor te zorgen dat de plafonds niet worden overschreden en de regels inzake cumulering worden nageleefd. Om aan die monitoringverplichting te voldoen, moet de betrokken lidstaat, voordat hij die steun verleent, van de onderneming een verklaring krijgen over andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende het betrokken belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren heeft ontvangen. Bij wijze van alternatief moet het voor de lidstaten mogelijk zijn om aan de monitoringverplichting te voldoen door een centraal register op te zetten met volledige informatie over de verleende de-minimissteun, en te controleren of door een nieuwe steunverlening het desbetreffende plafond niet wordt overschreden. (21) Elke lidstaat moet zich, voordat hij nieuwe de-minimissteun verleent, ervan vergewissen dat het de-minimisplafond noch het nationale maximum in die lidstaat met de nieuwe de-minimissteun zal worden overschreden en dat aan de overige voorwaarden van deze verordening is voldaan.”

4 Artikel 3 van deze verordening heeft het opschrift „De-minimissteun” en bepaalt: „1. Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, [VWEU] te voldoen en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, [VWEU], indien zij aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voldoen. 2. Het totale bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat aan één onderneming wordt verleend, ligt niet hoger dan 15000 EUR over een periode van drie belastingjaren. 3. Het cumulatieve bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat over een periode van drie belastingjaren wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten, ligt niet hoger dan het in de bijlage vastgestelde nationale maximum. 4. De de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de onderneming krachtens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft, ongeacht de datum waarop de de-minimissteun aan de onderneming wordt betaald. [...] 7. Wanneer het in lid 2 vastgestelde plafond of het in lid 3 bedoelde nationale maximum door de toekenning van nieuwe de-minimisssteun zou worden overschreden, komt deze nieuwe steun in zijn geheel niet in aanmerking voor het voordeel van deze verordening. [...]”

5 Artikel 6 van verordening nr. 1408/2013 heeft als opschrift „Monitoring” en bepaalt: „1. Wanneer een lidstaat voornemens is overeenkomstig deze verordening de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt hij die onderneming schriftelijk in kennis van het voorgenomen steunbedrag, uitgedrukt als bruto-subsidie-equivalent, en van het feit dat het om de-minimissteun gaat, waarbij hij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijst en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie vermeldt. [...] Voordat de lidstaat de steun verleent, verlangt hij van de betrokken onderneming een schriftelijke of elektronische verklaring over alle andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen. 2. Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat volledige informatie bevat over alle de-minimissteun die door enige autoriteit in die lidstaat is verstrekt, is lid 1 niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie belastingjaren bestrijkt. 3. Een lidstaat verleent pas nieuwe de-minimissteun overeenkomstig deze verordening nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dit het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan de betrokken onderneming is verleend, niet zodanig doet toenemen dat het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond en het in artikel 3, lid 3, bedoelde nationale maximum wordt overschreden, en dat aan alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

6 Op 28 juni 2014 heeft Azienda Agricola bij het ATC een spoedverzoek ingediend om een deskundigenadvies in te winnen over de vergoeding van de schade die door in het wild levende dieren aan haar landbouwgewassen is toegebracht, welk verzoek zij indiende door middel van het door het ATC ter beschikking gestelde specifieke formulier en krachtens artikel 34 van legge della Regione Marche n. 7 – Norme per la protezione della fauna selvatica e per la tutela dell’equilibrio ambientale e disciplina dell’attività venatoria (regionale wet van de Marken nr. 7 houdende bepalingen inzake normen voor het behoud van de wilde fauna en de bescherming van het ecologisch evenwicht en tot regeling van de jacht) van 5 januari 1995.

7 Op 4 juli 2014 kwam een landbouwdeskundige in opdracht van het ATC ter plaatse. Hij stelde vast dat Azienda Agricola 1000 EUR schade had geleden door in het wild levende dieren.

8 Azienda Agricola heeft ondanks de conclusies van deze deskundige geen schadevergoeding ontvangen en heeft derhalve een ingebrekestelling aan het ATC gezonden om een betaling in die zin te verkrijgen. Laatstgenoemde heeft verklaard op korte termijn geen schadevergoeding te kunnen betalen, aangezien de Regione Marche (regio de Marken, Italië) niet de daarvoor benodigde middelen had betaald. ATC heeft Azienda Agricola bij die gelegenheid echter niet ingelicht over het de-minimiskarakter van de gevraagde schadevergoeding en evenmin verzocht om een verklaring te verstrekken over de eventuele ontvangst van andere de-minimissteun in het lopende belastingjaar en de twee voorafgaande belastingjaren.

9 Op 19 januari 2016 heeft Azienda Agricola beroep ingesteld bij de Giudice di pace di Jesi (vrederechter Jesi, Italië) en hier gevorderd om het ATC te gelasten haar de betreffende schadevergoeding te betalen. Nadat de Giudice di pace di Jesi dit verzoek bij een onmiddellijk uitvoerbare beschikking had toegewezen, heeft het ATC tegen deze beschikking verzet ingesteld en daarbij onder meer aangevoerd dat Azienda Agricola geen recht had op schadevergoeding omdat zij geen verklaring had overgelegd over de eventuele ontvangst van de-minimissteun in het lopende belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren.

10 De Giudice di pace di Jesi heeft het gegeven bevel tot betaling van schadevergoeding bevestigd door het verzet van het ATC af te wijzen. Deze rechter heeft geoordeeld dat het verkrijgen van een verklaring betreffende de eventuele ontvangst van andere de-minimissteun in het lopende belastingjaar en de twee voorgaande jaren geen noodzakelijke voorwaarde was voor de betaling van steun, want de vaststelling of werd voldaan aan de in verordening nr. 1408/2013 neergelegde regels inzake cumulering van de-minimissteun, kon ook plaatsvinden bij de monitoring van die steun aan de hand van het door de staat opgezette speciale register.

11 De door het ATC aangezochte Tribunale di Ancona (rechter in tweede aanleg Ancona, Italië) heeft het vonnis van de Giudice di pace di Jesi bevestigd door onder meer te oordelen dat niet kon worden aangenomen dat Azienda Agricola verplicht was de procedure van artikel 6 van verordening nr. 1408/2013 in acht te nemen, aangezien de regionale regeling die van kracht was op de datum van het door Azienda Agricola ingediende verzoek om schadevergoeding, niet voorzag in de indiening van een verklaring betreffende de eventuele ontvangst van andere de-minimissteun in het lopende belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren. Volgens deze rechter was door het verschil tussen de Unieregeling en de regionale regeling een situatie met objectieve en kennelijke onzekerheid ontstaan.

12 Het ATC heeft vervolgens bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van de Tribunale di Ancona en vernietiging van dat arrest gevorderd. Daartoe heeft het ATC aangevoerd dat deze rechter, doordat hij niet had gezorgd voor afstemming tussen de rechtsnormen overeenkomstig hun hiërarchie, het Unierecht inzake staatssteun had geschonden, aangezien de beginselen die zijn neergelegd in een verordening van de Unie, die onmiddellijk van toepassing is, voorrang moeten hebben boven elke daarmee strijdige nationale bepaling.

13 Azienda Agricola betoogt op zijn beurt dat zij de door de regionale regeling opgelegde formaliteiten in acht heeft genomen en dat de niet-toepassing van verordening nr. 1408/2013 te wijten was aan het ATC, dat geen monitoringswerkzaamheden had verricht en haar nooit had gevraagd om een eigen verklaring over te leggen met betrekking tot eventuele de-minimissteun die zij in de drie jaren voorafgaand aan haar verzoek om schadevergoeding had ontvangen.

14 Tegen deze achtergrond geeft de verwijzende rechter blijk van zijn twijfels over de uitlegging van verordening nr. 1408/2013. Hij vraagt zich af of Azienda Agricola in 2014, teneinde in aanmerking te komen voor vergoeding van de door in het wild levende dieren aan haar gewassen toegebrachte schade en om afwijzing van haar schadevordering te vermijden, een „eigen verklaring” had moeten overleggen over de de-minimissteun die zij in de voorgaande belastingjaren had ontvangen. In dit verband vraagt hij zich af welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat het ATC Azienda Agricola niet heeft gevraagd om een dergelijk document over te leggen en dat ten tijde van de latere monitoring is vastgesteld dat het in die verordening vastgestelde maximum niet was overschreden.

15 Tegen deze achtergrond heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten [artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 2,] van verordening nr. 1408/2013, in onderlinge samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een lidstaat kan voorzien in de verlening van de-minimissteun in de landbouw en deze steun in de eerste drie jaar na het opzetten van nationale databanken, althans totdat die databanken volledig en geactualiseerd zullen zijn, kan verlenen zonder specifieke verklaring van de verzoekende onderneming over de omvang en de aard van andere staatssteun die zij in de referentieperiode van drie boekjaren heeft ontvangen? 2) Is meer bepaald in het voornoemde tijdsbestek de overlegging van een eigen verklaring over eventuele bijdragen die in de drie voorafgaande jaren zijn ontvangen een onontbeerlijk vereiste om een verzoek tot schadevergoeding te kunnen indienen en voor staatssteun in aanmerking te komen, of kan die eigen verklaring rechtmatig ook pas in de monitoringsfase worden overgelegd, en dus nadat de steun is ontvangen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

16 Met zijn eerste vraag verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 2, van verordening nr. 1408/2013.

17 In dit verband moet worden opgemerkt dat op het gebied van de monitoring van het de-minimiskarakter van steun artikel 6, lid 2, van deze verordening betrekking heeft op het geval waarin een lidstaat een centraal register van de-minimissteun heeft opgezet met volledige informatie over alle door zijn verschillende autoriteiten verleende steun. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, heeft de Italiaanse Republiek het centrale steunregister pas op 12 augustus 2017 opgezet. Dat is dus na de steunaanvraag die in het hoofdgeding aan de orde is, zodat de vraag naar de toepassing en de uitlegging van deze bepaling in casu niet aan de orde is.

18 Tevens zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het feit dat de verwijzende rechter bij de formulering van een vraag enkel heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, er niet aan in de weg staat dat het Hof hem alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak, ongeacht of deze in zijn vragen worden genoemd. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verstrekte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (arrest van 7 maart 2017, X en X, C‑638/16 PPU, EU:C:2017:173, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19 Gelet op het voorwerp van het hoofdgeding en de vragen van de verwijzende rechter, is het, teneinde hem een nuttig antwoord te geven, nodig om artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1408/2013 uit te leggen, volgens welke bepaling een lidstaat pas nieuwe de-minimissteun overeenkomstig deze verordening verleent nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dit het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan de betrokken onderneming is verleend, niet zodanig doet toenemen dat het in artikel 3, lid 2 van die verordening, vastgestelde plafond en het in artikel 3, lid 3, ervan bedoelde nationale maximum wordt overschreden, en dat aan alle in die verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan.

20 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 1408/2013, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan gedurende de eerste drie jaar nadat een centraal steunregister op nationaal niveau was aangelegd, aan de landbouw de-minimissteun kan worden toegekend en uitgekeerd zonder dat van de onderneming die de steun heeft aangevraagd een specifieke verklaring wordt verlangd over het bedrag en de aard van andere staatssteun die zij in het lopende belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren heeft ontvangen.

21 Opgemerkt zij dat de artikelen 3 en 6 van verordening nr. 1408/2013 moeten worden geplaatst in de algemene context van die verordening, die bedoeld is om de mogelijkheid te bieden om bij staatssteun van een gering bedrag af te wijken van de regel dat elke steun, voordat er uitvoering aan wordt gegeven, bij de Commissie moet worden aangemeld (zie in die zin arrest van 28 oktober 2020, INAIL, C‑608/19, EU:C:2020:865, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Bovendien moet worden opgemerkt dat de artikelen 3 en 6 van verordening nr. 1408/2013 strikt moeten worden uitgelegd, aangezien die verordening een afwijking bevat van de algemene regel dat elke nieuwe staatssteun moet worden aangemeld (zie in die zin arrest van 28 oktober 2020, INAIL, C‑608/19, EU:C:2020:865, punt 27).

23 Bij deze uitlegging moet niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen van deze bepalingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken (arrest van 28 oktober 2020, INAIL, C‑608/19, EU:C:2020:865, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/2013 blijkt dat deze verordening slechts van toepassing is indien aan alle daarin genoemde voorwaarden is voldaan. Wat artikel 6, lid 3, van deze verordening betreft, volgt uit de bewoordingen van deze bepaling dat een lidstaat alvorens de-minimissteun te verlenen ervoor zorgt dat het in artikel 3, lid 2, van die verordening vastgestelde plafond niet wordt overschreden.

25 Hieruit volgt dat het, zolang het in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1408/2013 bedoelde centrale register in de betrokken lidstaat niet voor de duur van drie belastingjaren operationeel is, voor de toekenning van nieuwe de-minimissteun in het kader van die verordening noodzakelijk is dat de in artikel 6, lid 1, van deze verordening bedoelde verklaring wordt verkregen. Een dergelijke verklaring is van wezenlijk belang, aangezien de betrokken lidstaat daarmee kan nagaan of de aangevraagde steun binnen de werkingssfeer van die verordening valt en dus of de steun al dan niet van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld.

26 Een dergelijke uitlegging wordt ook bevestigd in het licht van de context van deze bepalingen en het doel van verordening nr. 1408/2013.

27 Ten eerste blijkt wat deze context betreft uit de overwegingen 20 en 21 van verordening nr. 1408/2013 dat de verkrijging van de in artikel 6, lid 1, van deze verordening bedoelde verklaring past in het kader van de monitoringsverplichting die moet worden nagekomen voordat de betrokken steun wordt toegekend.

28 Ten tweede beoogt de doelstelling van verordening nr. 1408/2013 de administratieve lasten voor ondernemingen, de Commissie en de lidstaten te vereenvoudigen, uitgaande van het beginsel dat steun waarvan het bedrag het de-minimisplafond niet overschrijdt, het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedt en de mededinging niet vervalst (zie in die zin arrest van 28 oktober 2020, INAIL, C‑608/19, EU:C:2020:865, punt 41).

29 Zoals blijkt uit overweging 1 van verordening nr. 1408/2013, ligt de bestaansreden van de vrijstelling van de verplichting tot aanmelding van staatssteun in dit verband in het beperkte steunbedrag dat op grond van deze verordening gedurende een bepaalde periode aan één enkele onderneming kan worden verleend. Om voor een dergelijke vrijstelling in aanmerking te komen, moet echter eerst worden nagegaan of het de-minimisplafond gedurende die periode niet is overschreden.

30 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 1408/2013, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan er, voordat een centraal steunregister op nationaal niveau helemaal en compleet is aangelegd, aan de landbouw de-minimissteun kan worden toegekend en uitgekeerd zonder dat van de onderneming die de steun heeft aangevraagd een specifieke verklaring wordt verlangd over het bedrag en de aard van andere staatssteun die zij in het lopende belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren heeft ontvangen.

Tweede vraag

31 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 1408/2013, aldus moeten worden uitgelegd dat de overlegging van een verklaring betreffende eventuele steun die is ontvangen gedurende de drie jaar voordat een centraal steunregister op nationaal niveau helemaal en compleet was aangelegd, een voorwaarde vormt voor de ontvankelijkheid van de steunaanvraag en de toekenning van de steun, dan wel of een dergelijke verklaring later en dus na de ontvangst van die steun kan worden verkregen.

32 Zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste vraag, vormt de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1408/2013 bedoelde verklaring, zolang er nog niet krachtens artikel 6, lid 2, van deze verordening een eind is gekomen aan de toepasselijkheid van deze bepaling, een voorwaarde voor de toekenning van nieuwe de-minimissteun aan de landbouw in de zin van artikel 3 en artikel 6, lid 3, van die verordening.

33 Wat de indiening van steunaanvragen en de verklaring betreffende eventuele eerder ontvangen steun betreft, moet worden vastgesteld dat verordening nr. 1408/2013 geen enkel procedurevereiste bevat met betrekking tot de wijze en het moment waarop deze verklaring moet worden gevraagd of verstrekt. De enige vereisten van artikel 6, lid 1, van deze verordening hebben betrekking op het feit dat die verklaring moet worden verkregen „[v]oordat de lidstaat de steun verleent” en dat daarin de steun moet worden vermeld die de betrokken onderneming in de twee voorafgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar heeft ontvangen.

34 Vastgesteld moet echter worden dat dergelijke vereisten betrekking hebben op de toepasselijkheid van de regeling van die verordening, maar geen voorwaarden vormen voor de ontvankelijkheid van een steunaanvraag. Een dergelijke verklaring kan dus in een later stadium van de administratieve procedure betreffende de steunaanvraag worden overgelegd, mits deze verklaring op verzoek van de betrokken lidstaat wordt verkregen voordat de steun wordt verleend.

35 Hieruit volgt dat de indiening van de verklaring geen voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van een steunaanvraag. Bij gebreke van een centraal register van de-minimissteun dat betrekking heeft op een periode van drie belastingjaren, vormt deze verklaring echter een voorwaarde voor de toekenning en dus voor de uitkering van steun, hetgeen betekent dat deze voorafgaand aan en niet na de toekenning van de steun nodig is.

36 Bovendien wordt de procedure voor de steunaanvraag weliswaar in beginsel beheerst door het nationale recht, maar er moet aan worden herinnerd dat uit artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1408/2013, gelezen in het licht van overweging 20 van deze verordening, blijkt dat het aan de betrokken lidstaat is om de eigen verklaring te verkrijgen wanneer deze nodig is om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden voor toepassing van deze verordening is voldaan. In dit verband moet nog worden gepreciseerd dat wanneer de steun niet is toegekend, met name omdat niet om een dergelijke verklaring is gevraagd, de bevoegde autoriteit met terugwerkende kracht een dergelijke verklaring kan opvragen om te beoordelen of de steun nog kan worden toegekend.

37 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 1408/2013, aldus moeten worden uitgelegd dat de overlegging van een verklaring betreffende eventuele steun die is ontvangen gedurende de drie jaar voordat een centraal steunregister op nationaal niveau helemaal en compleet was aangelegd, geen voorwaarde vormt voor de ontvankelijkheid van de steunaanvraag, maar dat een dergelijke verklaring een voorwaarde vormt voor de toekenning van de steun zodat die verklaring door de lidstaat moet worden verkregen voordat dergelijke steun wordt verleend.

Kosten

38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 3, van verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 [VWEU] op de-minimissteun in de landbouwsector, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan er, voordat een centraal steunregister op nationaal niveau helemaal en compleet is aangelegd, aan de landbouw de-minimissteun kan worden toegekend en uitgekeerd zonder dat van de onderneming die de steun heeft aangevraagd een specifieke verklaring wordt verlangd over het bedrag en de aard van andere staatssteun die zij in het lopende belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren heeft ontvangen.

2) Artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 1408/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat de overlegging van een verklaring betreffende eventuele steun die is ontvangen gedurende de drie jaar voordat een centraal steunregister op nationaal niveau helemaal en compleet was aangelegd, geen voorwaarde vormt voor de ontvankelijkheid van de steunaanvraag, maar dat een dergelijke verklaring een voorwaarde vormt voor de toekenning van de steun zodat die verklaring door de lidstaat moet worden verkregen voordat dergelijke steun wordt verleend.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken