HvJ EU 18 december 2025, C-168/24, ECLI:EU:C:2025:986

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

18 december 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Merken – Richtlijn 2008/95/EG – Artikel 12, lid 2, onder b) – Richtlijn (EU) 2015/2436 – Artikel 20, onder b) – Gronden voor vervallenverklaring van een merk – Gevaar van misleiding van het publiek als gevolg van het gebruik dat van het merk wordt gemaakt – Merk dat overeenkomt met de naam van een modeontwerper – Overdracht van het merk – Gebruik van het merk dat het publiek daadwerkelijk doet geloven dat de ontwerper nog steeds betrokken is bij het ontwerp van de waren waarop het merk is aangebracht – Onjuiste overtuiging ”

In zaak C‑168/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 28 februari 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

PMJC SAS

tegen

[W] [X],

[M] [X],

[X] Créative SAS,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin (rapporteur), N. Piçarra en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– PMJC SAS, vertegenwoordigd door M. Le Guerer, avocat,

– [W] [X], [M] [X], [X] Créative SAS, vertegenwoordigd door E. Fortunet, avocat,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en E. Timmermans als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret en P. Němečková als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25) en artikel 20, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1, met rectificatie in PB 2016, L 110, blz. 5).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen PMJC SAS, enerzijds, en [W] [X], [M] [X] en [X] Créative SAS, anderzijds, over de gedeeltelijke vervallenverklaring van de rechten van PMJC op twee merken die overeenkomen met de familienaam van een modeontwerper.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

Richtlijn 2008/95

3 Artikel 12 van richtlijn 2008/95, met als opschrift „Gronden voor vervallenverklaring”, bepaalde in lid 2:

„[…] een merk [kan] vervallen worden verklaard wanneer het, na de datum waarop het is ingeschreven:

[…]

b) als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder, of met zijn instemming, voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is, het publiek kan misleiden, met name over de aard, de hoedanigheid of de plaats van herkomst van deze waren of diensten.”

Richtlijn 2015/2436

4 Artikel 20 van deze richtlijn, met als opschrift „Merk dat een generieke of misleidende aanduiding is geworden als grond voor vervallenverklaring”, luidt als volgt:

„Een merk kan vervallen worden verklaard wanneer het, na de datum waarop het is ingeschreven:

[…]

b) als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder, of met instemming van de houder, voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, het publiek kan misleiden, met name wat betreft de aard, de hoedanigheid of de plaats van herkomst van deze waren of diensten.”

5 Artikel 54 van die richtlijn, met als opschrift „Omzetting”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 januari 2019 te voldoen aan de artikelen 3 tot en met 6, artikelen 8 tot en met 14, artikelen 16, 17 en 18, artikelen 22 tot en met 39, artikel 41, artikelen 43 en 44, en artikelen 46 tot en met 50. […]

[…]”

6 Artikel 55 van richtlijn 2015/2436, „Intrekking”, luidt:

„Richtlijn [2008/95] wordt ingetrokken met ingang van 15 januari 2019 […].

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn […].”

7 Artikel 56 van richtlijn 2015/2436, met het opschrift „Inwerkingtreding”, bepaalt:

„Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 1, 7, 15, 19, 20 en 21 zijn van toepassing met ingang van 15 januari 2019.”

Frans recht

8 Artikel L. 714‑6 van de code de la propriété intellectuelle (wetboek van intellectuele eigendom), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:

„Een merk wordt vervallen verklaard indien het door toedoen van de merkhouder:

[…]

b) misleidend is geworden, met name ten aanzien van de aard, de hoedanigheid of de plaats van herkomst van de waren of diensten.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat tegen de vennootschap [W] [X], die in 1978 door [W] [X] is opgericht om kleding en modeaccessoires in de handel te brengen, een collectieve procedure is ingeleid na afloop waarvan PMJC een bod tot overname van alle activa van deze vennootschap heeft gedaan, dat bij vonnis van 13 september 2011 is aanvaard. Vervolgens zijn bij akte van overdracht van 3 februari 2012 de materiële en immateriële activa overgedragen, met name de Franse woordmerken „[W] [X]”. Het eerste was aangevraagd door [W] [X], die het in 1999 heeft overgedragen aan de vennootschap [W] [X], en het tweede was aangevraagd in 2002 door de vennootschap [W] [X].

10 Bij een op 21 juli 2011 gesloten dienstverleningsovereenkomst heeft [W] [X] zijn samenwerking met PMJC voortgezet tot aan de contractueel overeengekomen termijn, te weten 31 december 2015.

11 Op 21 juni 2018 heeft PMJC een vordering wegens merkinbreuk, oneerlijke mededinging en parasitair gedrag ingesteld tegen [W] [X]. Zij stelde dat [W] [X], door professionele en artistieke activiteiten uit te oefenen via [X] Creative, inbreuk maakte op de in punt 9 van dit arrest bedoelde merkrechten en zich schuldig maakte aan oneerlijke mededinging.

12 In reconventie heeft [W] [X] vervallenverklaring van de rechten van PMJC op deze merken gevorderd wegens misleidend gebruik ervan door PMJC gedurende de periode van eind 2017 tot begin 2019. Meer bepaald heeft PMJC die merken volgens [W] [X] op zodanige wijze gebruikt dat bij het publiek de indruk werd gewekt dat hij de maker was van de waren waarop die merken waren aangebracht.

13 Bij arrest van 12 oktober 2022 heeft de Cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) de rechten van PMJC op de merken waarop de in punt 9 van het onderhavige arrest vermelde overdrachtsakte van 3 februari 2012 betrekking had, gedeeltelijk vervallen verklaard.

14 Volgens dat arrest staat het Unierecht er niet aan in de weg dat een merk dat overeenkomt met de familienaam van een ontwerper vervallen wordt verklaard wanneer door de handelwijze van de verkrijger van dat merk bij het publiek de indruk wordt gewekt dat de ontwerper nog steeds betrokken is bij het ontwerp van de waren of een voldoende ernstig risico van een dergelijke misleiding ontstaat.

15 Dat was volgens de Cour d’appel de Paris in het hoofdgeding het geval, aangezien PMJC tweemaal schuldig was bevonden aan inbreuk op het auteursrecht van [W] [X] op recente werken die niet aan PMJC waren overgedragen. Uit deze onherroepelijke veroordelingen heeft de Cour d’appel de Paris afgeleid dat de betrokken merken misleidend zijn geworden, aangezien zij zijn aangebracht op waren met versieringen die inbreuk maken op het auteursrecht van [W] [X] en worden voorgesteld als door hem ontworpen oorspronkelijke werken.

16 PMJC heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter.

17 Voor deze rechter voert PMJC met name aan dat de Cour d’appel de Paris artikel L. 714‑6, b), van de code de propriété intellectuelle, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, zoals het moet worden uitgelegd in het licht van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95, heeft geschonden door te overwegen dat het arrest van 30 maart 2006, Emanuel (C‑259/04, EU:C:2006:215), ten eerste geenszins uitsluit dat een met de naam van een ontwerper overeenkomend merk vervallen wordt verklaard wanneer de merkhouder er op een misleidende manier gebruik van maakt, en ten tweede deze ontwerper de mogelijkheid laat om te proberen aan te tonen dat het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de houder ervan bedrieglijk is.

18 PMJC is namelijk van mening dat haar eventuele manoeuvres om de consument te doen geloven dat [W] [X] nog steeds betrokken is bij het ontwerp van de waren waarop zijn naam is aangebracht, in het licht van dat arrest het merk zelf niet kunnen aantasten, ook al worden deze manoeuvres als misleidend beschouwd.

19 In dat verband zet de verwijzende rechter om te beginnen uiteen dat het Hof er in de punten 47 tot en met 49 van het arrest van 30 maart 2006, Emanuel (C‑259/04, EU:C:2006:215), dat betrekking had op een merk dat werd gevormd door een familienaam, aan heeft herinnerd dat de gevallen van weigering van inschrijving wegens de misleidende aard van een merk veronderstellen dat een werkelijke misleiding of een voldoende ernstig risico van misleiding van de consument kan worden vastgesteld en vervolgens heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een gemiddelde consument bij zijn aankoop kon worden beïnvloed doordat hij ervan uitgaat dat de ontwerper wiens naam overeenstemt met het betrokken merk, betrokken is geweest bij het ontwerp van de waren waarop het merk is aangebracht, op zichzelf niet kon leiden tot misleiding van het publiek over de aard, de hoedanigheid of de plaats van herkomst van deze waren.

20 Vervolgens heeft de Cour de cassation opgemerkt dat het Hof in punt 50 van dat arrest heeft overwogen dat indien de onderneming, door de wijze waarop zij dit merk presenteert, de consument wilde doen geloven dat die ontwerper nog steeds de bron is van de waren waarop dat merk was aangebracht of aan de creatie ervan heeft deelgenomen, het om een manoeuvre gaat die als bedrieglijk zou kunnen worden aangemerkt, hoewel dat geen misleiding oplevert die het merk zelf of de mogelijkheid om het in te schrijven kan aantasten.

21 Tot slot wijst de verwijzende rechter erop dat het Hof in punt 53 van dit arrest eerst heeft overwogen dat de voorwaarden voor vervallenverklaring vanwege de misleidende aard van een merk dezelfde zijn als die voor de weigering van inschrijving en daarna heeft geoordeeld dat de rechten van een houder van een merk dat overeenkomt met de naam van de ontwerper en eerste producent van de waren waarop dit merk is aangebracht, niet enkel wegens deze bijzonderheid vervallen kunnen worden verklaard op grond dat dit merk het publiek zou misleiden, met name wanneer de aan het betrokken merk verbonden clientèle is overgedragen samen met de onderneming die de waren produceert waarop het merk betrekking heeft.

22 Niettemin heeft de Cour d’appel de Paris in zijn arrest van 12 oktober 2022 overwogen dat de vaststelling in punt 50 van het arrest van 30 maart 2006, Emanuel (C‑259/04, EU:C:2006:215), dat een merk dat overeenkomt met de familienaam van een ontwerper niet als misleidend kan worden beschouwd op de enkele grond dat deze ontwerper niet langer betrokken is bij het ontwerp van de waren waarop de uit zijn familienaam bestaande merken zijn aangebracht, zich niet uitdrukkelijk uitstrekt tot de uitlegging van artikel 12, lid 2, onder b), van de Eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1). De Cour d’appel de Paris is tot de slotsom gekomen dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzet dat een merk vervallen wordt verklaard op grond dat het op zodanige wijze wordt gebruikt dat bij het publiek daadwerkelijk de indruk wordt gewekt dat de ontwerper nog steeds betrokken is bij het ontwerp van de waren waarop de uit zijn familienaam bestaande merken zijn aangebracht, terwijl dat niet meer het geval is.

23 De Cour de cassation merkt nog op dat het Gerecht van de Europese Unie in zijn arrest van 14 mei 2009, Fiorucci/BHIM – Edwin (ELIO FIORUCCI) (T‑165/06, EU:T:2009:157, punt 37), het verzoek om vervallenverklaring op grond van het misleidende gebruik van het merk dat bestond in de familienaam van een ontwerper na de inschrijving van dat merk heeft afgewezen, niet omdat een dergelijk gebruik zou kunnen leiden tot vervallenverklaring van het merk wegens misleiding, maar omdat geen enkel bewijs van het gebruik van het merk na de inschrijving ervan was geleverd.

24 Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn [2008/95] en artikel 20, onder b), van richtlijn [2015/2436] aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een merk dat bestaat uit de familienaam van een ontwerper, vervallen wordt verklaard op grond dat dit merk na de overdracht ervan op zodanige wijze wordt gebruikt dat bij het publiek daadwerkelijk de indruk wordt gewekt dat die ontwerper nog steeds deelneemt aan het ontwerp van de waren waarop dat merk is aangebracht, terwijl dat niet meer het geval is?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Opmerkingen vooraf

25 Met zijn vraag verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en van artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436.

26 Welke van deze twee richtlijnen ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, is irrelevant, aangezien artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 in wezen identiek zijn.

27 In dat verband is het niet van belang dat de Franse taalversie van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 bepaalde dat een merk vervallen kan worden verklaard wanneer dat merk „est propre […] à induire le public en erreur” (geschikt is om het publiek te misleiden), terwijl artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 in de Franse taalversie bepaalt dat een merk vervallen kan worden verklaard wanneer dat merk „risque […] d’induire le public en erreur” (riskeert het publiek te misleiden).

28 Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de uitdrukking „est propre à” al „werkelijke misleiding of een voldoende ernstig risico van misleiding van de consument” veronderstelt (arrest van 30 maart 2006, Emanuel, C‑259/04, EU:C:2006:215, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Daarnaast zijn de bewoordingen van artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436, wat de mate van waarschijnlijkheid dat het publiek wordt misleid betreft, in de andere taalversies in wezen ongewijzigd gebleven ten opzichte van die van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie constateert. Afgezien van de Hongaarse en de Finse taalversies waren alle andere taalversies al verwoord in termen die louter een dergelijk risico impliceerden, ongeacht of dat risico verwezenlijkt is.

30 Overeenkomstig de vaste rechtspraak dat bepalingen van het Unierecht op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd en toegepast met inachtneming van de versies in alle talen van de Europese Unie [arrest van 13 februari 2025, Verbraucherzentrale Berlin (Begrip initiële contractduur), C‑612/23, EU:C:2025:82, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak] kan derhalve niet worden overwogen dat de wijziging in de Franse taalversie van artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 die in punt 27 van dit arrest is uiteengezet, een aanwijzing vormt dat de wetgever van de Unie het criterium voor de mate van waarschijnlijkheid dat het publiek wordt misleid, heeft willen wijzigen.

31 In het kader van deze prejudiciële verwijzing moeten artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 dus samen, op dezelfde manier, worden uitgelegd.

Beantwoording van de vraag

32 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een merk dat wordt gevormd door de familienaam van een modeontwerper vervallen wordt verklaard op grond dat dit merk door de houder of met diens instemming op zodanige wijze wordt gebruikt dat bij het publiek daadwerkelijk de indruk wordt gewekt dat die ontwerper nog steeds betrokken is bij het ontwerp van de waren waarop dat merk is aangebracht, terwijl dat niet meer het geval is.

33 Volgens die bepalingen kan een merk vervallen worden verklaard wanneer het, na de datum waarop het is ingeschreven, „als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt” door de merkhouder, of met zijn instemming, voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, het publiek kan misleiden, „met name wat betreft de aard, de hoedanigheid of de plaats van herkomst” van deze waren of diensten.

34 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van deze bepalingen, in het bijzonder uit de gebruikte bijwoordelijke uitdrukking „met name”, blijkt dat de opsomming van de kenmerken van de waren of diensten waarop de misleiding betrekking kan hebben, niet uitputtend is, zodat niet kan worden uitgesloten dat het merk vervallen wordt verklaard omdat er een risico van misleiding bestaat wat betreft de persoon die aan de oorsprong staat van het ontwerp van de waren waarop het merk is aangebracht of tot dat ontwerp heeft bijgedragen.

35 Vervolgens kan het stilistische auteurschap van een product – net als de geografische oorsprong, die uitdrukkelijk wordt genoemd in de bepalingen die in punt 32 van dit arrest worden opgesomd – in voorkomend geval een kenmerk van dat product zijn waardoor bij het publiek bepaalde verwachtingen worden gewekt. Dit auteurschap is dus een van de aspecten waarover het publiek kan worden misleid in de zin van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en van artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436.

36 Niettemin volstaat de omstandigheid dat een merk dat wordt gevormd door de familienaam van een modeontwerper wordt gebruikt door een onderneming waaraan de ontwerper niet meer verbonden is, op zichzelf niet om de vervallenverklaring ervan te rechtvaardigen, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie in wezen heeft uiteengezet (zie in die zin arrest van 30 maart 2006, Emanuel, C‑259/04, EU:C:2006:215, punt 53). Een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument is zich immers bewust van het feit dat niet alle waren waarop een merk is aangebracht dat overeenstemt met de naam van een ontwerper, noodzakelijkerwijs door hem persoonlijk zijn ontworpen.

37 Voor vervallenverklaring uit hoofde van de bepalingen waarvan om uitlegging is verzocht, is derhalve vereist dat op basis van de omstandigheden van het geval werkelijke misleiding of een voldoende ernstig risico van misleiding van de consument wordt vastgesteld (zie naar analogie arrest van 8 juni 2017, W. F. Gözze Frottierweberei en Gözze, C‑689/15, EU:C:2017:434, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Ten slotte blijkt uit de bewoordingen van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b) van richtlijn 2015/2436 dat voor de beoordeling of een merk misleidend is in het kader van een procedure tot vervallenverklaring het gebruik in aanmerking moet worden genomen dat de merkhouder ervan heeft gemaakt of dat met zijn instemming ervan is gemaakt.

39 Uit deze overwegingen volgt dat werkelijke misleiding of een voldoende ernstig risico van misleiding in de zin van artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 zoals uitgelegd in de in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak in geval van een merk bestaande in de familienaam van een modeontwerper eventueel kan voortvloeien uit misleiding van het publiek als gevolg van het gebruik van dit merk door de houder of met zijn instemming wat betreft het stilistische auteurschap van de waren waarop dat merk is aangebracht.

40 Of het gebruik van het merk het publiek kan misleiden moet worden onderzocht in het licht van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. De in punt 15 van het onderhavige arrest vermelde omstandigheid dat de waren waarop de merken betrekking hebben die worden gevormd door de familienaam van een modeontwerper, zijn versierd met decoraties die behoren tot het specifieke creatieve universum van die ontwerper en inbreuk maken op diens auteursrechten, kan een dergelijke relevante omstandigheid vormen, zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie heeft opgemerkt, omdat daardoor het risico toeneemt dat er bij het publiek een onjuiste indruk ontstaat over het stilistische auteurschap van de waren waarop dat merk betrekking heeft.

41 Deze uitlegging strookt met de doelstelling van bescherming van de consument die ten grondslag ligt aan artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 (zie in die zin arrest van 30 maart 2006, Emanuel, C‑259/04, EU:C:2006:215, punt 46). Die doelstelling houdt in dat de consument in staat moet zijn een geïnformeerde keuze te maken tussen meerdere concurrerende producten of diensten.

42 Deze uitlegging vindt ook steun in de algemene doelstelling van de Unieregelgeving op het gebied van merkenrecht, te weten de onvervalste mededinging beschermen (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het licht van die doelstelling kan niet worden aanvaard dat een merk door het gebruik ervan een oneerlijk instrument wordt om klanten af te vangen.

43 Gelet op een en ander moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een merk dat wordt gevormd door de familienaam van een modeontwerper vervallen wordt verklaard op grond dat dit merk, gelet op alle relevante omstandigheden, door de houder ervan of met diens instemming op zodanige wijze wordt gebruikt dat bij de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument ten onrechte de indruk kan worden gewekt dat die ontwerper betrokken is geweest bij het ontwerp van de waren waarop dat merk is aangebracht.

Kosten

44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 12, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten en artikel 20, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich er niet tegen verzetten dat een merk dat wordt gevormd door de familienaam van een modeontwerper vervallen wordt verklaard op grond dat dit merk, gelet op alle relevante omstandigheden, door de houder ervan of met diens instemming op zodanige wijze wordt gebruikt dat bij de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument ten onrechte de indruk kan worden gewekt dat die ontwerper betrokken is geweest bij het ontwerp van de waren waarop dat merk is aangebracht.

ondertekeningen

* Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken