HvJ EU 11 december 2025, C-789/23, ECLI:EU:C:2025:956
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
11 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikel 21, lid 1, VWEU – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Voorwaarden voor de inschrijving in het nationale register van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan in een andere lidstaat dan die van inschrijving – Vermelding van het persoonlijk identificatienummer van ten minste één van beide echtgenoten – Beperking – Rechtvaardiging – Juistheid en authenticiteit van de gegevens in het nationale register – Evenredigheid ”
In zaak C‑789/23 [Tatrauskė] (i),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 20 december 2023, ingekomen bij het Hof op 21 december 2023, in de procedure
I. J.
tegen
„Registrų centras” VĮ,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Montaguti en A. Steiblytė als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 21, lid 1, VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen I. J. en de Registrų centras VĮ (centrum voor registers, Litouwen) over de weigering door laatstgenoemde om te voldoen aan het verzoek van I. J. om gegevens betreffende haar huwelijksvermogensstelsel in te schrijven in het nationale huwelijksgoederenregister.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 21, lid 1, VWEU luidt:
„Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”
Litouws recht
Burgerlijk wetboek
4 Artikel 3.101 van de Lietuvos Respublikos civilinis kodeksas (burgerlijk wetboek van de Republiek Litouwen; hierna: „burgerlijk wetboek”) heeft als opschrift „Huwelijkse voorwaarden” en bepaalt:
„De huwelijkse voorwaarden zijn een door de echtgenoten gesloten overeenkomst tot vaststelling van hun vermogensrechtelijke rechten en verplichtingen tijdens het huwelijk, alsmede in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed.”
5 Artikel 3.103 van het burgerlijk wetboek heeft als opschrift „Vorm van de huwelijkse voorwaarden” en bepaalt het volgende:
„1. De huwelijkse voorwaarden worden bij notariële akte gesloten.
2. De huwelijkse voorwaarden en de wijzigingen ervan worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister [...].
3. De huwelijkse voorwaarden en de wijzigingen ervan kunnen slechts aan derden worden tegengeworpen indien de voorwaarden en de wijzigingen ervan in het huwelijksgoederenregister zijn ingeschreven. Deze regel is niet van toepassing indien derden ten tijde van de sluiting van een rechtshandeling op de hoogte waren van de huwelijkse voorwaarden of van de wijzigingen ervan.”
Toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister
6 Bij Lietuvos Respublikos Vyriausybės nutarimas Nr. 1284 „Dėl Vedybų sutarčių registro nuostatų patvirtinimo” (besluit nr. 1284 van de regering van de Republiek Litouwen houdende goedkeuring van het reglement inzake het huwelijksgoederenregister) van 13 augustus 2002 (Žin., 2002, nr. 82‑3523) heeft de regering van de Republiek Litouwen toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister vastgesteld. Deze regels werden nadien gewijzigd. Volgens de verwijzende rechter is de op het hoofdgeding toepasselijke versie die van 10 september 2015, zoals gewijzigd bij Lietuvos Respublikos Vyriausybės nutarimas Nr. 773 (besluit nr. 773 van de regering van de Republiek Litouwen) van 8 juli 2020 (TAR, 2020, nr. 2020‑15562) (hierna: „toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister”).
7 Punt 13 van de toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister luidt als volgt:
„Het register bevat de volgende gegevens:
13.1. de huwelijkse voorwaarden;
[...]
13.3. de in het [burgerlijk wetboek] bedoelde feiten betreffende de verdeling van de goederen.”
8 Punt 17 van deze toepassingsregels luidt:
„In het register worden de volgende gegevens over de verdeling van goederen opgenomen:
17.1. de identificatiecode van de verdeling van goederen;
17.2. de grondslag waarop de verdeling van goederen is vastgesteld (overeenkomst of rechterlijke beslissing);
17.3. de datum van authenticatie van de overeenkomst tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen (hierna: ‚verdelingsovereenkomst’) of de datum van de rechterlijke beslissing over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen (hierna: ‚beslissing tot verdeling van goederen’);
17.4. de persoonsgegevens (persoonlijk identificatienummer, voornaam en naam; indien de persoonsgegevens in het bevolkingsregister ontbreken, geboortedatum, voornaam, naam) van de natuurlijke personen die de verdelingsovereenkomst hebben gesloten of wier goederen bij rechterlijke beslissing zijn verdeeld;
[...]
17.7. de naam en voornaam van de notaris door wie en de naam van het notariskantoor waar de waarmerking van de verdelingsovereenkomst, dan wel de wijziging of de beëindiging ervan, werd verricht, of de naam van de rechterlijke instantie die de beslissing tot verdeling van goederen heeft gegeven;
[...]
17.9. de wettelijke regeling die is vastgesteld bij de verdelingsovereenkomst of de beslissing tot verdeling van goederen;
[...]
17.12 de datum en het tijdstip waarop de verdeling van goederen in het register is ingeschreven of uit het register is geschrapt, alsmede de registratie of wijziging van de gegevens betreffende deze verdeling.”
9 In hoofdstuk IV van deze toepassingsregels is bepaald welke rechtsfeiten en geregistreerde handelingen in het register kunnen worden ingeschreven. Dit hoofdstuk bevat onder meer de punten 67 en 68, die luiden als volgt:
„67. In het buitenland aangegane huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden kunnen in het register worden ingeschreven indien het persoonlijke identificatienummer dat wordt toegekend door de organisatie die het Litouwse bevolkingsregister bijhoudt, in die voorwaarden voor ten minste één van de partijen bij die voorwaarden staat vermeld.
68. Wanneer een van de echtgenoten of partners bij huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden die in het buitenland zijn gewaarmerkt, deze voorwaarden of wijzigingen daarin of gegevens betreffende de beëindiging van dergelijke voorwaarden wenst te laten inschrijven, kan hij of zij deze gegevens persoonlijk of via een gemachtigde persoon, per post of elektronisch overeenkomstig de door deze instantie vastgestelde procedure verstrekken aan de instantie die het register bijhoudt.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Verzoekster in het hoofdgeding is een in het Litouwse bevolkingsregister ingeschreven Unieburger. Als zodanig beschikt zij over een persoonlijk identificatienummer dat is toegekend door de instantie die dit register bijhoudt en over een identiteitskaart waarop dit nummer staat vermeld.
11 In 2006 zijn verzoekster in het hoofdgeding en C. B., een Italiaans staatsburger, in Italië in het huwelijk getreden. Het huwelijk is ingeschreven in het huwelijksregister van een Italiaanse gemeente. Het uittreksel uit de huwelijksakte bevat de vermelding dat de echtgenoten hebben gekozen voor de uitsluiting van gemeenschap van goederen.
12 Het betrokken huwelijk is ingeschreven bij de burgerlijke stand in Litouwen.
13 Op 15 februari 2022 heeft verzoekster in het hoofdgeding het centrum voor registers verzocht om een rechtsfeit dat betrekking heeft op haar huwelijksvermogensstelsel, namelijk de verdeling van goederen tussen de echtgenoten, in te schrijven in het huwelijksgoederenregister.
14 Bij beslissing van 9 maart 2022 heeft het centrum voor registers dit verzoek enerzijds afgewezen op grond dat een natuurlijke persoon niet bevoegd was om het centrum voor registers gegevens betreffende de verdeling van goederen tussen echtgenoten te verstrekken, zodat de betrokken verdeling van goederen niet op verzoek van verzoekster in het hoofdgeding in het huwelijksgoederenregister kon worden ingeschreven. Anderzijds heeft dit centrum verduidelijkt dat het door verzoekster overgelegde uittreksel uit de huwelijksakte in het huwelijksgoederenregister kon worden ingeschreven als huwelijkse voorwaarden mits er een door een notaris of een andere bevoegde ambtenaar in Italië gewaarmerkt addendum bij de huwelijksakte zou worden overgelegd waarin het Litouwse persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten werd vermeld.
15 Verzoekster in het hoofdgeding heeft vervolgens een kopie overgelegd van een e-mail waaruit blijkt dat zij bij het betrokken bureau van de burgerlijke stand in Italië heeft verzocht om afgifte van een kopie van de huwelijksakte waarin haar Litouwse persoonlijke identificatienummer was vermeld zoals dat op haar identiteitskaart stond. Dit bureau van de burgerlijke stand heeft geweigerd deze vermelding aan het uittreksel uit de huwelijksakte toe te voegen, op grond dat het de authenticiteit van dat persoonlijke identificatienummer van verzoekster in het hoofdgeding niet kon bevestigen.
16 Daarop heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) beroep ingesteld tegen het besluit van 9 maart 2022. Bij vonnis van 29 juni 2022 is dit beroep verworpen, met name op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor inschrijving in het huwelijksgoederenregister van „in het buitenland aangegane voorwaarden”, zoals bepaald in punt 67 van de toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister, aangezien in de huwelijkse voorwaarden niet het Litouwse persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de partijen bij die voorwaarden werd vermeld.
17 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), de verwijzende rechter.
18 Om te beginnen merkt deze rechter op dat verzoekster in het hoofdgeding in werkelijkheid niet wilde dat de verdeling van de goederen waarmee de echtgenoten hebben ingestemd, in het huwelijksgoederenregister zou worden ingeschreven. Het ging haar om de inschrijving van haar in een andere lidstaat dan de Republiek Litouwen gesloten huwelijkse voorwaarden. Haar rechtspositie valt onder punt 68 van de toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister, op grond waarvan een van de echtgenoten kan verzoeken om „in het buitenland” gewaarmerkte huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister in te schrijven.
19 Hij merkt in dit verband op dat een dergelijke inschrijving afhankelijk is van de in punt 67 van die toepassingsregels gestelde voorwaarde dat in de betrokken huwelijkse voorwaarden het Litouwse persoonlijke identificatienummer voor ten minste één van de partijen bij die voorwaarden staat vermeld.
20 De verwijzende rechter stelt vast dat het Litouwse persoonlijke identificatienummer van verzoekster in het hoofdgeding niet voorkomt in haar huwelijksakte wegens de weigering van de betrokken Italiaanse burgerlijke stand om dit gegeven in te schrijven, zodat niet is voldaan aan het vereiste van punt 67 van deze toepassingsregels.
21 Deze rechter merkt op dat een dergelijk vereiste echter alleen geldt voor buiten Litouwen aangegane huwelijkse voorwaarden en dat de toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister niet voorzien in een alternatief voor de identificatie van de partijen bij „in het buitenland” aangegane huwelijkse voorwaarden.
22 In die omstandigheden vraagt deze rechter zich af of de regeling die is ingevoerd bij de toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister, kan worden beschouwd als een beperking op het recht van iedere Unieburger om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven zoals vastgelegd in artikel 21, lid 1, VWEU.
23 In deze omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 21, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan in een andere lidstaat van de [Europese Unie] aangegane huwelijkse voorwaarden niet in het huwelijksgoederenregister kunnen worden ingeschreven indien in die voorwaarden niet voor ten minste één van de partijen bij die voorwaarden het persoonlijke identificatienummer is opgenomen dat wordt verstrekt door de instantie die het bevolkingsregister van de Republiek Litouwen bijhoudt, wanneer in omstandigheden zoals die van de onderhavige zaak de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de huwelijkse voorwaarden zijn vastgelegd, weigeren om een uittreksel van die voorwaarden aangevuld met de relevante persoonlijke identificatiegegevens te verstrekken?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
24 De Litouwse regering betoogt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Zij voert aan dat na de wijzigingen die met de vaststelling van een op 1 januari 2023 in werking getreden regeling zijn aangebracht in de toepassingsregels voor het huwelijksgoederenregister, hierin niet langer is bepaald dat bij in het buitenland gesloten huwelijkse voorwaarden ter inschrijving ervan in het nationale huwelijksgoederenregister, het Litouwse persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten moet zijn vermeld. Bijgevolg is de prejudiciële vraag irrelevant, zodat het Hof zich er niet meer over hoeft uit te spreken.
25 In antwoord op het verzoek om inlichtingen dat het Hof op 16 oktober 2024 aan de verwijzende rechter heeft gericht, heeft deze uiteengezet dat deze wijzigingen ratione temporis niet van toepassing zijn op het hoofdgeding.
26 Bovendien heeft deze rechter verduidelijkt dat verzoekster in het hoofdgeding haar hoger beroep niet had ingetrokken en dat zij, volgens de informatie waarover deze rechter beschikte, na de inwerkingtreding van die wijzigingen geen nieuw verzoek tot inschrijving in het huwelijksgoederenregister had ingediend. Hieruit volgt dat de verwijzende rechter zich nog steeds moet uitspreken over de rechtmatigheid en de gegrondheid van het besluit van 9 maart 2022.
27 In dat verband heeft het Hof bij herhaling benadrukt dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen en dat de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding [zie in die zin arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 18, en 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 62].
28 Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak [arresten van 17 februari 2011, Weryński, C‑283/09, EU:C:2011:85, punt 35, en 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 63].
29 Het Hof heeft aldus in herinnering gebracht dat zowel uit de bewoordingen als uit de opzet van artikel 267 VWEU blijkt dat de prejudiciële procedure met name vooronderstelt dat daadwerkelijk een geding bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is, in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing [zie in die zin arresten van 21 april 1988, Pardini, 338/85, EU:C:1988:194, punt 11, en 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 64].
30 In casu blijkt uit de gegevens in de punten 25 en 26 van het onderhavige arrest dat het antwoord van het Hof op de door de verwijzende rechter gestelde vraag noodzakelijk is om hem in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep, dat nog steeds bij hem aanhangig is.
31 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is derhalve ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
32 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 21, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan in een andere lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden alleen in het nationale huwelijksgoederenregister kunnen worden ingeschreven als in deze voorwaarden het door eerstgenoemde lidstaat toegekende persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten staat vermeld, terwijl een dergelijk vereiste niet geldt om in diezelfde lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden in dit register in te schrijven.
33 In dit verband zij eraan herinnerd dat de hoedanigheid van Unieburger waarover verzoekster in het hoofdgeding krachtens artikel 20, lid 1, VWEU beschikt, de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten is [zie in die zin arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, EU:C:2001:458, punt 31; 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 51, en 29 april 2025, Commissie/Malta (Staatsburgerschap door investeringen), C‑181/23, EU:C:2025:283, punt 92].
34 Deze hoedanigheid verleent die onderdanen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de dienaangaande uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag aanspraak op gelijke behandeling rechtens [zie in die zin arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, EU:C:2001:458, punt 31, en 25 juli 2018, A (Assistentie voor een persoon met een handicap), C‑679/16, EU:C:2018:601, punt 56].
35 Tot de situaties die binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht vallen, behoren die welke de uitoefening betreffen van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, met name van de in artikel 21 VWEU neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven [arresten van 24 november 1998, Bickel en Franz, C‑274/96, EU:C:1998:563, punten 15 en 16, en 25 juli 2018, A (Assistentie voor een persoon met een handicap), C‑679/16, EU:C:2018:601, punt 57].
36 Bij de huidige stand van het Unierecht behoren de invoering van huwelijksgoederenregisters en de regels betreffende de werking daarvan tot de bevoegdheid van de lidstaten. Evenwel moeten die lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht in acht nemen en, in het bijzonder, de bepalingen van het VWEU betreffende het aan elke Unieburger toegekende recht om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, door daartoe de burgerlijke staat van personen te erkennen die in een andere lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat is vastgesteld (zie in die zin arresten van 2 oktober 2003, Garcia Avello, C‑148/02, EU:C:2003:539, punt 25; 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon „Pancharevo”, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 52, en 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 53).
37 In het onderhavige geval staat vast dat verzoekster in het hoofdgeding als Unieburger haar recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend. In dat kader is zij in Italië huwelijkse voorwaarden aangegaan, die zij thans in Litouwen in het huwelijksgoederenregister wil laten inschrijven.
38 Deze inschrijving is geweigerd op grond dat in deze voorwaarden het door laatstgenoemde staat toegekende persoonlijke identificatienummer niet voor ten minste één van beide echtgenoten stond vermeld.
39 Ten eerste blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de echtgenoten alleen in de huwelijkse voorwaarden hoeft te worden vermeld in geval van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan in een andere lidstaat dan die van inschrijving.
40 Ten tweede moet worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in de punten 59, 61 en 77 van zijn conclusie in essentie heeft gedaan, dat de vorm van een openbare akte wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar die akte is opgesteld. Of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het persoonlijke identificatienummer van ten minste één van beide echtgenoten in de huwelijkse voorwaarden staat vermeld, hangt dus af van de vormvereisten van het recht van de plaats waar die voorwaarden zijn aangegaan.
41 In het onderhavige geval maakt de nationale regeling van de lidstaat van inschrijving, te weten de Republiek Litouwen, een onderscheid tussen enerzijds op zijn grondgebied aangegane huwelijkse voorwaarden, die zonder bijzondere eis over de vermelding van het door deze staat toegekende persoonlijke identificatienummer kunnen worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, en anderzijds in een andere lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden, die een dergelijk nummer moeten bevatten ongeacht de vormvereisten die zijn gesteld in het recht van de plaats waar die voorwaarden zijn aangegaan.
42 Het Hof van Justitie heeft in dit verband ook bij herhaling geoordeeld dat een nationale regeling die bepaalde onderdanen van een lidstaat benadeelt om de enkele reden dat zij gebruik hebben gemaakt van hun vrijheid om in een andere lidstaat te reizen en te verblijven, een beperking vormt van de rechten die elke Unieburger op grond van artikel 21, lid 1, VWEU geniet (zie in die zin arresten van 18 juli 2006, De Cuyper, C‑406/04, EU:C:2006:491, punt 39, en 19 november 2020, ZW, C‑454/19, EU:C:2020:947, punt 30).
43 Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, heeft de onmogelijkheid om de huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister te laten inschrijven gevolgen voor de rechtspositie van de echtgenoten, aangezien zij daardoor geen gebruik kunnen maken van een nationaalrechtelijke maatregel waarmee hun vermogensbelangen kunnen worden beschermd.
44 Vastgesteld moet dus worden dat een regeling van een lidstaat op grond waarvan in een andere lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden alleen in het nationale huwelijksgoederenregister kunnen worden ingeschreven als in deze voorwaarden het door eerstgenoemde lidstaat toegekende persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten staat vermeld, een verschil in behandeling invoert tussen de burgers van die lidstaat die hun recht om te reizen en te verblijven hebben uitgeoefend, en de burgers die dit niet hebben gedaan.
45 Door dit verschil in behandeling kan het recht van Unieburgers om te reizen en te verblijven in de zin van artikel 21, lid 1, VWEU worden beïnvloed of zelfs beperkt.
46 Volgens vaste rechtspraak kan een beperking van het recht van Unieburgers om te reizen en te verblijven die losstaat van de nationaliteit van de betrokken personen, gerechtvaardigd zijn indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is aan het door de betrokken nationale wettelijke regeling rechtmatig nagestreefde doel. Een maatregel is evenredig wanneer hij geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken, en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie in die zin arresten van 18 juli 2006, De Cuyper, C‑406/04, EU:C:2006:491, punten 40 en 42, en 19 november 2020, ZW, C‑454/19, EU:C:2020:947, punt 36).
47 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Litouwse regering heeft aangevoerd dat in huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan in een andere lidstaat dan die van inschrijving, het persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten moest staan vermeld om de personen die deze voorwaarden waren aangegaan te kunnen identificeren en om te waarborgen dat de gegevens in het huwelijksgoederenregister juist en authentiek zijn. Deze regering heeft in dit verband verduidelijkt dat deze voorwaarde voortvloeide uit het feit dat de gegevens over huwelijkse voorwaarden die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving waren aangegaan door natuurlijke personen zelf konden worden verstrekt, terwijl de gegevens betreffende de in Litouwen aangegane huwelijkse voorwaarden enkel konden worden verstrekt door een notaris die de huwelijkse voorwaarden had gewaarmerkt of door een rechter met behulp van speciale software.
48 Zoals de advocaat-generaal in de punten 46, 65 en 66 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, waarborgen de huwelijksgoederenregisters de juistheid en de authenticiteit van de daarin opgenomen gegevens en dragen zij aldus, doordat deze gegevens openbaar zijn, bij aan de rechtszekerheid, zodat kan worden aangenomen dat de instelling van deze registers berust op objectieve overwegingen van algemeen belang die een beperking kunnen rechtvaardigen van het in artikel 21, lid 1, VWEU aan iedere Unieburger toegekende recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
49 Aangezien het persoonlijke identificatienummer een gegeven is dat de correcte identificatie van natuurlijke personen verzekert, is het vereiste om dit nummer in de huwelijkse voorwaarden op te nemen wanneer die zijn aangegaan in een andere lidstaat dan die van inschrijving en door natuurlijke personen zelf aan het huwelijksgoederenregister worden verstrekt, dus geschikt om het doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling te bereiken, namelijk te verzekeren dat de gegevens in dat register juist en authentiek zijn.
50 Wat daarentegen de noodzaak van deze voorwaarde betreft, moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 74 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het persoonlijke identificatienummer niet het enige gegeven is waarmee de persoon die zijn huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister wenst in te schrijven, correct kan worden geïdentificeerd. Andere gegevens in deze huwelijkse voorwaarden, zoals met name de naam, de voornaam, de geboortedatum en de geboorteplaats van deze persoon alsook, in voorkomend geval, het nummer van het document dat bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is overgelegd, kunnen de juistheid en de authenticiteit van de gegevens in dat register waarborgen, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
51 Indien dit het geval is, moet de voorwaarde dat het persoonlijke identificatienummer van ten minste één van beide echtgenoten wordt vermeld in huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan in een andere lidstaat dan die van inschrijving, worden geacht verder te gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.
52 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 21, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan in een andere lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden alleen in het nationale huwelijksgoederenregister kunnen worden ingeschreven als in deze voorwaarden het door eerstgenoemde lidstaat toegekende persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten staat vermeld, terwijl een dergelijk vereiste niet geldt om in diezelfde lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden in dit register in te schrijven en de gegevens in die voorwaarden het mogelijk maken de personen die deze zijn aangegaan te identificeren.
Kosten
53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 21, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan in een andere lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden alleen in het nationale huwelijksgoederenregister kunnen worden ingeschreven als in deze voorwaarden het door eerstgenoemde lidstaat toegekende persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de twee echtgenoten staat vermeld, terwijl een dergelijk vereiste niet geldt om in diezelfde lidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden in dit register in te schrijven en de gegevens in die voorwaarden het mogelijk maken de personen die deze zijn aangegaan te identificeren.
ondertekeningen
* Procestaal: Litouws.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 29 april 2025, C-181/23, ECLI:EU:C:2025:283
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-4/23, ECLI:EU:C:2024:845
- HvJ EU 9 januari 2024, C-181/21, ECLI:EU:C:2024:1
- HvJ EU 14 december 2021, C-490/20, ECLI:EU:C:2021:1008
- HvJ EU 19 november 2020, C-454/19, ECLI:EU:C:2020:947
- HvJ EU 25 juli 2018, C-679/16, ECLI:EU:C:2018:601
- HvJ EU 17 februari 2011, C-283/09, ECLI:EU:C:2011:85
- HvJ EU 18 juli 2006, C-406/04, ECLI:EU:C:2006:491
- HvJ EU 2 oktober 2003, C-148/02, ECLI:EU:C:2003:539
- HvJ EU 20 september 2001, C-184/99, ECLI:EU:C:2001:458
- HvJ EU 24 november 1998, C-274/96, ECLI:EU:C:1998:563