HvJ EU 4 december 2025, C-279/24, ECLI:EU:C:2025:942
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
4 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 593/2008 – Artikel 3, leden 1 en 2 – Keuze van het toepasselijke recht – Artikel 6 – Werkingssfeer – Overeenkomst tussen een verkoper en een in een andere lidstaat woonachtige consument – Activiteiten van de verkoper die na sluiting van een overeenkomst met een rechtskeuzebeding zijn gericht op de lidstaat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft ”
In zaak C‑279/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 8 april 2024, ingekomen bij het Hof op 22 april 2024, in de procedure
AY
tegen
Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen (rapporteur) en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– AY, vertegenwoordigd door G. Seirer en H. Weichselbraun, Rechtsanwälte,
– Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG, vertegenwoordigd door M. Oppitz, Rechtsanwalt,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6, met rectificatie in PB 2019, L 230, blz. 11), en van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AY, een in Italië woonachtige consument, en Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG, een in Oostenrijk gevestigde bank (hierna: „bank”), over de verliezen die AY heeft geleden ten gevolge van de aankoop van bepaalde financiële producten via die bank.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 593/2008
3 De overwegingen 6, 11, 16 en 23 van verordening nr. 593/2008 luiden:
„(6) De goede werking van de interne markt vereist, om de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid en de wederzijdse erkenning van beslissingen te bevorderen, dat de in de lidstaten geldende collisieregels hetzelfde nationale recht aanwijzen, ongeacht bij welke rechter het geding aanhangig is gemaakt.
[…]
(11) De vrijheid van de partijen om het toepasselijke recht te kiezen, moet de hoeksteen van het systeem van collisieregels op het gebied van verbintenissen uit overeenkomst zijn.
[…]
(16) Teneinde bij te dragen aan de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk zorgen voor rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte, moeten de collisieregels in hoge mate voorspelbaar zijn. […]
[…]
(23) Wat overeenkomsten met als zwakker beschouwde partijen betreft, moeten deze partijen worden beschermd door collisieregels die gunstiger zijn voor hun belangen dan de algemene regels.”
4 Artikel 3 („Rechtskeuze door partijen”) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:
„1. Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.
2. De partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen dan het recht dat deze voorheen, hetzij op grond van een vroegere rechtskeuze overeenkomstig dit artikel, hetzij op grond van een andere bepaling van deze verordening, beheerste. Een wijziging in de rechtskeuze door de partijen na de sluiting van de overeenkomst is niet van invloed op de formele geldigheid van de overeenkomst in de zin van artikel 11 en doet geen afbreuk aan rechten van derden.”
5 Artikel 6 („Consumentenovereenkomsten”) van die verordening bepaalt in de leden 1 tot en met 4 ervan het volgende:
„1. Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt de overeenkomst gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs‑ of beroepsmatig kan worden beschouwd (‚de consument’) met een andere persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep (‚de verkoper’) beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, op voorwaarde dat:
a) de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, of
b) dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land,
en de overeenkomst onder die activiteiten valt.
2. Niettegenstaande lid 1 kunnen de partijen overeenkomstig artikel 3 het recht kiezen dat van toepassing is op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden van lid 1. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze.
3. Indien niet is voldaan aan de in lid 1, onder a) of b), gestelde eisen, wordt het recht dat van toepassing is op een overeenkomst gesloten tussen een consument en een verkoper vastgesteld op basis van de artikelen 3 en 4.
4. Leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:
a) overeenkomsten tot verstrekking van diensten, wanneer de diensten aan de consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft;
[…]
d) rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen […], voor zover deze geen verrichting van een financiële dienst vormen;
[…]”
Richtlijn 93/13
6 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”
Oostenrijks recht
7 § 879, lid 3, van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (Oostenrijks burgerlijk wetboek) luidt:
„Een in algemene voorwaarden of standaardovereenkomsten vervatte contractuele bepaling waarbij geen van de voornaamste wederzijdse prestaties van de partijen wordt geregeld, is van rechtswege nietig indien zij, gelet op de omstandigheden, een van de partijen ernstig nadeel berokkent.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 In 2013 heeft AY, die in Italië woont, een overeenkomst gesloten voor het openen van een rekening-courant en een effectenrekening bij de bank.
9 Daartoe heeft AY eerst een filiaal van de bank in Oostenrijk bezocht. Vervolgens heeft hij vanuit Italië een aanvraag tot opening van een rekening toegezonden samen met documenten betreffende zijn „klantenprofiel”, die de bank hem vooraf had gevraagd. Overeenkomstig de door de bank vastgestelde „algemene voorwaarden voor banktransacties”, waarvan AY kennis had, werden alle rechtsverhoudingen tussen de partijen bij de overeenkomst beheerst door het Oostenrijkse recht.
10 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat AY bij de ondertekening van die overeenkomst heeft gekozen voor een „relatie zonder advies”. Nadien heeft hij, hoewel zijn klantenprofiel herhaaldelijk werd bijgewerkt, bij al zijn verrichtingen via de bank altijd uitdrukkelijk gekozen voor transacties „zonder advies”.
11 In september 2015 en juni 2016 heeft AY via de bank op de beurs verhandelde schuldinstrumenten (exchange traded notes; hierna: „ETN’s”) verworven. Hij heeft die in juli 2016 met winst doorverkocht.
12 In oktober 2016 heeft AY in Padua (Italië) deelgenomen aan een bijeenkomst die werd georganiseerd door een Italiaanse beleggingsonderneming (hierna: „bijeenkomst in Padua”). Tijdens die bijeenkomst presenteerde de directeur van die onderneming een fonds waarvan de portefeuille ook ETN’s omvatte. Ook een medewerker van de bank was op die bijeenkomst aanwezig om de bank te introduceren bij de aanwezige beleggers.
13 Tussen oktober 2017 en februari 2018 heeft AY op eigen initiatief via de bank ETN’s gekocht, alsook deelbewijzen van het fonds dat tijdens de bijeenkomst in Padua was gepresenteerd. Nadien was hij evenwel van mening dat hij als gevolg van die aankopen een financieel verlies had geleden.
14 AY heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van schade ten bedrage van 140 217,10 EUR, vermeerderd met rente, kosten en bijkomende bedragen, op grond dat de bank niet had voldaan aan haar advies‑ en informatieplicht.
15 Nadat de lagere rechters zijn vordering hadden afgewezen, heeft AY beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter.
16 Ter ondersteuning van zijn beroep voert AY aan dat, aangezien de bank tijdens de bijeenkomst in Padua door een van haar medewerkers was geïntroduceerd, de bank vanaf die bijeenkomst moet worden geacht haar activiteiten op de Italiaanse markt te hebben gericht in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008. AY betoogt derhalve dat het recht van de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, te weten dat van de Italiaanse Republiek, van toepassing is op de financiële transacties die na die bijeenkomst werden gesloten.
17 Hij voegt daaraan toe dat de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 in casu niet van toepassing is, aangezien de bank over een website beschikte waarop hij als Italiaanse consument alle formaliteiten in verband met het beheer van zijn rekeningen kon vervullen en adviezen en analysen kon verkrijgen. Voorts meent hij dat de relevante bepalingen van het Oostenrijkse recht voor hem minder gunstig zijn dan die van het Italiaanse recht.
18 Bovendien moet het in de algemene voorwaarden van de bank opgenomen rechtskeuzebeding volgens hem buiten beschouwing worden gelaten omdat het oneerlijk is, aangezien hem niet was meegedeeld dat hij zich overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 593/2008 als consument kon beroepen op de bescherming die wordt geboden door de dwingende bepalingen van het land van zijn gewone verblijfplaats.
19 In die context vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of, hoewel de bank en AY bij het aangaan van hun rechtsverhouding Oostenrijkse recht als toepasselijk recht hadden gekozen, het niettemin mogelijk is om op grond van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 Italiaans recht toe te passen op de litigieuze transacties voor de aankoop van de financiële producten. Hij is namelijk van mening dat de bank haar activiteiten vanaf 2016 heeft „gericht” op Italië, de lidstaat waar AY zijn gewone verblijfplaats heeft. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 bepaalt in wezen dat wanneer de verkoper zijn activiteit richt op een land waar de betrokken consument zijn gewone verblijfplaats heeft, de overeenkomst met die consument wordt beheerst door het recht van dat land, mits voldaan is aan een aantal andere voorwaarden, wat volgens de verwijzende rechter in casu het geval is.
20 Indien die eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of in casu de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 van toepassing is. Volgens die uitzondering zijn de leden 1 en 2 van artikel 6 – op grond waarvan een consument aanspraak kan maken op de toepassing van het recht van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, of althans op de bescherming waarin sommige bepalingen van dat recht voorzien – niet van toepassing op overeenkomsten tot verstrekking van diensten, wanneer de diensten aan die consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
21 In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of, gesteld dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 wel en artikel 6, lid 4, onder a), van die verordening niet van toepassing is, een rechtskeuzebeding dat is overeengekomen voordat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6 van die verordening is voldaan, na de vervulling van die voorwaarden als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden beschouwd wanneer dat beding geen informatie bevat over de rechten die de betrokken consument aan de toepassing van artikel 6, lid 2, van die verordening kan ontlenen.
22 Tegen die achtergrond heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten de rechtsgevolgen van orders voor de aankoop van financiële producten die een in staat A (in casu Italië) woonachtige consument op grond van een vaste zakelijke relatie verstrekt aan een in staat B (in casu Oostenrijk) gevestigde bank worden beoordeeld volgens het recht dat blijkt uit artikel 6 van verordening [nr. 593/2008] indien er aan de voorwaarden voor de toepassing van [dit artikel] was voldaan bij het doorgeven van afzonderlijke orders, maar niet al bij het aangaan van de zakelijke relatie en partijen op dat tijdstip voor de gehele zakelijke relatie krachtens artikel 3 van [deze verordening] het recht van staat B hadden gekozen?
2) Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
Is de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van [verordening nr. 593/2008] toepasselijk wanneer een bank op grond van een overeenkomst rekeningen opent voor een in een andere lidstaat woonachtige consument en vervolgens op grond van orders van de consument voor hem financiële producten aankoopt die worden geregistreerd in de rekeningen, waarbij de consument de orders (ook) door middel van communicatie op afstand kan doorgeven?
3) Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend en de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet een rechtskeuze die is gemaakt voordat er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van [verordening nr. 593/2008] is voldaan, worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13] nadat aan die voorwaarden is voldaan, indien [de consument in het rechtskeuzebeding] niet is gewezen op de rechtsgevolgen van artikel 6, lid 2, van [deze verordening]?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een overeenkomst tussen een consument en een bank, wanneer aan de voorwaarden van die bepaling niet werd voldaan bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien.
24 Dienaangaande wordt de overeenkomst volgens de algemene regel van artikel 3 van verordening nr. 593/2008 beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen.
25 Artikel 6 van verordening nr. 593/2008, met als opschrift „Consumentenovereenkomsten”, bepaalt in lid 1 dat een overeenkomst tussen een consument en een verkoper wordt beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, mits aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, te weten dat de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, of dat hij dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land, en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Artikel 6, lid 2, van die verordening bepaalt evenwel dat de partijen overeenkomstig artikel 3 van die verordening het recht kunnen kiezen dat van toepassing is op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden van lid 1, maar dat de rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze.
26 Enkel wanneer de betrokken overeenkomst niet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 593/2008 voldoet, wordt het op die overeenkomst toepasselijke recht luidens artikel 6, lid 3, van die verordening vastgesteld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 ervan (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Club La Costa e.a., C‑821/21, EU:C:2023:672, punt 83).
27 In dat verband blijkt uit de rechtspraak dat voor de toepasselijkheid van verordening nr. 593/2008 de datum waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, bepalend is (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C‑307/19, EU:C:2021:236, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 De voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 593/2008 moeten dus worden getoetst met die datum als referentiepunt.
29 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de bank bij de sluiting van de betrokken overeenkomst haar commerciële of beroepsactiviteiten niet ontplooide in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats had, noch die activiteiten op dat land richtte, zodat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 593/2008.
30 Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt evenwel dat de verwijzende rechter de eerste vraag heeft gesteld op basis van de aanname dat de bank na de sluiting van de betrokken overeenkomst haar commerciële of beroepsactiviteiten had gericht op het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats had, zodat aan de voorwaarde van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 was voldaan na de ondertekening van de overeenkomst tussen die consument en de bank.
31 Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 mei 2025, Pielatak, C‑410/23, EU:C:2025:325, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Wat de letterlijke uitlegging betreft artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 betreft, voorzien de bewoordingen van die bepaling, zoals blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest en zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een wijziging van het op een consumentenovereenkomst toepasselijke recht wanneer de in die bepaling gestelde voorwaarden nog niet zijn vervuld bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien in de loop van de zakelijke relatie.
33 Wat de contextuele en teleologische uitlegging betreft, moet er ten eerste op worden gewezen dat die verordening, zoals blijkt uit de overwegingen 6 en 16 ervan, met name beoogt de rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte te waarborgen door middel van collisieregels die in hoge mate voorspelbaar zijn (zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Nikiforidis, C‑135/15, EU:C:2016:774, punten 36 en 46).
34 Ten tweede maakt artikel 6 van verordening nr. 593/2008 deel uit van hoofdstuk II („Eenvormige regels”), zoals dat ook het geval is voor artikel 3 van die verordening, waarvan lid 1 luidt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen en waarvan lid 2 aangeeft dat een wijziging van het op een overeenkomst toepasselijke recht, zoals overeengekomen door de partijen bij het sluiten van die overeenkomst, uitsluitend kan plaatsvinden met instemming van die partijen. In overweging 11 van die verordening wordt verklaard dat de vrijheid van de partijen om het toepasselijke recht te kiezen, de hoeksteen van het systeem van collisieregels op het gebied van verbintenissen uit overeenkomst moet zijn.
35 Bovendien heeft het Hof erop gewezen dat ervoor moet worden gezorgd dat de vrije keuze van die partijen ter zake van het in het kader van hun contractuele relatie toepasselijke recht wordt geëerbiedigd, teneinde volle werking te geven aan het beginsel van wilsautonomie van contractspartijen (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Unamar, C‑184/12, EU:C:2013:663, punt 49).
36 Ten derde is het juist dat in overweging 23 van verordening nr. 593/2008 staat te lezen dat, wat overeenkomsten met als zwakker beschouwde partijen betreft, deze partijen moeten worden beschermd door collisieregels die gunstiger zijn voor hun belangen dan de algemene regels.
37 Uit de rechtspraak volgt evenwel dat een uitlegging volgens welke voor de vaststelling van het op consumentenovereenkomsten toepasselijke recht kan worden afgeweken van de in die verordening opgenomen collisieregels omdat een ander recht voor de consument gunstiger zou zijn, onvermijdelijk ernstig afbreuk zou doen aan het algemene vereiste dat het recht voorspelbaar moet zijn, en daarmee ook aan het rechtzekerheidsbeginsel wanneer het gaat om contractuele betrekkingen met consumenten (arrest van 14 september 2023, Diamond Resorts Europe e.a., C‑632/21, EU:C:2023:671, punt 75).
38 Bijgevolg zou een uitlegging volgens welke het op de betrokken overeenkomst toepasselijke recht wordt gewijzigd wanneer de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 zijn vervuld na de sluiting van die overeenkomst, afbreuk doen aan de door de partijen overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening gemaakte keuze.
39 Gelet op een en ander sluiten de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 uit dat het op een consumentenovereenkomst toepasselijke recht wijzigt wanneer de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 niet bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien in de loop van de zakelijke relatie zijn vervuld, waarbij die uitlegging wordt bevestigd door de opzet en de doelstellingen van die bepaling.
40 Bovendien is het juist, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, dat het Hof bij zijn onderzoek van de toepassing ratione temporis van verordening nr. 593/2008 heeft geoordeeld dat het niet uitgesloten is dat een vóór de inwerkingtreding van die verordening gesloten oorspronkelijke overeenkomst kan worden vervangen door een nieuwe overeenkomst wanneer die oorspronkelijke overeenkomst een door de partijen bij de overeenkomst overeengekomen wijziging ondergaat die zo ingrijpend is dat deze niet uitloopt op louter een vernieuwing of aanpassing van die overeenkomst, maar tussen de contractpartijen een nieuwe rechtsverhouding in het leven roept die tot toepassing van de in die verordening neergelegde collisieregels kan leiden (zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Nikiforidis, C‑135/15, EU:C:2016:774, punten 37 en 38).
41 In casu kan in het licht van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens evenwel niet worden geoordeeld dat de financiële transacties die na de bijeenkomst in Padua werden gesloten, onder een andere rechtsverhouding kunnen vallen dan die welke is vastgelegd in de overeenkomst waarop de vaste zakelijke relatie tussen AY en de bank is gebaseerd.
42 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een overeenkomst tussen een consument en een bank wanneer de voorwaarden van die bepaling niet zijn vervuld bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien.
Tweede en derde vraag
43 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de tweede en de derde vraag slechts worden gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de overige vragen niet te worden beantwoord.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet van toepassing is op een overeenkomst tussen een consument en een bank wanneer de voorwaarden van die bepaling niet zijn vervuld bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.