HvJ EU 27 november 2025, C-539/24, ECLI:EU:C:2025:919

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

27 november 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Begrip ‚onregelmatigheden’ – Artikel 1, lid 2 – Verjaringstermijnen – Artikel 3 – Aanvang en duur van de termijnen – Project dat is medegefinancierd met middelen van de Unie”

In zaak C‑539/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) bij beslissing van 31 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 7 augustus 2024, in de procedure

Mikroregion Porta Bohemica

tegen

Odvolací finanční ředitelství,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Mikroregion Porta Bohemica, vertegenwoordigd door J. Sedláček, advokát,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Očková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hradil en C. Valero als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, leden 1 en 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese [Unie] (PB 1995, L 312, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Mikroregion Porta Bohemica en Odvolací finanční ředitelství (kamer van bezwaarschriften van de belastingdienst, Tsjechië; hierna: „belastingdienst”) over de verjaringstermijn voor onregelmatigheden bij overheidsopdrachten die zijn gegund in het kader van een project dat gedeeltelijk met middelen van de Europese Unie is gefinancierd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 1 van verordening nr. 2988/95 bepaalt: „1. Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de [Unie] wordt een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unierecht] aangenomen. 2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het [Unierecht] verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] of de door de [Unie] beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de [Unie] worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.”

4 Artikel 3 van deze verordening luidt als volgt: „1. De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. De [sectorale] regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen. Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Bij meerjarige programma’s loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten. De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. De verjaring treedt echter in ieder geval in na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1. 2. Het recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. Deze termijn vangt aan op de dag waarop het besluit definitief wordt. De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld. 3. Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.”

5 Artikel 6, lid 1, van die verordening bepaalt: „Onverminderd de administratieve maatregelen en sancties die zijn vastgesteld op basis van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande [sectorale] regelingen, kan de oplegging van financiële sancties, zoals administratieve boetes, bij besluit van de bevoegde autoriteit worden geschorst, indien tegen de betrokkene ter zake van dezelfde feiten een strafprocedure is ingesteld. De schorsing van de administratieve procedure heeft schorsing van de in artikel 3 bedoelde verjaringstermijn tot gevolg.”

Tsjechisch recht

6 § 44a, lid 9, van zákon č. 218/2000 Sb., o rozpočtových pravidlech a o změně některých souvisejících zákonů (wet nr. 218/2000 inzake begrotingsregels en tot wijziging van een aantal gerelateerde wetten), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalde het volgende: „Heffingen die worden opgelegd wegens overtreding van de begrotingsdiscipline en de desbetreffende boeten worden door de belastingdienst beheerd overeenkomstig [zákon č. 280/2009 Sb., daňový řád (wet nr. 280/2009 tot vaststelling van het belastingwetboek)] [...]. Bij het beheer van heffingen die worden opgelegd wegens overtreding van de begrotingsdiscipline heeft de overtreder de hoedanigheid van belastingplichtige. Op verzoek verstrekt de belastingdienst informatie die bij het beheer van heffingen is verkregen aan administratieve autoriteiten die hebben besloten tot het toekennen van middelen uit de nationale begroting, de financiële activa van de staat, een staatfonds of het nationaal fonds, alsmede aan de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de toegekende middelen en op het gebruik van middelen uit de nationale begroting of andere nationale financiële middelen, indien het informatie betreft die betrekking heeft op het beheer van heffingen wegens overtreding van de begrotingsdiscipline; dit geldt ook voor de bevoegde autoriteiten van de Unie en administratieve autoriteiten die betrokken zijn bij het beheer van dergelijke uit het buitenland afkomstige middelen. Een boete die wegens overtreding van de begrotingsdiscipline wordt opgelegd vóór de vaststelling van de uitnodiging tot betaling, moet binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van die uitnodiging worden betaald. Heffingen en boeten kunnen worden opgelegd binnen een termijn van tien jaar vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de begrotingsdiscipline werd overtreden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7 Mikroregion Porta Bohemica is een vrijwillig samenwerkingsverband van gemeenten naar Tsjechisch recht met rechtspersoonlijkheid. Bij besluit van de Ministerstvo životního prostředí (ministerie van Milieu, Tsjechië) van 4 april 2014 en bij overeenkomst van 15 april 2014 heeft dat samenwerkingsverband verschillende financiële bijdragen ontvangen voor een project voor de ontwikkeling van een digitaal overstromingsplan en de aankoop van een signalerings- en waarschuwingssysteem voor de gemeenten binnen zijn grondgebied.

8 Deze financiële bijdragen moesten 90 % van de subsidiabele kosten van dit project dekken, waarbij 85 % van deze kosten [5341683,05 Tsjechische kronen (CZK), ofwel ongeveer 215000 EUR] werd gefinancierd met middelen van de Unie uit het Cohesiefonds en 5 % (314216,65 CZK, ofwel ongeveer 12500 EUR) met middelen uit het nationaal milieufonds van de Tsjechische Republiek. Mikroregion Porta Bohemica heeft de overige 10 % (628433,30 CZK, ofwel ongeveer 25000 EUR) gefinancierd met eigen middelen van het samenwerkingsverband.

9 Tussen 26 februari 2020 en 3 september 2021 werd bij Mikroregion Porta Bohemica een belastingcontrole uitgevoerd, waarbij verschillende onregelmatigheden zijn vastgesteld bij de voor de uitvoering van dat project gevolgde procedure voor de plaatsing van een opdracht voor de uitvoering van werken. Met name werden meerdere inschrijvingen die niet in overeenstemming waren met het bestek van die opdracht niet van deze procedure uitgesloten, werd de uitvoeringstermijn onrechtmatig uitgesteld en werd de opdracht niet tijdig op de website van het samenwerkingsverband gepubliceerd. Na afloop van die controle heeft de belastingdienst op 10 september 2021 twee uitnodigingen tot betalingen gestuurd wegens overtreding van de begrotingsdiscipline, waarbij van Mikroregion Porta Bohemica terugbetaling werd gevorderd van respectievelijk 1259646 CZK (ongeveer 50500 EUR) en 74089 CZK (ongeveer 3000 EUR), dat wil zeggen een totaalbedrag van 23,58 % van de ontvangen financiële bijdragen.

10 Op 9 december 2022 heeft de belastingdienst een van de uitnodigingen tot betaling gecorrigeerd en het bezwaar van Mikroregion Porta Bohemica tegen de ten laste gelegde bedragen afgewezen.

11 Mikroregion Porta Bohemica heeft het besluit tot afwijzing van het bezwaar betwist bij de Krajský soud v Ústí nad Labem (regionale rechter Ústí nad Labem, Tsjechië), die dat besluit nietig heeft verklaard op grond dat de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 vastgestelde termijn voor het inleiden van een procedure van vier jaar vanaf de dag waarop de onregelmatigheid is begaan, was verstreken op de datum waarop de belastingcontrole is begonnen, en dat op het tijdstip waarop het terug te betalen bedrag werd vastgesteld, ook de in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van deze verordening bedoelde termijn voor het vaststellen van een besluit over de verplichting tot terugbetaling van de steun was verstreken.

12 De belastingdienst heeft tegen de uitspraak van de Krajský soud v Ústí nad Labem cassatieberoep ingesteld bij de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië), de verwijzende rechter.

13 Bij deze rechter betoogt de belastingdienst dat verordening nr. 2988/95 niet van toepassing is op de vastgestelde onregelmatigheid in haar geheel, maar alleen op het deel daarvan dat overeenkomt met het medefinancieringspercentage van de Unie. Niets verzet zich er dus tegen dat de termijn van § 44a, lid 9, van wet nr. 218/2000, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, wordt toegepast met betrekking tot de door het nationaal milieufonds aan Mikroregion Porta Bohemica ter beschikking gestelde middelen. De belastingdienst stelt daarnaast ook nog dat § 44a, lid 9, waarin is voorzien in een termijn van tien jaar voor het nemen van een besluit waarbij het bedrag dat verschuldigd is wegens overtreding van de begrotingsdiscipline wordt vastgesteld, de Tsjechische Republiek overeenkomstig artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 de mogelijkheid biedt om een langere termijn toe te passen dan de termijn van artikel 3, lid 1, van die verordening.

14 Wat het eerste punt betreft, vraagt die rechter zich met name af welke conclusies moeten worden getrokken uit het arrest van het Hof van 13 juli 2023, Napfény-Toll (C‑615/21, EU:C:2023:573), dat betrekking heeft op de belasting over de toegevoegde waarde (btw), en uit het feit dat de Unie en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid uitoefenen op het gebied van economische, sociale en territoriale samenhang en op milieugebied. Hij vraagt zich in essentie af of verordening nr. 2988/95 al dan niet op de volledige financiering van toepassing is in het geval van projecten die zowel met middelen van de Unie als met nationale middelen zijn gefinancierd.

15 Wat het tweede punt betreft, geeft de verwijzende rechter aan dat hij bij de huidige stand van de rechtspraak van het Hof twijfelt of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 het voor de lidstaten mogelijk maakt om alleen voor de vaststelling van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd een langere verjaringstermijn vast te stellen en voor het overige de termijnen van artikel 3, leden 1 en 2, van die verordening toe te passen. Hij vraagt zich ook af of de lidstaten het beginpunt van de verjaringstermijn voor de vaststelling van een dergelijk besluit mogen wijzigen door te bepalen dat die termijn aanvangt op de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de onregelmatigheid is begaan, en niet op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan.

16 Daarop heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Staat verordening [nr. 2988/95] toe: a) dat een nationale regeling wordt uitgevaardigd die in de zin van artikel 3, lid 3, van deze verordening voorziet in een langere termijn voor het nemen van een besluit ten gronde (in casu een termijn van tien jaar) dan die welke voortvloeit uit artikel 3, lid 1, vierde alinea, van deze verordening, terwijl tegelijk niet uitdrukkelijk wordt voorzien in een afzonderlijke termijn voor het inleiden van een procedure zoals bepaald in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95? b) dat de lidstaat het beginpunt van de termijn om een besluit te nemen vastlegt op de eerste dag van het volgende kalenderjaar – in plaats van het tijdstip waarop de onregelmatigheid is begaan? 2) Indien de eerste vraag, deel a), bevestigend wordt beantwoord – staat verordening nr. 2988/95 toe dat een lidstaat die van de in artikel 3, lid 3, van deze verordening geboden mogelijkheid gebruikmaakt, de procedure inleidt binnen een langere termijn dan die welke voortvloeit uit artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95? Of, indien het nationale recht niet in een specifieke termijn voor het inleiden van een procedure voorziet, moet er dan worden gehandeld overeenkomstig artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 en moet de procedure dan worden ingeleid binnen de daarin gestelde termijn? 3) Moet in het geval van onregelmatigheden in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2988/95, die zijn ontstaan bij de financiering van projecten die verband houden met een van de beleidsdomeinen van de Unie en die verband houden met subsidies die gedeeltelijk afkomstig zijn uit bronnen van de Unie en gedeeltelijk uit bronnen van de begroting van de lidstaat, uitsluitend worden gehandeld in overeenstemming met verordening nr. 2988/95 (met inbegrip van de termijnen en definities) en moet deze verordening dus integraal worden toegepast op de onregelmatigheden? Of moet dit alleen worden gedaan met betrekking tot het onderscheidbaar deel van de subsidie uit bronnen van de Unie, terwijl met betrekking tot het onderscheidbaar deel van een subsidie dat uit de nationale begroting van de lidstaat wordt toegekend, de nationale regeling moet worden nageleefd?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste onderdeel van de eerste vraag en tweede vraag

17 Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag en met zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende rechter in essentie of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voor de vervolging een langere verjaringstermijn vast te stellen dan de termijn van vier jaar van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening, voor de vaststelling van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, een termijn kan vaststellen die meer dan het dubbele bedraagt van die termijn van vier jaar. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen welke termijn in een dergelijk geval door die lidstaat moet worden toegepast voor het instellen van vervolging.

18 Artikel 3, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 voorziet in een verjaringstermijn voor de vervolging van onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie kunnen schenden van in beginsel vier jaar vanaf de dag waarop de onregelmatigheid is begaan of, in geval van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid, vanaf de dag waarop deze onregelmatigheid is geëindigd.

19 Artikel 3, lid 1, vierde alinea, van die verordening voorziet in een absolute maximumduur voor de verjaring van de vervolging van een onregelmatigheid, aangezien deze verjaring in ieder geval op zijn laatst wordt verworven na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de bij artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening vastgestelde verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze verordening (arrest van 6 februari 2025, Emporiki Serron – Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, C‑42/24, EU:C:2025:56, punt 39).

20 Deze absolute verjaringstermijn draagt bij tot het waarborgen van de rechtszekerheid voor marktdeelnemers doordat deze termijn belet dat de verjaring van de vervolging van een onregelmatigheid oneindig kan worden uitgesteld door herhaalde handelingen die de stuiting ervan meebrengen (zie in die zin arrest van 6 februari 2025, Emporiki Serron – Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, C‑42/24, EU:C:2025:56, punt 40).

21 Tot slot bepaalt artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 dat het de lidstaten vrijstaat langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.

22 Uit die bepalingen volgt dat de verwijzing in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 naar artikel 3, lid 1, van die verordening de lidstaten alleen de mogelijkheid biedt om voor de vervolging een langere termijn toe te passen dan de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, genoemde verjaringstermijn van vier jaar. Die laatste termijn is overigens de enige waarvan de duur in dat lid is vastgesteld.

23 Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 staat de lidstaten daarentegen niet toe om af te wijken van de regel van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van die verordening. Krachtens die alinea bedraagt de verjaringstermijn voor de vaststelling van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, in alle gevallen maximaal het dubbele van de verjaringstermijn van de vervolging, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die verordening als gevolg van de inleiding van een strafprocedure.

24 In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de door artikel 3, lid 3, van deze verordening geboden mogelijkheid om een langere termijn toe te passen dan de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening vastgestelde termijn van vier jaar voor het instellen van vervolging, de absolute verjaringstermijn voor het vaststellen van een dergelijk besluit moet worden berekend aan de hand van die langere verjaringstermijn (zie in die zin arrest van 6 februari 2025, Emporiki Serron – Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, C‑42/24, EU:C:2025:56, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Hieruit volgt dat een lidstaat niet kan bepalen dat een verjaringstermijn voor de vaststelling van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd langer is dan het dubbele van de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 voor de vervolging vastgestelde verjaringstermijn van vier jaar, zonder voorafgaand gebruik te hebben gemaakt van de in artikel 3, lid 3, van die verordening geboden mogelijkheid om voor de vervolging te voorzien in een langere termijn dan vier jaar.

26 Gelet op de uitlegging in het voorgaande punt hoeft niet te worden geantwoord op de vragen van de verwijzende rechter over welke duur de verjaringstermijn van de vervolging heeft ingeval de nationale autoriteiten alleen voor het nemen van een dergelijk besluit zijn afgeweken van de absolute verjaringstermijn.

27 Tot slot moet erop worden gewezen dat wanneer de bevoegde nationale autoriteiten geen andere verjaringstermijn van de vervolging hebben vastgesteld dan die welke in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 is genoemd, de vervolging noodzakelijkerwijs moet worden ingesteld binnen de in die bepaling vastgestelde termijn van vier jaar.

28 Gelet op het voorgaande moet op het eerste onderdeel van de eerste vraag en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, vierde alinea, en lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voor de vervolging een langere verjaringstermijn vast te stellen dan de termijn van vier jaar van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening, voor de vaststelling van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, niet kan voorzien in een absolute verjaringstermijn die langer is dan het dubbele van die termijn van vier jaar.

Tweede onderdeel van de eerste vraag

29 Met het tweede onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat wanneer er sprake is van een eenmalige onregelmatigheid, het beginpunt van de absolute verjaringstermijn voor het nemen van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, niet vaststelt op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan, maar op de eerste dag van het volgende kalenderjaar.

30 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat uit de bewoordingen zelf van artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 2988/95, die in punt 4 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, blijkt dat de Uniewetgever met de vaststelling van deze bepaling de lidstaten enkel de mogelijkheid heeft willen bieden om de duur van de verjaringstermijn van de vervolging te verlengen ten opzichte van die van artikel 3, lid 1, van die verordening, en dat daarbij elke wijziging van het beginpunt van die termijn was uitgesloten (arrest van 6 februari 2025, Emporiki Serron – Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, C‑42/24, EU:C:2025:56, punt 27).

31 Die uitlegging geldt ook voor het beginpunt van de absolute verjaringstermijn voor het nemen van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, aangezien de kenmerken van die absolute verjaringstermijn krachtens artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 worden bepaald op basis van de verjaringstermijn van de vervolging.

32 Gelet op het voorgaande moet op het tweede onderdeel van de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat het beginpunt van de absolute verjaringstermijn voor het nemen van een besluit waarbij een sanctie voor het begaan van een onregelmatigheid wordt opgelegd, vaststelt op de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de onregelmatigheid is begaan. Die termijn vangt krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening in elk geval aan op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan of, in geval van een voortgezette of voortdurende onregelmatigheid, op de datum waarop deze is geëindigd.

Derde vraag

33 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3 van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde verjaringstermijnen van toepassing zijn op een onregelmatigheid die gevolgen heeft voor de financiering van een project dat verband houdt met een beleidsdomein van de Unie, ook wanneer die onregelmatigheid zowel de financiële belangen van de Unie als die van een lidstaat schaadt of kan schaden.

34 Om te beginnen is het zo dat de Europese Commissie weliswaar de ontvankelijkheid van de derde vraag in vraag stelt op grond dat de formulering van die vraag te algemeen en hypothetisch is, maar zij opgemerkt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel voldoende elementen bevat die het Hof in staat stellen om de reikwijdte van de voorgelegde vragen te begrijpen, wat de Commissie bovendien erkent, en dat niet kennelijk blijkt dat die vraag geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Bijgevolg is de derde prejudiciële vraag ontvankelijk.

35 Met betrekking tot het antwoord op die vraag zij eraan herinnerd dat artikel 3 van verordening nr. 2988/95 de verjaringstermijnen regelt die van toepassing zijn op onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie kunnen schaden.

36 Artikel 3, lid 1, eerste alinea verwijst voor het begrip „onregelmatigheden” naar artikel 1, lid 1, van die verordening, dat bepaalt dat „[m]et het oog op de bescherming van de financiële belangen van de [Unie] [...] een algemene regeling [wordt aangenomen] inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unierecht]”.

37 In artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95 wordt het in artikel 1, lid 1, genoemde begrip „onregelmatigheid” gedefinieerd als „elke inbreuk op het [Unierecht] die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] of de door de [Unie] beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de [Unie] worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave”.

38 De bewoordingen van die bepaling, die verwijzen naar een handelen of een nalaten „waardoor” de begroting van de Unie of de door de Unie beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, beperken de toepassing van de regels van verordening nr. 2988/95, waaronder ook de verjaringsregels van artikel 3, niet uitsluitend tot de gevolgen van begane onregelmatigheden voor de financiële belangen van de Unie, maar impliceren eerder dat die regels van toepassing zijn op alle onregelmatigheden die dergelijke gevolgen kunnen hebben, ongeacht het deel van de financiering dat afkomstig is uit middelen van de Unie.

39 Evenmin volgt uit artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95 of uit een andere bepaling van die verordening dat het feit dat de Unie een gedeelde bevoegdheid uitoefent op het gebied waarop het project waarbij een onregelmatigheid is begaan betrekking heeft, minstens gedeeltelijk in de weg staat aan de toepassing van de regels van die verordening.

40 De in de vorige punten gegeven uitlegging vindt steun in het feit dat wanneer het gaat om een medegefinancierd project, een en dezelfde onregelmatigheid zowel de algemene begroting van de Unie of de door de haar beheerde begrotingen als de nationale begrotingen kan benadelen, zodat het kunstmatig zou zijn om met betrekking tot de regels die van toepassing zijn op een dergelijke ondeelbare onregelmatigheid, een onderscheid te gaan maken op basis van de herkomst van de door die onregelmatigheid getroffen financiering.

41 Bovendien zou, indien werd aangenomen dat artikel 3 van verordening nr. 2988/95 slechts de gevolgen van een dergelijke onregelmatigheid voor de financiële belangen van de Unie regelt, dat betekenen dat voor een en dezelfde handeling verschillende verjaringstermijnen kunnen gelden afhankelijk van de vraag of zij de financiële belangen van de Unie of de nationale financiële belangen kan schaden, hetgeen kan leiden tot tegenstrijdige besluiten en in strijd zou zijn met het door deze bepaling nagestreefde doel van rechtszekerheid (zie in die zin arrest van 6 februari 2025, Emporiki Serron – Emporias kai Diathesis Agrotikon Proionton, C‑42/24, EU:C:2025:56, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Hieruit volgt dat, zoals het Hof reeds impliciet heeft erkend in zijn arrest van 8 mei 2024, Finanzprokuratur (C‑734/22, EU:C:2024:395, punten 27 en volgende), artikel 3 van verordening nr. 2988/95 van toepassing is op een onregelmatigheid die is begaan in het kader van een medegefinancierd project en dat er geen verschillende verjaringsregels moeten worden toegepast wanneer die onregelmatigheid ook nationale financiële belangen schaadt.

43 Voorts moet nog worden opgemerkt dat het door de verwijzende rechter genoemde arrest van 13 juli 2023, Napfény-Toll (C‑615/21, EU:C:2023:573, punt 31), niet kan afdoen aan deze conclusie. Anders dan de onderhavige zaak, waarin er sprake is van een onregelmatigheid die heeft geleid tot een onverschuldigde uitgave, had de zaak die tot dat arrest heeft geleid immers betrekking op een andere vraag, namelijk of een onregelmatigheid inzake de btw al dan niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2988/95 valt als „vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen die rechtstreeks voor rekening [van de Unie] worden geïnd” in de zin van artikel 1, lid 2, van die verordening.

44 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 3 van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde verjaringstermijnen van toepassing zijn op een onregelmatigheid die gevolgen heeft voor de financiering van een project dat verband houdt met een beleidsdomein van de Unie, ook wanneer die onregelmatigheid zowel de financiële belangen van de Unie als die van een lidstaat schaadt of kan schaden.

Kosten

45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 1, vierde alinea, en lid 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese [Unie] moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voor de vervolging een langere verjaringstermijn vast te stellen dan de termijn van vier jaar van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening, voor de vaststelling van een besluit waarbij een sanctie wordt opgelegd, niet kan voorzien in een absolute verjaringstermijn die langer is dan het dubbele van die termijn van vier jaar.

2) Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat het beginpunt van de absolute verjaringstermijn voor het nemen van een besluit waarbij een sanctie voor het begaan van een onregelmatigheid wordt opgelegd, vaststelt op de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de onregelmatigheid is begaan. Die termijn vangt krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening in elk geval aan op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan of, in geval van een voortgezette of voortdurende onregelmatigheid, op de datum waarop deze is geëindigd.

3) Artikel 3 van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde verjaringstermijnen van toepassing zijn op een onregelmatigheid die gevolgen heeft voor de financiering van een project dat verband houdt met een beleidsdomein van de Europese Unie, ook wanneer die onregelmatigheid zowel de financiële belangen van de Unie als die van een lidstaat schaadt of kan schaden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken