HvJ EU 20 november 2025, C-340/24, ECLI:EU:C:2025:910

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

20 november 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van personen – Artikelen 45 en 49 VWEU – Erkenning van beroepskwalificaties – Recht om in een lidstaat het beroep van ondersteunend leerkracht te mogen uitoefenen – Onderdanen van die lidstaat die een opleidingstitel hebben verkregen van een in een andere lidstaat gevestigde particuliere instelling voor hoger onderwijs – Titel die in de laatstgenoemde lidstaat niet wettelijk erkend is en geen toegang geeft tot het overeenkomstige beroep – Verplichting van de eerstgenoemde lidstaat om alle diploma’s, certificaten en andere titels van de betrokkene in overweging te nemen – Afwijking”

In de gevoegde zaken C‑340/24 en C‑442/24 [Artollisi en Lescolanno] ( i ),

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) bij beslissingen van 3 mei en 17 juni 2024, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 9 mei en 21 juni 2024, in de procedures

EW (C‑340/24),

LO (C‑442/24)

tegen

Ministero dell’Istruzione e del Merito (C‑340/24 en C‑442/24),

Ministero dell’Università e della Ricerca (C‑340/24),

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, S. Rodin (rapporteur) en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– LO, vertegenwoordigd door S. Berengan, B. Celletti en F. Vannicelli, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door D. D’Alberti en T. Lubrano Lobianco, avvocati dello Stato,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en M. Guiresse als gemachtigden,

– Koninkrijk Noorwegen, vertegenwoordigd door A. Narvestad en I. Collett als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati, P. A. Messina en J. Szczodrowski als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB 2013, L 354, blz. 132) (hierna: „richtlijn 2005/36”).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, enerzijds tussen EW en de Ministero dell’Istruzione e del Merito (ministerie van Onderwijs en Verdiensten, Italië) en de Ministerio dell’Università e della Ricerca (ministerie van Hoger Onderwijs en Onderzoek, Italië), en, anderzijds tussen LO en de Ministero dell’Istruzione e del Merito over de afwijzing van de door EW en LO ingediende aanvragen tot erkenning, met het oog op het uitoefenen van het beroep van ondersteunend leerkracht, van de titel „Curso superior de especialización en atención a las necesidades específicas de apoyo educativo” (specialisatieopleiding gericht op de specifieke behoefte aan ondersteunend onderwijs), die zij hebben verkregen van de Universidad Cardenal Herrera CEU – Valencia (Spanje).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Overweging 41 van richtlijn 2005/36 luidt als volgt: „Deze richtlijn laat de toepassing van artikel [45], lid 4 en van artikel [49] [VWEU] [...] onverlet.”

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt het volgende: „Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ‚ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de ‚lidstaat van oorsprong’ genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep.”

5 Artikel 2, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn luidt als volgt: „Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat, met inbegrip van beoefenaren van de vrije beroepen, die in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven, een gereglementeerd beroep willen uitoefenen, hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer.”

6 Artikel 3, lid 1, onder c) en d), van die richtlijn bevat de volgende definities: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] c) ‚opleidingstitel’: een diploma, certificaat of andere titel die door een volgens de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen autoriteit, is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in de [Unie] gevolgde beroepsopleiding. [...] d) ‚bevoegde autoriteit’: ieder door de lidstaten gemachtigde autoriteit of instelling die met name bevoegd is bewijsstukken van opleiding en andere documenten of informatie af te geven, respectievelijk aan te nemen, alsmede aanvragen te ontvangen en besluiten te nemen zoals bedoeld in de onderhavige richtlijn”.

7 Artikel 13 van richtlijn 2005/36, met als opschrift „Voorwaarden inzake erkenning”, bepaalt in lid 1: „Wanneer in een ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, staat de bevoegde autoriteit van deze lidstaat onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden de toegang tot en uitoefening van dit beroep toe aan aanvragers die in het bezit zijn van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel zoals bedoeld in artikel 11 dat/die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of de uitoefening van dat beroep op zijn grondgebied. De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels moeten worden afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen.”

Italiaans recht

8 Het beroep van ondersteunend leerkracht is een gereglementeerd beroep in Italië. Krachtens artikel 4 van legge n. 124 – Disposizioni urgenti in materia di personale scolastico (wet nr. 124 houdende spoedmaatregelen inzake schoolpersoneel) van 3 mei 1999 (GURI nr. 107 van 10 mei 1999) kunnen alleen personen aan wie de titel van ondersteunend leerkracht is uitgereikt, worden ingeschreven op de provinciale lijsten die als basis dienen voor de toewijzing van de jaarlijkse vervangingsopdrachten.

9 Artikel 7, lid 4, onder e), van ordinanza ministeriale n. 60 – Procedure di istituzione delle graduatorie provinciali e di istituto di cui all’articolo 4, commi 6‑bis e 6-ter, della legge 3 maggio 1999, n. 124 e di conferimento delle relative supplenze per il personale docente ed educativo (ministerieel besluit nr. 60 betreffende procedures voor het opstellen van provinciale en schoolranglijsten zoals bedoeld in artikel 4, leden 6 bis en 6 ter, van wet nr. 124 van 3 mei 1999, en voor de toewijzing van vervangingsopdrachten voor onderwijzend en opvoedend personeel) van 10 juli 2020 bepaalt dat kandidaten die om opname in deze provinciale ranglijsten verzoeken, in de bijlage bij hun aanvraag „de vereiste titels voor toelating [moeten voegen] die uiterlijk op de uiterste datum voor het indienen van de aanvraag zijn behaald, met de exacte vermelding van de instellingen die deze hebben afgegeven”, en dat, „indien de titel voor toelating in het buitenland is verworven en door het ministerie is erkend, eveneens de essentiële gegevens worden vermeld van het besluit waarbij de titel is erkend”.

10 Voorts geeft de verwijzende rechter aan dat de titel van leerkracht gespecialiseerd in didactische ondersteuning van gehandicapte leerlingen, die na afloop van het specifieke specialisatietraject in Italië is behaald, of een soortgelijke titel van ondersteunend leerkracht die in het buitenland is behaald en in Italië is erkend, toegang geeft tot de ondersteunende functies die aan de hand van een vergelijkend onderzoek moeten worden toegewezen.

11 Legge n. 148 – Ratifica ed esecuzione della Convenzione sul riconoscimento dei titoli di studio relativi all’insegnamento superiore nella Regione europea, fatta a Lisbona l’11 aprile 1997, e norme di adeguamento dell’ordinamento interno (wet nr. 148 ter ratificatie en uitvoering van het Verdrag inzake de erkenning van getuigschriften betreffende hoger onderwijs in de Europese regio, gedaan te Lissabon op 11 april 1997, en bepalingen tot aanpassing van het nationale recht) van 11 juli 2002 (GURI nr. 173 van 25 juli 2002, gewoon supplement nr. 151) bepaalt in artikel 2: „1. De bevoegdheid tot erkenning van studiecycli en -perioden in het buitenland en van buitenlandse opleidingstitels met het oog op de toegang tot het hoger onderwijs, de voortzetting van universitaire studies en het behalen van Italiaanse universitaire titels, wordt toegekend aan de universiteiten en de instellingen voor universitair onderwijs, die deze bevoegdheid zelfstandig en overeenkomstig de op hen toepasselijke regelgeving uitoefenen, onverminderd de bilaterale overeenkomsten op dit gebied.”

12 Artikel 5 van deze wet bepaalt het volgende: „1. Erkenning van academische titels voor andere dan de in artikel 2 genoemde doeleinden wordt verricht door overheidsinstanties, met inachtneming van de geldende bepalingen op het gebied van erkenning voor beroepsdoeleinden en toegang tot functies in overheidsdienst, volgens bij latere uitvoeringsverordening vast te stellen procedures.”

13 Decreto legislativo n. 206 – Attuazione della direttiva 2005/36/EG relativa al riconoscimento delle qualiche professionali, nonché della direttiva 2006/100/EG che adegua determinate direttive sulla libera circolazione delle persone a seguito dell’adesione di Bulgaria e Romania (besluit met kracht van wet nr. 206 tot uitvoering van richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en richtlijn 2006/100/EG tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië) van 9 november 2007 (GURI nr. 261 van 9 november 2007, gewoon supplement nr. 228), zoals gewijzigd bij decreto legislativo n. 15 – Attuazione della direttiva 2013/55/EU del Parlamento europeo e del Consiglio, recante modifica della direttiva 2005/36/EG, relativa al riconoscimento delle qualiche professionali e del regolamento (EU) n. 1024/2012, relativo alla cooperazione amministrativa attraverso il sistema di informazione del mercato interno („Regolamento IMI”) [besluit met kracht van wet nr. 15 tot uitvoering van richtlijn 2013/55 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”)] van 28 januari 2016 (GURI nr. 32 van 9 februari 2016) (hierna: „besluit met kracht van wet nr. 206/2007”) regelt volgens artikel 1 onder meer „de erkenning voor de toegang tot of de uitoefening van gereglementeerde beroepen, [...] van reeds in een andere lidstaat of andere lidstaten van de Europese Unie verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen in de lidstaat van oorsprong het overeenkomstige beroep uit te oefenen”.

14 Volgens artikel 2 van besluit met kracht van wet nr. 206/2007 is dit besluit „van toepassing op onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, met inbegrip van beoefenaren van de vrije beroepen, die op hun grondgebied, hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer, een gereglementeerd beroep willen uitoefenen op grond van in een lidstaat van de Europese Unie verworven beroepskwalificaties die hen in hun lidstaat van oorsprong het recht verlenen om dat beroep uit te oefenen”.

15 Artikel 3, leden 1 en 2, van besluit met kracht van wet nr. 206/2007 luidt als volgt: „1. De erkenning van beroepskwalificaties op grond van dit besluit geeft, indien aan de specifieke eisen is voldaan, recht op toegang tot het overeenkomstige beroep waarvoor de in artikel 2, lid 1, bedoelde personen in hun lidstaat van oorsprong gekwalificeerd zijn, en het recht dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die waarin het Italiaanse recht voorziet. 2. Voor de toepassing van artikel 1, lid 1, is het beroep dat de betrokkene op Italiaans grondgebied zal uitoefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen (onverminderd de bepalingen van artikel 5 septies inzake gedeeltelijke toegang).”

16 Artikel 4 van besluit met kracht van wet nr. 206/2007 bepaalt dat onder het begrip „beroepskwalificaties” worden verstaan „kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest [...] of beroepservaring” en dat personen die in het buitenland een opleidingstitel hebben behaald – te weten een titel zoals „een diploma, certificaat of andere titel die door een universiteit of een andere gemachtigde instelling is afgegeven op grond van speciale regelingen waaruit blijkt dat de houder een overwegend in de [Unie] gevolgde beroepsopleiding heeft afgesloten” – die hun krachtens dat besluit een beroepskwalificatie verleent en het recht geeft om het desbetreffende beroep in de lidstaat van oorsprong uit te oefenen, de in dat besluit met kracht van wet voorziene procedure voor de erkenning van beroepskwalificaties kunnen starten.

Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

17 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben ieder in de loop van 2021 bij de bevoegde Italiaanse autoriteit een aanvraag ingediend tot erkenning van in een andere lidstaat verworven beroepskwalificaties, met het oog op de uitoefening van het beroep van ondersteunend leerkracht. De gevraagde erkenning had betrekking op de door de Universidad Cardenal Herrera CEU – Valencia afgegeven titel „specialisatieopleiding gericht op de specifieke behoefte aan ondersteunend onderwijs”.

18 De bevoegde Italiaanse autoriteit heeft de aanvragen van deze verzoeksters afgewezen op grond dat uit de informatie die zij van de bevoegde Spaanse autoriteit heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek via het Informatiesysteem interne markt, zoals ingesteld bij verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van beschikking 2008/49/EG van de Commissie („de IMI-verordening”) (PB 2012, L 316, blz. 1), blijkt dat de aan de orde zijnde opleidingstitel geen officiële titel in Spanje was, maar specifiek was voor de universiteit die die titel heeft afgegeven. Met die titel was het niet mogelijk om in die lidstaat het gereglementeerde beroep van „leraar in het basisonderwijs” met de specialisaties therapeutische opvoedkunde, luistervaardigheid en taalvaardigheid uit te oefenen, dat wil zeggen de kwalificaties die in die lidstaat voor het speciaal onderwijs vereist waren.

19 Derhalve concludeerde de bevoegde Italiaanse autoriteit dat deze titel, die door de Spaanse overheid niet werd erkend, in Spanje geen gelding had en geen effect sorteerde, met als gevolg dat die titel op grond van geen enkele Italiaanse regeling kon worden erkend.

20 Daarop hebben verzoeksters in het hoofdgeding bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten waarbij hun respectieve aanvragen zijn afgewezen.

21 Die rechter is van oordeel dat er twijfel bestaat over de verenigbaarheid met het Unierecht van de uitlegging die in de nationale rechtspraak aan de relevante nationale wettelijke regeling wordt gegeven. Volgens die uitlegging zijn de bevoegde nationale autoriteiten verplicht om steeds de inhoud van de in de lidstaat van oorsprong gevolgde opleiding te beoordelen en deze te vergelijken met de inhoud die in het recht van de ontvangende lidstaat is vastgelegd. Dit geldt met name in een situatie waarin de titel waarvoor erkenning in de ontvangende lidstaat wordt aangevraagd, in de lidstaat van oorsprong niet wettelijk is erkend als een officiële titel die toegang geeft tot het beroep in kwestie.

22 In die omstandigheden heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in de twee hoofdgedingen identiek zijn: „1) Moet artikel 13 van richtlijn [2005/36], gelezen in het licht van de [Unierechtelijke] doelstelling hinderpalen voor het vrije verkeer van personen en diensten tussen de lidstaten en het vrije verkeer van docenten af te schaffen, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling, met betrekking tot de [...] erkenning van beroepskwalificaties [tussen de lidstaten], in het bijzonder wat betreft de specialisatietitel voor ondersteunend onderwijs, eraan in de weg staat dat een nationale regeling aldus wordt uitgelegd en toegepast dat de voorwaarden voor erkenning kunnen worden geacht ook te zijn vervuld indien met de in de lidstaat van oorsprong verworven specialistische opleidingstitel het overeenkomstige beroep in die lidstaat niet kan worden uitgeoefend en die lidstaat deze titel niet wettelijk erkent als titel die het recht verleent om dat beroep uit te oefenen? 2) Indien artikel 13 van richtlijn [2005/36] niet aan die uitlegging en toepassing in de weg staat, moeten de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van richtlijn [2005/36] dan aldus worden uitgelegd dat de tot erkenning van kwalificaties bevoegde autoriteiten, na een verzoek daartoe te hebben ontvangen, hoe dan ook altijd verplicht zijn om de inhoud te beoordelen van alle door de betrokken persoon overgelegde documenten die zijn beroepskwalificatie kunnen aantonen, zelfs indien die kwalificatie in de lidstaat van oorsprong geen recht verleent op de uitoefening van het overeenkomstige beroep, en om te beoordelen of de opleiding waarvan die documenten het bewijs vormen, voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de betreffende beroepskwalificatie in de ontvangende lidstaat, en om in voorkomend geval compenserende maatregelen toe te passen?”

23 Bij beslissing van de president van het Hof van 11 september 2024 zijn de zaken C‑340/24 en C‑442/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

24 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vragen het Hof verzoekt om uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2005/36. De in deze bepaling geregelde erkenning van beroepskwalificaties onderstelt dat de persoon die om die erkenning verzoekt, over een opleidingstitel beschikt waarmee hij in de lidstaat van oorsprong een gereglementeerd beroep mag uitoefenen. Die richtlijn is namelijk niet van toepassing op een situatie waarin een persoon die om erkenning van zijn beroepskwalificaties verzoekt, geen dergelijke opleidingstitel heeft behaald (zie in die zin arrest van 8 juli 2021, Lietuvos Respublikos sveikatos apsaugos ministerija,C‑166/20, EU:C:2021:554, punt 29), zoals verzoeksters in het hoofdgeding.

25 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arresten van 28 november 2000, Roquette Frères,C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 24 juni 2025, GR REAL,C‑351/23, EU:C:2025:474, punt 61).

26 In casu blijkt uit alle door de verwijzende rechter bij de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑340/24 verstrekte gegevens – in de verwijzingsbeslissing in zaak C‑442/24 wordt er in essentie slechts verwezen naar dat verzoek – dat die rechter in feite wenst te vernemen of het Unierecht de ontvangende lidstaat verplicht om bij de beoordeling van een aanvraag tot erkenning van in een andere lidstaat verworven beroepskwalificaties rekening te houden met een in de lidstaat van oorsprong behaalde opleidingstitel die door die lidstaat niet wettelijk is erkend en in die staat geen officieel karakter heeft.

27 Verzoeksters in het hoofdgeding zijn Italiaanse onderdanen die een opleiding aan een Spaanse universiteit hebben gevolgd en aldus gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer. Na afronding van hun studie hebben zij bij de bevoegde Italiaanse autoriteit verzocht om de erkenning van hun Spaanse opleidingstitels teneinde in Italië het beroep van ondersteunend leerkracht te mogen uitoefenen. Een onderdaan van een lidstaat die in een andere lidstaat heeft verbleven en daar een academische titel heeft behaald waarop hij zich wil beroepen in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, valt onder artikel 45 of 49 VWEU [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Sosiaali- ja terveysalan lupa- ja valvontavirasto (Medische basisopleiding), C‑634/20, EU:C:2022:149, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn twee prejudiciële vragen, die tezamen moeten worden behandeld, wenst te vernemen of de artikelen 45 en 49 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij de ontvangende lidstaat verplichten om bij de beoordeling van een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties rekening te houden met een in een andere lidstaat verworven opleidingstitel die door die lidstaat niet wettelijk is erkend en in die staat geen officieel karakter heeft.

29 Volgens vaste rechtspraak moeten de autoriteiten van een lidstaat waarbij een Unieburger een aanvraag heeft ingediend om een beroep te mogen uitoefenen dat volgens de nationale wettelijke regeling slechts toegankelijk is voor wie over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, in een situatie die niet onder het toepassingsgebied van richtlijn 2005/36 valt, maar onder artikel 45 VWEU of onder artikel 49 VWEU, rekening houden met alle diploma’s, certificaten en andere titels alsook met de relevante ervaring van de betrokken persoon, door de uit die titels en die ervaring blijkende competenties te vergelijken met de door de nationale wettelijke regeling vereiste kennis en kwalificaties [arrest van 3 maart 2022, Sosiaali- ja terveysalan lupa- ja valvontavirasto (Medische basisopleiding), C‑634/20, EU:C:2022:149, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

30 Dit vergelijkend onderzoek veronderstelt dat de lidstaten wederzijds vertrouwen hebben in de titels waaruit de door elke lidstaat afgegeven beroepskwalificaties blijken. Bijgevolg moet de autoriteit van de ontvangende lidstaat in beginsel een document zoals een door de autoriteit van een andere lidstaat afgegeven opleidingstitel, als waarheidsgetrouw beschouwen [zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Sosiaali- ja terveysalan lupa- ja valvontavirasto (Psychotherapeuten), C‑577/20, EU:C:2022:467, punt 48].

31 In casu heeft de lidstaat van oorsprong de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat ervan in kennis gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde titel geen officiële titel in de lidstaat van oorsprong was, maar specifiek was voor de universiteit die die titel heeft afgegeven en dat het met die titel niet mogelijk was om daar het gereglementeerde beroep uit te oefenen waartoe verzoeksters in het hoofdgeding toegang wensen te krijgen. Bovendien blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de aan de orde zijnde titel, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, geen toegang geeft tot een hoger academisch niveau en geen deel uitmaakt van het systeem dat is opgezet door het Bolognaproces en de Europese ruimte voor hoger onderwijs.

32 Hieruit volgt dat het wederzijdse vertrouwen waarop het stelsel van erkenning van beroepskwalificaties in de Unie is gebaseerd, niet kan worden ingeroepen wanneer de in de lidstaat van oorsprong verworven opleidingstitel is afgegeven door een particuliere organisatie die door de bevoegde autoriteiten van die staat niet is gemachtigd om opleidingstitels af te geven waaruit beroepskwalificaties blijken, met als gevolg dat de door een dergelijke organisatie afgegeven titel niet wordt „afgegeven door een lidstaat” en dus niet alleen niet wordt erkend in die lidstaat, maar ook geen enkele waarborg biedt met betrekking tot het niveau en de kwaliteit van de vaardigheden die blijken uit die titel.

33 Hoewel in een situatie als die in het hoofdgeding, die niet onder het toepassingsgebied van richtlijn 2005/36, maar onder artikel 45 VWEU of artikel 49 VWEU valt, de betrokken ontvangende lidstaat, zoals volgt uit de punten 29 en 30 van het onderhavige arrest, met name rekening moet houden met een door de lidstaat van oorsprong afgegeven titel, kunnen die artikelen de ontvangende lidstaat niet verplichten om rekening te houden met een titel die niet door de lidstaat van oorsprong is afgegeven en aldaar niet is erkend. De vrijheden van verkeer kunnen immers niet tot gevolg hebben dat de ontvangende lidstaat aan een in de lidstaat van oorsprong afgegeven opleidingstitel meer waarde toekent dan die welke aldaar geldt.

34 Het staat de ontvangende lidstaat evenwel vrij om bij het in punt 29 van het onderhavige arrest genoemde vergelijkend onderzoek eventueel rekening te houden met een dergelijke titel.

35 Derhalve moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 45 en 49 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij de ontvangende lidstaat niet verplichten om bij de beoordeling van een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties rekening te houden met een in een andere lidstaat verworven opleidingstitel die door die lidstaat niet wettelijk is erkend en in die staat geen officieel karakter heeft.

Kosten

36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 45 en 49 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij de ontvangende lidstaat niet verplichten om bij de beoordeling van een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties rekening te houden met een in een andere lidstaat verworven opleidingstitel die door die lidstaat niet wettelijk is erkend en in die staat geen officieel karakter heeft.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit zijn fictieve namen, die niet overeenkomen met de werkelijke namen van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken