HvJ EU 20 november 2025, C-617/24, ECLI:EU:C:2025:908

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

20 november 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Douanewetboek van de Unie – Artikel 24, onder d), en artikel 211, lid 2 – Bevoegdheidsdelegatie aan de Europese Commissie – Bevoegdheid om een wetgevingshandeling ,aan te vullen’ – Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 – Artikel 172, leden 1 en 2 – Geldigheid – Terugwerkende kracht van een vergunning voor actieve veredeling”

In zaak C‑617/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 4 september 2024, ingekomen bij het Hof op 23 september 2024, in de procedure

Siegfried PharmaChemikalien Minden GmbH

tegen

Hauptzollamt Bielefeld,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Siegfried PharmaChemikalien Minden GmbH, vertegenwoordigd door C. Pötters, Rechtsanwältin, en R. Vobbe, Steuerberater,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van artikel 172, leden 1 en 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Siegfried PharmaChemikalien Minden GmbH (hierna: „Siegfried Pharma”) en het Hauptzollamt Bielefeld (hoofddouanekantoor Bielefeld; hierna: „Hauptzollamt”) over een aanvraag voor een vergunning voor actieve veredeling met terugwerkende kracht.

Rechtskader

Douanewetboek

3 In overweging 39 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) staat te lezen: „Ter bescherming van de financiële belangen van de [Europese] Unie en van de lidstaten en ter aanvulling van de regels betreffende de douaneschuld en de zekerheidstelling moet aan de [Europese] Commissie overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid worden overgedragen om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de plaats waar de douaneschuld is ontstaan, de berekening van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, de zekerheid voor dat bedrag alsook de invordering, de terugbetaling, de kwijtschelding en het tenietgaan van de douaneschuld.”

4 Volgens artikel 5, punt 2, onder a), van het douanewetboek omvat de „douanewetgeving” met name „[dat] wetboek en de op niveau van de Unie of op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter aanvulling of uitvoering ervan”.

5 Afdeling 3 van hoofdstuk 2 van titel I van het douanewetboek heeft als opschrift „Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving” en bevat artikel 22, waarvan de leden 2 en 4 het volgende bepalen: „2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan. Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis. [...] 4. Tenzij in de beschikking of de douanewetgeving anders is bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. [...]”

6 Artikel 24 van het douanewetboek bepaalt: De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 284 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van: [...] d) de in artikel 22, lid 4, bedoelde gevallen waarin de beschikking van kracht wordt op een andere datum dan die waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen; [...]”

7 Artikel 211 van dat wetboek bepaalt het volgende: „1. Een vergunning van de douaneautoriteiten is vereist voor: a) het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming; [...] 2. De douaneautoriteiten verlenen met terugwerkende kracht een vergunning indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a) er is een bewezen economische behoefte; [...] e) aan de aanvrager is geen vergunning met terugwerkende kracht verleend in de afgelopen drie jaar voor de datum waarop de aanvraag is aanvaard; [...] h) indien een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, wordt de aanvraag ingediend binnen drie jaar na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning. [...]”

8 Artikel 212 van voornoemd wetboek is verwoord als volgt: „De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 284 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van: a) de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor de regelingen als bedoeld in artikel 211, lid 1; [...]”

9 Artikel 284 van het douanewetboek („Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie”) kent aan de Commissie de bevoegdheid toe om onder meer de in artikel 24 en 212 van dat wetboek bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen en bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van deze delegatie.

Gedelegeerde verordening 2015/2446

10 De overwegingen 1 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/2446 luiden als volgt: „(1) In samenhang met het [VWEU] wordt bij [het douanewetboek] aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om een aantal niet-essentiële onderdelen van het wetboek overeenkomstig artikel 290 VWEU aan te vullen. [...] [...] (14) In bepaalde gevallen moet een beschikking van kracht worden op een andere datum dan die waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen, namelijk wanneer de aanvrager heeft verzocht dat de beschikking op een andere datum van kracht wordt of wanneer zij pas van kracht wordt nadat de aanvrager bepaalde formaliteiten heeft vervuld. Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moeten deze gevallen nauwkeurig worden vastgelegd.”

11 Artikel 172 van die gedelegeerde verordening heeft het opschrift „Terugwerkende kracht” en luidt als volgt: „1. Wanneer de douaneautoriteiten met terugwerkende kracht een vergunning verlenen overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het [douanewetboek], wordt de vergunning ten vroegste van kracht op de datum van aanvaarding van de aanvraag. 2. In buitengewone omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat een in lid 1 bedoelde vergunning ten vroegste van kracht wordt één jaar, en in het geval van onder bijlage 71‑02 vallende goederen drie maanden, vóór de datum van aanvaarding van de aanvraag. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12 In november 2018 heeft Siegfried Pharma bij het Hauptzollamt overeenkomstig artikel 211, lid 1, onder a), van het douanewetboek een aanvraag voor een vergunning voor actieve veredeling ingediend voor goederen die uit China waren ingevoerd. Het Hauptzollamt stelde Siegfried Pharma er echter van in kennis dat die aanvraag niet alle vereiste gegevens en documenten bevatte. Siegfried Pharma heeft haar aanvraag niet onmiddellijk aangevuld en heeft, tot en met 18 juli 2019, goederen voor het vrije verkeer aangegeven. Daarover heeft zij een bedrag van 1173497,14 EUR aan douanerechten betaald.

13 Op 12 april 2021 heeft Siegfried Pharma, onder verwijzing naar haar eerdere aanvraag, het Hauptzollamt verzocht om haar krachtens artikel 211, lid 2, van het douanewetboek met terugwerkende kracht een vergunning voor actieve veredeling te verlenen voor de goederen die zij uit China had ingevoerd. Zij beoogde daarmee achteraf de economische nadelen weg te nemen die zij als gevolg van de betaling van die douanerechten had geleden. Bij besluit van 11 juli 2021 heeft het Hauptzollamt de aanvraag van Siegfried Pharma afgewezen daar zij nog steeds niet alle noodzakelijke documenten had verstrekt. Evenmin heeft zij aangetoond dat er sprake was van een economische behoefte in de zin van artikel 211, lid 2, onder a).

14 Siegfried Pharma heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt door te stellen dat aan de in laatstgenoemde bepaling genoemde voorwaarde van de economische behoefte was voldaan en dat de Commissie haar bevoegdheden had overschreden door in artikel 172 van gedelegeerde verordening 2015/2446 de terugwerkende kracht van een dergelijke vergunning in de tijd te beperken. Volgens die vennootschap bestaat er namelijk geen bepaling die de Commissie de bevoegdheid toekent om dit artikel vast te stellen en heeft de Commissie hoe dan ook het juridische kader van artikel 211, lid 2, van het douanewetboek overschreden.

15 Nadat het Hauptzollamt dit bezwaar bij besluit van 26 juli 2023 had afgewezen, is Siegfried Pharma tegen dat besluit opgekomen bij het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland), de verwijzende rechter. Die rechter stelt vast dat, ingevolge artikel 172, leden 1 en 2, van gedelegeerde verordening 2015/2446 (hierna: „bestreden bepaling”), de afgifte van een vergunning met terugwerkende kracht aan Siegfried Pharma op grond van artikel 211, lid 2, van het douanewetboek er niet toe leidt dat de douaneschuld van die vennootschap tenietgaat. De aanvraag voor een vergunning voor actieve veredeling is namelijk pas op 14 juli 2021 in de zin van artikel 22, lid 2, van dat wetboek door het Hauptzollamt aanvaard en de laatste aan douanerechten onderworpen invoer heeft plaatsgevonden in de loop van 2019, dat wil zeggen meer dan een jaar vóór de datum van aanvaarding van die aanvraag.

16 De verwijzende rechter twijfelt aan de geldigheid van de bestreden bepaling op grond dat de Commissie volgens hem niet bevoegd was om bepalingen vast te stellen die vergunningen met terugwerkende kracht in de tijd beperken. Hij merkt op dat de Commissie zich voor de vaststelling van de bestreden bepaling heeft gebaseerd op artikel 24, onder d), van het douanewetboek. Bovendien stelt hij vast dat de Commissie krachtens artikel 212, onder a), van dat wetboek bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor de regelingen als bedoeld in artikel 211, lid 1, van dat wetboek, onder meer de regeling actieve veredeling. Artikel 212, onder a), van dat wetboek verwijst daarentegen niet uitdrukkelijk naar lid 2 van dat artikel 211, dat juist betrekking heeft op vergunningen met terugwerkende kracht.

17 De rechter is van oordeel dat uit de bewoordingen van respectievelijk artikel 24, onder d), en artikel 212, onder a), van het douanewetboek niet kan worden opgemaakt of de Commissie handelingen kan vaststellen ter „aanvulling” of „wijziging” van niet-essentiële onderdelen van het douanewetboek, in de zin van artikel 290, lid 1, eerste alinea, VWEU.

18 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat artikel 211, lid 2, van dit wetboek geen tijdsbeperkingen stelt aan de terugwerkende kracht van vergunningen, wat erop wijst dat dergelijke beperkingen niet bij de bestreden bepaling konden worden ingevoerd. Bovendien zou het temporele kader een „essentieel onderdeel” van het douanerecht van de Unie kunnen vormen, zodat het niet het voorwerp kan zijn van een bevoegdheidsdelegatie overeenkomstig artikel 290, lid 1, tweede alinea, VWEU.

19 Daarenboven betwijfelt de verwijzende rechter of de bestreden bepaling voldoet aan het motiveringsvereiste van artikel 296, tweede alinea, VWEU, aangezien de in algemene bewoordingen verwoorde motivering in overweging 14 van gedelegeerde verordening 2015/2446 ontoereikend is.

20 Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is [de bestreden bepaling] geldig?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bestreden bepaling ongeldig is op grond dat, ten eerste, de Commissie de grenzen van de in artikel 24, onder d), en artikel 212, onder a), van het douanewetboek bedoelde bevoegdheidsdelegatie zou hebben overschreden en, ten tweede, de motivering van de bestreden bepaling niet zou voldoen aan het in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde vereiste.

22 De eerste door de verwijzende rechter genoemde ongeldigheidsgrond heeft betrekking op de vraag of de Commissie de grenzen van de bevoegdheidsdelegatie van artikel 24, onder d), en artikel 212, onder a), van het douanewetboek heeft overschreden door te bepalen dat een vergunning voor actieve veredeling met terugwerkende kracht ten vroegste van kracht wordt op de datum van aanvaarding van de aanvraag of, bij wijze van uitzondering, ten vroegste een jaar vóór die datum.

23 Ingevolge artikel 290, lid 1, eerste alinea, VWEU „[kan in] een wetgevingshandeling [...] aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling”.

24 Deze mogelijkheid om bevoegdheden over te dragen heeft tot doel de Uniewetgever in staat te stellen zich te concentreren op de essentiële onderdelen van een wettelijke regeling en op de niet-essentiële onderdelen waarover hij het gepast acht regels op te stellen, terwijl aan de Commissie de taak wordt toevertrouwd om bepaalde niet-essentiële onderdelen van de vastgestelde wetgevingshandeling aan te vullen of dergelijke onderdelen te wijzigen in het kader van een aan de Commissie verleende delegatie. De twee in artikel 290, lid 1, VWEU bedoelde categorieën gedelegeerde bevoegdheden zijn dus duidelijk van elkaar te onderscheiden (zie in die zin arrest van 17 maart 2016, Parlement/Commissie, C‑286/14, EU:C:2016:183, punten 40 en 54).

25 Volgens dit artikel 290, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, moeten de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van de bevoegdheidsdelegatie uitdrukkelijk worden afgebakend in de wetgevingshandeling die deze delegatie verleent. Dit vereiste impliceert dat een gedelegeerde bevoegdheid wordt verleend voor de vaststelling van regels die aansluiten bij de in de basiswetgevingshandeling vastgestelde regeling (zie arrest van 17 maart 2016, Parlement/Commissie, C‑286/14, EU:C:2016:183, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien volgt uit dat artikel 290, lid 1, tweede alinea, tweede volzin, dat essentiële onderdelen van de betrokken materie moeten worden vastgesteld in de basisregeling en dat de vaststelling ervan niet kan worden gedelegeerd. Blijkens de rechtspraak zijn deze essentiële onderdelen die waar bij de vaststelling ervan politieke keuzen moeten worden gemaakt die tot de eigen verantwoordelijkheden van de Uniewetgever behoren (arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punten 59 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 In casu moet vooraf worden benadrukt dat artikel 284 van het douanewetboek, ten eerste, de Commissie slechts in algemene bewoordingen de bevoegdheid toekent om met name de in de artikelen 24 en 212 van dat wetboek bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen en, ten tweede, de voorwaarden bepaalt voor de uitoefening van die delegatie.

27 Op basis van de bewoordingen van respectievelijk artikel 24, onder d), en artikel 212, onder a), van dat wetboek kan evenmin worden uitgemaakt of de Commissie bevoegd was om dat wetboek aan te vullen of te wijzigen.

28 Deze bepalingen verlenen de Commissie namelijk de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 284 van het douanewetboek gedelegeerde handelingen vast te stellen ter „bepaling” van, respectievelijk, de in artikel 22, lid 4, van dat wetboek bedoelde gevallen waarin de beschikking van kracht wordt op een andere datum dan de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen, en de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning voor de regelingen als bedoeld in artikel 211, lid 1, van dat wetboek.

29 Artikel 290, lid 1, VWEU voorziet echter slechts in twee categorieën gedelegeerde bevoegdheden, te weten de bevoegdheid om de wetgevingshandeling „aan te vullen” en de bevoegdheid om de wetgevingshandeling „te wijzigen”. Dat artikel voorziet dus niet in de mogelijkheid om bepaalde niet-essentiële onderdelen van een dergelijke handeling „te bepalen” (zie in die zin arrest van 17 maart 2016, Parlement/Commissie, C‑286/14, EU:C:2016:183, punt 32).

30 Zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, stelt de Uniewetgever, wanneer hij aan de Commissie een bevoegdheid verleent om een wetgevingshandeling „aan te vullen”, niet uitvoerig regels op en stelt hij alleen de essentiële onderdelen vast, terwijl hij de taak om die onderdelen te concretiseren aan de Commissie overlaat. Het mandaat van de Commissie beperkt zich er in dat geval toe, met inachtneming van de volledige door de wetgever vastgestelde wetgevingshandeling, de niet‑essentiële onderdelen van de betrokken regeling die door de wetgever niet nader zijn bepaald gedetailleerd uit te werken. De delegatie van een bevoegdheid om een wetgevingshandeling „te wijzigen” strekt er daarentegen toe de Commissie te machtigen om niet‑essentiële onderdelen die door de wetgever in die handeling zijn vastgesteld te amenderen of in te trekken. Wanneer de Commissie een dergelijke bevoegdheid uitoefent, is zij niet verplicht te handelen met inachtneming van de onderdelen waarvan de „wijziging” net wordt beoogd met het aan haar verleende mandaat (zie in die zin arrest van 17 maart 2016, Parlement/Commissie, C‑286/14, EU:C:2016:183, punten 41 en 42).

31 De in het voorgaande punt van het onderhavige arrest vastgestelde verschillen tussen de twee in artikel 290, lid 1, VWEU bedoelde categorieën gedelegeerde bevoegdheden verzetten zich ertegen dat aan de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om zelf de aard van de aan haar overgedragen bevoegdheid te bepalen. Bijgevolg moet de wetgever, ingevolge die bepaling, om een transparant wetgevingsproces te waarborgen, de aard bepalen van de delegatie die hij aan de Commissie wil verlenen (arrest van 17 maart 2016, Parlement/Commissie, C‑286/14, EU:C:2016:183, punt 46).

32 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat in overweging 39 van het douanewetboek te lezen staat dat, ter bescherming van de financiële belangen van de Unie en van de lidstaten en ter „aanvulling” van de regels betreffende de douaneschuld en de zekerheidstelling, aan de Commissie overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid moet worden overgedragen om gedelegeerde handelingen vast te stellen, met name met betrekking tot het tenietgaan van de douaneschuld. Uit zowel overweging 1 als het opschrift zelf van gedelegeerde verordening 2015/2446 blijkt dat de Commissie de bevoegdheid die haar bij artikel 284 van dat wetboek is verleend, op die manier heeft begrepen.

33 In de tweede plaats geeft de bestreden bepaling nadere invulling aan artikel 211, lid 2, van het douanewetboek door met name de terugwerkende kracht van een vergunning voor actieve veredeling te beperken.

34 Het is juist dat artikel 212, onder a), van het douanewetboek de Commissie alleen de bevoegdheid verleent om de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van de vergunning voor de regelingen als bedoeld in artikel 211, lid 1, van dat wetboek, zodat die bevoegdheid niet geldt voor lid 2 van dat artikel 211.

35 Artikel 211, lid 2, van het douanewetboek hoefde echter niet in artikel 212, onder a), van dat wetboek te worden genoemd, aangezien de Commissie reeds krachtens artikel 24, onder d), van hetzelfde wetboek, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 4, ervan, bevoegd was om de regels van het douanewetboek met betrekking tot de werking in de tijd van douanevergunningen aan te vullen, met name voor vergunningen voor actieve veredeling.

36 Uit artikel 22, lid 4, van het douanewetboek – welke bepaling bij artikel 24, onder d), van dat wetboek door de Commissie kan worden aangevuld – vloeit namelijk voort dat de beschikking van een douaneautoriteit betreffende de toepassing van de douanewetgeving van kracht wordt op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen, tenzij in die beschikking of de douanewetgeving anders is bepaald. Volgens artikel 5, punt 2, onder a), van het douanewetboek omvat de „douanewetgeving” met name dat wetboek en de op niveau van de Unie of op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter aanvulling of uitvoering ervan. Hieruit volgt dat gedelegeerde verordening 2015/2446 ontegenzeglijk deel uitmaakt van de douanewetgeving in de zin van artikel 5, punt 2, onder a), van dat wetboek en dat die gedelegeerde verordening als zodanig de datum kon wijzigen waarop een beschikking van een douaneautoriteit betreffende de toepassing van de douanewetgeving van kracht werd.

37 Voorts betekent het feit dat de Uniewetgever in artikel 211, lid 2, van het douanewetboek niets heeft gezegd over het tijdsaspect van de terugwerkende kracht van vergunningen voor actieve veredeling geenszins dat het de Commissie verboden is om de mogelijkheid tot het verlenen van een dergelijke vergunning in de tijd te beperken. Integendeel, dit is een voorbeeld van een geval waarin de Uniewetgever, wanneer hij aan de Commissie een bevoegdheid verleent om een wetgevingshandeling „aan te vullen”, niet uitvoerig regels opstelt en alleen de essentiële onderdelen vaststelt, en de taak om die onderdelen te concretiseren aan de Commissie overlaat, zoals in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.

38 Daarenboven kan artikel 211, lid 2, van het douanewetboek nog minder worden geacht reeds de kwestie over de datum waarop beschikkingen betreffende vergunningen met terugwerkende kracht van kracht worden te hebben afgedaan, aangezien deze bepaling hoofdzakelijk de materiële voorwaarden voor de afgifte van een dergelijke vergunning regelt (zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, Beeren-, Wild-, Feinfrucht, C‑825/19, EU:C:2021:869, punt 33). Meer bepaald hebben de vereisten in dat artikel 211, lid 2, onder e) en h), niet tot doel te bepalen op welke datum vergunningen van kracht worden. Dergelijke vergunningen kunnen overeenkomstig deze vereisten immers niet binnen drie jaar na de datum van goedkeuring van de aanvraag aan de aanvrager worden verleend. Bovendien moet een aanvraag voor de vernieuwing van een vergunning binnen drie jaar na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning worden ingediend.

39 In de derde plaats wijzigt de bestreden bepaling, door met name de terugwerkende kracht van een vergunning voor actieve veredeling te beperken, geen wezenlijke regel van het douanewetboek. De loutere beperking in de tijd van de terugwerkende kracht van een dergelijke vergunning, welke werking in algemene bewoordingen in het douanewetboek is opgenomen, impliceert immers geenszins dat politieke keuzen worden gemaakt die tot de eigen verantwoordelijkheden van de Uniewetgever behoren, aangezien deze beperking niet de fundamentele doelstellingen van de politiek van de Unie beoogt te verwezenlijken (zie in die zin arrest van 27 oktober 1992, Duitsland/Commissie, C‑240/90, EU:C:1992:408, punt 37).

40 In de vierde plaats is het noodzakelijk dat de datum waarop beschikkingen betreffende vergunningen met terugwerkende kracht van kracht worden, niet onbeperkt is in de tijd, maar in de douanewetgeving wordt afgebakend en gespecificeerd. In dit verband dient de bestreden bepaling om de in overweging 14 van gedelegeerde verordening 2015/2446 genoemde doelstellingen van duidelijkheid en rechtszekerheid, alsook het beginsel van gelijke behandeling van de rechtssubjecten te waarborgen. Dit beginsel vereist onder meer dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arrest van 22 april 2021, Austrian Airlines, C‑826/19, EU:C:2021:318, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zonder harmonisatie op het niveau van de Unie van de datum waarop een vergunning van kracht wordt, zou de praktijk van de douaneautoriteiten van de lidstaten op dit gebied in vergelijkbare situaties echter aanzienlijk kunnen verschillen, zonder dat dit objectief gerechtvaardigd is.

41 In de vijfde en laatste plaats vormen bepalingen zoals artikel 211, lid 2, van het douanewetboek, die voorzien in de toepassing van een vrijstelling van douanerechten, een uitzondering op het beginsel dat op in de Unie ingevoerde producten in het algemeen douanerechten worden geheven. Derhalve moeten zij – als afwijkende bepalingen – strikt worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 17 februari 2011, Marishipping and Transport, C‑11/10, EU:C:2011:91, punt 16, en 12 december 2024, Malmö Motorrenovering, C‑781/23, EU:C:2024:1014, punt 21).

42 Aldus heeft de bestreden bepaling – door met name de terugwerkende kracht van een overeenkomstig dat artikel 211, lid 2, verleende vergunning voor actieve veredeling te beperken – enkel de regel toegepast dat afwijkingen van dit beginsel strikt moeten worden uitgelegd, hetgeen impliceert dat zij bijdraagt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, zoals met name in overweging 39 van het douanewetboek staat te lezen.

43 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de eerste door de verwijzende rechter genoemde ongeldigheidsgrond niet tot de ongeldigheid van de bestreden bepaling kan leiden.

44 De tweede door die rechter genoemde ongeldigheidsgrond betreft de vraag of de motivering van de bestreden bepaling voldoet aan het in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde motiveringsvereiste.

45 Volgens de rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de Unie-instelling die de betrokken handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen. Aldus moeten de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en moet het Hof zijn toezicht kunnen uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd. Bovendien kan in het geval van handelingen van algemene strekking in de motivering worden volstaan met de vermelding in het algemeen van de omstandigheden die tot de vaststelling van de betrokken handeling hebben geleid, en van de algemene doelstellingen die met die handeling moeten worden bereikt. Het zou dan ook nutteloos zijn om voor elke technische keuze van de instelling een specifieke motivering te verlangen indien de essentie van het door deze instelling nagestreefde doel uit de betwiste handeling blijkt (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Pesce e.a., C‑78/16 en C‑79/16, EU:C:2016:428, punten 88‑90).

46 In casu zij opgemerkt dat in overweging 14 van gedelegeerde verordening 2015/2446 de redenen worden uiteengezet waarom het wenselijk is de datums vast te leggen waarop beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving van kracht worden. Volgens deze overweging moeten omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid nauwkeurig de gevallen worden vastgelegd waarin een dergelijke beschikking van kracht wordt op een andere datum dan die waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen. Dit moet met name het geval zijn wanneer de aanvrager heeft verzocht dat de beschikking op een andere datum van kracht wordt.

47 Hieruit volgt dat de essentie van het door de Commissie nagestreefde doel blijkt uit gedelegeerde verordening 2015/2446, zodat deze instelling aan de motiveringsplicht heeft voldaan, en dat het onderzoek van de tweede door de verwijzende rechter genoemde ongeldigheidsgrond, die betrekking heeft op de eventuele niet-naleving van dit vereiste door de Commissie, derhalve niet tot de ongeldigheid van de bestreden bepaling kan leiden.

48 Gedelegeerde verordening 2015/2446 hoefde des te minder uitvoerig te worden gemotiveerd daar de bestreden bepaling is vastgesteld in een context die de betrokken marktdeelnemers welbekend was, aangezien die bepaling in wezen de eerdere rechtspositie handhaafde. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, bepaalde artikel 508, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 993/2001 van de Commissie van 4 mei 2001 (PB 2001, L 141, blz. 1), net zoals de bestreden bepaling dat een vergunning voor actieve veredeling slechts een terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar kon hebben.

49 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat bij het onderzoek van deze vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van de bestreden bepaling.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Bij het onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van artikel 172, leden 1 en 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken