HvJ EU 13 november 2025, C-563/24, ECLI:EU:C:2025:887
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
13 november 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Definitie, aanduiding, presentatie, etikettering en bescherming van gedistilleerde dranken – Verordening (EU) 2019/787 – Artikel 10, lid 7 – Verbod op het gebruik van de wettelijke benamingen voor elke drank die niet voldoet aan de vereisten van de desbetreffende categorie – Gin – ‚Alcoholvrije gin’ als benaming van een drank – Artikel 12, lid 1 – Zinspelingen – Geldigheid van artikel 10, lid 7 – Artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Vrijheid van ondernemerschap – Evenredigheidsbeginsel ”
In zaak C‑563/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Potsdam (rechter in eerste aanleg Potsdam, Duitsland) bij beslissing van 6 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 20 augustus 2024, in de procedure
Verband Sozialer Wettbewerb eV
tegen
PB Vi Goods GmbH,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Verband Sozialer Wettbewerb eV, vertegenwoordigd door D. Marquardt, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden, bijgestaan door C. Eggers, Rechtsanwalt,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door Z. Chatzipavlou en M. Tassopoulou als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Chansou en B. Travard als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino, M. Maugeri en P. Passolunghi als gemachtigden,
– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. C. Bartram en W. D. Kuzmienko als gemachtigden,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Alver, N. Brzezinski en L. Hamtcheva als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Rechena en M. Zerwes als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 7, en artikel 12, lid 1, van verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 110/2008 (PB 2019, L 130, blz. 1), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2021/1096 van de Commissie van 21 april 2021 (PB 2021, L 238, blz. 1) (hierna: „verordening 2019/787”), en de geldigheid van artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 in het licht van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Verband Sozialer Wettbewerb eV (hierna: „VSW”) en PB Vi Goods GmbH (hierna: „PB”) over de verhandeling van en de reclame door PB voor een drank met de naam Virgin Gin Alkoholfrei.
Toepasselijke bepalingen
3 De overwegingen 2, 3 en 10 van verordening 2019/787 luiden als volgt:
„(2) De voor gedistilleerde dranken geldende regels moeten bijdragen tot het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming, het wegnemen van informatieasymmetrie, het voorkomen van bedrieglijke praktijken en het verwezenlijken van transparantie van de markt en eerlijke concurrentie. Zij moeten de faam die gedistilleerde dranken uit de Unie in de Unie zelf en op de wereldmarkt genieten, hooghouden door rekening te blijven houden met de traditionele methoden die bij de productie van gedistilleerde dranken worden gebruikt en met de toegenomen vraag naar bescherming en voorlichting van de consument. [...]
(3) Gedistilleerde dranken zijn een belangrijk afzetkanaal voor de landbouwsector van de Unie, en de productie van gedistilleerde dranken is sterk verbonden met de landbouwsector. Die band bepaalt de kwaliteit, de veiligheid en de reputatie van in de Unie geproduceerde gedistilleerde dranken. [...]
[...]
(10) Er moeten eveneens regels worden vastgesteld met betrekking tot de wettelijke benamingen van gedistilleerde dranken die in de Unie op de markt worden gebracht, teneinde ervoor te zorgen dat die wettelijke benamingen op geharmoniseerde wijze worden gebruikt in de hele Unie en teneinde te verzekeren dat de consumenten op transparante wijze worden geïnformeerd.”
4 Artikel 10, lid 7, eerste alinea, van deze verordening bepaalt:
„Onverminderd de artikelen 11 en 12 en artikel 13, leden 2, 3 en 4, is het verboden om wettelijke benamingen te gebruiken als bedoeld in lid 2 van dit artikel of geografische aanduidingen in de omschrijving, presentatie of etikettering van dranken die niet voldoen aan de vereisten van de desbetreffende in bijlage I opgenomen categorie of van de desbetreffende geografische aanduiding. Dit verbod geldt eveneens wanneer dergelijke wettelijke benamingen of geografische aanduidingen worden gebruikt in combinatie met woorden of formuleringen zoals ‚genre’, ‚type’, ‚stijl’, ‚trant’ of ‚smaak’, of soortgelijke termen.”
5 In artikel 12, lid 1, van die verordening is bepaald:
„In de presentatie en de etikettering van een levensmiddel dat geen alcoholische drank is, is een zinspeling op de wettelijke benamingen uit een of meer van de in bijlage I opgenomen categorieën gedistilleerde dranken of op een of meer geografische aanduidingen voor gedistilleerde dranken toegestaan, op voorwaarde dat de bij de productie van het levensmiddel gebruikte alcohol uitsluitend afkomstig is van de gedistilleerde drank of gedistilleerde dranken waarnaar in de zinspeling wordt verwezen, met uitzondering van de alcohol die kan voorkomen in de voor de productie van dat levensmiddel gebruikte aroma’s, kleurstoffen of andere toegestane ingrediënten.”
6 Bijlage I bij die verordening heeft als opschrift „Categorieën gedistilleerde dranken”. Punt 20 ervan, „Gin”, is als volgt verwoord:
„a) Gin is een met jeneverbessen gearomatiseerde gedistilleerde drank die is verkregen door ethylalcohol uit landbouwproducten te aromatiseren met jeneverbessen (Juniperus communis L.).
b) Het alcoholvolumegehalte van gin bedraagt ten minste 37,5 %.
c) Bij de bereiding van gin mogen uitsluitend aromastoffen en/of aromatiserende preparaten worden gebruikt, op zodanige wijze dat de smaak van jeneverbessen overheerst.
d) De term ‚gin’ mag worden aangevuld met de term ‚dry’ op voorwaarde dat niet meer dan 0,1 gram zoetstoffen per liter eindproduct worden toegevoegd uitgedrukt als invertsuiker.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
7 VSW is een Duitse vereniging die met name tot taak heeft oneerlijke mededinging te bestrijden. PB is een onderneming die onder meer een alcoholvrije drank met de naam Virgin Gin Alkoholfrei (Virgin Gin alcoholvrij) verkoopt en promoot.
8 Daar VSW van mening was dat de reclame van PB voor deze drank inbreuk maakt op verordening 2019/787, heeft zij op 31 oktober 2023 tegen deze onderneming een vordering tot staking van de verkoop van die drank ingesteld bij het Landgericht Potsdam (rechter in eerste aanleg Potsdam, Duitsland), de verwijzende rechter. Daartoe betoogt zij dat gin overeenkomstig bijlage I bij verordening 2019/787 moet zijn verkregen door ethylalcohol uit landbouwproducten te aromatiseren met jeneverbessen en dat het alcoholvolumegehalte ten minste 37,5 % moet bedragen. Voor zover deze vereisten niet zijn nageleefd meent VSW dat PB ermee moet stoppen om de betrokken drank aan te bieden met de aanduiding „gin”.
9 PB betoogt daarentegen dat de reclame voor deze drank niet in strijd is met verordening 2019/787 aangezien voor alle consumenten duidelijk is dat hij geen alcohol bevat.
10 In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat hij twijfels heeft over de geldigheid van artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 wegens eventuele schending van de in artikel 16 van het Handvest verankerde vrijheid van ondernemerschap. Het verbod om een alcoholvrije drank als „alcoholvrije gin” te presenteren en etiketteren is immers onevenredig aangezien daarmee geen legitiem doel wordt nagestreefd. Volgens die rechter sluit de vermelding „alcoholvrij” elk risico uit dat de consument wordt misleid. Het verbod is tevens onevenredig omdat het krachtens verordening 2019/787 niet mogelijk is om de gin aan te duiden met bijvoorbeeld „ginsmaak”, wat meebrengt dat het product niet op een voor de consument begrijpelijke manier kan worden omschreven. Deze situatie verleent bovendien een concurrentievoordeel aan producenten die zowel alcoholvrije dranken als gin verhandelen, ten opzichte van producenten die uitsluitend alcoholvrije dranken verhandelen en dus niet worden geassocieerd met gin.
11 Voor het geval het Hof vaststelt dat artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 niet ongeldig is, wenst de verwijzende rechter te vernemen of de bepalingen van deze verordening aldus kunnen worden uitgelegd dat zij de presentatie of etikettering van alcoholvrije dranken als „alcoholvrije gin” niet verbieden. Volgens hem geven deze bepalingen echter blijk van de eenduidige wil van de Uniewetgever om dat wel te verbieden.
12 Daarop heeft het Landgericht Potsdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Is artikel 10, lid 7, van [verordening 2019/787] wegens schending van artikel 16 van het [Handvest] ongeldig, voor zover het de presentatie of etikettering van alcoholvrije dranken als ‚alcoholvrije gin’ verbiedt?
2) Subsidiair: moet artikel 10, lid 7, of artikel 12, lid 1, van [verordening 2019/787] aldus worden uitgelegd dat op grond van deze bepalingen de presentatie of etikettering van een alcoholvrije drank als ‚alcoholvrije gin’ niet verboden is op de enkele grond dat de drank niet het minimale alcoholvolumegehalte bevat dat voor de benaming als ‚gin’ vereist is en deze niet is verkregen door ethylalcohol uit landbouwproducten (maar: water) te aromatiseren met jeneverbessen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
13 De Italiaanse regering voert aan dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn. Met betrekking tot de eerste vraag heeft de verwijzende rechter haars inziens niet voldoende gegevens verstrekt om het Hof in staat te stellen de geldigheid van artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 te beoordelen. In het kader van de tweede vraag heeft de verwijzende rechter niet uiteengezet waarom hij twijfelt over de uitlegging van de betrokken bepalingen van het Unierecht. Hij is integendeel van mening dat deze bepalingen duidelijk een verbod bevatten om alcoholvrije dranken als „alcoholvrije gin” te presenteren en te etiketteren.
14 In dit verband moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter de context van het hoofdgeding en de redenen waarom hij de uitlegging van de betrokken bepalingen van het Unierecht noodzakelijk acht voor het wijzen van zijn vonnis, voldoende duidelijk heeft uiteengezet.
15 Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat de antwoorden op de gestelde vragen voor de hand liggen, voor een nationale rechterlijke instantie geenszins een beletsel is om het Hof prejudiciële vragen te stellen en niet afdoet aan de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen over dergelijke vragen (arrest van 21 december 2011, Evroetil, C‑503/10, EU:C:2011:872, punt 36).
16 Beide prejudiciële vragen zijn dan ook ontvankelijk.
Ten gronde
17 Aangezien de eerste vraag, betreffende de geldigheid van artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787, slechts is gesteld voor het geval deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat zij het verbiedt om alcoholvrije dranken te presenteren en etiketteren als „alcoholvrije gin”, dient eerst de tweede vraag te worden behandeld.
Tweede vraag
18 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 7, en artikel 12, lid 1, van verordening 2019/787 aldus moeten worden uitgelegd dat zij het verbieden om de benaming „alcoholvrije gin” te gebruiken in de presentatie en etikettering van een alcoholvrije drank omdat deze drank niet voldoet aan de vereisten van punt 20, onder a) en b), van bijlage I bij deze verordening voor de categorie gedistilleerde dranken met de benaming „gin”.
19 Blijkens artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 is het verboden om wettelijke benamingen, te weten onder meer „gin”, te gebruiken in de presentatie en etikettering van dranken die niet voldoen aan de vereisten van de desbetreffende in bijlage I bij die verordening opgenomen categorie. Dit verbod geldt voorts wanneer de wettelijke benamingen worden gebruikt in combinatie met woorden of formuleringen zoals „genre”, „type”, „stijl”, „trant” of „smaak”, of soortgelijke termen.
20 Overeenkomstig punt 20, onder a) en b), van bijlage I bij verordening 2019/787 moet gin zijn verkregen door ethylalcohol uit landbouwproducten te aromatiseren met jeneverbessen en moet het alcoholvolumegehalte ten minste 37,5 % bedragen.
21 Artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 is blijkens de bewoordingen ervan van toepassing onverminderd bepaalde voorschriften van deze verordening die regelingen bevatten voor het gebruik van een wettelijke benaming in een samengestelde term, voor zinspelingen op een dergelijke benaming, voor de opname ervan in een lijst van ingrediënten alsmede voor gedistilleerde dranken die worden aangemerkt als mengsels of blends. Die voorschriften zijn niet relevant in het kader van het hoofdgeding omdat zij uitsluitend van toepassing zijn op alcoholhoudende producten.
22 Wat artikel 12, lid 1, van verordening 2019/787 betreft, dat de verwijzende rechter in zijn tweede vraag noemt, moet worden geconstateerd dat die bepaling niet relevant is voor de beantwoording van deze vraag. Deze bepaling is immers enkel van toepassing op levensmiddelen die zijn bereid met alcohol. Zij kan dus niet worden toegepast in het hoofdgeding.
23 Vastgesteld zij dat uit de bewoordingen van artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 duidelijk blijkt dat het verboden is om een drank als die in het hoofdgeding te presenteren en te etiketteren als „alcoholvrije gin” omdat deze drank nu juist geen alcohol bevat. Die drank is dus niet bereid door ethylalcohol uit landbouwproducten te aromatiseren, wat in strijd is met een van de vereisten om de wettelijke benaming „gin” te kunnen gebruiken, waarnaar dat artikel 10, lid 7, verwijst en die zijn vervat in punt 20 van bijlage I bij die verordening.
24 Voorts volgt uit genoemd artikel 10, lid 7, dat het feit dat de wettelijke benaming „gin” wordt gecombineerd met de aanduiding „alcoholvrij” niet van invloed is, aangezien het verbod tevens geldt voor termen die worden gebruikt om aan te geven dat een gegeven drank niet dient te worden verward met de gedistilleerde drank met die benaming.
25 Derhalve dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling het verbiedt om de benaming „alcoholvrije gin” te gebruiken in de presentatie en etikettering van een alcoholvrije drank, omdat deze drank niet voldoet aan de vereisten die in punt 20, onder a) en b), van bijlage I bij deze verordening zijn vastgelegd voor de categorie gedistilleerde drank met de wettelijke benaming „gin”.
Eerste vraag
26 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 geldig is in het licht van de in artikel 16 van het Handvest verankerde vrijheid van ondernemerschap, voor zover die bepaling het verbiedt om een alcoholvrije drank als „alcoholvrije gin” te presenteren en te etiketteren.
27 De vrijheid van ondernemerschap omvat met name het recht voor elke onderneming om, binnen de grenzen van de aansprakelijkheid voor eigen handelingen, vrij te beschikken over de haar ter beschikking staande economische, technische en financiële middelen. Bovendien omvat dit recht de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, alsmede contractsvrijheid en vrije mededinging (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Lidl, C‑134/15, EU:C:2016:498, punten 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Er zij aan herinnerd dat artikel 52, lid 1, van het Handvest bepaalt dat beperkingen op de uitoefening van de in dat Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
29 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de vrijheid van beroepsuitoefening niet absoluut, maar moet zij in relatie met haar maatschappelijke functie worden gezien. Bijgevolg kan de uitoefening van de vrijheid van ondernemerschap aan beperkingen worden onderworpen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie nastreefde doeleinden van algemeen belang en zij, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep vormen waardoor deze rechten in hun kern worden aangetast (zie in die zin arrest van 6 september 2012, Deutsches Weintor, C‑544/10, EU:C:2012:526, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de Uniewetgever beschikt op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarop hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, wordt voorts aan de wettigheid van een op dit gebied genomen maatregel slechts afbreuk gedaan indien deze kennelijk ongeschikt is om het door de bevoegde instelling nagestreefde doel te bereiken (zie in die zin arresten van 14 juni 2017, TofuTown.com, C‑422/16, EU:C:2017:458, punt 46, en 2 september 2021, Irish Ferries, C‑570/19, EU:C:2021:664, punt 151).
31 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het verbod om de wettelijke benamingen te gebruiken voor alle dranken die niet aan de vereisten van de desbetreffende categorie voldoen, bij wet is gesteld in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest, aangezien het is opgenomen in artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787.
32 Vervolgens dient erop te worden gewezen dat dit verbod uitsluitend het gebruik van de wettelijke benamingen van gedistilleerde dranken betreft en geen belemmering vormt voor de productie of meer in het algemeen de distributie van dranken die niet aan de vereisten van die verordening voldoen. Aldus tast dat verbod de vrijheid van ondernemerschap niet in haar kern aan (zie in die zin arresten van 13 december 1994, SMW Winzersekt, C‑306/93, EU:C:1994:407, punt 24, en 6 september 2012, Deutsches Weintor, C‑544/10, EU:C:2012:526, punten 56‑58). Bijgevolg dient de slotsom te luiden dat het betrokken verbod de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap eerbiedigt.
33 Wat ten slotte het evenredigheidsbeginsel betreft zij opgemerkt dat hoewel de verwijzende rechter naar artikel 16 van het Handvest verwijst, tevens rekening dient te worden gehouden met artikel 38 daarvan, dat een hoog niveau van consumentenbescherming beoogt te verzekeren. Die bescherming is voorts in overweging 2 van verordening 2019/787 vermeld als een daarmee nagestreefd doel. Ook beoogt deze verordening volgens diezelfde overweging en overweging 10 ervan misleidende praktijken te voorkomen en te verzekeren dat de consumenten op transparante wijze worden geïnformeerd. Bovendien blijkt uit de overwegingen 2 en 3 van die verordening dat gedistilleerde dranken een belangrijk afzetkanaal voor de landbouwsector van de Unie zijn en dat deze verordening ertoe strekt eerlijke concurrentie te verwezenlijken en de faam van die dranken hoog te houden. Dergelijke doelstellingen zijn doelstellingen van algemeen belang (zie naar analogie arresten van 13 december 1994, SMW Winzersekt, C‑306/93, EU:C:1994:407, punt 25; 8 mei 2014, Assica en Kraft Foods Italia, C‑35/13, EU:C:2014:306, punt 37, en 30 juni 2016, Lidl, C‑134/15, EU:C:2016:498, punt 37).
34 Wat de vraag betreft of het betrokken verbod geschikt is om de verwezenlijking van de aldus nagestreefde doelen te waarborgen, dient te worden vastgesteld dat de inachtneming van de definities van met wettelijke benamingen aangeduide dranken die in de Unie op de markt worden gebracht, consumenten waarborgt dat deze producten alle aan dezelfde kwaliteitsnormen voldoen en hen beschermt tegen elk risico van verwarring met betrekking tot de samenstelling van de producten die zij willen kopen. Bovendien waarborgt dit verbod dat alleen dranken die op een bepaalde wijze zijn bereid en dezelfde eigenschappen hebben, onder de betrokken wettelijke benaming kunnen worden verhandeld. Met een dergelijke maatregel kan worden vermeden dat een producent van een drank die niet aan de vereisten van verordening 2019/787 voldoet, voor zijn eigen product zou kunnen profiteren van de reputatie die door producenten van gedistilleerde dranken met een wettelijke benaming is opgebouwd. Bijgevolg is het betrokken verbod geschikt om de met verordening 2019/787 nagestreefde doelen te bereiken.
35 Wat de vraag betreft of het betrokken verbod noodzakelijk is in het licht van de doelen van verordening 2019/787, moet worden opgemerkt dat indien wettelijke benamingen zouden kunnen worden gecombineerd met beschrijvende vermeldingen als „alcoholvrij”, ter aanduiding van producten die niet aan de vereisten voor dergelijke benamingen voldoen, consumenten het risico lopen te worden misleid ten aanzien van de samenstelling van de producten die zij wensen te kopen (zie in die zin arresten van 16 december 1999, UDL, C‑101/98, EU:C:1999:615, punten 33 en 34, en 14 juni 2017, TofuTown.com, C‑422/16, EU:C:2017:458, punten 47 en 48). Hoewel het voor de consument duidelijk is dat een product met de benaming „alcoholvrije gin” geen alcohol bevat, zou hij zich immers kunnen vergissen met betrekking tot de andere eigenschappen van dat product, aangezien de vereisten voor de wettelijke benaming „gin” andere bestanddelen omvatten dan enkel de aanwezigheid van alcohol, te weten, onder meer, dat het is bereid door ethylalcohol uit landbouwproducten te aromatiseren. Bovendien zou de reputatie die voor een gegeven drank is opgebouwd door de producenten die aan de vereisten van verordening 2019/787 voldoen, niet worden beschermd, wat het risico van oneerlijke mededinging meebrengt (zie in die zin arresten van 13 december 1994, SMW Winzersekt, C‑306/93, EU:C:1994:407, punt 25, en 14 juni 2017, TofuTown.com, C‑422/16, EU:C:2017:458, punten 43‑48). Bijgevolg dient het in artikel 10, lid 7, van verordening 2019/787 vervatte verbod als noodzakelijk te worden beschouwd.
36 Tevens dient rekening te worden gehouden met het in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte feit dat andere producenten dan degenen die er recht op hebben om de wettelijke benamingen voor gedistilleerde dranken te gebruiken, uitsluitend worden belet om die benamingen te gebruiken, maar dat hun geenszins het recht wordt ontnomen om hun producten te verhandelen zolang zij de relevante regeling naleven.
37 In die omstandigheden is het verbod om de wettelijke benamingen te gebruiken voor elke drank die niet voldoet aan de in verordening 2019/787 gestelde vereisten voor de desbetreffende categorie dranken, niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
38 Uit een en ander volgt dat bij het onderzoek van de eerste vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 10, lid 7, onder b), van verordening 2019/787 aantasten in het licht van de in artikel 16 van het Handvest verankerde vrijheid van ondernemerschap.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 10, lid 7, van verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 110/2008, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2021/1096 van de Commissie van 21 april 2021,
moet aldus worden uitgelegd dat
deze bepaling het verbiedt om de benaming „alcoholvrije gin” te gebruiken in de presentatie en etikettering van een alcoholvrije drank, omdat deze drank niet voldoet aan de vereisten die in punt 20, onder a) en b), van bijlage I bij deze verordening zijn vastgelegd voor de categorie gedistilleerde drank met de wettelijke benaming „gin”.
2) Bij het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 10, lid 7, van verordening (EU) 2019/787, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2021/1096, aantasten in het licht van de in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde vrijheid van ondernemerschap.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 2 september 2021, C-570/19, ECLI:EU:C:2021:664
- HvJ EU 14 juni 2017, C-422/16, ECLI:EU:C:2017:458
- HvJ EU 8 mei 2014, C-35/13, ECLI:EU:C:2014:306
- HvJ EU 6 september 2012, C-544/10, ECLI:EU:C:2012:526
- HvJ EU 21 december 2011, C-503/10, ECLI:EU:C:2011:872
- HvJ EU 16 december 1999, C-101/98, ECLI:EU:C:1999:615
- HvJ EU 13 december 1994, C-306/93, ECLI:EU:C:1994:407