HvJ EU 30 oktober 2025, C-558/24, ECLI:EU:C:2025:847
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
30 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 6 – Begrip ‚vertraging van vluchten’ – Uitstel van een vlucht die vooraf door de luchtvaartmaatschappij is aangekondigd met bevestiging van nieuwe vertrek‑ en aankomsttijden – Artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1 – Recht op compensatie van passagiers in geval van vertraging van drie of meer uur bij aankomst van een vlucht – Begrip ‚geplande aankomsttijd’ – Bepaling van de vertragingsduur”
In zaak C‑558/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Landshut (rechter in tweede aanleg Landshut, Duitsland) bij beslissing van 31 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 16 augustus 2024, in de procedure
Corendon Airlines Turistik Hava Tasimacilik AS
tegen
Myflyright GmbH,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, S. Rodin en N. Piçarra (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Corendon Airlines Turistik Hava Tasimacilik AS, vertegenwoordigd door S. Hendrix, Rechtsanwältin,
– Myflyright GmbH, vertegenwoordigd door J.‑P. von Hagen, Rechtsanwalt,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en N. Yerrell als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificaties in PB 2021, L 420, blz. 134, en PB 2022, L 68, blz. 24).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Corendon Airlines Turistik Hava Tasimacilik AS (hierna „Corendon Airlines”), een luchtvaartmaatschappij, en Myflyright GmbH, een vennootschap die rechtsbijstand aan luchtreizigers verleent, over een vordering tot compensatie op grond van verordening nr. 261/2004 naar aanleiding van een langdurige vertraging van een vlucht bij aankomst op de eindbestemming.
Toepasselijke bepalingen
3 De overwegingen 1, 2 en 4 van verordening nr. 261/2004 luiden als volgt: „(1) Het optreden van de [Europese] Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen. (2) Instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten brengen voor passagiers ernstige moeilijkheden en ongemak met zich mee. [...] (4) De Gemeenschap dient derhalve de bij [verordening (EEG) nr. 295/91 van de Raad van 4 februari 1991 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor compensatie bij instapweigering in het geregeld luchtvervoer (PB 1991, L 36, blz. 5)] vastgestelde beschermingsnormen te verhogen, teneinde de rechten van de passagier uit te breiden en ervoor te zorgen dat de luchtvaartmaatschappijen onder geharmoniseerde voorwaarden hun bedrijf uitoefenen op een geliberaliseerde markt.”
4 Artikel 2, „Definities”, van verordening nr. 261/2004 bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: [...] l) ‚annulering’: het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt.”
5 Artikel 5 van die verordening, „Annulering”, bepaalt in lid 1: „In geval van annulering van een vlucht: [...] c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij [...] iii) de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een alternatief reisplan wordt aangeboden dat hen in staat stelt niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd te vertrekken en hun eindbestemming minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd te bereiken.”
6 Artikel 6, „Vertraging”, van die verordening luidt in lid 1: „Wanneer een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert redelijkerwijs kan verwachten dat die vlucht een vertraging tot na de geplande vertrektijd oploopt, en wel a) van twee uur of meer voor alle vluchten van 1500 km of minder, b) van drie uur of meer voor alle vluchten binnen de Gemeenschap van meer dan 1500 km en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km, [...] [...] wordt de passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, bijstand geboden als bedoeld in i) artikel 9, lid 1, onder a), en artikel 9, lid 2, en ii) artikel 9, lid 1, onder b), en artikel 9, lid 1, onder c), ingeval de vertrektijd, naar redelijkerwijs wordt verwacht, ten vroegste daags na de geplande vertrektijd is, en iii) artikel 8, lid 1, onder a), in geval van een vertraging van ten minste vijf uur.”
7 Artikel 7, „Recht op compensatie”, van die verordening bepaalt in lid 1 het volgende: „Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van: [...] b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km; [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 Vier luchtreizigers, die in het bezit waren van een boekingsbevestiging van Corendon Airlines voor een vlucht van München (Duitsland) om 10.20 uur (lokale tijd) met aankomst te Antalya (Turkije) om 14.20 uur (lokale tijd) op 2 augustus 2022, hebben de dag voor hun vertrek een nieuwe boekingsbevestiging voor deze vlucht ontvangen, verstrekt door de reisorganisator, waarin hun werd meegedeeld dat de geplande vertrektijd van de vlucht was verschoven naar 11.20 uur (lokale tijd), wat zou leiden tot een verschuiving van de aankomsttijd naar 15.20 uur (lokale tijd).
9 Op 2 augustus 2022 steeg de vlucht echter pas op om 14.37 uur (lokale tijd), waardoor deze passagiers uiteindelijk om 18.16 uur (lokale tijd) aankwamen op hun bestemming.
10 Myflyright, waaraan de betrokken passagiers hun recht op compensatie hebben overgedragen, heeft een beroep ingesteld bij het Amtsgericht Erding om, op grond van met name de artikelen 5 en 7 van verordening nr. 261/2004, een compensatie te verkrijgen ten belope van in totaal 1600 EUR, dat wil zeggen 400 EUR per passagier.
11 Bij vonnis van 30 augustus 2023 heeft deze rechter de vordering toegewezen en daarbij geoordeeld dat het uitstel van de vlucht met één uur niet een „annulering” in de zin van artikel 2, onder l), van verordening nr. 261/2004 vormde, maar een vertraging waarvan de duur moest worden bepaald op basis van de oorspronkelijke vluchttijden.
12 Corendon Airlines is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het Landgericht Landshut (rechter in tweede aanleg Landshut, Duitsland), de verwijzende rechter, met het argument dat in casu bij het bepalen van de duur van die vertraging de vluchttijden in de nieuwe boekingsbevestiging in aanmerking moesten worden genomen, en niet de oorspronkelijke vluchttijden.
13 De verwijzende rechter is daarentegen van mening dat de duur van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vertraging moet worden bepaald door de oorspronkelijk geplande aankomsttijd in aanmerking te nemen, aangezien voor de betrokken passagiers enkel van belang is of de vlucht ten opzichte van die tijd is vertraagd. Als de aankomsttijd in de nieuwe boekingsbevestiging in aanmerking zou worden genomen om de duur van de vertraging te bepalen, zou dit volgens die rechter niet alleen een „louter formele benadering” vormen, maar ook in strijd zijn met de doelstelling van verordening nr. 261/2004, die met name bestaat in het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van passagiers die worden getroffen door annulering of langdurige vertraging van hun vlucht. Bovendien zou een dergelijke benadering de luchtvaartmaatschappij in staat stellen de aankomsttijd van een vlucht uit te stellen zonder daarvoor aansprakelijk te worden gesteld, door op het laatste moment nieuwe boekingsbevestigingen uit te geven met vermelding van uitstel van vluchten.
14 Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht Landshut de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet bij het onderzoek van een ‚langdurige’ vertraging bij aankomst op de eindbestemming, wanneer een vlucht wordt uitgesteld en er een nieuwe voucher wordt afgegeven, worden uitgegaan van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd of van de in de nieuwe boekingsbevestiging vermelde aankomsttijd? 2) Indien de gewijzigde aankomsttijd bepalend is: a) Is het van belang hoelang voor de oorspronkelijke vertrektijd de passagier op de hoogte wordt gebracht van het uitstel van de vlucht? Is in het bijzonder van belang of de in artikel 5, lid 1, onder c), van [verordening nr. 261/2004] bedoelde termijnen voor de nieuwe aankomst daadwerkelijk in acht zijn genomen opdat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert zich kan verschonen van de verplichting tot compensatie? b) Zo ja: heeft de passagier – en in dat geval, onder welke voorwaarden – recht op compensatie uit hoofde van de artikelen 5 en 7 van [verordening nr. 261/2004] wanneer er sprake is van een langdurige vertraging bij aankomst ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
15 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 1, onder c) en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat in geval van uitstel van de vertrek‑ en aankomsttijd van een vlucht die vooraf is aangekondigd door de luchtvaartmaatschappij en waarbij de betrokken passagiers een nieuwe boekingsbevestiging is verstrekt, de door hen bij aankomst opgelopen vertragingsduur moet worden bepaald aan de hand van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd of aan de hand van die in de nieuwe boekingsbevestiging.
16 Het is in de eerste plaats van belang erop te wijzen dat het begrip „vertraging” van een vlucht niet wordt gedefinieerd in verordening nr. 261/2004, in tegenstelling tot het begrip „annulering”, waarop artikel 5 van deze verordening betrekking heeft en dat in artikel 2, onder l), van die verordening wordt gedefinieerd als „het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt”.
17 Met betrekking tot het begrip „vertraging” van een vlucht heeft het Hof ten eerste verduidelijkt dat er sprake is van „vertraging” in de zin van artikel 6 van verordening nr. 261/2004 indien een vlucht volgens de oorspronkelijke planning wordt uitgevoerd maar de daadwerkelijke vertrektijd later valt dan de oorspronkelijk geplande vertrektijd (zie in die zin arrest van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 32). Ten tweede heeft het Hof geoordeeld dat het dan ook in strijd zou zijn met de gangbare betekenis van de bewoordingen en met de algemene opzet van verordening nr. 261/2004 om het enkele uitstellen van de daadwerkelijke vertrektijd van een vlucht, zonder enige andere wijziging, als een annulering te kwalificeren (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Corendon Airlines, C‑395/20, EU:C:2021:1041, punt 22).
18 Het Hof heeft voorts verduidelijkt dat verordening nr. 261/2004 de kwalificatie als „geannuleerde” vlucht in de zin van artikel 5 van die verordening of als „vertraagde” vlucht in de zin van artikel 6 daarvan niet afhankelijk stelt van de enkele omstandigheid dat de latere vertrektijd van de betrokken vlucht vooraf is aangekondigd (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Corendon Airlines, C‑395/20, EU:C:2021:1041, punt 21).
19 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken passagiers de dag voor hun vertrek op de hoogte zijn gesteld van het uitstel van de vertrektijd van hun vlucht en dat hun een nieuwe boekingsbevestiging is toegezonden, met vermelding van de nieuwe vluchttijden, zonder enige wijziging van de luchthaven van vertrek of aankomst, noch van het vluchtnummer van de vlucht waarmee deze passagiers werden vervoerd. Deze elementen kenmerken aldus een „vertraging” in de zin van artikel 6 van verordening nr. 261/2004, zoals uitgelegd in de punten 17 en 18 van het onderhavige arrest.
20 In de tweede plaats moeten de artikelen 5 en 7 van verordening nr. 261/2004, gelezen in het licht van overweging 2 ervan en van het beginsel van gelijke behandeling, aldus worden uitgelegd dat passagiers van vertraagde vluchten ten eerste, voor de toepassing van het in dit artikel 7, lid 1, bedoelde recht op compensatie, kunnen worden gelijkgesteld met passagiers van geannuleerde vluchten. Ten tweede kunnen deze passagiers aanspraak maken op dit recht op compensatie wanneer zij ten gevolge van een vertraagde vlucht drie uur of meer tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken. (zie in die zin arrest van 25 januari 2024, Laudamotion en Ryanair, C‑54/23, EU:C:2024:74, punten 19 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Bij het vaststellen van deze vertraging van drie uur als voorwaarde voor het verkrijgen van compensatie, is rekening gehouden met het feit dat artikel 5, lid 1, onder c), iii), van verordening nr. 261/2004 luchtvaartmaatschappijen toestaat om, in het specifieke kader van een alternatieve vlucht van passagiers na een op het laatste moment geannuleerde vlucht, de vertrektijd van passagiers met maximaal één uur te vervroegen en hun aankomst met minder dan twee uur te vertragen (zie in die zin arrest van 23 oktober 2012, Nelson e.a., C‑581/10 en C‑629/10, EU:C:2012:657, punt 31).
22 Aldus blijkt uit de twee voorgaande punten van het onderhavige arrest dat wanneer de vertraging bij aankomst van de vlucht drie uur of meer bedraagt, de betrokken passagiers, net als passagiers van wie de oorspronkelijke vlucht is geannuleerd en aan wie de luchtvaartmaatschappij geen andere vlucht kan aanbieden onder de in artikel 5, lid 1, onder c), iii), van verordening nr. 261/2004 gestelde voorwaarden, beschikken over een recht op compensatie op basis van artikel 7 van deze verordening, aangezien ook zij een onomkeerbaar tijdverlies lijden (arrest van 4 september 2014, Germanwings, C‑452/13, EU:C:2014:2141, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 In casu dient te worden opgemerkt dat, indien de duur van de door de betrokken passagiers bij aankomst op hun bestemming opgelopen vertraging wordt bepaald aan de hand van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd, deze passagiers aanspraak kunnen maken op een recht op compensatie, aangezien zij dan, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, een vertraging hebben opgelopen van meer dan drie uur na de oorspronkelijk geplande aankomsttijd. Indien de duur van die vertraging daarentegen wordt bepaald op basis van de in de nieuwe boekingsbevestiging vermelde aankomsttijd, zouden die passagiers geen aanspraak kunnen maken op een dergelijke compensatie, aangezien de vertraging in dat geval minder dan drie uur zou bedragen.
24 Niets in de bewoordingen van de bepalingen van verordening nr. 261/2004 waarvan om uitlegging wordt verzocht, sluit echter uit dat de duur van de vertraging die de passagiers bij aankomst op hun eindbestemming hebben opgelopen, wordt bepaald vanaf de vertrektijd die deze passagiers en de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk waren overeengekomen bij het boeken van de betrokken vlucht, en dit ongeacht latere eenzijdige uitstellingen van de vertrek‑ en aankomsttijden van deze vlucht en de afgifte van nieuwe boekingsbevestigingen door de luchtvaartmaatschappij.
25 Deze wijze om de duur van de betrokken vertraging te bepalen, vindt ten eerste steun in de doelstellingen van verordening nr. 261/2004 om een hoog niveau van bescherming van passagiers te waarborgen, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen, zoals omschreven in overweging 1 van deze verordening. Ten tweede vindt deze methode steun in overweging 4 van genoemde verordening, die de wil van de Uniewetgever uitdrukt om de bij de vorige verordening vastgestelde beschermingsnormen te verhogen teneinde de rechten van de passagier uit te breiden en ervoor te zorgen dat luchtvaartmaatschappijen hun bedrijf uitoefenen onder geharmoniseerde voorwaarden en op een geliberaliseerde markt.
26 Daarentegen zou het bepalen van de duur van de betrokken vertraging ten opzichte van de aankomsttijd in de nieuwe boekingsbevestiging erop neerkomen dat het de betreffende luchtvaartmaatschappij wordt toegestaan om, met de loutere afgifte van een dergelijke bevestiging, de vertrektijd van de vlucht eenzijdig te wijzigen, terwijl deze vertrektijd bij de boeking contractueel was overeengekomen tussen de passagiers en deze luchtvaartmaatschappij. Dit zou indruisen tegen het hoofddoel van verordening nr. 261/2004 om een hoog niveau van bescherming van passagiers te waarborgen, welke een ruime uitlegging van de aan luchtreizigers verleende rechten vereist (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones, C‑11/23, EU:C:2024:194, punt 33).
27 Anders dan Corendon Airlines aanvoert, kan de voorafgaande aankondiging aan de betrokken passagiers van een uitstel van de vertrek‑ en aankomsttijd van hun vlucht via een e-mail van de luchtvaartmaatschappij, die de dag voor vertrek is verzonden, niet afdoen aan de kwalificatie van dit uitstel als vertraging, zonder uit te sluiten dat een dergelijke aankondiging in voorkomend geval het ongemak dat deze passagiers ondervinden, kan beperken.
28 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1), onder c), en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat in geval van uitstel van de vertrek‑ en aankomsttijd van een vlucht die vooraf is aangekondigd door een luchtvaartmaatschappij en waarbij de betrokken passagiers een nieuwe boekingsbevestiging is verstrekt, de door hen bij aankomst opgelopen vertragingsduur moet worden bepaald aan de hand van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd.
Tweede vraag
29 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
30 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91
moeten aldus worden uitgelegd dat
in geval van uitstel van de vertrek‑ en aankomsttijd van een vlucht die vooraf is aangekondigd door een luchtvaartmaatschappij en waarbij de betrokken passagiers een nieuwe boekingsbevestiging is verstrekt, de door hen bij aankomst opgelopen vertragingsduur moet worden bepaald aan de hand van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 29 februari 2024, C-11/23, ECLI:EU:C:2024:194
- HvJ EU 25 januari 2024, C-54/23, ECLI:EU:C:2024:74
- HvJ EU 21 december 2021, C-395/20, ECLI:EU:C:2021:1041
- HvJ EU 4 september 2014, C-452/13, ECLI:EU:C:2014:2141
- HvJ EU 23 oktober 2012, C-581/10, ECLI:EU:C:2012:657
- HvJ EU 19 november 2009, C-402/07, ECLI:EU:C:2009:716