HvJ EU 30 oktober 2025, C-790/23, ECLI:EU:C:2025:838
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
30 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken dat aan het VEU en het VWEU is gehecht – Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land wordt ingediend – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Artikel 18, lid 1, onder d) – Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat – Verplichting om een onderdaan van een derde land wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat terug te nemen – Begrip ‚verzoek [om internationale bescherming]’ – Bijzondere status van het Koninkrijk Denemarken – Begrip ‚afwijzing’ – Besluit om een tijdelijke verblijfstitel niet te verlengen of te vernieuwen – Daarvan uitgesloten”
In zaak C‑790/23 [Qassioun] ( i ) ,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) bij beslissing van 18 december 2023, ingekomen bij het Hof op 21 december 2023, in de procedure
X
tegen
Maahanmuuttovirasto,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: G. Chiapponi, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– X, vertegenwoordigd door V. Matilainen, asianajaja,
– Maahanmuuttovirasto, vertegenwoordigd door I. Haahtela en M. Montin als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
– de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, M. Jespersen en C. A. Maertens als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, R. Kanitz en N. Scheffel als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, A. Katsimerou, T. Simonen en I. Söderlund als gemachtigden,
– de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door L. Lanzrein en V. Michel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen X, een Syrisch onderdaan, en de Maahanmuuttovirasto (immigratiedienst, Finland) (hierna: „immigratiedienst”) over een besluit van deze nationale autoriteit tot afwijzing van een door X ingediend verzoek om internationale bescherming, waarbij is bepaald dat zij wordt overgedragen aan Denemarken en haar een inreisverbod voor Finland is opgelegd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Protocol betreffende de positie van Denemarken
3 Artikel 1 van het aan het VEU en VWEU gehechte Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken (hierna: „Protocol betreffende de positie van Denemarken”) luidt als volgt: „Denemarken neemt niet deel aan de aanneming door de Raad [van de Europese Unie] van overeenkomstig deel III, titel V, [VWEU] voorgestelde maatregelen. [...] [...]”
4 Artikel 2 van dit Protocol bepaalt: „De bepalingen van het derde deel, titel V, [VWEU], de ingevolge die titel vastgestelde maatregelen, de bepalingen in door de [Europese] Unie ingevolge die titel gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter uitlegging van deze bepalingen of maatregelen of maatregelen die uit hoofde van die titel gewijzigd zijn of kunnen worden, zijn niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet, laten het op Denemarken van toepassing zijnde acquis van de Unie onverlet en maken geen deel uit van het op Denemarken van toepassing zijnde recht van de Unie. [...]”
Overeenkomst tussen de Unie en Denemarken
5 Artikel 1 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land in Denemarken of bij een andere lidstaat van de Europese Unie wordt ingediend en betreffende het gebruik van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (PB 2006, L 66, blz. 38; hierna: „Overeenkomst tussen de Unie en Denemarken”), die namens de Unie is goedgekeurd bij besluit 2006/188/EG van de Raad van 21 februari 2006 (PB 2006, L 66, blz. 37), luidt: „1. Deze overeenkomst heeft ten doel de bepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (‚verordening Dublin II’), van verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van ‚Eurodac’ voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin [(PB 2000, L 316, blz. 1; hierna: „Eurodac-verordening”)] en de maatregelen ter uitvoering daarvan op de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Denemarken toe te passen overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2. 2. Het is het doel van de overeenkomstsluitende partijen om tot een eenvormige toepassing en uitlegging van de bepalingen van de verordeningen en de maatregelen ter uitvoering daarvan in alle lidstaten te komen. [...]”
6 Artikel 2, lid 1, van deze overeenkomst luidt: „De bepalingen van [verordening nr. 343/2003], die aan deze overeenkomst is gehecht en er deel van uitmaakt, samen met de [...] aangenomen maatregelen ter uitvoering daarvan [...], zijn ingevolge het internationale recht van toepassing op de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Denemarken.”
7 Artikel 3 van die overeenkomst („Wijzigingen van [verordening nr. 343/2003] en de ‚Eurodac-verordening”) bepaalt: „1. Denemarken neemt niet deel aan de aanneming van wijzigingen van [verordening nr. 343/ 2003] en de ‚Eurodac-verordening’ en deze wijzigingen zijn niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken. 2. Wanneer wijzigingen van de verordeningen worden aangenomen, stelt Denemarken de Commissie in kennis van zijn besluit om de inhoud van deze wijzigingen al dan niet ten uitvoer te leggen. Deze kennisgeving geschiedt op het ogenblik van de aanneming van de wijzigingen of binnen een termijn van 30 dagen hierna. [...]”
8 Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling heeft Denemarken de Commissie in kennis gesteld van zijn besluit om verordening nr. 604/2013 toe te passen.
Verordening nr. 604/2013
9 Artikel 2 van verordening nr. 604/2013 luidt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: [...] b) ‚verzoek om internationale bescherming’: een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van richtlijn [2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)]; [...] l) ,verblijfstitel’: een door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven machtiging waarbij het een onderdaan van een derde land of een staatloze wordt toegestaan op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, met inbegrip van de documenten waarbij personen worden gemachtigd zich op het grondgebied van die lidstaat op te houden in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel of in afwachting van de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel die tijdelijk door bepaalde omstandigheden niet kan worden uitgevoerd, echter met uitzondering van visa en verblijfsvergunningen die zijn afgegeven tijdens de periode die nodig is om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen in de zin van deze verordening of tijdens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming of een aanvraag voor een verblijfsvergunning; [...]”
10 Artikel 3 van deze verordening („Toegang tot de procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming”) bepaalt: „1. De lidstaten behandelen elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is. 2. Wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan. [...]”
11 Hoofdstuk III van die verordening („Criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat”), bevat de artikelen 7 tot en met 15 van die verordening. Artikel 12 ervan bepaalt, onder het opschrift „Afgifte van verblijfstitels of visa”: „1. Wanneer de verzoeker houder is van een geldige verblijfstitel, is de lidstaat die deze titel heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. 2. Wanneer de verzoeker houder is van een geldig visum, is de lidstaat die dit visum heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming [...]. [...] 4. Wanneer de verzoeker slechts houder is van één of meer verblijfstitels die minder dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, zijn de leden 1, 2 en 3 van toepassing zolang de verzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten. Wanneer de verzoeker houder is van één of meer verblijfstitels die meer dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die meer dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, en hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk. [...]”
12 Artikel 18 van verordening nr. 604/2013 („Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat”) luidt als volgt: „1. De verantwoordelijke lidstaat is verplicht: [...] d) een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat [...] terug te nemen. [...]”
13 Artikel 48 van verordening nr. 604/2013 bepaalt dat verordening nr. 343/2003 wordt ingetrokken en dat verwijzingen naar deze verordening worden gelezen als verwijzingen naar verordening nr. 604/2013.
Richtlijn 2011/95
14 In artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95 wordt het begrip „verzoek om internationale bescherming”, in de zin van deze richtlijn, omschreven als „een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder [die] richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht”.
15 Artikel 19 van richtlijn 2011/95 („Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de subsidiairebeschermingsstatus”) bepaalt: „1. Met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming [...] trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende subsidiairebeschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij [...] niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. [...] 4. Onverminderd de plicht [...] van de onderdaan van een derde land of staatloze om melding te maken van alle relevante feiten en alle relevante documenten waarover hij beschikt over te leggen, toont de lidstaat die de subsidiairebeschermingsstatus heeft verleend per geval aan dat de betrokken persoon niet of niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming [...]”.
Richtlijn 2013/32
16 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60) bepaalt in artikel 11 („Vereisten voor een beslissing van de beslissingsautoriteit”): „1. De lidstaten zorgen ervoor dat beslissingen over verzoeken om internationale bescherming schriftelijk worden bekendgemaakt. 2. De lidstaten zorgen er tevens voor dat beslissingen waarbij verzoeken worden afgewezen wat de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus betreft, in feite en in rechte worden gemotiveerd en dat schriftelijk informatie wordt verstrekt over de wijze waarop een negatieve beslissing kan worden aangevochten. De lidstaten hoeven geen schriftelijke informatie te verstrekken over de wijze waarop tegen een negatieve beslissing rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, indien zulke informatie in samenhang met een beslissing in een vroeger stadium aan de verzoeker is verstrekt, ofwel schriftelijk ofwel door voor hem toegankelijke elektronische middelen. [...]”
Fins recht
17 Krachtens § 103, lid 2, van de Ulkomaalaislaki (301/2004) [vreemdelingenwet (301/2004)] van 30 april 2004 kan een in Finland ingediend verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk worden verklaard indien degene die dat verzoek heeft ingediend kan worden overgedragen aan een andere lidstaat die op grond van verordening nr. 604/2013 verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek.
Deens recht
18 § 7, leden 2 en 3, van de Udlændingelov (vreemdelingenwet), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „2. Aan een vreemdeling die daarom verzoekt, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend wanneer hij bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst wordt blootgesteld aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. [...] 3. In de in lid 2 bedoelde gevallen wordt, wanneer het risico op de doodstraf, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing speelt in de context van een bijzonder ernstige situatie in het land van herkomst die wordt gekenmerkt door willekeurig geweld en agressie tegen de burgerbevolking, op verzoek een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgegeven. [...]”
19 § 11, lid 2, van die wet luidt: „[...] De Udlændingestyrelse (vreemdelingendienst) beslist op grond van § 7 [...] ambtshalve over de verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, indien de grond voor die verlenging nog bestaat [...]”.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20 Verzoekster in het hoofdgeding is Syrisch onderdaan.
21 Op 1 juli 2016 heeft zij in het Koninkrijk Denemarken een verzoek om internationale bescherming ingediend.
22 Op 29 augustus 2016 heeft de ter zake bevoegde Deense autoriteit haar een tijdelijke verblijfsvergunning verleend ex artikel 7, lid 3, van de vreemdelingenwet. Deze verblijfstitel was aanvankelijk een jaar geldig met ingang van de datum van afgifte. Vervolgens is de verblijfstitel op initiatief van dezelfde autoriteit verschillende keren voor dezelfde periode verlengd. Op 17 november 2020 heeft deze autoriteit, nog steeds op eigen initiatief, evenwel ingevolge § 11, lid 2, van de vreemdelingenwet besloten deze verblijfstitel niet te verlengen.
23 Op 27 juli 2021 heeft verzoekster in het hoofdgeding een verzoek om internationale bescherming ingediend in Finland.
24 Op 29 juli 2021 heeft de immigratiedienst, de ter zake bevoegde Finse autoriteit, bij de bevoegde Deense autoriteit een verzoek tot terugname van verzoekster in het hoofdgeding door het Koninkrijk Denemarken ingediend krachtens artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013.
25 Op 5 augustus 2021 heeft het Koninkrijk Denemarken dit verzoek aanvaard.
26 Op 12 november 2021 heeft de immigratiedienst, die meende dat het Koninkrijk Denemarken de lidstaat was die verantwoordelijk was voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming dat door verzoekster in het hoofdgeding bij die dienst was ingediend, een besluit vastgesteld waarbij dit verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard, werd bepaald dat de betrokkene aan Denemarken moest worden overgedragen en haar een inreisverbod voor Finland werd opgelegd voor een periode van twee jaar.
27 Verzoekster heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Helsingin hallinto-oikeus (bestuursrechter in eerste aanleg Helsinki, Finland), die dit beroep heeft afgewezen.
28 Vervolgens heeft zij verzocht om toestemming voor het instellen van een rechtsmiddel bij de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland), de verwijzende rechter.
29 Om op dit verzoek te kunnen beslissen moet volgens deze rechter worden bepaald of artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 van toepassing is in een situatie als die waarin verzoekster in het hoofdgeding zich bevindt, en, daartoe, of het door haar bij het Koninkrijk Denemarken ingediende verzoek om internationale bescherming kan worden beschouwd als een „verzoek [dat] is afgewezen” in de zin van deze bepaling.
30 Dienaangaande merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat aanvankelijk enkele keren positief op dit verzoek is beslist, aangezien de Deense bevoegde autoriteit haar een tijdelijke verblijfstitel heeft verleend en deze vervolgens meermaals heeft verlengd. Deze rechter voegt daaraan toe dat pas daarna en op initiatief van deze autoriteit is besloten om deze tijdelijke verblijfstitel niet te verlengen. Gelet op een en ander vraagt hij zich af of dit verzoek kan worden geacht te zijn „afgewezen” in de zin van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013.
31 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat het Koninkrijk Denemarken, zoals het krachtens het Protocol betreffende de positie van Denemarken is toegestaan, een bijzondere status geniet met betrekking tot het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Denemarken heeft zich er namelijk krachtens de overeenkomst tussen de Unie en deze lidstaat toe verbonden om verordening nr. 604/2013 toe te passen. Deze lidstaat heeft zich er daarentegen niet toe verbonden om de handelingen van afgeleid Unierecht waarnaar deze verordening verwijst toe te passen. Dit geldt meer bepaald voor richtlijn 2011/95, waarnaar met name in artikel 2, onder b), van die verordening wordt verwezen. Dientengevolge kunnen alleen de vormen van internationale bescherming waarin het nationale recht voorziet met succes bij de bevoegde Deense autoriteit worden aangevraagd en door deze autoriteit worden verleend, en niet de vormen waarnaar wordt verwezen in deze richtlijn. Daarbij zij, kort gezegd, opgemerkt dat in casu niet de op vluchtelingen toepasselijke bescherming aan verzoekster in het hoofdgeding is verleend, maar de subsidiaire bescherming als bedoeld in de vreemdelingenwet. Gelet op deze bijzondere status moet worden bepaald of een verzoek om internationale bescherming dat door een derdelander bij deze autoriteit wordt ingediend kan worden beschouwd als een „verzoek [om internationale bescherming]” in de zin van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013.
32 In deze omstandigheden heeft de Korkein hallinto-oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 18, lid 1, onder d), van de verordening [nr. 604/2013] aldus worden uitgelegd dat de afwijzing van het verzoek in de zin van deze bepaling kan voortvloeien uit de niet-verlenging van een tijdelijke verblijfstitel die eerder op grond van een bestaande behoefte aan bescherming in Denemarken aan de betrokken persoon is afgegeven, indien het besluit tot niet-verlenging niet is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek van die persoon, maar op initiatief van de autoriteit?”
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
33 Bij op 1 juli 2025 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft de Deense regering krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling. Ter ondersteuning van haar verzoek heeft deze regering kort gezegd aangevoerd dat de redenering ter ondersteuning van de conclusie van de advocaat-generaal niet naar behoren rekening hield met het gehele rechtskader rond de deelname van het Koninkrijk Denemarken aan verordening nr. 604/2013.
34 In dat verband zij ten eerste opgemerkt dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Ten tweede heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is niet gebonden door deze conclusies noch door de redenering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt [arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens),C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Het is juist dat het Hof overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering, in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit heeft aangebracht dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof.
36 In casu is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, evenwel van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om uitspraak te doen en dat het door de Deense regering ingediende verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling geen enkel nieuw feit aan het licht brengt dat van beslissende invloed kan zijn op de door het Hof te geven beslissing.
37 Derhalve is er geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
38 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het niet verlengen of het niet vernieuwen van een eerder aan een derdelander afgegeven verblijfstitel kan worden gelijkgesteld met een afwijzing van het door die derdelander ingediende verzoek om internationale bescherming, in de zin van die bepaling.
39 Vooraf moet worden benadrukt dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt om uitlegging van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 in een specifieke juridische context.
40 In het hoofdgeding gaat het er immers om, te bepalen of het Koninkrijk Denemarken verplicht is om een derdelander terug te nemen die, na in die lidstaat een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend en de in het nationale recht van die lidstaat voorziene subsidiaire bescherming te hebben verkregen, in Finland een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
41 Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, geniet het Koninkrijk Denemarken krachtens de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken een bijzondere status, die het onderscheidt van de andere lidstaten met betrekking tot het derde deel, titel V, van het VWEU, waartoe met name het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie behoort [arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Door Denemarken afgewezen asielverzoek),C‑497/21, EU:C:2022:721, punt 35].
42 In het kader van deze bijzondere status bepalen artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst tussen de Unie en Denemarken dat de bepalingen van verordening nr. 343/2003 ook door het Koninkrijk Denemarken ten uitvoer worden gelegd. Na de vaststelling van verordening nr. 604/2013, waarbij verordening nr. 343/2003 is ingetrokken, heeft het Koninkrijk Denemarken overeenkomstig artikel 3, lid 2, van deze overeenkomst kennisgegeven van zijn besluit om ook verordening nr. 604/2013 toe te passen.
43 Artikel 18, lid 1, onder d), van deze laatste verordening bepaalt dat een lidstaat verplicht is een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, terug te nemen. In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een derdelander in het Koninkrijk Denemarken een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, kan een andere lidstaat waarbij die derdelander een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, het Koninkrijk Denemarken dientengevolge verzoeken om die derdelander terug te nemen, indien aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan.
44 Volgens het Protocol betreffende de positie van Denemarken is richtlijn 2011/95 daarentegen niet van toepassing op het Koninkrijk Denemarken [zie in die zin arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Door Denemarken afgewezen asielverzoek),C‑497/21, EU:C:2022:721, punt 43].
45 Meer bepaald is aldus de definitie van het begrip „verzoek om internationale bescherming” in artikel 2, onder b), van verordening nr. 604/2013 niet van toepassing op die lidstaat, aangezien deze definitie zelf verwijst naar artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95, volgens hetwelk dit begrip ziet op een verzoek om bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een lidstaat is ingediend en dat aldus kan worden opgevat dat het strekt tot verkrijging van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus.
46 Bijgevolg moet in het licht van deze specifieke juridische context, die voortvloeit uit de bijzondere status die het Koninkrijk Denemarken geniet, worden geantwoord op de vraag van de verwijzende rechter over het in artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 gestelde vereiste dat het verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een derdelander zoals verzoekster in het hoofdgeding, moet zijn afgewezen.
47 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat, wat het Koninkrijk Denemarken betreft, het verzoek dat moet zijn afgewezen niets anders kan zijn dan een verzoek dat bij de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat is ingediend om een van de vormen van internationale bescherming te verkrijgen die in het nationale recht van deze lidstaat zijn voorzien, zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
48 Aangezien richtlijn 2011/95 niet van toepassing is op die lidstaat, zoals blijkt uit punt 44 van het onderhavige arrest, kunnen met de verzoeken die bij de bevoegde autoriteiten van die lidstaat worden ingediend immers geen vormen van internationale bescherming als bedoeld in deze richtlijn worden verkregen [arresten van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Door Denemarken afgewezen asielverzoek), C‑497/21, EU:C:2022:721, punt 43, en 19 december 2024, Khan Yunis en Baabda, C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042, punt 60].
49 Op dit punt verschilt de toepassing van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 in het geval waarin moet worden bepaald of het Koninkrijk Denemarken al dan niet verplicht is tot terugname, dus van de toepassing van deze bepaling ten aanzien van elke andere lidstaat, waarvoor er sprake moet zijn van een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95.
50 Niettemin moeten verzoeken die bij het Koninkrijk Denemarken worden ingediend om een van de in het nationale recht van deze lidstaat voorziene vormen van internationale bescherming te verkrijgen, voor de toepassing van artikel 18, lid 1, onder d), van deze verordening worden gelijkgesteld met verzoeken die in een andere lidstaat kunnen worden ingediend om een van de in richtlijn 2011/95 bedoelde vormen van internationale bescherming te verkrijgen, aangezien de Unie en het Koninkrijk Denemarken een internationale overeenkomst hebben gesloten om deze lidstaat in staat te stellen deel te nemen aan de uitvoering van verordening nr. 604/2013. Zo’n gelijkstelling is immers noodzakelijk, wil deze internationale overeenkomst, die uitdrukking geeft aan de gemeenschappelijke wil van de Unie en het Koninkrijk Denemarken om deze lidstaat in staat te stellen om deel te nemen aan de uitvoering van verordening nr. 604/2013, nuttig effect hebben.
51 In de tweede plaats moet het verzoek waarnaar wordt verwezen in artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 door de bevoegde autoriteit zijn afgewezen.
52 Daar de term „afgewezen” in deze bepaling niet uitdrukkelijk naar het interne recht van de lidstaten verwijst, moet het begrip „afwijzing” in de zin van die bepaling worden geacht een autonoom Unierechtelijk begrip te vormen, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uniform moet worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 7 september 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Aard van het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU), C‑624/20, EU:C:2022:639, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak], waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de term zelf, maar tevens met de context van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 en met het doel dat wordt nagestreefd door de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt.
53 Allereerst moet met betrekking tot de term „afwijzing” worden opgemerkt dat deze term volgens de gebruikelijke betekenis ervan verwijst naar het optreden waarbij wordt geweigerd een gunstig gevolg te geven aan een verzoek. Deze term kan dus niet verwijzen naar het optreden waarmee wordt aanvaard om een positief gevolg te geven aan een dergelijk verzoek, onafhankelijk van de vraag of deze aanvaarding en dit positieve gevolg tijdelijk of definitief zijn.
54 Zuiver letterlijk bezien kan het begrip „afwijzing” in artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 dan ook niet aldus worden uitgelegd dat het tevens betrekking heeft op het niet verlengen of niet vernieuwen van een verblijfstitel die eerder is afgegeven aan een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Integendeel, het feit dat een verblijfstitel niet is verlengd of niet is vernieuwd houdt noodzakelijkerwijs in dat in een eerder stadium een positief gevolg aan dit verzoek is gegeven, ook al was dit tijdelijk.
55 Vanuit dit oogpunt is de verwijzende rechter in essentie van oordeel dat, voor het hoofdgeding, een besluit waarbij de bevoegde Deense autoriteit een tijdelijke verblijfstitel afgeeft aan een derdelander die in het Koninkrijk Denemarken een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend krachtens artikel 7, leden 2 en 3, van de vreemdelingenwet, gelet op de inhoud van deze wet, moet worden gelijkgesteld met een besluit waarbij aan die derdelander tijdelijk subsidiaire bescherming wordt verleend. De Deense regering zet in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof uiteen, dat er tussen deze twee soorten besluiten overeenstemming bestaat. Zij benadrukt in het bijzonder dat de aan verzoekster in het hoofdgeding afgegeven tijdelijke verblijfstitel de toekenning belichaamt van de subsidiaire bescherming die, naar nationaal recht, overeenkomt met de subsidiaire bescherming als bedoeld in richtlijn 2011/95.
56 Vervolgens moet vanuit contextueel oogpunt worden vastgesteld dat zowel de analyse van verordening nr. 604/2013 zelf als die van andere handelingen van afgeleid Unierecht, in samenhang waarmee deze verordening moet worden uitgelegd voor zover hun respectieve bepalingen mogelijk gezamenlijk moeten worden toegepast, steun bieden aan de letterlijke uitlegging in punt 54 van het onderhavige arrest.
57 Ten eerste moet wat verordening nr. 604/2013 betreft, in het bijzonder worden opgemerkt dat artikel 2, onder l), van deze verordening het begrip „verblijfstitel” voor de toepassing van deze verordening definieert als een door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven machtiging waarbij het een onderdaan van een derde land of een staatloze wordt toegestaan op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, met uitzondering van visa en verblijfsvergunningen die zijn afgegeven tijdens de periode die nodig is om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen in de zin van deze verordening of tijdens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming of een aanvraag voor een verblijfsvergunning.
58 Deze definitie bevestigt dus dat de afgifte van een verblijfstitel aan een derdelander de belichaming vormt van aan die persoon verleende toestemming om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven, doordat hem internationale bescherming wordt verleend. Vanuit dit oogpunt is het niet van belang of deze verlening en deze afgifte, afhankelijk van het toepasselijke nationale recht, het voorwerp zijn van onderscheiden en opeenvolgende rechtshandelingen, van onderscheiden maar gelijktijdige rechtshandelingen of van een en dezelfde rechtshandeling, zoals in casu het geval is, blijkens de in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte toelichtingen van de Deense regering. Als zodanig impliceert die afgifte dat aan het verzoek om internationale bescherming van die derdelander een positief gevolg wordt of is gegeven, zodat die afgifte, zelfs al is zij tijdelijk van aard, niet kan worden gelijkgesteld met een vorm van „afwijzing” van dat verzoek in de zin van artikel 18, lid 1, onder d), van die verordening.
59 Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft benadrukt, vindt de in de punten 54 en 58 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging overigens steun in het feit dat de situatie van een derdelander die, zoals verzoekster in het hoofdgeding, beschikt over een verlopen verblijfstitel en het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten, uitdrukkelijk wordt bedoeld in artikel 12, lid 4, van verordening nr. 604/2013, dus in een andere bepaling dan artikel 18, lid 1, onder d), van deze verordening. Artikel 12, lid 4, regelt juist de wijze waarop in een dergelijke situatie wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is. In dit verband blijkt uit laatstgenoemde bepaling dat een dergelijke vaststelling afhangt van de tijd die is verstreken sinds de datum waarop de aan de betrokken derdelander afgegeven verblijfstitel is verlopen, hetgeen uitsluitend door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.
60 Ten tweede zij eraan herinnerd dat, zoals duidelijk blijkt uit artikel 1, lid 2, van de Overeenkomst tussen de Unie en Denemarken, de naleving van het vereiste van eenvormige uitlegging en toepassing van verordening nr. 604/2013 ook moet worden gewaarborgd in situaties waarbij het Koninkrijk Denemarken betrokken is.
61 Dit vereiste houdt in dat bij de uitlegging van verordening nr. 604/2013 rekening moet worden gehouden met het bepaalde in richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32, voor zover dit zich beperkt tot het verduidelijken van de draagwijdte van het begrip „afwijzing” in artikel 18, lid 1, onder d), van deze verordening.
62 Deze twee richtlijnen maken een duidelijk onderscheid tussen de situatie waarin een verzoek om internationale bescherming door de bevoegde autoriteit van een lidstaat wordt „afgewezen”, en de situaties waarin deze autoriteit de aan een derdelander verleende internationale bescherming beëindigt, intrekt of niet verlengt. Wat in het bijzonder de in richtlijn 2011/95 bedoelde subsidiaire bescherming betreft, wordt met name in de leden 1 en 4 van artikel 19 van die richtlijn verduidelijkt onder welke voorwaarden de door die bescherming toegekende status kan worden opgeheven wanneer de derdelander aan wie deze status is toegekend niet langer daarvoor in aanmerking komt. Met betrekking tot de vluchtelingenstatus is een soortgelijke regeling opgenomen in andere bepalingen van deze richtlijn.
63 De op dat gebied genomen beslissingen, die alle vooronderstellen dat eerder een positief gevolg is gegeven aan het door die derdelander ingediende verzoek om internationale bescherming, onderscheiden zich bovendien, zowel materieel als procedureel, van de beslissingen waarbij een dergelijk verzoek om internationale bescherming wordt afgewezen, ook wel „negatieve beslissingen” genoemd, die dan weer zijn bedoeld in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2013/32.
64 Het onderzoek van de context van artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 bevestigt dus dat het begrip „afwijzing” waarnaar deze bepaling verwijst, niet aldus kan worden uitgelegd dat het zich mede uitstrekt tot het niet verlengen of het niet vernieuwen van een verblijfstitel die eerder is afgegeven aan een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
65 Ten slotte beantwoordt de tekstuele en contextuele analyse van het begrip „afwijzing” in artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013, zoals uiteengezet in de punten 53 tot en met 64 van het onderhavige arrest, aan de doelstelling van deze verordening om, zoals blijkt uit artikel 3, leden 1 en 2, ervan, verzoeken om internationale bescherming te laten behandelen door een en dezelfde lidstaat, die als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen ingevolge de uniforme criteria uit hoofdstuk III van die verordening. Deze doelstelling wordt overigens in herinnering gebracht in de Overeenkomst tussen de Unie en Denemarken, zoals blijkt uit punt 60 van het onderhavige arrest.
66 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het niet verlengen of het niet vernieuwen van een eerder aan een derdelander afgegeven verblijfstitel niet kan worden gelijkgesteld met een afwijzing van het door die derdelander ingediende verzoek om internationale bescherming, in de zin van die bepaling.
Kosten
67 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 18, lid 1, onder d), van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet verlengen of het niet vernieuwen van een eerder aan een derdelander afgegeven verblijfstitel niet kan worden gelijkgesteld met een afwijzing van het door die derdelander ingediende verzoek om internationale bescherming, in de zin van die bepaling.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Fins.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.