HvJ EU 23 oktober 2025, C-760/23, ECLI:EU:C:2025:828
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
23 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Energie – Bevordering van energie-efficiëntie – Richtlijn 2012/27/EU – Artikel 9, lid 3 – Transparante en accurate berekening van het thermische-energieverbruik van de gemeenschappelijke ruimten – Niet-inaanmerkingneming van de werkelijke hoeveelheid warmte die aan elk appartement wordt geleverd – Algoritme voor de verdeling van de kosten van het verbruik van thermische energie in gebouwen in mede-eigendom”
In zaak C‑760/23 [Shanov] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rayonen sad Plovdiv (rechter in eerste aanleg Plovdiv, Bulgarije) bij beslissing van 28 september 2023, ingekomen bij het Hof op 8 december 2023, in de procedure
„EVN Bulgaria Toplofikatsia” EAD
tegen
OZ,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Schalin, kamerpresident, M. Gavalec (rapporteur) en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– „EVN Bulgaria Toplofikatsia” EAD, vertegenwoordigd door K. Nikolov, S. Popov en S. Radev,
– OZ, vertegenwoordigd door A. Slavchev, advokat,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. De Meester en E. Ruseva als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB 2012, L 315, blz. 1), van artikel 13 van richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PB 2006, L 114, blz. 64), en van de artikelen 101, 107 en 169 VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „EVN Bulgaria Toplofikatsia” EAD (hierna: „EVN”), een bedrijf dat thermische energie levert, en OZ, een natuurlijke persoon, over een vordering tot betaling van facturen voor de levering van thermische energie voor het appartement waarvan OZ eigenaar is in een gebouw in mede-eigendom dat is aangesloten op een stadsverwarmingssysteem.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 8 en 20 van richtlijn 2012/27 luiden als volgt: „(8) Op 8 maart 2011 heeft de [Europese] Commissie haar mededeling over een energie-efficiëntieplan 2011 vastgesteld. Deze mededeling bevestigde dat de Unie niet op koers ligt om haar energie-efficiëntiestreefcijfer te verwezenlijken, ondanks de vorderingen in het nationale energiebeleid dat is uitgetekend in de eerste nationale actieplannen voor energie-efficiëntie die de lidstaten hebben ingediend ter uitvoering van de vereisten van richtlijn [2006/32]. Een eerste analyse van de tweede serie actieplannen bevestigt dat de Unie niet op koers ligt. Om dat te verhelpen worden in het energie-efficiëntieplan 2011 een reeks energie-efficiëntiebeleidslijnen en ‑maatregelen opgesomd die betrekking hebben op de volledige energieketen, inclusief opwekking, transport en distributie van energie; de belangrijke rol die de overheidssector speelt in energie-efficiëntie; gebouwen en toestellen; de industrie; en de noodzaak om de eindafnemers in staat te stellen hun energieverbruik te beheren. [...] [...] (20) Uit een beoordeling van de mogelijkheid om een systeem van witcertificaten in te stellen op het niveau van de Unie is gebleken dat een dergelijk systeem in de huidige omstandigheden tot te hoge administratieve kosten zou leiden en dat het risico bestaat dat de energiebesparingen in een aantal lidstaten zouden zijn geconcentreerd en geen ingang zouden vinden in de gehele Unie. De doelstelling van een dergelijk systeem op uniaal niveau zou, in dit stadium althans, beter kunnen worden bereikt aan de hand van nationale regelingen inzake energie-efficiëntieverplichtingen voor nutsbedrijven of andere alternatieve beleidsmaatregelen waarmee dezelfde hoeveelheid energiebesparingen worden bereikt. Gezien de ambities van dergelijke regelingen, dienen zij te worden opgesteld binnen een gemeenschappelijk kader op Unieniveau, maar dienen zij de lidstaten voldoende flexibiliteit te bieden om ten volle rekening te houden met de nationale organisatie van de marktdeelnemers, de specifieke context van de energiesector en de gewoonten van de eindafnemers. Het gemeenschappelijke kader moet energienutsbedrijven de mogelijkheid bieden energiediensten aan te bieden aan alle eindafnemers, niet alleen aan de afnemers aan wie zij energie verkopen. Dit verhoogt de concurrentie op de energiemarkt omdat energienutsbedrijven hun product kunnen differentiëren door aanvullende energiediensten aan te bieden. Het gemeenschappelijke kader moet de lidstaten in staat stellen in hun nationale regeling vereisten met een sociaal oogmerk op te nemen, met name om ervoor te zorgen dat kwetsbare klanten toegang hebben tot de voordelen van hogere energie-efficiëntie. De lidstaten dienen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria te bepalen welke energiedistributeurs of detailhandelaars in energie moeten worden verplicht om het in deze richtlijn vastgelegde streefcijfer voor energiebesparingen op het niveau van de eindafnemer te behalen. [...]”
4 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn is in de volgende bewoordingen gesteld: „Deze richtlijn legt een gemeenschappelijk kader met maatregelen vast voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie de kerndoelstelling van 20 % meer energie-efficiëntie in 2020 haalt en om de weg te effenen voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na die datum. Er worden regels in vastgelegd om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en er wordt voorzien in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020.”
5 In artikel 9, leden 1 en 3, van deze richtlijn wordt het volgende bepaald: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van elektriciteit, aardgas, stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over de werkelijke tijd van het verbruik. Een dergelijke individuele meter tegen concurrerende prijzen wordt altijd ter beschikking gesteld wanneer: a) een bestaande meter wordt vervangen, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn; b) een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of in geval van een ingrijpende renovatie overeenkomstig richtlijn 2010/31/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB 2010, L 153, blz. 13)]. [...] 3. Ingeval de verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een stadsverwarmingsnet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, wordt een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt. In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings-/koelingsbron of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet of een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, worden uiterlijk op 31 december 2016 ook individuele verbruiksmeters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid te meten, waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Als het gebruik van individuele verwarmingsmeters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om warmteverbruik te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de lidstaat aantoont dat de installatie van die warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. In het geval van appartementengebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, kunnen de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels invoeren voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik. Waar passend, bevatten deze regels richtsnoeren betreffende de wijze waarop de kosten van warmte en/of warm water verdeeld moeten worden, en wel als volgt: a) warm water voor huishoudelijk gebruik; b) warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren); c) voor het verwarmen van appartementen.”
6 Artikel 10 („Informatie over facturering”) van richtlijn 2012/27 bepaalt: „1. In de gevallen waarin de eindafnemer niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in de richtlijnen 2009/72/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55)] en 2009/73/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB 2009, L 211, blz. 94)], zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor alle sectoren die onder deze richtlijn vallen, waaronder energiedistributeurs, distributiesysteembeheerders en detailhandelaars in energie, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is. Aan die verplichting kan worden voldaan met een systeem van zelf uitlezen door de eindafnemer, die de uitgelezen metergegevens meedeelt aan de energieleverancier. Alleen indien de eindafnemer voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief. 2. Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de richtlijnen [2009/72] en [2009/73] maken accurate factureringsinformatie op basis van het feitelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan. Aanvullende informatie over het verbruiksverleden omvat: a) cumulatieve gegevens voor de periode van ten minste de drie voorgaande jaren of voor de periode sinds de aanvang van het leveringscontract, indien dit korter is. De gegevens hebben betrekking op de termijnen waarvoor frequente factureringsinformatie is verstrekt, en b) gedetailleerde gegevens over het verbruik volgens de gebruiksperiode voor elke dag, week, maand en elk jaar. Deze gegevens worden de eindafnemer beschikbaar gesteld op het internet of op de meterinterface, over een periode van ten minste de voorgaande 24 maanden, of over de periode sinds de aanvang van het leveringscontract, indien dit korter is. 3. Ongeacht of al dan niet slimme meters zijn geplaatst, wordt door de lidstaten: a) voorgeschreven dat, voor zover er gegevens over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de eindafnemer beschikbaar zijn, deze op zijn verzoek beschikbaar worden gesteld voor een door hem aangewezen aanbieder van energiediensten; b) ervoor gezorgd dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering en dat zij op verzoek een duidelijke en begrijpelijke uitleg krijgen over de wijze waarop de factuur tot stand is gekomen, in het bijzonder als de factuur niet gebaseerd is op het feitelijke verbruik; c) ervoor wordt gezorgd dat de eindafnemer naast de factuur de nodige informatie ontvangt om een volledig overzicht van de huidige energiekosten te kunnen hebben, in overeenstemming met bijlage VII; d) eventueel bepaald dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek wordt beschouwd. In die gevallen zien de lidstaten erop toe dat de energieleveranciers flexibele regelingen voor feitelijke betaling aanbieden; e) voorgeschreven dat de afnemer op zijn verzoek tijdig informatie en energiekostenramingen krijgt in een gemakkelijk te begrijpen vorm die vergelijking van aanbiedingen op basis van gelijke criteria mogelijk maakt.”
7 In bijlage VII („Minimumeisen inzake facturering en factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik”) bij richtlijn 2012/27 wordt in punt 1.1 het volgende bepaald: „Facturatie op basis van het werkelijke verbruik Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik worden gefactureerd, en moet de factureringsinformatie ten minste om het kwartaal beschikbaar worden gesteld, op verzoek of ingeval de consument gekozen heeft voor elektronische facturering, zo niet tweemaal per jaar. Met betrekking tot gas dat uitsluitend voor koken wordt gebruikt kan hiervan vrijstelling worden verleend.”
8 Bij artikel 27 („Wijzigingen en intrekkingen”) van richtlijn 2012/27 is richtlijn 2006/32 ingetrokken met ingang van 5 juni 2014, behoudens enkele uitzonderingen.
Bulgaars recht
Energiewet
9 Artikel 38b, lid 1, van de Zakon za energetikata (energiewet) van 9 december 2003 (DV nr. 107 van 9 december 2003), in de versie die van toepassing was op het hoofdgeding (hierna: „energiewet”), luidt als volgt: „Energiebedrijven die partij zijn bij de in artikel 38a, lid 1, bedoelde overeenkomsten verstrekken hun verbruikers van energiediensten informatie over: 1) [...] prijzen voor onderhoudsdiensten en andere prijzen voor diensten die verband houden met de toegestane activiteit; [...] 3) [...] de werkelijk verbruikte hoeveelheden en de waarde van de verrichte diensten in de voor de meting overeengekomen periode; voor deze dienst ontstaat er geen extra betalingsverplichting; [...]”
10 Artikel 125, lid 3, van de energiewet bepaalt: „De nadere voorschriften en technische voorwaarden met betrekking tot de warmtevoorziening, het operationele beheer van het warmtevoorzieningssysteem, de aansluiting van producenten en afnemers op het warmtetransportnet [(hierna: ‚warmtenet’)], de distributie, de uitschakeling van de warmtevoorziening en de opschorting van de warmtelevering worden bij besluit van de minister van Energie vastgesteld. [...]”
11 Artikel 139, lid 1, van deze wet is als volgt verwoord: „De verdeling van de in een gebouw in mede-eigendom verbruikte thermische energie vindt plaats volgens een systeem van verdeling op grond van het verbruik. [...]”
12 Artikel 140, lid 1, van deze wet luidt als volgt: „De verdeling van het verbruik van thermische energie over de verbruikers in een gebouw in mede-eigendom vindt plaats door middel van: [...] 2) [...] toestellen waarmee kan worden gekeken hoe het verbruik van verwarming is verdeeld, namelijk individuele warmtekostenverdelers die voldoen aan de in het land geldende normen of individuele warmtemeters; 3) [...] toestellen waarmee kan worden gekeken hoe het verbruik van warm water voor huishoudelijk gebruik is verdeeld, namelijk een gemeenschappelijke watermeter voor de levering van warm water voor huishoudelijk gebruik en individuele warmwatermeters op alle aftakkingen van de warmwaterinstallatie van het gebouw naar de appartementen van de verbruikers. [...]”
13 Artikel 140a van die wet bepaalt: „De totale hoeveelheid thermische energie die wordt verbruikt in een gebouw in mede-eigendom dat is aangesloten op een abonnee-onderstation of een autonoom onderdeel hiervan wordt verdeeld over de levering van warm water en verwarming.”
14 Artikel 141 van de energiewet bepaalt het volgende: „(1) De thermische energie voor de warmwatervoorziening van een gebouw in mede-eigendom wordt bepaald door: 1) de hoeveelheid warm water die in het gebouw wordt verbruikt voor warm water voor huishoudelijk gebruik, zoals gemeten door de gemeenschappelijke meter; 2) de thermische-energiekosten voor het verwarmen van een kubieke meter water van de in punt 1 genoemde hoeveelheid, bepaald volgens de nadere voorschriften en voorwaarden die zijn neergelegd in het besluit waarin artikel 125, lid 3, voorziet. (2) De in lid 1 bedoelde thermische energie wordt onder de afnemers verdeeld volgens de nadere voorschriften en voorwaarden die zijn neergelegd in het besluit waarin artikel 125, lid 3, voorziet.”
15 Artikel 142 van die wet luidt als volgt: „(1) De thermische energie voor de verwarming van een gebouw in mede-eigendom is het verschil tussen de totale hoeveelheid in een gebouw in mede-eigendom te verdelen thermische energie en de hoeveelheid voor warm water gebruikte thermische energie zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 141, lid 1. (2) De thermische energie bestemd voor de verwarming van een gebouw in mede-eigendom wordt onderverdeeld in warmte die wordt afgegeven door de installatie van het gebouw, thermische energie die bestemd is voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en thermische energie die bestemd is voor de verwarming van de afzonderlijke appartementen. [...]”
Stadsverwarmingsbesluit
16 Artikel 38 van naredba za toplosnabdyavaneto nr. 16‑334 (besluit nr. 16‑334 inzake de stadsverwarming) van 6 april 2007, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „stadsverwarmingsbesluit”), bepaalt: „De producent, het warmtetransportbedrijf of de leverancier levert thermische energie aan de afnemers met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. de eenheden van de eigenaren of houders van een zakelijk gebruiksrecht zijn aangesloten op het distributienet voor thermische energie; 2. tussen de energieleverancier en de afnemers is er een overeenkomst voor de verkoop van thermische energie gesloten in overeenstemming met de algemene voorwaarden; 3. de verbruikers van thermische energie betalen de maandelijkse termijnen voor thermische energie binnen de gestelde termijn.”
17 In artikel 52, leden 1 en 2, van het stadsverwarmingsbesluit is het volgende bepaald: „(1) De verdeling van het verbruik van thermische energie over de verbruikers in een gebouw in mede-eigendom vindt plaats door middel van [warmtemeters], als volgt: 1) individuele verdelers voor thermische energie op alle warmtebronnen en/of individuele warmtemeters voor de appartementen; deze moeten voldoen aan de normen en voorschriften die van kracht zijn op het nationale grondgebied; 2) een gemeenschappelijke koudwatermeter geplaatst voor de ketel voor de levering van warm water en individuele warmwatermeters op alle aftakkingen van de warmwaterinstallatie van het gebouw naar de appartementen van de verbruikers. (2) De in lid 1 genoemde toestellen helpen bij het bepalen hoeveel thermische energie door de verschillende verbruikers van gebouwen in mede-eigendom wordt verbruikt na het passeren van [de warmtemeter]. [...]”
18 Artikel 57 van dat besluit bepaalt: „(1) Wanneer de hoeveelheid thermische energie wordt gemeten door middel van buiten het appartement geplaatste [warmtemeters], worden de gemeten hoeveelheden aangepast om rekening te houden met de technologische kosten voor de thermische energie in het gedeelte tussen de [warmtemeters] en het appartement. (2) De technologische kosten voor de thermische energie in de infrastructuur worden vastgesteld overeenkomstig afdeling IV. (3) Het bepaalde in lid 1 is ook van toepassing op abonnee-onderstations in gebouwen in mede-eigendom en gebouwen met slechts één eigenaar. [...]”
19 De aanvullende bepalingen van dat besluit bevatten in § 1 de volgende definities: „1. Een ‚algoritme’ is een systeem van regels (formules) die de volgorde van rekenkundige bewerkingen bepalen. De toepassing ervan leidt tot de oplossing van een bepaald probleem. [...] 2a. Het ‚werkelijk geïnstalleerd vermogen van een verwarmingsinstallatie’ is de som van het geïnstalleerde vermogen van de warmtebronnen in alle appartementen van het gebouw in mede-eigendom. 3. De ‚installatie in het gebouw’ of ‚interne installatie’ is het geheel van verticale en horizontale hoofdleidingen voor de distributie naar de warmtebronnen, alsook de voorzieningen voor de distributie en levering van thermische energie van het abonnee-onderstation naar de appartementen van de afnemers. Wanneer meerdere gebouwen zijn aangesloten op een abonnee-onderstation, is elk van de aangesloten verwarmingsleidingen een onderdeel van de desbetreffende installatie van het gebouw. [...] 8. De ‚specifieke maximale kostenpost van het gebouw’ is de maximale hoeveelheid thermische energie die wordt afgegeven per kilowatt [(kW)] geïnstalleerd vermogen van een warmtebron in het gebouw in de relevante bedrijfsmodus van de installatie van het gebouw. [...] 13 a. Het ‚verwachte vermogen van de verwarmingsinstallatie’ is het vermogen van de interne verwarmingsinstallatie, zoals bepaald in het investeringsplan voor het gebouw. [...]”
20 De overgangs- en slotbepalingen van dat besluit bevatten een § 2, die luidt als volgt: „(1) De eigenaren en/of houders van een zakelijk recht op het gebruik van een appartement in een gebouw in mede-eigendom moeten: 1) toestellen waarmee kan worden gekeken hoe het verbruik is verdeeld plaatsen op de afgesloten warmtebronnen in hun appartement; 2) warmwatermeters plaatsen op alle aftakkingen tussen hun appartement en de installatie van het gebouw voor de levering van warm water voor huishoudelijk gebruik. [...]”
21 Het stadsverwarmingsbesluit bevat een bijlage met als opschrift „Methode voor de verdeling van thermische energie in gebouwen in mede-eigendom” (hierna: „methode”). In punt 1 daarvan is het volgende bepaald: „Het te verdelen thermische-energieverbruik is de hoeveelheid thermische energie gemeten door middel van de warmtemeter in het abonnee-onderstation, aangepast om rekening te houden met de technologische kosten op basis van de appartementsgrenzen, alsook met de hoeveelheid thermische energie die wordt verbruikt om de installatie van het gebouw aan te vullen wanneer een warmtedrager van het warmtenet wordt gebruikt.”
22 Punt 2 van de methode luidt als volgt: „De thermische energie die door middel van een warmtemeter in een abonnee-onderstation van een gebouw in mede-eigendom wordt gemeten tijdens een bepaalde meetperiode, is de som van de voor verwarming verbruikte energie, de voor de levering van warm water voor huishoudelijk gebruik verbruikte energie en de technologische kosten voor de thermische energie in het abonnee-onderstation.”
23 In punt 6 van de methode is aangegeven dat de hoeveelheid voor verwarming verbruikte thermische energie het verschil is tussen de energie zoals gedefinieerd in punt 1 van de methode en de hoeveelheid thermische energie voor de levering van warm water voor huishoudelijk gebruik.
24 Punt 6.1 van de methode bepaalt: „Onder de hoeveelheid voor verwarming verbruikte thermische energie valt ook de thermische energie die wordt afgegeven door de installatie van het gebouw, door de warmtebronnen in de gemeenschappelijke ruimten en door de warmtebronnen in de afzonderlijke appartementen.”
25 Volgens punt 6.1.1 van de methode hangt de hoeveelheid thermische energie die door de installatie van het gebouw wordt afgegeven, af van het type en de thermofysische eigenschappen van het gebouw en van de verwarmingsinstallatie. De energieleverancier gaat over tot verdeling van het verbruik volgens de in dit punt opgenomen wiskundige formule.
26 Punt 6.1.3 van de methode luidt als volgt: „De hoeveelheid thermische energie [...], uitgedrukt in [kilowattuur (kWh)], die door de installatie van het gebouw wordt afgegeven wordt evenredig verdeeld naar verhouding van het volgens de plattegrond van het gebouw verwarmbare volume van de appartementen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
27 EVN is een energiebedrijf in de zin van de energiewet en heeft een vergunning voor de productie en het transport van thermische energie. Op grond van die vergunning levert zij verwarming en warm water aan met name gebouwen in mede-eigendom.
28 OZ is eigenaar van een appartement in een gebouw in mede-eigendom dat is aangesloten op de stadsverwarming. EVN levert de thermische energie die nodig is voor de werking van die verwarming.
29 In die omstandigheden heeft EVN een bedrag van 519 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 265 EUR) van OZ gevorderd voor het verbruik van thermische energie voor de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 oktober 2020. Dat bedrag werd niet betaald. Daarom heeft EVN ook vertragingsrente ten bedrage van 78,20 BGN (ongeveer 40 EUR) gevorderd voor de periode van 3 juli 2018 tot en met 5 april 2021.
30 Aangezien OZ die bedragen niet heeft betaald, heeft EVN bij de Rayonen sad Plovdiv (rechter in eerste aanleg Plovdiv, Bulgarije), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van OZ tot betaling van die bedragen.
31 OZ betwist de door EVN gevorderde bedragen verschuldigd te zijn, met name op grond dat de wiskundige formule in punt 6.1.1 van de methode op basis waarvan de verdeling van het verbruik van thermische energie over de verschillende mede-eigenaars wordt berekend, strijdig is met het Unierecht. Voorts stelt OZ dat er geen schriftelijke overeenkomst bestaat voor de levering van energie, dat het door EVN gevorderde bedrag niet overeenstemt met het werkelijke verbruik, dat de meters gebrekkig zijn, dat het abonnee-onderstation, dat wil zeggen de technische ruimte van het gebouw van waaruit de levering van verwarming en warm water naar de verschillende delen van het gebouw plaatsvindt, in slechte staat verkeert, en dat het energieverbruik niet volgens de voorschriften wordt berekend.
32 In een in het hoofdgeding opgesteld deskundigenrapport, dat door partijen niet wordt betwist, is vastgesteld dat de warmtemeters die worden gebruikt voldoen aan de vereisten van het stadsverwarmingsbesluit, maar ook dat de betrokken verwarmingsinstallatie bepaalde onregelmatigheden vertoont, waardoor de door de leverancier gehanteerde gegevens onjuist zijn.
33 In het bijzonder heeft de deskundige vraagtekens geplaatst bij de berekeningen voor de verdeling van het verbruik van thermische energie, zoals die zijn verricht op grond van de wiskundige formule in punt 6.1.1 van de methode. Die berekeningen hebben namelijk tot gevolg dat de gebruikers die geen thermische energie hebben verbruikt een deel van de bedragen dienen te betalen die verschuldigd zijn door de gebruikers die deze energie wel hebben verbruikt, maar hun rekeningen niet hebben betaald.
34 In dat verband heeft de verwijzende rechter twijfels over de verenigbaarheid van de gebruikte methode met artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27. Hij merkt op dat de onderdelen van de wiskundige formule in punt 6.1.1 van de methode niet duidelijk zijn en dat het, gelet op de aspecten die in die formule in aanmerking worden genomen, zeer waarschijnlijk is dat de bedragen die zijn gevorderd van de verbruikers die in hun appartementen geen thermische energie hebben verbruikt, te hoog zijn. Die formule is namelijk gebaseerd op de theoretische gegevens in de plannen voor de bouw van verwarmingsinstallaties, zonder rekening te houden met de werkelijke omstandigheden waarin die installaties in de praktijk functioneren en zonder te weten of die werkelijke omstandigheden dezelfde zijn als die welke in theorie zijn bepaald.
35 Daarop heeft de Rayonen sad Plovdiv besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen: „1) Verzetten artikel 9, lid 3, van richtlijn [2012/27] en artikel 169 VWEU zich ertegen dat betaald moet worden voor de kosten van thermische energie uit de installatie van een gebouw, wanneer trappenhuizen en gangen niet voorzien zijn van radiatoren? 2) Verzetten artikel 9, lid 3, van richtlijn [2012/27] en artikel 169 VWEU zich ertegen dat een stadsverwarmingsbedrijf op grond van een nationale regeling een vergoeding voor het warmteverbruik uit een installatie van een gebouw kan vorderen, indien de hoeveelheid thermische energie volgens een door de beheerder ontwikkelde formule wordt vastgesteld, waarbij – gebruik wordt gemaakt van een berekeningsfactor om het aandeel van de geïnstalleerde capaciteit van de installatie van het gebouw in de totale capaciteit van het verwarmingssysteem te bepalen, zonder dat duidelijk is hoe deze factor wordt gevormd; – uit wordt gegaan van een geïnstalleerde capaciteit van de installatie van het gebouw en geen rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke capaciteit van de installatie; – de temperatuur van de warmtedrager in de installatie van het gebouw buiten beschouwing blijft; – ervan uit wordt gegaan dat de installatie constant op volle capaciteit draait; – de specifieke werking van de verschillende typen verwarmingssystemen (in casu: Tichelmann) buiten beschouwing blijft en geen verschil wordt gemaakt tussen de werking van die systemen; – voor appartementencomplexen automatisch van een gemiddelde temperatuur van 19 °C wordt uitgegaan? 3) Verzetten artikel 9, lid 3, van richtlijn [2012/27] en artikel 169 VWEU zich ertegen dat een stadsverwarmingsbedrijf op grond van een nationale regeling een vergoeding voor het warmteverbruik voor warm water kan vorderen, indien de hoeveelheid thermische energie volgens een door de beheerder ontwikkelde formule wordt berekend waarbij geen rekening ermee wordt gehouden tot welke temperatuur het water moet worden verwarmd dat aan de deelnemers moet worden geleverd of welke thermische energie voor deze verwarming van het water nodig is, waarbij evenmin het aantal kubieke meters warm water in aanmerking wordt genomen dat de deelnemers hebben verbruikt, en waarbij hoe dan ook in het stookseizoen in de winter een tweemaal zo hoog waterverbruik wordt berekend als in de zomer? 4) Verzetten artikel 13 van richtlijn [2006/32], artikel 9, lid 3, van richtlijn [2012/27] en artikel 169 VWEU zich ertegen dat een stadsverwarmingsbedrijf op grond van een nationale regeling een vergoeding voor het warmteverbruik uit de installatie van een appartementencomplex kan vorderen naar verhouding van het verwarmbare volume zoals dat blijkt uit de plattegrond van de appartementen zonder dat rekening wordt gehouden met de hoeveelheid thermische energie die daadwerkelijk overeenkomstig de technische capaciteit van de verwarmingssystemen in het betrokken appartement is afgegeven? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat volgens de nationale regeling de thermische energie van de installatie van het gebouw een van de onderdelen van het algoritme voor de berekening van het door de afnemers voor de totale warmte te betalen eindbedrag is (som van de bedragen voor de thermische energie uit de installatie van het gebouw, de verwarming en het warm water), waarbij het voor de verwarming van een appartement te betalen bedrag het verschil is tussen de totale energie voor verwarming (aftrektal) en de som van de thermische energie uit de installatie, de door de radiatoren in de gemeenschappelijke ruimten van het gebouw afgegeven thermische energie en de thermische energie voor warm water (aftrekker)? 5) Is een nationale regeling op grond waarvan consumenten voor de levering van thermische energie uit een installatie van een gebouw moeten betalen naar verhouding van het verwarmbare volume zoals dat blijkt uit de plattegrond van de appartementen zonder dat rekening wordt gehouden met de daadwerkelijk aan de afzonderlijke appartementen afgegeven warmte, in strijd met het verbod van misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 101 VWEU en met het verbod op de toekenning van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
36 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen voor zover deze de uitlegging van de artikelen 101, 107 en 169 VWEU betreffen.
37 Zij benadrukt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkel element bevat op grond waarvan een verband tussen het voorwerp van het hoofdgeding en de artikelen 101, 107 en 169 VWEU kan worden vastgesteld, noch de feitelijke en juridische gegevens bevat die het Hof in staat stellen de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven met het oog op de beslechting van het bij hem aanhangige geding.
38 Wat voorts de gevraagde uitlegging van artikel 169 VWEU betreft, betoogt de Commissie dat, aangezien deze bepaling een bevoegdheid van de Unie betreft, de uitlegging ervan niet relevant zou mogen zijn voor de beoordeling van door de lidstaten genomen maatregelen. Richtlijn 2012/27 voorziet in een minimale harmonisatie en belet de lidstaten dus niet om strengere maatregelen te treffen teneinde consumenten beter te beschermen, aldus die instelling.
39 In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat de procedure van artikel 267 VWEU een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is, waarmee het Hof deze instanties de elementen voor de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij voor de beslechting van het hun voorgelegde geding nodig hebben. In het kader van deze samenwerking staat het aan de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is gemaakt, die als enige precieze kennis heeft van de feitelijke achtergrond van het geding en die de verantwoordelijkheid moet dragen voor de te geven rechterlijke beslissing, om zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht om die vragen te beantwoorden (arresten van 29 november 1978, Redmond,83/78, EU:C:1978:214, punt 25, en 4 oktober 2024, Biohemp Concept,C‑793/22, EU:C:2024:837, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Het Hof kan evenwel geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk hypothetisch van aard is of voorts wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme,C‑36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 4 oktober 2024, Biohemp Concept,C‑793/22, EU:C:2024:837, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Dienaangaande bepaalt artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een verzoek om een prejudiciële beslissing naast „een summier overzicht van het voorwerp van het geschil en de relevante feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, althans, ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten” tevens „de inhoud van de nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn en, in voorkomend geval, de relevante nationale rechtspraak” bevat, alsmede „de uiteenzetting van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling”.
42 In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen elementen waarmee het verband kan worden vastgesteld tussen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toepasselijke nationale regeling en de bepalingen van het VWEU waarvan de uitlegging wordt gevraagd.
43 Zo worden er in dit verzoek geen feitelijke gegevens uiteengezet die het Hof in staat stellen te beoordelen in hoeverre de beslechting van het hoofdgeding een uitlegging van de artikelen 101, 107 en 169 VWEU vereist, noch de redenen waarom de verwijzende rechter die uitlegging noodzakelijk acht.
44 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de vijfde vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van de artikelen 101 en 107 VWEU, niet-ontvankelijk is. Hetzelfde geldt voor de eerste tot en met de vierde vraag, voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van artikel 169 VWEU.
Ten gronde
45 Met de eerste tot en met de vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende in essentie of artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de eigenaar van een appartement in een gebouw in mede-eigendom verplicht is tot betaling van ten eerste de kosten die hem in rekening worden gebracht voor de thermische energie die wordt afgegeven door alle leidingen en installaties voor de distributie en levering van thermische energie binnen het gebouw, ook al zijn de gemeenschappelijke ruimten van dat gebouw niet voorzien van radiatoren, wanneer deze kosten niet worden bepaald op basis van het werkelijke, individuele verbruik, maar bij elkaar worden opgeteld en vervolgens over de mede-eigenaren naar rato van het verwarmbare volume van hun appartement worden verdeeld, en ten tweede de kosten die aan die eigenaar in rekening worden gebracht voor zijn individuele verbruik van thermische energie voor de verwarming van zijn appartement en warm water voor huishoudelijk gebruik, wanneer deze kosten niet worden bepaald op basis van het werkelijke, individuele verbruik, maar op basis van een wiskundige formule die is gebaseerd op onduidelijke of niet-onderbouwde parameters.
46 Vooraf moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag het Hof verzoekt om de bepalingen van richtlijn 2006/32 uit te leggen, en meer in het bijzonder artikel 13 daarvan, waarin onder meer is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de facturering aan eindafnemers is gebaseerd op het actuele energieverbruik en in duidelijke en begrijpelijke taal is gesteld.
47 Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van richtlijn 2012/27, die richtlijn 2006/32 heeft vervangen, is laatstgenoemde richtlijn ingetrokken met ingang van 5 juni 2014. Ingevolge artikel 28, lid 1, van richtlijn 2012/27 moesten de lidstaten eveneens de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 5 juni 2014 aan deze richtlijn te voldoen. Deze richtlijn bevat bovendien geen specifieke bepalingen betreffende de toepassing ratione temporis van de bepalingen van de daarbij vervangen richtlijn 2006/32.
48 Aangezien de feiten van het hoofdgeding betrekking hebben op de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 oktober 2020 moeten de prejudiciële vragen, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, dus worden onderzocht aan de hand van de bepalingen van richtlijn 2012/27.
49 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat richtlijn 2012/27 volgens artikel 1 ervan tot doel heeft een betere energie-efficiëntie te bevorderen. Zoals uit overweging 8 van die richtlijn blijkt, wordt dienaangaande een beroep gedaan op de volledige energieketen, van de energieproducent tot de eindafnemer die de energie verbruikt, teneinde deze doelstelling te verwezenlijken.
50 In dat verband bepaalt artikel 9, lid 1, van richtlijn 2012/27 dat de lidstaten ervoor zorgen dat eindafnemers, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is, de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik nauwkeurig weergeven en informatie geven over de werkelijke tijd van het verbruik.
51 Meer in het bijzonder bepaalt artikel 9, lid 3, tweede alinea, van die richtlijn dat in een situatie als die in het hoofdgeding, waar het gaat om gebouwen met meerdere appartementen die zijn aangesloten op een stadsverwarmingsnet, uiterlijk op 31 december 2016 individuele verbruiksmeters moesten zijn geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid te meten, waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt was. In die bepaling is voorts aangegeven dat als het gebruik van dergelijke meters niet kostenefficiënt of technisch niet haalbaar is, individuele warmtekostenverdelers moeten worden gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, waarbij de lidstaten evenwel alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik kunnen overwegen.
52 Zoals blijkt uit artikel 1 van richtlijn 2012/27, gelezen in het licht van overweging 20 ervan, beschikken de lidstaten over een ruime speelruimte, zowel wat de keuze van passende maatregelen om het energieverbruik te verminderen betreft als wat de wijze van uitvoering van die maatregelen betreft. In dat verband kunnen zij onder meer voorzien in transparante regels voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik in appartementengebouwen. In plaats van te kiezen voor een nauwkeurige en uitputtende regeling kunnen de lidstaten ook voorzien in een algemeen kader dat speelruimte laat voor gebouwen in mede-eigendom.
53 Dienaangaande is in artikel 9, lid 3, derde alinea, van die richtlijn aangegeven dat de lidstaten in een situatie als die in het hoofdgeding, waar het gaat om appartementengebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels kunnen invoeren voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik. Waar passend kunnen deze regels richtsnoeren bevatten betreffende de wijze waarop de kosten verdeeld moet worden voor het verbruik van, ten eerste, warm water voor huishoudelijk gebruik, ten tweede, de warmte die wordt afgegeven door de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en, ten derde, de verwarming van appartementen.
54 In die context heeft het Hof reeds geoordeeld dat het moeilijk voor te stellen lijkt dat in bepaalde gebouwen in mede-eigendom die op het stadsverwarmingsnet zijn aangesloten, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebouw, de facturen voor de verwarming, met name wat de interne installatie – dat wil zeggen alle leidingen en installaties voor de distributie en levering van thermische energie in het betrokken gebouw – en de gemeenschappelijke ruimten betreft, volledig per individuele gebruiker kunnen worden uitgesplitst. Wat meer in het bijzonder de interne installatie betreft, kan het moeilijk of zelfs onmogelijk blijken om nauwkeurig te bepalen hoeveel warmte door deze installatie in elk appartement wordt afgegeven. Deze hoeveelheid omvat immers niet alleen de warmte die aan elk appartement wordt afgegeven door de onderdelen van de interne installatie, maar ook de warmte-uitwisseling tussen de verwarmde en de onverwarmde ruimten. Appartementen in een gebouw in mede-eigendom zijn op thermisch gebied namelijk niet onafhankelijk van elkaar, aangezien de warmte circuleert tussen de verwarmde eenheden en die welke minder of niet verwarmd worden (zie in die zin arrest van 5 december 2019, EVN Bulgaria Toplofikatsia en Toplofikatsia Sofia, C‑708/17 en C‑725/17, EU:C:2019:1049, punten 85 en 86).
55 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de lidstaten kunnen bepalen dat de eigenaar van een appartement in een gebouw in mede-eigendom verplicht is om de kosten voor de door de interne installatie afgegeven thermische energie te betalen, ook al zijn de gemeenschappelijke ruimten van dat gebouw niet voorzien van radiatoren, moet worden opgemerkt dat richtlijn 2012/27 de lidstaten niet de voorwaarde oplegt dat de gemeenschappelijke ruimten van een gebouw in mede-eigendom zijn voorzien van radiatoren wanneer zij transparante regels vaststellen voor de verdeling van de kosten van het verbruik van thermische energie.
56 Bovendien blijkt uit artikel 9, lid 3, derde alinea, van richtlijn 2012/27 en uit de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat in gebouwen in mede-eigendom die zijn aangesloten op een stadsverwarmingsnet, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebouw, de warmte die wordt afgegeven door de interne installatie, met name doordat verwarmingsbuizen door bepaalde appartementen lopen en er warmte wordt uitgewisseld tussen verwarmde en onverwarmde ruimten, moet worden onderscheiden van de warmte die in de gemeenschappelijke ruimten wordt afgegeven door eventuele warmtebronnen, zoals radiatoren in trappenhuizen en gangen. Hieruit volgt dat eigenaren van appartementen niet kunnen worden vrijgesteld van de kosten van het verbruik van de door de interne installatie afgegeven thermische energie op de enkele grond dat de gemeenschappelijke ruimten van het gebouw niet zijn voorzien van dergelijke warmtebronnen.
57 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27 zich verzet tegen een regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die bepaalt dat elke eigenaar van een appartement de kosten voor de door de interne installatie afgegeven thermische energie moet betalen naar verhouding van het verwarmbare volume van het appartement zoals dat blijkt uit de plattegrond, heeft het Hof in essentie reeds verklaard dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in overeenstemming lijkt te zijn met het begrip „richtsnoeren” als bedoeld in artikel 9, lid 3, derde alinea, van die richtlijn, aangezien zij bepaalt dat de kosten in verband met het thermisch verbruik worden opgedeeld in kosten die betrekking hebben op de door de interne installatie afgegeven warmte, kosten in verband met de thermische energie voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en kosten in verband met de thermische energie voor de verwarming van de afzonderlijke appartementen. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat, rekening houdend met de speelruimte die de lidstaten wordt gelaten, richtlijn 2012/27 zich er niet tegen verzet dat de facturen voor het thermische-energieverbruik van de interne installatie voor iedere eigenaar van een appartement in het betrokken gebouw worden opgesteld in verhouding tot het verwarmbare volume van zijn appartement (zie in die zin arrest van 5 december 2019, EVN Bulgaria Toplofikatsia en Toplofikatsia Sofia, C‑708/17 en C‑725/17, EU:C:2019:1049, punten 90‑92).
58 Wat in de derde plaats de wiskundige formule betreft op grond waarvan de kosten van het verbruik van thermische energie in gebouwen in mede-eigendom worden berekend, moet worden vastgesteld dat artikel 9 van richtlijn 2012/27 geen vereisten bevat waaraan een dergelijke formule moet voldoen.
59 Overeenkomstig artikel 9, lid 3, derde alinea, van richtlijn 2012/27 kunnen de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, evenwel regels invoeren voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik in gebouwen.
60 Wil een dergelijke berekening van de kosten transparant en accuraat zijn, dan moet ook de basis van die berekening transparant en accuraat zijn, zodat de eindafnemer precies weet welke kosten hem in rekening worden gebracht en indien nodig maatregelen kan nemen om zijn persoonlijk verbruik aan te passen en zo te voldoen aan het doel van richtlijn 2012/27, namelijk het bevorderen van een betere energie-efficiëntie.
61 Hieruit volgt dat het vereiste van transparantie en accuraatheid ook van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wiskundige formule op basis waarvan die kosten worden berekend.
62 In casu is de wiskundige formule in punt 6.1.1 van de methode weliswaar gebaseerd op bepaalde objectieve gegevens, maar uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat die formule – onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties – geen rekening houdt met een aantal parameters die zien op de daadwerkelijke werking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwarmingsinstallatie. Een dergelijke formule zou met name rekening moeten houden met de specifieke kenmerken van het gebouw, zoals de isolatie ervan en die van het verwarmingssysteem, de voor dit systeem gebruikte materialen en eventueel warmteverlies.
63 Bovendien is die formule volgens het in het hoofdgeding opgestelde deskundigenrapport onvoldoende duidelijk doordat deze meerdere dubbelzinnigheden bevat, wat afbreuk kan doen aan de transparantie van de verdeling van de kosten voor het verbruik van thermische energie of warm water binnen het betrokken gebouw.
64 Voorts moeten de lidstaten er volgens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2012/27 voor zorgen dat de factureringsinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is. In die bepaling wordt verwezen naar punt 1.1 van bijlage VII bij die richtlijn, waarin onder het opschrift „Facturatie op basis van het werkelijke verbruik” onder meer is bepaald dat er, om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik moet worden gefactureerd, en dat de factureringsinformatie ten minste om het kwartaal beschikbaar moet worden gesteld, op verzoek of ingeval de consument gekozen heeft voor elektronische facturering, zo niet tweemaal per jaar. Hieruit volgt dat de formule om die kosten te berekenen gebaseerd moet zijn op duidelijke en onderbouwde parameters, zodat de facturering gebaseerd is op informatie die nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik.
65 In deze omstandigheden lijkt het er, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, op dat de wiskundige formule in punt 6.1.1 van de methode – op grond waarvan de kosten van het verbruik van thermische energie in gebouwen in mede-eigendom worden berekend – geen transparante en accurate berekening van het individuele verbruik in de zin van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27 mogelijk maakt.
66 Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de eigenaar van een appartement in een gebouw in mede-eigendom de kosten moet betalen die hem naar rato van het verwarmbare volume van zijn appartement in rekening worden gebracht voor de thermische energie die wordt afgegeven door alle leidingen en installaties voor de distributie en levering van thermische energie binnen het gebouw, ook wanneer de trappenhuizen en gangen niet voorzien zijn van radiatoren, mits de regels en parameters op grond waarvan de kosten worden berekend die hem in rekening worden gebracht voor zijn individuele verbruik van thermische energie voor de verwarming van zijn appartement en warm water voor huishoudelijk gebruik, een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik waarborgen.
Kosten
67 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 9, lid 3, van richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de eigenaar van een appartement in een gebouw in mede-eigendom de kosten moet betalen die hem naar rato van het verwarmbare volume van zijn appartement in rekening worden gebracht voor de thermische energie die wordt afgegeven door alle leidingen en installaties voor de distributie en levering van thermische energie binnen het gebouw, ook wanneer de trappenhuizen en gangen niet voorzien zijn van radiatoren, mits de regels en parameters op grond waarvan de kosten worden berekend die hem in rekening worden gebracht voor zijn individuele verbruik van thermische energie voor de verwarming van zijn appartement en warm water voor huishoudelijk gebruik, een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik waarborgen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.