HvJ EU 9 oktober 2025, C-80/24, ECLI:EU:C:2025:767

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

9 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Kredietovereenkomsten voor consumenten – Richtlijn 2008/48/EG – Artikel 22, lid 2 – Dwingend karakter van deze richtlijn – Consument die zijn schuldvordering jegens een bank overdraagt aan een derde – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 6, lid 1 – Artikel 7, lid 1 – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Ambtshalve onderzoek door de nationale rechter of de bedingen in een overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering die niet het voorwerp van het bij deze rechter aanhangige geding is, oneerlijk zijn”

In zaak C‑80/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy – Śródmieścia w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau – zittingsplaats Warschau-Centrum, Polen) bij beslissing van 22 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 1 februari 2024, in de procedure

Zwrotybankowe.pl sp. z o.o.

tegen

Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A.,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Zwrotybankowe.pl sp. z o.o., vertegenwoordigd door A. Tomaszewska, radca prawny,

– Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A., vertegenwoordigd door A. Kuzawińska, M. Malciak en W. J. Wandzel, adwokaci,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en U. Małecka als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), alsook artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Zwrotybankowe.pl sp. z o.o., een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Pools recht, en Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A. (hierna: „PKO Bank Polski”), een bank, in verband met de schuldvordering die een consument heeft jegens deze bank, welke schuldvordering aan verzoekster in het hoofdgeding is overgedragen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

4 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn is verwoord als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Richtlijn 2008/48

5 Artikel 22 van richtlijn 2008/48 heeft als opschrift „Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn” en bepaalt in lid 2: „De lidstaten dragen er zorg voor dat de consument geen afstand kan doen van de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met deze richtlijn.”

6 Artikel 23 van die richtlijn, met het opschrift „Sancties”, luidt: „De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

Pools recht

7 Richtlijn 2008/48 is in de Poolse rechtsorde omgezet bij de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (Dz. U. nr. 126, volgnr. 715), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet op het consumentenkrediet”).

8 Artikel 45, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet bepaalt: „Indien de kredietgever artikel 29, lid 1, artikel 30, lid 1, punten 1 tot en met 8, punten 10 en 11 en punten 14 tot en met 17, de artikelen 31 tot en met 33, artikel 33a en de artikelen 36 a tot en met 36c [van de onderhavige wet] niet nakomt, betaalt de consument, nadat hij bij de kredietgever een schriftelijke verklaring heeft ingediend, het krediet zonder rente en andere aan de kredietgever verschuldigde kredietkosten terug binnen de termijn en op de wijze die in de overeenkomst zijn vastgesteld.”

9 Artikel 509, lid 1, van de ustawa Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. van 1964, nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Een schuldeiser kan een schuldvordering zonder instemming van de schuldenaar aan een derde overdragen (cessie van schuldvordering), tenzij de wet, een contractuele beperking of de aard van de verbintenis zich daartegen verzet.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 Met zijn vordering verzoekt Zwrotybankowe.pl de Sąd Rejonowy dla Warszawy – Śródmieścia w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau – zittingsplaats Warschau-Centrum, Polen), de verwijzende rechter, om PKO Bank Polski te veroordelen om haar het bedrag van 4537,45 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 1050 EUR) te betalen, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente en de gerechtskosten.

11 Zwrotybankowe.pl heeft deze vordering ingesteld op basis van een overdrachtsovereenkomst die zij heeft gesloten met een consument (hierna: „overdrachtsovereenkomst”), waarbij die consument zijn recht heeft overgedragen om van PKO Bank Polski alle geldvorderingen op te eisen die hij kon doen gelden tegenover PKO Bank Polski. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde schuldvordering vloeit voort uit de toepassing van de sanctie die is neergelegd in artikel 45, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet – dat artikel 23 van richtlijn 2008/48 heeft omgezet in nationaal recht – omdat die bank de krachtens deze wet op haar rustende informatieverplichtingen niet is nagekomen. De overdrachtsovereenkomst bepaalt dat die consument als tegenprestatie voor de betrokken overdracht 50 % ontvangt van het bedrag van de hoofdvordering die Zwrotybankowe.pl heeft ingevorderd bij genoemde bank.

12 PKO Bank Polski betoogt dat deze vordering moet worden afgewezen en stelt dat Zwrotybankowe.pl niet in rechte kon optreden tegen haar, aangezien de aard van de schuldvordering waarop aanspraak wordt gemaakt, zich verzet tegen de overdracht aan een derde. Ten gronde stelt zij dat zij hoe dan ook niet is tekortgeschoten in haar informatieverplichtingen in het kader van de kredietovereenkomst met die consument.

13 In deze context heeft de verwijzende rechter in de eerste plaats twijfels over de uitlegging van het bij artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48 ingevoerde verbod, op grond waarvan een consument geen afstand kan doen van de rechten die hem worden toegekend krachtens de overeenkomstige bepalingen van het nationale recht. Deze rechter vraagt zich af of dat verbod ook geldt voor de in de nationale regeling voorziene mogelijkheid voor de consument om zijn rechten over te dragen aan een derde, die deze rechten in eigen naam geldend zal maken en vervolgens met name een vergoeding zal ontvangen van 50 % van het verkregen bedrag, waarvan de resterende 50 % aan de consument wordt teruggegeven.

14 In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat het begrip „afstand” als bedoeld in artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48 ruim moet worden uitgelegd, in die zin dat ook een dergelijke situatie daaronder valt. De hoofddoelstelling van de richtlijn is namelijk om de consument te beschermen tegen oneerlijke bedingen in kredietovereenkomsten, en niet om derden die geen partij zijn bij de gesloten kredietovereenkomst een bron van verrijking te doen verkrijgen.

15 In de tweede plaats, voor het geval dat deze ruime uitlegging niet wordt aanvaard, heeft de verwijzende rechter twijfels over de vraag of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat de nationale rechter in het kader van zijn verplichting om ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is, ook verplicht is om ambtshalve de bedingen te toetsen van een overdrachtsovereenkomst die is gesloten tussen de consument (cedent) en de cessionaris, wanneer die overeenkomst de rechtsgrondslag vormt van de vordering waarmee die cessionaris de schuldvorderingen van die consument tegen de kredietgever geldend maakt.

16 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat in het aan de orde zijnde geval de vaststelling van het oneerlijke karakter van de bedingen van de overdrachtsovereenkomst zou kunnen leiden tot de nietigheid van deze overeenkomst, zodat Zwrotybankowe.pl haar procesbevoegdheid zou verliezen en de vordering in het hoofdgeding bijgevolg zou worden afgewezen.

17 Deze rechter wijst op de negatieve gevolgen daarvan voor de betrokken consument, die in een dergelijk geval zelfs niet het deel van de bij de kredietgever gevorderde schuldvordering zou verkrijgen dat in de overdrachtsovereenkomst bedongen is. Bovendien zou de toetsing van het oneerlijke karakter van een beding in de overdrachtsovereenkomst plaatsvinden zonder die consument en kan hem – om redenen die verband houden met de nationale procedureregels – niet worden verzekerd dat hij kan deelnemen aan de procedure en zijn standpunt over deze vraag kenbaar kan maken.

18 In deze context heeft de Sąd Rejonowy dla Warszawy – Śródmieścia w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd: „1) Moet artikel 22, lid 2, van richtlijn [2008/48] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de consument de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan deze richtlijn, kan overdragen aan een derde die geen consument is? 2) Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat de verplichting van [een] rechter om ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is, ook geldt voor een beding in een tussen een consument en een derde gesloten overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering, wanneer deze derde zich in een gerechtelijke procedure op die overeenkomst beroept als grondslag voor zijn procesbevoegdheid [ten aanzien van] de verkoper die de oorspronkelijke wederpartij van de consument was?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

19 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48 zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument een schuldvordering die voortvloeit uit de schending van een recht dat hem is toegekend door de nationale regeling tot omzetting van die richtlijn, kan overdragen aan een derde die geen consument is.

20 Vooraf zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat het hoofdgeding alleen tussen verkopers wordt gevoerd, niet in de weg staat aan de toepassing van richtlijn 2008/48 of richtlijn 93/13, aangezien de werkingssfeer van deze richtlijnen niet afhangt van de identiteit van de partijen bij dat geding, maar van de hoedanigheid van de partijen bij de kredietovereenkomst die aan de orde is in het hoofdgeding (zie in die zin arresten van 11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 20, en 18 november 2020, DelayFix,C‑519/19, EU:C:2020:933, punten 53 en 54).

21 In casu vloeit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schuldvordering voort uit een kredietovereenkomst die is gesloten tussen een consument en PKO Bank Polski, welke schuldvordering door Zwrotybankowe.pl is verworven op grond van een overdrachtsovereenkomst, zodat deze twee richtlijnen van toepassing zijn op het hoofdgeding.

22 Daarenboven dient eraan te worden herinnerd dat richtlijn 2008/48 werd vastgesteld met een tweeledig doel: waarborgen dat alle consumenten van de Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet vergemakkelijken (arresten van 5 september 2019, Pohotovosť, C‑331/18, EU:C:2019:665, punt 41, en 26 maart 2020, Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty, C‑779/18,EU:C:2020:236, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder waarborgt artikel 22, lid 2, van deze richtlijn een hoog niveau van consumentenbescherming door te verbieden dat consumenten afstand doen van de rechten die hun worden toegekend door deze richtlijn.

23 De verwijzende rechter is van oordeel dat het in die bepaling gehanteerde begrip „afstand” ruim moet worden uitgelegd, in die zin dat het ook ziet op de overdracht van de rechten die de betrokken consument aan richtlijn 2008/48 ontleent, zodat die bepaling ook in de weg kan staan aan een dergelijke overdracht, ook al is deze naar nationaal recht toegestaan.

24 Van meet af aan moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48 niet blijkt wat moet worden verstaan onder afstand van de rechten die consumenten worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan die richtlijn. Deze bepaling moet derhalve worden onderzocht in het licht van de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt, zoals die in herinnering zijn gebracht in punt 22 van het onderhavige arrest [zie in die zin arrest van 26 april 2022, Landespolizeidirektion Steiermark (Maximumduur van het grenstoezicht aan de binnengrenzen), C‑368/20 en C‑369/20, EU:C:2022:298, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

25 In dit verband is het Hof reeds verzocht om zich uit te spreken over de uitlegging van een bepaling van Unierecht die tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van een zwakke partij in een overeenkomst te waarborgen in geval van overdracht van de rechten van die partij aan een handelsvennootschap. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones (C‑11/23, EU:C:2024:194), heeft het Hof namelijk in essentie onderzocht of artikel 15 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1) toestaat dat een beding in een overeenkomst wordt opgenomen dat de overdracht verbiedt van de rechten van een luchtreiziger jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, met name het recht op compensatie. Artikel 15 („Uitsluiting van ontheffing”) van verordening nr. 261/2004 bepaalt in lid 1 dat de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van de passagier niet kunnen worden beperkt of teniet worden gedaan door middel van bijvoorbeeld een beperkings- of ontheffingsclausule in de vervoersovereenkomst.

26 Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op het doel van een hoog niveau van bescherming van de luchtreizigers en teneinde de doeltreffendheid van het recht op compensatie van die reizigers te waarborgen, niet alleen de ontheffingen of beperkingen die rechtstreeks betrekking hebben op dat recht als zodanig, maar ook die welke de wijze van uitoefening van dit recht ten nadele van deze reizigers beperken ten opzichte van de toepasselijke wettelijke bepalingen, ontoelaatbaar moeten worden geacht in de zin van genoemd artikel 15 (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones, C‑11/23, EU:C:2024:194, punt 43).

27 Teneinde een hoog niveau van bescherming van de luchtreizigers te waarborgen en hen in staat te stellen hun rechten doeltreffend uit te oefenen, moet de door een annulering van de vlucht getroffen luchtreiziger immers de vrijheid worden gewaarborgd om zijn recht zo doeltreffend mogelijk te verdedigen, met name door hem de keuze te bieden om zich rechtstreeks te wenden tot de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, zich tot de bevoegde rechter te wenden of, wanneer het toepasselijke nationale recht daarin voorziet, zijn vordering over te dragen aan een derde om zich de moeilijkheden en kosten te besparen die hem ervan kunnen weerhouden om voor een beperkt financieel belang persoonlijke stappen te ondernemen tegen deze luchtvaartmaatschappij (arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones, C‑11/23, EU:C:2024:194, punt 44).

28 Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat de doelstelling van een hoog niveau van bescherming van de luchtreizigers zich ertegen verzet dat in een vervoersovereenkomst een beding wordt opgenomen dat de overdracht verbiedt van de rechten die zij aan verordening nr. 261/2004 ontlenen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones, C‑11/23, EU:C:2024:194, punt 46).

29 Hieruit volgt naar analogie dat de doelstelling van een hoog niveau van consumentenbescherming zich verzet tegen de door de verwijzende rechter voorgestane ruime uitlegging van het begrip „afstand” als bedoeld in artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48, die ertoe zou leiden dat ook de overdracht van de rechten die consumenten aan deze richtlijn ontlenen, wordt verboden. Een dergelijke overdracht is namelijk een van de wettelijke mogelijkheden, waarin de nationale rechtsorde mogelijkerwijs voorziet, om de consumenten in staat te stellen hun rechten te verdedigen, doordat zij zich de moeilijkheden en kosten besparen die hen ervan kunnen weerhouden om persoonlijke stappen te ondernemen tegen de betrokken verkoper.

30 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument een schuldvordering die voortvloeit uit de schending van een recht dat hem is toegekend door de nationale regeling tot omzetting van die richtlijn, kan overdragen aan een derde die geen consument is.

Tweede vraag

31 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter ambtshalve kan of zelfs moet onderzoeken of een beding in een door een consument gesloten overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering oneerlijk is, wanneer het bij hem aanhangige geding tussen de vennootschap waaraan de schuldvordering is overgedragen en een verkoper geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst, maar op de schuldvordering van de consument jegens die verkoper.

32 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de schuldvordering die voortvloeit uit de kredietovereenkomst die is gesloten tussen PKO Bank Polski en een consument, welke schuldvordering aan Zwrotybankowe.pl is overgedragen. De overdrachtsovereenkomst is dus niet het voorwerp van dit geding en genoemde consument is geen partij in de door Zwrotybankowe.pl ingeleide procedure.

33 De verwijzende rechter, die kennis heeft genomen van de overdrachtsovereenkomst waarop Zwrotybankowe.pl zich beroept voor haar procesbevoegdheid, verwijst evenwel ter rechtvaardiging van zijn tweede prejudiciële vraag naar de rechtspraak van het Hof die de nationale rechter de verplichting oplegt om – zodra hij beschikt over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens – ambtshalve te onderzoeken of een contractueel beding mogelijkerwijs oneerlijk is.

34 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter inderdaad gehouden is om – zodra hij over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens beschikt – ambtshalve te beoordelen of een binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallend contractueel beding oneerlijk is, en om aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper te compenseren (zie in die zin arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 26).

35 In dit verband heeft het Hof allereerst ook benadrukt dat het ambtshalve onderzoek dat de nationale rechter moet verrichten op grond van richtlijn 93/13 beperkt blijft tot de contractuele bedingen waarvan het oneerlijke karakter kan worden vastgesteld aan de hand van de juridische en feitelijke gegevens in het dossier waarover die nationale rechter beschikt (zie in die zin arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 27).

36 Vervolgens heeft het Hof gepreciseerd dat die nationale rechter ambtshalve maatregelen van instructie moet nemen voor zover de reeds in het dossier opgenomen juridische en feitelijke gegevens ernstige twijfels doen rijzen over het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen waartegen de consument weliswaar niet is opgekomen maar die verband houden met het voorwerp van het geding, en dat het door die rechter ambtshalve te verrichten onderzoek dus vereist dat dergelijke maatregelen van instructie worden genomen (arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 38). Bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst kan de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten immers niet worden gewaarborgd (arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Ten slotte heeft het Hof niettemin geoordeeld dat de nationale rechter slechts binnen de grenzen van het voorwerp van het bij hem aanhangige geding een contractueel beding ambtshalve moet onderzoeken in het kader van de bescherming die krachtens richtlijn 93/13 aan de consument moet worden geboden, om te voorkomen dat de vorderingen van de consument worden afgewezen bij een in voorkomend geval definitieve beslissing, terwijl die vorderingen hadden kunnen worden toegewezen indien de consument niet uit onwetendheid had nagelaten zich te beroepen op het oneerlijke karakter van dat beding (zie in die zin arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 32).

38 Uit de overwegingen in de punten 34 tot en met 37 van het onderhavige arrest volgt dat de verplichting van de nationale rechter om ambtshalve een contractueel beding te onderzoeken geldt met betrekking tot de bedingen waartegen de betrokken consument weliswaar niet is opgekomen maar die zijn opgenomen in de overeenkomst die het voorwerp van het geding is, en dat deze toetsing wordt gerechtvaardigd door de bescherming die krachtens richtlijn 93/13 aan die consument moet worden geboden.

39 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat Zwrotybankowe.pl verzoekt om PKO Bank Polski te veroordelen tot betaling van een schuldvordering die voortvloeit uit een door een consument met die bank gesloten kredietovereenkomst, als gevolg van de vermeende niet-nakoming van de informatieverplichtingen van richtlijn 2008/48 bij het sluiten van die overeenkomst. Als verweer voert PKO Bank Polski met name aan dat krachtens artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48 een dergelijke vordering, waaraan verzoekster in het hoofdgeding haar procesbevoegdheid ontleent, niet het voorwerp kan vormen van een overdrachtsovereenkomst.

40 Hieruit volgt dat het door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag bedoelde contractuele beding niet binnen de grenzen van het voorwerp van het bij hem aanhangige geding valt, zodat deze rechter dat beding niet ambtshalve hoeft te onderzoeken uit hoofde van de bescherming die deze consument krachtens richtlijn 93/13 moet worden geboden overeenkomstig de in punt 37 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

41 Met betrekking tot een vordering die is ingesteld door een vennootschap waaraan de schuldvordering is overgedragen van een consument tegen de verkoper met wie deze consument een overeenkomst is aangegaan, moet bovendien worden vastgesteld dat – zoals de advocaat-generaal in punt 32 van haar conclusie opmerkt – een vordering tussen twee verkopers niet wordt gekenmerkt door het gebrek aan evenwicht dat bestaat in het kader van een vordering tussen de consument en de verkoper met wie hij een overeenkomst is aangegaan (zie in die zin arrest van 11 april 2024, Air Europa Líneas Aéreas, C‑173/23, EU:C:2024:295, punt 38).

42 Zoals is opgemerkt in punt 34 van het onderhavige arrest, heeft het Hof immers reeds beklemtoond dat het wegens de situatie van ongelijkheid tussen de consument en de verkoper is dat de nationale rechter gehouden is om ambtshalve te beoordelen of een binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallend contractueel beding oneerlijk is, en om aldus dat gebrek aan evenwicht te compenseren.

43 Anders dan in het geval waarop de in punt 34 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak betrekking heeft, volgt hieruit dat het teneinde de doeltreffendheid te verzekeren van het door richtlijn 93/13 beoogde stelsel van consumentenbescherming niet noodzakelijk is dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen twee verkopers – zoals een vennootschap waaraan de rechten van een consument zijn overgedragen en de verkoper met wie laatstgenoemde een overeenkomst is aangegaan – ambtshalve onderzoekt of een beding in de door de consument gesloten overeenkomst oneerlijk is (arrest van 11 april 2024, Air Europa Líneas Aéreas, C‑173/23, EU:C:2024:295, punt 39).

44 Zoals de verwijzende rechter opmerkt, zou in het onderhavige geval de vaststelling dat een of meer bedingen in de overdrachtsovereenkomst oneerlijk zijn, voorts tot gevolg kunnen hebben – indien de overeenkomst zonder die bedingen niet kan voortbestaan – dat de betrokken cessionaris, te weten Zwrotybankowe.pl, geen procesbevoegdheid heeft en er dus in het kader van de bij die rechter aanhangige procedure geen enkele vergoeding wordt verkregen ten gunste van de consument die zijn schuldvordering heeft overgedragen. Een dergelijke situatie zou afbreuk kunnen doen aan de doeltreffende bescherming van de consument, aangezien deze laatste, op zijn minst voor het moment, zou worden beroofd van het deel van de schuldvordering dat hij via de overdrachtsovereenkomst hoopte te verkrijgen, zonder zelfs maar de mogelijkheid te hebben gehad om dienaangaande te worden gehoord, aangezien hij geen partij is in het hoofdgeding.

45 Hieruit volgt dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 niet vereisen dat de nationale rechter ambtshalve onderzoekt of een beding in een overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering tussen een consument en de cessionaris van de rechten van laatstgenoemde oneerlijk is, wanneer het bij hem aanhangige geding geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst, maar op de schuldvordering van die consument jegens de bank die met hem een kredietovereenkomst had gesloten.

46 In die omstandigheden staat het uitsluitend aan de nationale rechter om te beoordelen of en in hoeverre zijn nationale recht hem toestaat of zelfs verplicht om na te gaan of Zwrotybankowe.pl procesbevoegd is, in het bijzonder door de inhoud te onderzoeken van de overeenkomst die haar mogelijkerwijs procesbevoegdheid verleent, maar die niet het voorwerp is van het bij hem aanhangige geding. Teneinde het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht te eerbiedigen, mag de toepassing van een nationale procedureregel de uitoefening van de met name door richtlijn 93/13 verleende rechten evenwel niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arrest van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a., C‑693/19 en C‑831/19, EU:C:2022:395, punt 60). Deze nationale rechter moet er dus op toezien dat die procedureregel geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokken consument wanneer deze niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn argumenten naar voren te brengen in het kader van een contradictoir debat (zie in die zin arrest van 11 april 2024, Air Europa Líneas Aéreas, C‑173/23, EU:C:2024:295, punt 44).

47 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter niet ambtshalve hoeft te onderzoeken of een beding in een door een consument gesloten overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering oneerlijk is, wanneer het bij hem aanhangige geding tussen de vennootschap waaraan de schuldvordering is overgedragen en een verkoper geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst, maar op de schuldvordering van de consument jegens die verkoper.

Kosten

48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument een schuldvordering die voortvloeit uit de schending van een recht dat hem is toegekend door de nationale regeling tot omzetting van die richtlijn, kan overdragen aan een derde die geen consument is.

2) Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter niet ambtshalve hoeft te onderzoeken of een beding in een door een consument gesloten overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering oneerlijk is, wanneer het bij hem aanhangige geding tussen de vennootschap waaraan de schuldvordering is overgedragen en een verkoper geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst, maar op de schuldvordering van de consument jegens die verkoper.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken