HvJ EU 1 augustus 2025, C-665/23, ECLI:EU:C:2025:598

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

1 augustus 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Betalingsdiensten in de interne markt – Richtlijn 2007/64/EG – Artikel 56, lid 1, onder b) – Verplichting voor de betalingsdienstgebruiker om de betalingsdienstaanbieder ,onverwijld’ in kennis te stellen van het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument – Artikel 58 – Kennisgeving van niet-toegestane betalingstransacties – Rectificatie van een dergelijke betalingstransactie door de betalingsdienstaanbieder, die afhankelijk wordt gesteld van de naleving door de betalingsdienstgebruiker van de verplichting om ‚onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering’ kennis te geven van die transactie – Artikelen 60 en 61 – Aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder en de betaler voor niet-toegestane betalingstransacties – Opeenvolging van niet-toegestane betalingstransacties als gevolg van het verlies, de diefstal, het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument – Vertraging in de kennisgeving die niet opzettelijk en niet het gevolg van grove nalatigheid is – Draagwijdte van het recht op terugbetaling”

In zaak C‑665/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 8 november 2023, ingekomen bij het Hof op 9 november 2023, in de procedure

IL

tegen

Veracash SAS,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen, A. Arabadjiev, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Veracash SAS, vertegenwoordigd door R. Froger, avocat,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en T. Lechevallier als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Očková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret en G. Goddin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 januari 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 56, 58, 60 en 61 van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1, met rectificatie in PB 2009, L 187, blz. 5).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen IL, een natuurlijke persoon, en Veracash SAS over een terugbetaling van geldopnemingen die zonder toestemming van IL zouden zijn gedaan, die werd geweigerd wegens de vermeende late kennisgeving van die transacties.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 31 tot en met 35 van richtlijn 2007/64 waren als volgt geformuleerd: „(31) Om de risico’s en gevolgen van niet-toegestane of foutieve betalingstransacties te beperken, moet de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder zo spoedig mogelijk in kennis stellen van betwistingen in verband met vermeende niet-toegestane of foutieve betalingstransacties, voor zover de betalingsdienstaanbieder zijn informatieplicht conform deze richtlijn heeft vervuld. Indien deze kennisgevingstermijn wordt nageleefd door de betalingsdienstgebruiker, moet hij de desbetreffende vorderingen binnen de verjaringstermijnen overeenkomstig het nationale recht kunnen instellen. Deze richtlijn laat andere vorderingen tussen betalingsdienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders onverlet. (32) Om de betalingsdienstgebruiker ertoe aan te sporen zijn aanbieder onverwijld van een eventuele diefstal of een eventueel verlies van een betaalinstrument in kennis te stellen en aldus het risico van niet-toegestane betalingstransacties te verminderen, mag de gebruiker slechts voor een beperkt bedrag aansprakelijk zijn, tenzij de betalingsdienstgebruiker frauduleus of ernstig nalatig heeft gehandeld. Zodra een gebruiker een betalingsdienstaanbieder ervan in kennis heeft gesteld dat zijn betaalinstrument gecompromitteerd kan zijn, mag van de gebruiker bovendien niet worden verlangd dat hij verdere verliezen dekt die uit een niet-toegestaan gebruik van dat instrument voortvloeien. [...] (33) Bij de beoordeling of de betalingsdienstgebruiker nalatig is geweest, moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen. Het bewijs voor en de mate van de beweerde nalatigheid moet volgens het nationale recht worden beoordeeld. Contractuele clausules en voorwaarden met betrekking tot de verstrekking en het gebruik van het betaalinstrument die de bewijslast voor de consument vergroten of de bewijslast voor de verstrekker verminderen, moeten als nietig worden beschouwd. (34) De lidstaten dienen de regels voor consumenten echter minder stringent te kunnen maken dan hierboven omschreven om de consumentenbescherming op het bestaande peil te handhaven en het vertrouwen in een veilig gebruik van elektronische betaalinstrumenten te schragen. [...] De lidstaten dienen de aansprakelijkheid van de betaler te kunnen beperken of volledig opheffen, behalve indien de betaler frauduleus heeft gehandeld. (35) Er moet worden voorzien in de toewijzing van verliezen in geval van niet-toegestane betalingstransacties. Voor andere betalingsdienstgebruikers dan consumenten kunnen andere bepalingen gelden, aangezien dergelijke gebruikers gewoonlijk in een zodanige positie verkeren dat zij beter in staat zijn het frauderisico in te schatten en tegenmaatregelen te treffen.”

4 Artikel 4 van deze richtlijn bevatte de volgende definities: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 5. ‚betalingstransactie’: een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn; [...] 7. ‚betaler’: hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft; [...] 10. ‚betalingsdienstgebruiker’: natuurlijke of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt; [...] 16. ‚betalingsopdracht’: door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren; [...] 23. ‚betaalinstrument’: gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om de betalingsdienstaanbieder in staat te stellen een betalingsopdracht te initiëren; [...]”

5 In titel IV („Rechten en plichten met betrekking tot de aanbieding en het gebruik van betalingsdiensten”) van deze richtlijn waren vijf hoofdstukken opgenomen. Hoofdstuk 1 („Gemeenschappelijke bepalingen”) van titel IV bevatte een artikel 51 waarin het toepassingsgebied van voornoemde titel IV werd gepreciseerd. In lid 1 van dat artikel was het volgende bepaald: „Wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, kunnen de partijen overeenkomen dat [...] de artikelen 59, 61, 62, 63, 66 en 75 in het geheel of ten dele niet van toepassing zijn. De partijen kunnen ook een andere termijn overeenkomen dan die welke is gesteld bij artikel 58.”

6 Hoofdstuk 2 („Toestaan van betalingstransacties”) van titel IV bevatte de artikelen 54 tot en met 63 van die richtlijn. Artikel 56 („Plichten van de betalingsdienstgebruiker met betrekking tot betaalinstrumenten”) van die richtlijn bepaalde in lid 1: „De betalingsdienstgebruiker die gemachtigd is om een betaalinstrument te gebruiken, voldoet aan de volgende verplichtingen: [...] b) hij stelt de betalingsdienstaanbieder, of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit, onverwijld in kennis wanneer hij zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal of [het] onrechtmatig[e] gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan.”

7 Artikel 57 („Plichten van de betalingsdienstaanbieder met betrekking tot betaalinstrumenten”) van richtlijn 2007/64 luidde als volgt: „1. De betalingsdienstaanbieder die het betaalinstrument uitgeeft, voldoet aan de volgende verplichtingen: [...] c) hij zorgt ervoor dat er te allen tijde passende middelen beschikbaar zijn om de betalingsdienstgebruiker in staat te stellen een kennisgeving krachtens artikel 56, lid 1, onder b), te doen [...] en d) hij belet dat het betaalinstrument nog kan worden gebruikt zodra de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), is gedaan. 2. De betalingsdienstaanbieder draagt het risico van het zenden van een betaalinstrument aan de betaler of het zenden van gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan.”

8 Artikel 58 („Kennisgeving van niet-toegestane of foutieve betalingstransacties”) van deze richtlijn preciseerde: „De betalingsdienstgebruiker die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering, [...] verkrijgt alleen rectificatie van zijn betalingsdienstaanbieder indien hij hem onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennisgeeft van de bewuste transactie, tenzij de betalingsdienstaanbieder, in voorkomend geval, de informatie betreffende die betalingstransactie niet overeenkomstig titel III [betreffende transparantie van aan betalingsdiensten verbonden voorwaarden en informatievereisten] heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld.”

9 Artikel 59 („Bewijs inzake authentificatie en uitvoering van betalingstransacties”) van deze richtlijn was in de volgende bewoordingen gesteld: „1. De lidstaten schrijven voor dat, wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan of aanvoert dat de betalingstransactie niet correct is uitgevoerd, zijn betalingsdienstaanbieder gehouden is het bewijs te leveren dat de betalingstransactie is geauthentificeerd, juist is geregistreerd, is geboekt en niet door een technische storing of enig ander falen is beïnvloed. 2. Wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan, vormt het feit dat het gebruik van een betaalinstrument door de betalingsdienstaanbieder is geregistreerd op zichzelf niet noodzakelijkerwijze afdoende bewijs dat de betalingstransactie door de betaler is toegestaan of dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 niet is nagekomen.”

10 Artikel 60 („Aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder wegens niet-toegestane betalingstransacties”) bepaalde in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat, onverminderd artikel 58, de betalingsdienstaanbieder van de betaler, in geval van een niet-toegestane betalingstransactie, de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetaalt en, in voorkomend geval, de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, herstelt in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de niet-toegestane betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden.”

11 Artikel 61 („Aansprakelijkheid van de betaler wegens niet-toegestane betalingstransacties”) van richtlijn 2007/64 was als volgt verwoord: „1. In afwijking van artikel 60 draagt de betaler tot een bedrag van ten hoogste 150 EUR het verlies met betrekking tot niet-toegestane betalingstransacties dat voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of, indien de betaler heeft nagelaten de veiligheid van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan te waarborgen, uit onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument. 2. De betaler draagt alle verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich hebben voorgedaan doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 56 niet is nagekomen. In dergelijke gevallen is het in lid 1 van dit artikel bedoelde maximumbedrag niet van toepassing. 3. In gevallen waarin de betaler niet frauduleus of opzettelijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 heeft verzaakt, kunnen de lidstaten de in de leden 1 en 2, van dit artikel bedoelde aansprakelijkheid beperken, met name rekening houdend met de aard van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van het betaalinstrument en met de omstandigheden waarin het is verloren, gestolen of onrechtmatig werd gebruikt. 4. Na de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), heeft het gebruik van het verloren, gestolen of wederrechtelijk toegeëigende betaalinstrument geen financiële gevolgen voor de betaler, tenzij deze frauduleus heeft gehandeld. 5. Indien de betalingsdienstaanbieder nalaat om overeenkomstig artikel 57, lid 1, onder c), passende middelen beschikbaar te stellen waarmee te allen tijde kennisgeving kan worden gedaan van verlies, diefstal of wederrechtelijke toe-eigening van een betaalinstrument, is de betaler niet aansprakelijk voor de financiële gevolgen die uit het gebruik van dat betaalinstrument voortvloeien, tenzij hij frauduleus heeft gehandeld.”

12 Artikel 62 van die richtlijn bevatte regels inzake terugbetalingen van door of via een begunstigde geïnitieerde betalingstransactie terwijl artikel 63 van die richtlijn betrekking had op verzoeken om terugbetaling van dergelijke transacties.

13 Richtlijn 2007/64 is met ingang van 13 januari 2018 ingetrokken en vervangen door richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35) overeenkomstig artikel 114 van richtlijn 2015/2366.

Frans recht

14 De code monétaire et financier, zoals gewijzigd bij ordonnance no 2009‑866, du 15 juillet 2009, relative aux conditions régissant la fourniture de services de paiement et portant création des établissements de paiement (besluit nr. 2009‑866 van 15 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor het aanbieden van betalingsdiensten en betreffende de oprichting van betalingsinstellingen) (JORF van 16 juli 2009, tekst nr. 13, met rectificatie in JORF van 25 juli 2009, tekst nr. 18) (hierna: „monetair en financieel wetboek”), bepaalt in artikel L. 133‑17 het volgende: „I. – Wanneer de betalingsdienstgebruiker zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal, het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument of de daarmee verband houdende gegevens, stelt hij zijn betalingsdienstaanbieder of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit daarvan onverwijld in kennis, zodat het instrument kan worden geblokkeerd. [...]”

15 Artikel L. 133‑18 bepaalt in alinea 1: „Indien de gebruiker overeenkomstig artikel L. 133‑24 kennisgeeft van een niet-toegestane betalingstransactie, betaalt de betalingsdienstaanbieder van de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane transactie aan die betaler terug en herstelt hij in voorkomend geval de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd in de toestand zoals die zou zijn geweest indien de niet-toegestane betalingstransactie niet had plaatsgevonden.”

16 Artikel L. 133‑19 van dat wetboek is als volgt geformuleerd: „I. – In geval van een niet-toegestane betalingstransactie als gevolg van verlies of diefstal van het betaalinstrument draagt de betaler, vóór de in artikel L. 133‑17 bedoelde kennisgeving, de verliezen in verband met het gebruik van dat instrument tot een maximum van 150 EUR. De betaler is echter niet aansprakelijk voor een niet-toegestane betalingstransactie zonder gebruik van het gepersonaliseerde veiligheidskenmerk. II. – De betaler is niet aansprakelijk indien de niet-toegestane betalingstransactie is uitgevoerd door onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of de daarmee verband houdende gegevens buiten medeweten van de betaler. Evenmin is hij aansprakelijk in geval van vervalsing van het betaalinstrument indien de betaler op het tijdstip van de niet-toegestane betalingstransactie in het bezit was van zijn instrument. III. – Tenzij hij frauduleus handelt, draagt de betaler geen financiële gevolgen indien de betalingsdienstaanbieder niet voorziet in passende middelen waarmee kennisgeving kan worden gedaan om het betaalinstrument overeenkomstig artikel L. 133‑17 te blokkeren. IV. – De betaler draagt alle verliezen als gevolg van niet-toegestane betalingstransacties indien die verliezen het gevolg zijn van frauduleus handelen van de betaler of indien hij opzettelijk of door grove nalatigheid niet heeft voldaan aan de verplichtingen van de artikelen [...] en L. 133‑17.”

17 Artikel L. 133‑24 van dat wetboek luidt als volgt: „De betalingsdienstgebruiker geeft zijn betalingsdienstaanbieder onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis van een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie. Bij gebreke van kennisgeving binnen deze termijn vervalt zijn recht, tenzij de betalingsdienstaanbieder hem de informatie betreffende die betalingstransactie niet [...] heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld. Behalve in gevallen waarin de gebruiker een natuurlijke persoon is die handelt voor andere dan zakelijke of professionele doeleinden, kunnen de partijen besluiten om af te wijken van dit artikel.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18 IL is houder van een goudrekening bij Veracash. Op 24 maart 2017 heeft die laatste een nieuwe opname- en betaalkaart naar het adres van IL gezonden. Tussen 30 maart en 17 mei 2017 werd dagelijks geld van deze rekening opgenomen (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde opnemingen”).

19 IL heeft een vordering ingesteld bij de tribunal de grande instance d’Évry (rechter in eerste aanleg Évry, Frankrijk), sinds 1 januari 2020 de tribunal judiciaire d’Évry (rechter in eerste aanleg Évry, Frankrijk). Hij verzocht die rechter Veracash te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen van die opnemingen en tot betaling van schadevergoeding. Hij betoogde hierbij dat hij die kaart niet had ontvangen en die opnemingen niet had toegestaan.

20 Nadat zijn vordering in eerste aanleg gedeeltelijk was afgewezen, heeft IL hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), die dit hoger beroep bij arrest van 3 januari 2022 heeft verworpen. Net zoals de rechter in eerste aanleg, heeft deze rechter geoordeeld dat IL zich niet kon beroepen op artikel L. 133‑18 van het monetair en financieel wetboek aangezien hij Veracash niet „onmiddellijk” en „onverwijld” in kennis had gesteld van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opnemingen, maar pas op 23 mei 2017, bijna twee maanden na de eerste betwiste opneming.

21 Vervolgens heeft IL cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van zijn cassatieberoep voert hij twee cassatiemiddelen aan. Het eerste onderdeel van een van die middelen is ontleend aan schending van artikel L. 133‑24 van het monetair en financieel wetboek. Met dit onderdeel stelt IL dat de cour d’appel de Paris artikel L. 133‑24 heeft geschonden door in wezen te oordelen dat de kennisgeving aan Veracash van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opnemingen laat was omdat deze bijna twee maanden na de eerste betwiste opneming is gedaan, terwijl de gebruiker van een bankkaart volgens hem krachtens artikel L.133‑24 over een termijn van dertien maanden na de valutadatum van de betwiste debitering beschikt om een dergelijke kennisgeving te doen.

22 Veracash betoogt daarentegen dat artikel L. 133‑24 een dubbele termijn invoert en dat de termijn van dertien maanden een uiterste termijn is. Daarnaast werd met deze bepaling beoogd dat de gebruiker, zodra hij een onregelmatigheid ontdekt, zijn betalingsdienstaanbieder hiervan onmiddellijk in kennis stelt.

23 De verwijzende rechter wijst erop dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding afhangt van het antwoord op de vraag of de betalingsdienstaanbieder kan weigeren het bedrag van een niet-toegestane transactie terug te betalen wanneer de betaler weliswaar binnen de termijn van dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van deze transactie, maar hiermee heeft getalmd, zonder dat deze vertraging het gevolg is van opzet of grove nalatigheid zijnerzijds.

24 Die rechter merkt op dat de relevante bepalingen van het monetair en financieel wetboek moeten worden uitgelegd in overeenstemming met richtlijn 2007/64, die, gelet op de datum van de feiten die tot dit geding hebben geleid, ratione temporis van toepassing is op het bij hem aanhangige geding, en is van oordeel dat een letterlijke lezing van artikel 58 van deze richtlijn, die volgens hem steun vindt in overweging 31 ervan, inderdaad tot de conclusie kan leiden dat de betalingsdienstaanbieder het recht heeft om de terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie te weigeren op de enkele grond dat de betalingsdienstgebruiker hem daarvan laat in kennis heeft gesteld, ook al werd die kennisgeving binnen de termijn van dertien maanden gedaan. Een dergelijke uitlegging blijkt echter moeilijk verenigbaar met artikel 61, lid 2, van die richtlijn. Indien de betalingsdienstaanbieder van de betaler hoe dan ook niet verplicht zou zijn om de betaler het bedrag terug te betalen van een niet-toegestane betalingstransactie waarvan laatstgenoemde hem laat in kennis heeft gesteld, is het namelijk niet langer relevant of deze late kennisgeving opzettelijk dan wel door grove nalatigheid is veroorzaakt, terwijl deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 56 van die richtlijn, voorschrijft dat deze terugbetalingsverplichting enkel in die omstandigheden is uitgesloten.

25 Bovendien merkt de verwijzende rechter op dat hoewel het Hof artikel 58 van richtlijn 2007/64 heeft uitgelegd in het arrest van 2 september 2021, CRCAM (C‑337/20, EU:C:2021:671), het zich niet heeft uitgesproken over de gevolgen van de niet-nakoming door de betaler van de verplichting om zijn betalingsdienstaanbieder onverwijld mee te delen dat hij een niet-toegestane betalingstransactie heeft vastgesteld.

26 In dit verband is het juist dat er een belang bestaat om de betaler ertoe aan te zetten de nodige zorgvuldigheid te betrachten bij de kennisgeving aan zijn betalingsdienstaanbieder. Uit artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 blijkt volgens de verwijzende rechter dat de wetgever van de Europese Unie niet elke vertraging, ongeacht de omstandigheden, heeft willen bestraffen door de betaler zijn recht op terugbetaling volledig te ontnemen. De verwijzende rechter neigt er dus toe deze richtlijn aldus uit te leggen dat buiten het geval van frauduleus handelen van de betaler en het geval van een kennisgeving na het verstrijken van de termijn van dertien maanden, de betaler het recht op terugbetaling enkel moet worden ontzegd voor de verliezen die zijn veroorzaakt door niet-toegestane betalingstransacties die door een onmiddellijke kennisgeving hadden kunnen worden vermeden, en op voorwaarde dat de late kennisgeving het gevolg is van opzet of grove nalatigheid zijnerzijds.

27 In deze omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten de artikelen 56, 58, 60 en 61 van richtlijn [2007/64] aldus worden uitgelegd dat de betaler het recht op terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane transactie wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder laat kennis heeft gegeven van de niet-toegestane betalingstransactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan het recht op terugbetaling dan alleen aan de betaler worden ontzegd indien de kennisgeving opzettelijk laat is gedaan of het gevolg is van grove nalatigheid van de betaler? 3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt de betaler dan het recht op terugbetaling ontzegd voor alle niet-toegestane transacties of alleen voor de transacties die hadden kunnen worden voorkomen indien de kennisgeving niet pas laat was gedaan?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

28 Vooraf moet worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opnemingen zijn gebeurd met een kaart die verzoeker in het hoofdgeding naar eigen zeggen nooit heeft ontvangen.

29 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat de opneming van geldmiddelen overeenkomstig de definitie in artikel 4, punt 5, van richtlijn 2007/64 een „betalingstransactie” in de zin van die bepaling vormt. Daarnaast ziet het begrip „betaalinstrument” overeenkomstig artikel 4, punt 23, op elk gepersonaliseerd instrument en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om de betalingsdienstaanbieder in staat te stellen een „betalingsopdracht” te initiëren. Volgens artikel 4, punt 16, ziet dat laatste begrip op een door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een „betalingstransactie” uit te voeren.

30 Het hoofdgeding betreft dus een reeks van vermeende niet-toegestane betalingstransacties die voortvloeien uit het gebruik van een betaalinstrument. Bij gebrek aan aanwijzingen in dat verband in de verwijzingsbeslissing, is het echter niet mogelijk om vast te stellen of dat betaalinstrument moet worden geacht te zijn verloren, gestolen, onrechtmatig te zijn gebruikt of te zijn gebruikt zonder de instemming van de betaler, zodat met al deze mogelijkheden rekening moet worden gehouden om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.

31 Ten tweede bepaalt artikel 57, lid 2, van richtlijn 2007/64 dat de betalingsdienstaanbieder het risico van het zenden van een betaalinstrument aan de betaler of het zenden van gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan draagt. Gelet op de feiten die tot het hoofdgeding hebben geleid, moet de verwijzende rechter dus vooraf nagaan of zich geen enkel risico van dien aard heeft voorgedaan bij het zenden door de betrokken betalingsdienstaanbieder van het betaalinstrument waarmee de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opnemingen zijn gebeurd, waarvan de gevolgen door deze aanbieder moeten worden gedragen.

Eerste vraag

32 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag nadere toelichting wenst te verkrijgen over de omvang van de verplichting van de betalingsdienstgebruiker om kennis te geven van niet-toegestane betalingstransacties. Deze kennisgevingsverplichting is specifiek in artikel 58 van richtlijn 2007/64 vastgelegd.

33 Bijgevolg moet de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus worden begrepen dat hij in wezen wenst te vernemen of artikel 58 van richtlijn 2007/64 aldus moet worden uitgelegd dat de betalingsdienstgebruiker het recht op rectificatie van een niet-toegestane betalingstransactie wordt ontzegd indien hij zijn betalingsdienstaanbieder niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de bewuste transactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan.

34 Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck,292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 6 maart 2025, Cymdek,C‑20/24, EU:C:2025:139, punt 38).

35 Wat betreft in de eerste plaats de bewoordingen van de bepaling waarvan om uitlegging wordt verzocht, zij eraan herinnerd dat artikel 58 van richtlijn 2007/64 bepaalt dat de betalingsdienstgebruiker die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering, alleen rectificatie verkrijgt indien hij zijn betalingsdienstaanbieder onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennisgeeft van de bewuste transactie, tenzij de betalingsdienstaanbieder, in voorkomend geval, de informatie betreffende die betalingstransactie niet overeenkomstig titel III van die richtlijn heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld. Die titel III heeft betrekking op de transparantie van voorwaarden en informatievereisten met betrekking tot betalingsdiensten.

36 Artikel 58 van die richtlijn moet dus worden uitgelegd op grond van de premisse dat de betalingsdienstaanbieder aan zijn informatieverplichtingen uit hoofde van titel III van die richtlijn heeft voldaan.

37 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat deze bepaling voorziet in de verplichting voor de betalingsdienstgebruiker om zijn betalingsdienstaanbieder „onverwijld” en „uiterlijk” dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis te geven van met name een niet-toegestane betalingstransactie. Volgens die bewoordingen blijkt bijgevolg dat het recht van de betalingsdienstgebruiker om rectificatie van een niet-toegestane betalingstransactie te verkrijgen is onderworpen aan de voorafgaande naleving van een dubbele tijdsvoorwaarde.

38 Hoewel niet in alle taalversies van artikel 58 van richtlijn 2007/64 het voegwoord „en” wordt gebruikt, wijst het geheel van deze taalversies erop dat de verplichting van de betalingsdienstgebruiker om zijn betalingsdienstaanbieder „onverwijld” kennis te geven van een niet-toegestane betalingstransactie ontstaat op het moment dat deze gebruiker kennis heeft genomen van die transactie. De termijn van dertien maanden begint daarentegen te lopen op de valutadatum van de debitering. Dit wijst erop dat het om twee verschillende tijdsvoorwaarden gaat.

39 Bovendien, zoals ook de advocaat-generaal in de punten 44, 47 en 48 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, is de verplichting om „onverwijld” kennis te geven subjectief van aard, aangezien die verplichting inhoudt dat de betalingsdienstgebruiker, gelet op de omstandigheden waarin hij zich bevindt, zo snel mogelijk handelt vanaf het moment waarop hij kennis heeft genomen van de niet-toegestane betalingstransactie. Die verplichting verschilt dus van de verplichting om „binnen dertien maanden” kennis te geven, die objectief van aard is, aangezien die begint te lopen op de valutadatum van de debitering van de transactie die aanleiding geeft tot de vordering.

40 Uit de bewoordingen van artikel 58 van richtlijn 2007/64 komt dus naar voren dat, om rectificatie van een transactie te verkrijgen, de betalingsdienstgebruiker zijn betalingsdienstaanbieder in beginsel onverwijld kennis moet geven van de niet-toegestane betalingstransactie en die kennisgeving uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering moet doen.

41 Deze letterlijke uitlegging wordt in de tweede plaats gesteund door de context van artikel 58. Dienaangaande wordt er ten eerste in overweging 31 van richtlijn 2007/64 op gewezen dat de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder „zo spoedig mogelijk” in kennis moet stellen van betwistingen in verband met vermeende niet-toegestane betalingstransacties. De vermelding van de verplichting om „zo spoedig mogelijk” kennis te geven, die verschilt van een verplichting om binnen een vaste termijn kennis te geven en die bovendien niet in de overwegingen van richtlijn 2007/64 is opgenomen, bevestigt dat de in artikel 58 van die richtlijn neergelegde verplichting om „onverwijld” kennis te geven een autonoom karakter heeft. Die laatste verschilt dus van de verplichting om binnen de dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis te geven.

42 Ten tweede heeft de betalingsdienstgebruiker die gemachtigd is om een betalingsinstrument te gebruiken volgens artikel 56, lid 1, onder b), van richtlijn 2007/64 de verplichting om de betalingsdienstaanbieder of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit onverwijld in kennis te stellen wanneer hij zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument.

43 Het klopt dat de termijn waarbinnen aan deze kennisgevingsverplichting moet worden voldaan, verschilt van de in artikel 58 van richtlijn 2007/64 neergelegde verplichting om „onverwijld” kennis te geven van een niet-toegestane betalingstransactie. Die termijn begint namelijk te lopen vanaf het moment dat de betalingsdienstgebruiker zich rekenschap geeft van niet alleen het niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument, maar in voorkomend geval, van het verlies, de diefstal of het onrechtmatige gebruik ervan. De kennisname van die gebeurtenissen kan plaatsvinden nog voordat dit instrument wordt gebruikt om een niet-toegestane betalingstransactie uit te voeren. Bovendien verschillen deze twee verplichtingen ook door het feit dat het mogelijk is dat niet de betalingsdienstaanbieder maar een door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit in kennis moet worden gesteld van het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betrokken betaalinstrument.

44 Dat neemt echter niet weg dat het mogelijk is, zoals de omstandigheden in het hoofdgeding aantonen, dat de kennisgevingsverplichting van artikel 56, lid 1, onder b), van die richtlijn en die van artikel 58 van die richtlijn tegelijkertijd ontstaan. In een dergelijke situatie zou het incoherent zijn om te oordelen dat de enkele inachtneming van de termijn van dertien maanden vanaf de valutadatum van de debitering volstaat om aan te nemen dat van de betrokken betalingstransactie overeenkomstig de voorschriften van artikel 58 van richtlijn 2007/64 werd kennisgegeven, terwijl artikel 56, lid 1, onder b), van die richtlijn in beginsel een snellere kennisgeving voorschrijft.

45 Deze letterlijke uitlegging wordt in de derde plaats bevestigd door de doelstellingen van richtlijn 2007/64.

46 In dat verband blijkt uit overweging 31 van die richtlijn, die de draagwijdte van artikel 58 ervan verduidelijkt, dat de verplichting dat de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder „zo spoedig mogelijk” in kennis stelt van betwistingen in verband met vermeende niet-toegestane transacties, tot doel heeft om risico’s en gevolgen van niet-toegestane betalingstransacties te beperken.

47 Uit overweging 31 blijkt dus dat de in artikel 58 neergelegde verplichting om „onverwijld” kennis te geven een preventief doel nastreeft. Indien de loutere inachtneming van de termijn van dertien maanden vanaf de valutadatum van de debitering hoe dan ook zou volstaan om aan te nemen dat de betalingsdienstgebruiker heeft voldaan aan de krachtens artikel 58 op hem rustende kennisgevingsverplichting, zou afbreuk worden gedaan aan dit preventieve doel.

48 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de termijn van dertien maanden een maximumtermijn is, waarbij de betalingsdienstgebruiker bij het verstrijken ervan niet meer de mogelijkheid heeft om de betalingsdienstaanbieder aansprakelijk te stellen voor de betrokken transactie, zelfs niet op grond van een andere aansprakelijkheidsregeling dan die waarin artikel 58 en artikel 60, lid 1, van richtlijn 2007/64 voorzien. Deze termijn beoogt aldus de rechtszekerheid van zowel de betalingsdienstgebruikers als de betalingsdienstaanbieders te waarborgen (zie in die zin arrest van 2 september 2021, CRCAM,C‑337/20, EU:C:2021:671, punten 48‑52).

49 Het feit dat dit doel verschilt van het doel dat met de verplichting om „onverwijld” kennis te geven wordt nagestreefd, bevestigt dat artikel 58 van richtlijn 2007/64 twee tijdsvoorwaarden bevat, die in beginsel los van elkaar staan. Aannemen dat de betalingsdienstgebruiker recht heeft op de rectificatie van een niet-toegestane betalingstransactie waarvan hij op de hoogte was maar waarvan hij zijn betalingsdienstaanbieder laat kennis heeft gegeven, zou bovendien afbreuk doen aan de rechtszekerheid en aan de afweging van de respectieve belangen van de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder die de Uniewetgever bij de vaststelling van richtlijn 2007/64 heeft gemaakt.

50 Overeenkomstig artikel 60, lid 1, van die richtlijn zorgen de lidstaten er namelijk voor dat, onverminderd artikel 58, de betalingsdienstaanbieder van de betaler, in geval van een niet-toegestane betalingstransactie, de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetaalt, en in voorkomend geval de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, herstelt in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de niet-toegestane betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden. Indien de betalingsdienstgebruiker de indiening van een vordering uit hoofde van artikel 58 tot dertien maanden na de valutadatum van de debitering van de transactie zou kunnen uitstellen, ondanks dat hij zich ruim vóór die datum rekenschap heeft gegeven van de betrokken transactie, zou de periode van rechtsonzekerheid zonder objectieve rechtvaardiging worden verlengd ten nadele van de betrokken betalingsdienstaanbieder, waardoor aldus afbreuk wordt gedaan aan die rechtszekerheid en die belangenafweging.

51 Uit het voorgaande volgt dat slechts kan worden geacht te zijn voldaan aan de kennisgevingsverplichting van artikel 58 van deze richtlijn op de dubbele voorwaarde dat de betalingsdienstgebruiker zijn betalingsdienstaanbieder onverwijld kennisgeeft van een niet-toegestane betalingstransactie en dat die kennisgeving uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering wordt gedaan.

52 Niettemin zij er nog aan herinnerd dat in de opzet van deze aansprakelijkheidsregeling van hoofdstuk 2 van titel IV van richtlijn 2007/64 de verplichting van de betalingsdienstgebruiker om kennis te geven van elke niet-toegestane transactie als voorwaarde geldt voor de toepassing van deze regeling ten gunste van de gebruiker (zie in die zin arrest van 2 september 2021, CRCAM,C‑337/20, EU:C:2021:671, punten 38 en 39).

53 Zoals in overweging 31 van deze richtlijn is aangegeven door te verwijzen naar de kennisgeving van met name „vermeende” niet-toegestane transacties, is deze kennisgevingsverplichting dus een voorafgaand vereiste dat ertoe strekt dat de betalingsdienstaanbieder wordt geïnformeerd over het feit dat de betalingsdienstgebruiker een transactie heeft vastgesteld die volgens hem niet is toegestaan, waarbij de daadwerkelijke verkrijging van de gevraagde rectificatie wordt geregeld door andere bepalingen van die richtlijn.

54 In het bijzonder is de daadwerkelijke verkrijging van die rectificatie ten eerste afhankelijk van de voorwaarde dat dit gebrek aan toestemming wordt aangetoond, aangezien artikel 59 van richtlijn 2007/64 in dit verband bepaalde preciseringen bevat over het bewijs inzake authentificatie en uitvoering van betalingstransacties. Zij is ten tweede onderworpen aan de regels voor de toewijzing van de aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder en de betaler wegens niet-toegestane betalingstransacties. Die regels zijn met name vastgelegd in de artikelen 60 en 61 van deze richtlijn en zijn erop gericht, zoals in overweging 35 van die richtlijn is gepreciseerd, de toewijzing van verliezen in het geval van niet-toegestane betalingstransacties te regelen. Dienaangaande moet nog worden verduidelijkt dat, zoals blijkt uit artikel 4, punten 7 en 10, van die richtlijn, het begrip „betaler” is opgenomen in het begrip „betalingsdienstgebruiker” en met name betrekking heeft op een natuurlijke persoon die een betalingstransactie toestaat of een betalingsopdracht geeft. Daarnaast regelen de artikelen 62 en 63 van die richtlijn respectievelijk de terugbetaling van door of via een begunstigde geïnitieerde betalingstransactie en de verzoeken om een dergelijke terugbetaling.

55 Bovendien kunnen de partijen volgens artikel 51, lid 1, van richtlijn 2007/64, wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, ten eerste overeenkomen dat de artikelen 59, 61, 62 en 63 van deze richtlijn in het geheel of ten dele niet van toepassing zijn, en ten tweede een andere termijn overeenkomen dan die welke is gesteld bij artikel 58 van die richtlijn.

56 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 58 van richtlijn 2007/64 aldus moet worden uitgelegd dat de betalingsdienstgebruiker in beginsel het recht op rectificatie van een niet-toegestane betalingstransactie wordt ontzegd indien hij zijn betalingsdienstaanbieder niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de bewuste transactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan.

Tweede vraag

57 Vooraf zij opgemerkt dat het volgens vaste rechtspraak, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Het Hof heeft namelijk tot taak alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door die rechterlijke instanties gestelde vragen (zie arresten van 18 maart 1993, Viessmann,C‑280/91, EU:C:1993:103, punt 17; 28 november 2000, Roquette Frères,C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 8 mei 2025, HUK-COBURG Haftpflicht-Unterstützungs-Kasse,C‑697/23, EU:C:2025:338, punt 22).

58 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag nadere toelichting wenst te verkrijgen over mogelijke omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een vertraging in de kennisgeving van een niet-toegestane betalingstransactie de betaler daadwerkelijk zijn recht op terugbetaling van die transactie kan ontzeggen wanneer deze transactie voortvloeit uit het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een betaalinstrument.

59 In dat verband zijn niet enkel de bepalingen van artikel 58 van richtlijn 2007/64, die met name betrekking hebben op de kennisgeving van niet-toegestane betalingstransacties, relevant, maar ook de bepalingen van artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van deze richtlijn, die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder respectievelijk de betaler wegens niet-toegestane betalingstransacties, alsook die van artikel 56 van die richtlijn, waarnaar artikel 61, lid 2, verwijst, en meer in het bijzonder de bepalingen van artikel 56, lid 1, onder b), die specifiek betrekking hebben op de feitelijke omstandigheden die aan het einde van het vorige punt van dit arrest zijn uiteengezet.

60 In die omstandigheden, en gelet op het antwoord op de eerste vraag, moet de tweede vraag van de verwijzende rechter aldus worden begrepen dat hij in wezen wenst te vernemen of artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer het gaat om een niet-toegestane betalingstransactie die voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en de betaler zijn betalingsdienstaanbieder uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van deze transactie, deze betaler het recht op rectificatie van die transactie enkel wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder opzettelijk of door grove nalatigheid laat kennis heeft gegeven van die transactie.

61 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van deze bepalingen betreft, dient in dit verband te worden opgemerkt dat uit de verwijzing in artikel 60, lid 1, van richtlijn 2007/64 naar artikel 58 van deze richtlijn, en uit overweging 31 van deze richtlijn blijkt dat de uitvoering van de aansprakelijkheidsregeling wegens niet-toegestane betalingstransacties, die in hoofdstuk 2 van titel IV van die richtlijn is vastgesteld, enkel van toepassing is indien de betalingsdienstgebruiker van elke niet-toegestane transactie kennisgeeft aan de betalingsdienstverlener met inachtneming van artikel 58 (zie in die zin arrest van 2 september 2021, CRCAM, C‑337/20, EU:C:2021:671, punten 34, 35, 38 en 39) dat, zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, een dubbele tijdsvoorwaarde bevat.

62 In het kader van deze aansprakelijkheidsregeling wegens niet-toegestane betalingstransacties voert artikel 59 van richtlijn 2007/64 een bewijslastregeling in die voordelig is voor de betalingsdienstgebruiker. De bewijslast valt in wezen op de betalingsdienstaanbieder, die moet aantonen dat de transactie geauthentificeerd, juist geregistreerd en geboekt is. In de praktijk verplicht de bewijsregeling van dit artikel 59 de betalingsdienstaanbieder tot onmiddellijke terugbetaling overeenkomstig artikel 60, lid 1, van die richtlijn zodra de in artikel 58 van diezelfde richtlijn bepaalde kennisgeving binnen de hiervoor voorgeschreven termijn heeft plaatsgevonden (arrest van 2 september 2021, CRCAM,C‑337/20, EU:C:2021:671, punt 40).

63 Deze verplichting om het bedrag van de betrokken transactie onmiddellijk terug te betalen kent echter bepaalde nuanceringen, die zijn neergelegd in artikel 61 van richtlijn 2007/64. In het bijzonder is in artikel 61, lid 2, eerste volzin, bepaald dat de betaler alle verliezen draagt in verband met niet-toegestane betalingstransacties indien de betaler deze heeft geleden doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of door grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van die richtlijn niet is nagekomen.

64 Zoals in punt 42 van dit arrest reeds is opgemerkt, is een van de verplichtingen van de betaler uit hoofde van artikel 56, de verplichting in lid 1, onder b), van dat artikel om onverwijld zijn betalingsdienstaanbieder of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit in kennis te stellen van het verlies, de diefstal, het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument.

65 Uit de bewoordingen van artikel 61, lid 2, eerste volzin, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), en artikel 60, lid 1, ervan, volgt derhalve dat de betaler de verliezen in verband met niet-toegestane betalingstransacties die voortvloeien uit het gebruik van zijn betaalinstrument alleen moet dragen wanneer hij frauduleus heeft gehandeld, of wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit opzettelijk of door grove nalatigheid laat kennis heeft gegeven van het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument. Bijgevolg wordt de betalingsdienstaanbieder enkel in die gevallen bevrijd van zijn verplichting om de betaler het bedrag van de niet-toegestane betalingstransacties terug te betalen.

66 Deze uitlegging vindt in de tweede plaats steun in de context van de bepalingen van artikel 56, lid 1, onder b), artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64.

67 Ten eerste, zoals reeds is vastgesteld in punt 44 van dit arrest, kan het gebeuren dat de kennisgevingsverplichting van artikel 56, lid 1, onder b), van richtlijn 2007/64 en die van artikel 58 van die richtlijn namelijk tegelijkertijd ontstaan. Bijgevolg moet, om een coherente uitlegging van deze richtlijn te verzekeren, de inachtneming van de in artikel neergelegde 58 kennisgevingsverplichting in de in artikel 56, lid 1, onder b), bedoelde omstandigheden, zoals de advocaat-generaal ook in punt 62 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 61, lid 2, van deze richtlijn neergelegde criteria, tenzij de betaler frauduleus heeft gehandeld.

68 Ten tweede heeft de betalingsdienstaanbieder die het betaalinstrument uitgeeft, overeenkomstig artikel 57, lid 1, onder d), van richtlijn 2007/64 de verplichting om te beletten dat het betaalinstrument nog kan worden gebruikt zodra de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), van deze richtlijn is gedaan. Verder bepaalt artikel 61, lid 4, van die richtlijn dat het gebruik na de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), van het verloren, gestolen of wederrechtelijk toegeëigende betaalinstrument geen financiële gevolgen heeft voor de betaler, tenzij deze frauduleus heeft gehandeld. De betaler heeft er dus in elk geval geen belang bij om de kennisgeving die hij krachtens die laatste bepaling moet doen, noch, in voorkomend geval, de kennisgeving die hij krachtens artikel 58 van die richtlijn moet doen, uit te stellen, indien die twee verplichtingen tegelijkertijd ontstaan.

69 In de derde plaats moet vanuit teleologisch oogpunt worden opgemerkt dat de in punt 65 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging het nuttig effect van artikel 61, lid 2, eerste volzin, van richtlijn 2007/64 kan behouden. Daartoe moet worden vermeden dat de betalingsdienstaanbieder de betaler een eenvoudige vertraging bij de kennisgeving van de niet-toegestane betalingstransactie kan tegenwerpen om te ontsnappen aan zijn terugbetalingsverplichting krachtens artikel 60, lid 1, van deze richtlijn, wanneer deze transactie voortvloeit uit het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument en de betaler pas op het tijdstip waarop hij die transactie heeft vastgesteld, kennis heeft genomen van dat verlies, die diefstal, dat onrechtmatige of niet-toegestane gebruik. Indien de betalingsdienstaanbieder namelijk over een dergelijke mogelijkheid zou beschikken, zou deze eerste volzin zijn nuttig effect worden ontnomen omdat de betaler zijn recht op terugbetaling zou worden ontzegd, ook al vloeien de verliezen van de betaler niet voort uit het feit dat hij opzettelijk of door grove nalatigheid zijn betalingsdienstaanbieder of de door hem op grond van artikel 56, lid 1, onder b), van richtlijn 2007/64 aangewezen entiteit niet in kennis heeft gesteld.

70 Deze uitlegging wordt voorts bevestigd door de doelstelling van richtlijn 2007/64, zoals uiteengezet in overweging 32 ervan, volgens welke de betalingsdienstgebruiker, om hem ertoe aan te sporen zijn aanbieder onverwijld van een eventuele diefstal of een eventueel verlies van een betaalinstrument in kennis te stellen en aldus het risico van niet-toegestane betalingstransacties te verminderen, slechts voor een beperkt bedrag aansprakelijk mag zijn, tenzij hij frauduleus of ernstig nalatig heeft gehandeld. Deze overweging geeft namelijk uitdrukking aan de bedoeling van de Uniewetgever om de betalingsdienstgebruiker een grotere bescherming te bieden wanneer het gaat om diefstal of verlies van een betaalinstrument. Die uitlegging doet dus geen afbreuk aan het evenwicht tussen de door deze wetgever afgewogen belangen van de betaler en die van zijn betalingsdienstaanbieder.

71 Bijgevolg volgt uit artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gezamenlijk beschouwd en gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, dat wanneer het gaat om een niet-toegestane betalingstransactie die, ten eerste, voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en ten tweede, de betaler zijn betalingsdienstaanbieder uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van deze transactie, deze betaler in beginsel, tenzij hij frauduleus heeft gehandeld, het recht op terugbetaling van deze transactie enkel wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder opzettelijk of door grove nalatigheid laat kennis heeft gegeven van de niet-toegestane transactie.

72 Het is aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om te bepalen of dat het geval is voor elk van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opnemingen, aangezien artikel 58 uitdrukkelijk betrekking heeft op de kennisgeving van individuele betalingstransacties.

73 Gelet op de door de verwijzende rechter uiteengezette gegevens, die in de punten 22 tot en met 26 van het onderhavige arrest zijn samengevat, moet hieraan worden toegevoegd dat, ten eerste, volgens artikel 59, lid 2, van richtlijn 2007/64, wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan, het feit dat het gebruik van een betaalinstrument door de betalingsdienstaanbieder is geregistreerd op zichzelf niet noodzakelijkerwijze afdoende bewijs vormt dat de betalingstransactie door de betaler is toegestaan of dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van die richtlijn niet is nagekomen. Ten tweede wordt in overweging 33 van deze richtlijn met name verduidelijkt dat bij de beoordeling of de betalingsdienstgebruiker nalatig is geweest, alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen en het bewijs voor en de mate van de beweerde nalatigheid volgens het nationale recht moeten worden beoordeeld.

74 Een van de voorwaarden van artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 is evenwel „grove nalatigheid’ van de betaler, te weten, zoals ook de advocaat-generaal in punt 65 van haar conclusie heeft uiteengezet, een gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht. Bovendien moet, zoals in punt 39 van het onderhavige arrest is vastgesteld, rekening worden gehouden met de omstandigheden waarin de betaler zich bevindt. Tenzij die laatste frauduleus heeft gehandeld en behoudens eventuele toepassing van artikel 51, lid 1, van richtlijn 2007/64, kan het hem dus niet worden verweten dat hij zijn betalingsdienstaanbieder niet „onverwijld” kennis heeft gegeven van een niet-toegestane betalingstransactie die voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument.

75 Bovendien bevat artikel 61 van richtlijn 2007/64 verduidelijkingen over de reikwijdte van de verliezen die in voorkomend geval daadwerkelijk door de betaler moeten worden gedragen, met name in de in punt 71 van dit arrest uiteengezette omstandigheden.

76 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer het gaat om een niet-toegestane betalingstransactie die voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en de betaler zijn betalingsdienstaanbieder uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van deze transactie, deze betaler in beginsel, tenzij hij frauduleus heeft gehandeld, het recht op daadwerkelijke rectificatie van deze transactie enkel wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder opzettelijk of door grove nalatigheid – die bestaat in een gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht – laat kennis heeft gegeven van die transactie.

Derde vraag

77 De verwijzende rechter stelt zijn derde vraag voor het geval op de eerste vraag wordt geantwoord dat de betaler het recht op rectificatie van een transactie wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder laat kennis heeft gegeven van een niet-toegestane betalingstransactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan.

78 Hoewel deze eerste vraag in wezen bevestigend werd beantwoord, is dit antwoord niettemin, zoals voortvloeit uit de punten 52 tot en met 55 van dit arrest, afhankelijk van verschillende elementen, en met name, zoals uit de analyse van de tweede vraag blijkt, van het feit dat wanneer de niet-toegestane betalingstransactie het gevolg is van het verlies, de diefstal of het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument, en de betaler zijn betalingsdienstaanbieder uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van deze niet-toegestane betalingstransactie, hij, tenzij hij frauduleus heeft gehandeld, slechts kan worden geacht die kennisgeving laat te hebben gedaan als deze vertraging het gevolg is van opzet of grove nalatigheid.

79 Bovendien is het aan de verwijzende rechter om de voor hem aan de orde zijnde feiten te beoordelen en te kwalificeren in het licht van met name de preciseringen in de punten 73 en 74 van het onderhavige arrest.

80 Deze derde vraag moet dus worden geherformuleerd om rekening te houden met het antwoord op de eerste en de tweede vraag.

81 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer het gaat om opeenvolgende niet-toegestane betalingstransacties die voortvloeien uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en de betaler de termijn van dertien maanden na de valutadatum van de debitering weliswaar in acht heeft genomen, maar zijn betalingsdienstaanbieder van een deel van die transacties opzettelijk of door grove nalatigheid laat in kennis heeft gesteld, deze betaler het recht op terugbetaling van alle verliezen in verband met deze transacties wordt ontzegd.

82 Wat dienaangaande de bewoordingen van die bepalingen betreft, zij eraan herinnerd dat de aansprakelijkheid voor verliezen die worden geleden als gevolg van niet-toegestane betalingstransacties, volgens artikel 60, lid 1, van richtlijn 2007/64, in beginsel bij de betalingsdienstaanbieder berust. Volgens artikel 61, lid 2, van die richtlijn, waarvan de bewoordingen reeds in punt 63 van dit arrest zijn aangehaald, draagt de betaler niettemin „alle” verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze „zich hebben voorgedaan”, met name, doordat hij opzettelijk of door grove nalatigheid de kennisgevingsverplichting uit hoofde van artikel 56, lid 1, onder b), van die richtlijn niet is nagekomen. In een dergelijk geval is het in lid 1 van dat artikel bedoelde maximumbedrag van 150 EUR niet van toepassing.

83 De bewoordingen van artikel 61, lid 2, stellen dus een causaal verband vast tussen het gedrag van de betaler en de geleden verliezen waarvan hij geen rectificatie kan verkrijgen.

84 Bovendien blijkt uit het antwoord op de tweede prejudiciële vraag dat de vraag of de kennisgeving op grond van artikel 58 van richtlijn 2007/64 in omstandigheden als bedoeld in artikel 61, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, daadwerkelijk als laat moet worden beschouwd, voor elke transactie afzonderlijk moet worden beoordeeld.

85 Hieruit vloeit voort dat de betaler zelfs in geval van herhaalde niet-toegestane betalingstransacties, die voortvloeien uit hetzelfde verlies, dezelfde diefstal of hetzelfde onrechtmatige gebruik van het betrokken betaalinstrument, het recht op rectificatie enkel wordt ontzegd voor transacties waarvan hij opzettelijk of door grove nalatigheid laat heeft kennisgegeven aan zijn betalingsdienstaanbieder.

86 Deze letterlijke uitlegging vindt niet enkel steun in het feit dat artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 een bepaling is die afwijkt van het in artikel 60, lid 1, ervan neergelegde beginsel en dus strikt moet worden uitgelegd, maar ook in de context van de in punt 81 van dit arrest bedoelde bepalingen.

87 Overeenkomstig artikel 61, lid 4, van richtlijn 2007/64 heeft het gebruik van het verloren, gestolen of wederrechtelijk toegeëigende betaalinstrument na de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), van die richtlijn namelijk geen financiële gevolgen voor de betaler, tenzij deze frauduleus heeft gehandeld. Daarnaast is de betaler overeenkomstig artikel 61, lid 5, van deze richtlijn, indien de betalingsdienstaanbieder nalaat om overeenkomstig artikel 57, lid 1, onder c), van die richtlijn passende middelen beschikbaar te stellen waarmee te allen tijde kennisgeving kan worden gedaan van verlies, diefstal of wederrechtelijke toe-eigening van een betaalinstrument, niet aansprakelijk voor de financiële gevolgen die uit het gebruik van dat betaalinstrument voortvloeien, tenzij de betaler frauduleus heeft gehandeld. Deze twee bepalingen bevestigen dat de betaler niet aansprakelijk kan worden gesteld voor verliezen die hij niet had kunnen vermijden.

88 Deze letterlijke uitlegging wordt eveneens bevestigd door de doelstellingen van richtlijn 2007/64. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het vereiste van een causaal verband tussen het gedrag van de betaler en de verliezen die hij heeft geleden en waarvan hij van zijn betalingsdienstaanbieder geen terugbetaling kan verkrijgen, in overeenstemming is met de door de Uniewetgever in deze richtlijn gemaakte afweging van de respectieve belangen van betalingsdienstgebruikers en betalingsdienstaanbieders. Door de betalingsdienstgebruiker aansprakelijk te stellen, zet dit vereiste hem ertoe aan om overeenkomstig de overwegingen 31 en 32 van deze richtlijn de kennisgeving van niet-toegestane betalingstransacties aan zijn betalingsdienstaanbieder niet onnodig uit te stellen. Door dat vereiste wordt de betalingsdienstaanbieder er eveneens toe aangezet om de op hem rustende verplichtingen na te komen teneinde ervoor te zorgen dat die gebruiker in staat is om dergelijke transacties vast te stellen.

89 Dat vereiste maakt het bovendien mogelijk om het nuttig effect van zowel artikel 51, lid 1, van richtlijn 2007/64 als van artikel 61, lid 3, ervan te waarborgen. Om te beginnen biedt dat vereiste de partijen namelijk de mogelijkheid om, wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, met name te beslissen dat artikel 61 van die richtlijn niet van toepassing is of een andere termijn overeen te komen dan die welke is gesteld bij artikel 58 van die richtlijn, en aldus te voorzien in een andere aansprakelijkheidsverdeling die in voorkomend geval minder bescherming biedt aan betalingsdienstgebruikers die geen consument zijn. Voorts behoudt dat vereiste de door artikel 61, lid 3, van die richtlijn aan de lidstaten geboden mogelijkheid om ervoor te kiezen om de in artikel 61, leden 1 en 2, bedoelde aansprakelijkheid van de betaler te beperken in gevallen waarin deze niet frauduleus of opzettelijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 heeft verzaakt, om, in het bijzonder, zoals in overweging 34 van die richtlijn is aangegeven, de consumentenbescherming op het bestaande peil te handhaven en het vertrouwen in een veilig gebruik van elektronische betaalinstrumenten te schragen.

90 Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer het gaat om opeenvolgende niet-toegestane betalingstransacties die voortvloeien uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en de betaler de termijn van dertien maanden vanaf de valutadatum van de debitering weliswaar in acht heeft genomen, maar zijn betalingsdienstaanbieder van een deel van die transacties opzettelijk of door grove nalatigheid laat in kennis heeft gesteld, de betaler in beginsel het recht op terugbetaling enkel wordt ontzegd voor verliezen die voortvloeien uit de transacties waarvan hij zijn betalingsdienstaanbieder opzettelijk of door grove nalatigheid laat kennis heeft gegeven.

Kosten

91 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 58 van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG moet aldus worden uitgelegd dat de betalingsdienstgebruiker in beginsel het recht op rectificatie van een niet-toegestane betalingstransactie wordt ontzegd indien hij zijn betalingsdienstaanbieder niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de bewuste transactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan.

2) Artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer het gaat om een niet-toegestane betalingstransactie die voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en de betaler zijn betalingsdienstaanbieder uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van deze transactie, deze betaler in beginsel, tenzij hij frauduleus heeft gehandeld, het recht op daadwerkelijke rectificatie van deze transactie enkel wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder opzettelijk of door grove nalatigheid – die bestaat in een gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht – laat kennis heeft gegeven van die transactie.

3) Artikel 58, artikel 60, lid 1, en artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in samenhang met artikel 56, lid 1, onder b), ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer het gaat om opeenvolgende niet-toegestane betalingstransacties die voortvloeien uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit het onrechtmatige of niet-toegestane gebruik van een dergelijk instrument, en de betaler de termijn van dertien maanden vanaf de valutadatum van de debitering weliswaar in acht heeft genomen, maar zijn betalingsdienstaanbieder van een deel van die transacties opzettelijk of door grove nalatigheid laat in kennis heeft gesteld, de betaler in beginsel het recht op terugbetaling enkel wordt ontzegd voor verliezen die voortvloeien uit de transacties waarvan hij zijn betalingsdienstaanbieder opzettelijk of door grove nalatigheid laat kennis heeft gegeven.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken