HvJ EU 1 augustus 2025, C-76/24, ECLI:EU:C:2025:593

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

1 augustus 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Merken – Richtlijn (EU) 2015/2436 – Aanpassing van het merkenrecht der lidstaten – Artikel 10, lid 3, onder b) – Rechten verbonden aan het merk – Recht om een derde het onder het teken aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren te verbieden – Onlinehandel – Waren die te koop worden aangeboden vanuit een andere lidstaat dan die waar het merk is ingeschreven – Begrip ‚in voorraad hebben’”

In zaak C‑76/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 23 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 1 februari 2024, in de procedure

Tradeinn Retail Services S.L.

tegen

PH,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei (rapporteur) en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– PH, vertegenwoordigd door T. Kiphuth en N. Tretter, Rechtsanwälte,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková en G. von Rintelen als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Tradeinn Retail Services S.L. (hierna: „TRS”) en PH, houder van Duitse merken voor duikapparatuur en -accessoires, over een vordering tot staking van het gebruik van aan die merken gelijke tekens voor duikaccessoires.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 10 („Rechten verbonden aan het merk”) van richtlijn 2015/2436 luidt: „1. De inschrijving van een merk geeft de houder daar een uitsluitend recht op. 2. Onverminderd de rechten van houders die vóór de datum van indiening of de datum van voorrang van het ingeschreven merk zijn verkregen, is de houder van een ingeschreven merk gerechtigd, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen in het economische verkeer met betrekking tot waren of diensten gebruik te maken van een teken wanneer dit teken: a) gelijk is aan het merk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven; b) gelijk is aan of overeenstemt met het merk en gebruikt wordt met betrekking tot gelijke of overeenstemmende waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, ook wanneer die verwarring het gevolg is van associatie met het oudere merk; c) gelijk is aan of overeenstemt met het merk ongeacht of dat wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk aan, overeenstemmend of niet overeenstemmend zijn met die waarvoor het merk is ingeschreven, wanneer dit merk bekend is in de lidstaat en door het gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. 3. Met name kan krachtens lid 2 worden verboden: a) het aanbrengen van het teken op de waren of verpakking; b) het aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren of het aanbieden of verrichten van diensten onder het teken; […] e) het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en in advertenties; […]”

Duits recht

4 § 14, leden 2 en 3, van het Gesetz über den Schutz von Marken und sonstigen Kennzeichen – Markengesetz (wet inzake de bescherming van merken en andere onderscheidende tekens – merkenwet) van 25 oktober 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 3082), zoals gewijzigd bij het Gesetz zur Umsetzung der Richtlinie (EU) 2015/2436 des Europäischen Parlaments und des Rates vom 16. Dezember 2015 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten über die Marken (Markenrechtsmodernisierungsgesetz) (wet tot omzetting van richtlijn 2015/2436) van 11 december 2018 (BGBl. 2018 I, blz. 2357) (hierna: „MarkenG”), strekt tot omzetting van artikel 10, leden 2 en 3, van richtlijn 2015/2436 in Duits recht.

5 Ingevolge § 14, lid 2, eerste alinea, punt 1, MarkenG is het derden verboden om, zonder toestemming van de merkhouder, in het economische verkeer met betrekking tot waren of diensten gebruik te maken van een teken dat gelijk is aan het merk voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is beschermd.

6 Overeenkomstig § 14, lid 3, punten 1, 2 en 6, MarkenG is het, wanneer aan de in lid 2 van deze paragraaf genoemde voorwaarden is voldaan, in het bijzonder verboden om een aan het betrokken merk gelijk teken aan te brengen op waren of hun verpakking, om waren onder het teken aan te bieden, in de handel te brengen of daartoe in voorraad te hebben en om het teken te gebruiken in papieren voor zakelijk gebruik en in advertenties.

7 § 14, lid 5, MarkenG bepaalt: „De merkhouder kan tegen eenieder die een teken in strijd met de leden 2 tot en met 4 gebruikt, een stakingsvordering instellen wanneer er herhalingsgevaar bestaat. Dit recht bestaat ook wanneer een inbreuk voor het eerst dreigt plaats te vinden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 PH is houder van de volgende twee Duitse beeldmerken, die ook woordelementen bevatten (hierna: „betrokken merken”):

9 De betrokken merken zijn bij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau) ingeschreven voor onder meer duiktoestellen, duikpakken, duikhandschoenen, duikmaskers en ademhalingstoestellen voor het duiken.

10 TRS, die in Spanje is gevestigd, maakte op haar website www.scubastore.com alsook via het onlineplatform www.amazon.de reclame voor de verkoop van duikaccessoires met gebruikmaking van aan de betrokken merken gelijke tekens, met name via foto’s van waren waarop die tekens waren aangebracht.

11 PH heeft bij het Landgericht Nürnberg-Fürth (rechter in eerste aanleg Neurenberg-Fürth, Duitsland) een vordering ingesteld die er met name toe strekte TRS te verbieden om in Duitsland de aan de betrokken merken gelijke tekens te gebruiken. In het bijzonder heeft PH geëist dat TRS het recht zou worden ontzegd om die tekens aan te brengen op duikaccessoires en de verpakking ervan, deze aan te bieden, te vervaardigen, te verkopen of anderszins in de handel te brengen en te adverteren met duikaccessoires waarop deze tekens zijn aangebracht, of deze voor bovengenoemde doeleinden in voorraad te hebben.

12 Bij vonnis van 3 februari 2022 heeft het Landgericht Nürnberg-Fürth, na te hebben vastgesteld dat TRS die vorderingen gedeeltelijk had aanvaard, met name beslist om laatstgenoemde te gelasten niet langer duikaccessoires voorzien van aan de betrokken merken gelijke tekens te koop aan te bieden of daarmee te adverteren.

13 Op hoger beroep van PH heeft het Oberlandesgericht Nürnberg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, Neurenberg, Duitsland) bij arrest van 29 november 2022 geoordeeld dat het feit dat TRS in Spanje was gevestigd en de betrokken waren in die lidstaat in voorraad had, er niet aan in de weg stond om die onderneming te veroordelen wegens het onrechtmatig in voorraad hebben van waren voorzien van aan die merken gelijke tekens met het oogmerk om deze in Duitsland aan te bieden of in de handel te brengen. Die rechter heeft TRS bevolen om niet langer van die tekens voorziene duikaccessoires te koop aan te bieden of daarmee te adverteren, „[dan wel] te verkopen of daartoe in voorraad te hebben”.

14 Wegens die uitbreiding van de reikwijdte van het in eerste aanleg opgelegde bevel heeft TRS tegen voornoemd arrest beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.

15 Volgens die rechter omvat het in voorraad hebben van waren met het oog op het aanbieden of in de handel brengen ervan, zoals bedoeld in § 14, lid 3, punt 2, MarkenG, een materieel element, bestaande in het in voorraad hebben, en een intentioneel element, namelijk het voornemen om die waren in de handel te brengen.

16 De verwijzende rechter heeft twijfels over de uitlegging van die bepaling in het licht van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436.

17 In de eerste plaats wijst die rechter erop dat krachtens het territorialiteitsbeginsel de bescherming van een in Duitsland ingeschreven merk beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat en dat alleen tegen op dat grondgebied verrichte handelingen kan worden opgetreden. In het licht van dat territorialiteitsbeginsel rijst bij hem de vraag of artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 de houder van een in een lidstaat beschermd merk toestaat om een derde te verhinderen om waren voorzien van een aan dat merk gelijk teken in een andere lidstaat in voorraad te hebben omdat die waren bestemd zijn om in de lidstaat waar dat merk wordt beschermd te koop te worden aangeboden of in de handel te worden gebracht.

18 Volgens de verwijzende rechter kan die bepaling op twee manieren worden uitgelegd. Volgens een eerste uitlegging, die berust op dat territorialiteitsbeginsel, maakt het onder dit teken in voorraad hebben van waren in een andere lidstaat dan die van de merkenrechtelijke bescherming geen inbreuk op het betrokken merk, ook al worden die waren in voorraad gehouden om ze te koop aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat van de merkenrechtelijke bescherming.

19 Volgens een tweede uitlegging is er sprake van een inbreuk op een nationaal merk wanneer de betrokken waren in een andere lidstaat dan die van de merkenrechtelijke bescherming in voorraad worden gehouden met het oogmerk om deze onder dat teken te koop aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat van de merkenrechtelijke bescherming.

20 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het gebruik van het werkwoord „besitzen” (bezitten) in de Duitse taalversie van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling vereist dat een derde rechtstreeks over de betrokken waren kan beschikken, dan wel of het volstaat dat die derde invloed kan uitoefenen op de persoon die over die waren beschikt.

21 Dienaangaande zet die rechter uiteen dat naar Duits recht onder het begrip „Besitz” (bezit) zowel onmiddellijk bezit als middellijk bezit valt. Onmiddellijk bezit verwijst naar de feitelijke beschikkingsmacht over een goed, die eindigt wanneer de houder afstand doet van de daadwerkelijke controle over dat goed of die verliest. Wanneer een persoon een goed tijdelijk bezit uit hoofde van een recht of een verplichting jegens een derde, wordt die derde aangemerkt als een „middellijke bezitter”. Wanneer aldus een verkoper het verkochte goed aan een vervoerder overdraagt, wordt de vervoerder dus de onmiddellijke bezitter en de verkoper de middellijke bezitter ervan.

22 Ofschoon TRS naar Duits recht dus als middellijke bezitter kan worden aangemerkt, is de verwijzende rechter onzeker of dit ook het geval is met het oog op artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436. In dat verband wijst hij erop dat niet in alle taalversies van het merkenrecht van de Unie termen worden gebruikt die dezelfde betekenis hebben als het werkwoord „besitzen”. In sommige taalversies worden namelijk termen gebruikt die in wezen veeleer verwijzen naar opslag dan naar bezit, hetgeen rechtstreekse toegang tot de betrokken waren zou impliceren. De verwijzende rechter sluit evenwel niet uit dat uit de rechtspraak van het Hof kan worden afgeleid dat de werkingssfeer van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 zich uitstrekt tot de middellijke bezitter van die waren.

23 Tegen die achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan de houder van een nationaal merk op grond van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn [2015/2436] laten verbieden dat een persoon in het buitenland merkinbreukmakende waren in voorraad heeft met het doel deze aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat waar die waren merkenrechtelijk zijn beschermd? 2) Kan er alleen sprake zijn van ‚in voorraad hebben’ in de zin van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn [2015/2436] als er daadwerkelijk een mogelijkheid van toegang tot merkinbreukmakende waren bestaat, of volstaat het dienaangaande dat er invloed kan worden uitgeoefend op de persoon die daadwerkelijk toegang tot die waren heeft?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een in een lidstaat beschermd merk een derde kan verhinderen om overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn op het grondgebied van een andere lidstaat waren onder een teken in voorraad te hebben, met het doel om die waren te koop aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat waar dat merk wordt beschermd.

25 Voor het antwoord op die vraag moet eraan worden herinnerd dat bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 mei 2025, L. (Kleine niet-commerciële zendingen), C‑405/24, EU:C:2025:335, punt 28].

26 Artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436, gelezen in samenhang met lid 2 van dat artikel, bepaalt dat de houder van een ingeschreven merk iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, kan verhinderen om in het economische verkeer met betrekking tot waren of diensten gebruik te maken van een teken dat inbreuk maakt op dat merk, en voorts dat een dergelijk teken onder meer niet mag worden gebruikt met het oog op „het aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren of het aanbieden of verrichten van diensten onder [dat] teken”.

27 Zoals uit die bewoordingen blijkt, kan de houder van dat merk het onder een dergelijk teken in voorraad hebben van waren slechts verhinderen, indien de derde die de waren in voorraad heeft, zelf voornemens is om deze aan te bieden of in de handel te brengen (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Coty Germany, C‑567/18, EU:C:2020:267, punt 45).

28 Daarentegen bevatten die bewoordingen geen uitdrukkelijke aanwijzing over de mogelijkheid voor de houder van een in een lidstaat ingeschreven merk om te verhinderen dat een derde waren onder een dergelijk teken in voorraad heeft op het grondgebied van een andere lidstaat.

29 Wat de context van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 betreft, zij eraan herinnerd dat de bescherming die door de inschrijving van een nationaal merk wordt verleend, in beginsel beperkt is tot het grondgebied van de lidstaat waar het is ingeschreven, zodat de houder ervan zich in de regel niet op die bescherming kan beroepen buiten dat grondgebied (zie in die zin arresten van 22 juni 1994, IHT Internationale Heiztechnik en Danzinger, C‑9/93, EU:C:1994:261, punt 22, en 19 april 2012, Wintersteiger, C‑523/10, EU:C:2012:220, punt 25).

30 Het doel van het krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2015/2436 door de inschrijving van een merk verleende uitsluitende recht is om de houder van het betrokken merk de mogelijkheid te bieden zijn specifieke belangen als houder van dat merk te beschermen, dat wil zeggen om te verzekeren dat het merk zijn wezenlijke functies kan vervullen. De uitoefening van dat recht moet dus beperkt blijven tot gevallen waarin het gebruik van het teken door een derde afbreuk doet of kan doen aan de functies van het merk (zie in die zin arrest van 12 november 2002, Arsenal Football Club, C‑206/01, EU:C:2002:651, punten 50‑54). Tot die functies behoren zowel de wezenlijke functie van het merk, de consument de herkomst van de betrokken waar of dienst te waarborgen, als de overige functies ervan, zoals met name het garanderen van de kwaliteit van die waar of die dienst of de communicatie-, de investerings- of de reclamefunctie [arrest van 25 januari 2024, Audi (Drager van een embleem in een grille), C‑334/22, EU:C:2024:76, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31 Dit doel en de geografische reikwijdte van de door het merk verleende bescherming hebben verschillende gevolgen voor de uitlegging van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436.

32 In de eerste plaats mag de houder van een nationaal merk een derde verhinderen om in de lidstaat van inschrijving waren onder een teken in de handel te brengen waarvan het gebruik inbreuk maakt op dat merk, met dien verstande evenwel dat dergelijke waren niet worden geacht in de handel te zijn gebracht indien zij onder een douanerechtelijke schorsingsregeling zoals die van het externe douanevervoer vallen en niet in het vrije verkeer zijn gebracht (zie in die zin arrest 9 november 2006, Montex Holdings, C‑281/05, EU:C:2006:709, punten 19‑21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 In de tweede plaats kan de houder van een nationaal merk een derde verhinderen om op het grondgebied van de lidstaat van inschrijving waren onder dat teken aan te bieden. De houder kan zich dus tegen een dergelijke aanbieding verzetten, zelfs wanneer deze ziet op waren die onder de douanerechtelijke regeling van het externe douanevervoer zijn geplaatst, mits die aanbieding noodzakelijkerwijs impliceert dat de waren in het vrije verkeer worden gebracht (zie in die zin arrest van 18 oktober 2005, Class International, C‑405/03, EU:C:2005:616, punt 61).

34 Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat de merkhouder een derde kan verhinderen om, met name via onlinereclame, waren onder dat teken aan te bieden, zelfs wanneer deze derde, de server van de website die hij gebruikt of de waren zich buiten de lidstaat van inschrijving bevinden, mits die aanbieding of die reclame bestemd is voor consumenten uit die lidstaat. Anders zouden marktdeelnemers die elektronisch handel drijven en aan consumenten op dat grondgebied waren aanbieden die zich buiten dat grondgebied bevinden, immers geen enkele verplichting hebben om de aan dat merk verbonden rechten te eerbiedigen, hetgeen afbreuk zou doen aan de nuttige werking van de door richtlijn 2015/2436 gewaarborgde bescherming (zie in die zin arresten van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punten 62 en 63, en 6 februari 2014, Blomqvist, C‑98/13, EU:C:2014:55, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Het Hof heeft gepreciseerd dat het feit dat een website vanaf het grondgebied van de lidstaat waar het betrokken merk wordt beschermd toegankelijk is, niet volstaat om te concluderen dat de op die website afgebeelde verkoopaanbiedingen bestemd zijn voor consumenten op dat grondgebied. Het staat aan de nationale rechter om van geval tot geval te beoordelen of er relevante aanwijzingen zijn die de conclusie wettigen dat een verkoopaanbieding die getoond wordt op een vanaf dat grondgebied toegankelijke website of onlineverkoopplatform bestemd is voor consumenten op dat grondgebied. Een van die aanwijzingen is de precisering in die aanbieding ten aanzien van de geografische zones waarnaar de derde in kwestie bereid is de betrokken waren te verzenden (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punten 64 en 65).

36 In de derde plaats ten slotte biedt artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 de merkhouder de mogelijkheid om een derde niet alleen te verhinderen om waren onder een teken waarvan het gebruik inbreuk maakt op dat merk, aan te bieden en in de handel te brengen, maar ook, zoals in de punten 26 en 27 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, om die waren „daartoe in voorraad [te] hebben”. Het in voorraad hebben van dergelijke waren door een derde wordt in die bepaling dus slechts beoogd voor zover dat een voorafgaande voorwaarde is voor het aanbieden of in de handel brengen dat door de merkhouder kan worden verhinderd.

37 Zoals blijkt uit punt 34 van het onderhavige arrest, kan de merkhouder een derde verhinderen om, met name via onlinereclame, waren onder dat teken aan te bieden, zelfs wanneer deze derde, de server van de website die hij gebruikt of de waren zich buiten de lidstaat van inschrijving bevinden, mits die aanbieding bestemd is voor consumenten uit die lidstaat. In een dergelijke situatie is die merkhouder ook gerechtigd om het in voorraad hebben van die waren buiten dat grondgebied door die derde te verhinderen, mits dat een stap is die voorafgaat aan een dergelijke aanbieding of aan de uitvoering ervan, zodat het kan worden geacht daartoe te hebben plaatsgevonden.

38 In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat in het hoofdgeding het onlineverkoopplatform www.amazon.de, bij gebreke van tegenbewijs, bestemd is voor consumenten op het grondgebied dat door de betrokken merken wordt bestreken (zie in die zin arresten van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof, C‑585/08 en C‑144/09, EU:C:2010:740, punt 83, en 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punt 66). Bijgevolg vallen de verkoopaanbiedingen die op dat platform worden getoond en waarop het hoofdgeding betrekking heeft, binnen de werkingssfeer van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties.

39 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een in een lidstaat beschermd merk een derde kan verhinderen om overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn op het grondgebied van een andere lidstaat waren onder een teken in voorraad te hebben, met het doel om die waren te koop aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat waar dat merk wordt beschermd.

Tweede vraag

40 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat het voor het in de zin van die bepaling „in voorraad hebben” van waren onder een teken overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn, vereist is dat de betrokken persoon rechtstreeks en daadwerkelijk controle over die waren heeft, dan wel of het volstaat dat hij beschikt over een toezichthoudende of leidinggevende bevoegdheid ten aanzien van de persoon die de rechtstreekse en daadwerkelijke controle over die waren heeft.

41 Die rechter heeft uiteengezet dat de twijfels die zijn tweede vraag rechtvaardigen, voortspruiten uit discrepanties tussen de verschillende taalversies van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436. De Duitse taalversie van die bepaling zou kunnen worden uitgelegd in de zin dat het „bezitten” van waren niet noodzakelijkerwijs toegang ertoe impliceert, terwijl in andere taalversies van die bepaling begrippen worden gebezigd die het tegendeel suggereren.

42 In dat verband moet worden opgemerkt dat de Duitse („besitzen”), de Franse („détenir”) en de Roemeense („deținute”) taalversie van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 weliswaar verwijzen naar bezit, maar dat in andere taalversies van die bepaling begrippen worden gebruikt die verwijzen naar het idee van opslag of warehousing, zoals in de Spaanse („almacenar”), de Deense („oplagre”), de Engelse („stocking”), de Italiaanse („stoccare”) of de Zweedse („lagra”) taalversie. Laatstgenoemde begrippen kunnen dus suggereren dat die bepaling ziet op de opslag van een reeks waren, terwijl het begrip „bezit” geen dergelijk kwantitatief aspect onderstelt en een ruimere betekenis heeft.

43 Ingeval de taalversies van een Unierechtelijke bepaling uiteenlopen, moet die bepaling volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arresten van 27 maart 1990, Cricket St Thomas, C‑372/88, EU:C:1990:140, punt 19, en 8 mei 2025, Pielatak, C‑410/23, EU:C:2025:325, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een Unierechtelijke bepaling voor verschillende uitleggingen vatbaar is, moet bovendien de voorkeur worden gegeven aan de uitlegging die de nuttige werking van de bepaling kan verzekeren (arresten van 24 februari 2000, Commissie/Frankrijk, C‑434/97, EU:C:2000:98, punt 21, en 23 november 2023, EVN Business Service e.a., C‑480/22, EU:C:2023:918, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Ondanks de in punt 42 van het onderhavige arrest genoemde taalkundige verschillen, moet worden vastgesteld dat in de context van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 elk taalkundig begrip, ongeacht of het ondubbelzinnig verwijst naar het bezit of veeleer naar het idee van opslag of warehousing, impliceert dat de betrokken persoon een feitelijke beschikkingsmacht en dus een zekere controle over de betrokken waren heeft. Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, maakt die bepaling hoe dan ook deel uit van de bepalingen die beogen de merkhouder een rechtsinstrument aan te reiken waarmee hij elke gedraging van een derde die overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn een teken gebruikt, kan verhinderen en aldus kan laten beëindigen. Dienaangaande moet elke derde die rechtstreekse of indirecte controle heeft over de handeling waarin die gedraging bestaat, worden geacht daadwerkelijk in staat te zijn om dat gebruik te staken (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Coty Germany, C‑567/18, EU:C:2020:267, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Het begrip „in voorraad hebben” van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 ziet dus niet alleen op gevallen waarin de derde rechtstreekse en daadwerkelijke controle over de betrokken waren heeft, maar ook op gevallen waarin die controle indirect is, maar de derde niettemin daadwerkelijke controle over die waren heeft doordat hij beschikt over een toezichthoudende of leidinggevende bevoegdheid ten aanzien van de persoon die de rechtstreekse en daadwerkelijke controle over die waren heeft.

46 Indien die bepaling uitsluitend van toepassing zou zijn op een derde die rechtstreeks de daadwerkelijke controle over de betrokken waren heeft, zou de merkhouder tegen een marktdeelnemer die deze waren zonder zijn toestemming, met het oog op het aanbieden of in de handel brengen ervan, overdraagt aan een dienstverrichter opdat deze daartoe diensten zoals opslag of vervoer van die waren zou verlenen, geen stakingsbevel kunnen verkrijgen. Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou een dergelijke uitlegging onverenigbaar zijn met het doel van richtlijn 2015/2436 en de door die richtlijn gewaarborgde bescherming gedeeltelijk van haar nuttige werking ontdoen.

47 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat het voor het in de zin van die bepaling „in voorraad hebben” van waren onder een teken overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn, volstaat dat de betrokken persoon beschikt over een toezichthoudende of leidinggevende bevoegdheid ten aanzien van de persoon die de rechtstreekse en daadwerkelijke controle over die waren heeft.

Kosten

48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een in een lidstaat beschermd merk een derde kan verhinderen om overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn op het grondgebied van een andere lidstaat waren onder een teken in voorraad te hebben, met het doel om die waren te koop aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat waar dat merk wordt beschermd.

2) Artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 moet aldus worden uitgelegd dat het voor het in de zin van die bepaling „in voorraad hebben” van waren onder een teken overeenkomstig de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van die richtlijn, volstaat dat de betrokken persoon beschikt over een toezichthoudende of leidinggevende bevoegdheid ten aanzien van de persoon die de rechtstreekse en daadwerkelijke controle over die waren heeft.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in