HvJ EU 6 februari 2025, C-677/22, ECLI:EU:C:2025:58

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

6 februari 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties – Richtlijn 2011/7/EU – Handelstransacties tussen ondernemingen – Artikel 3, lid 5 – Verplichting van de lidstaten om erop toe te zien dat de in een overeenkomst tussen ondernemingen vastgestelde betalingstermijn niet meer dan 60 kalenderdagen bedraagt – Mogelijkheid voor de contractpartijen om ruimere betalingstermijnen vast te stellen – Voorwaarde dat een dergelijke termijn uitdrukkelijk in een overeenkomst is opgenomen – Voorwaarde dat er geen sprake is van kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser – Cumulatieve voorwaarden – Overeenkomsten waarvan de voorwaarden uitsluitend door één van de partijen worden vastgesteld – Contractueel beding waarbij de schuldenaar eenzijdig een betalingstermijn van 120 dagen vaststelt – Onrechtmatigheid”

In zaak C‑677/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy Katowice – Wschód w Katowicach (rechter in eerste aanleg Oost-Katowice, Polen) bij beslissing van 26 september 2022, ingekomen bij het Hof op 2 november 2022, in de procedure

Przedsiębiorstwo Produkcyjno – Handlowo – Usługowe A.

tegen

P. S.A.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Gavalec en N. Piçarra (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– P. S.A., vertegenwoordigd door J. Janczewski en A. Paniczek,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, J. Heitz en M. Hellmann als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Przedsiębiorstwo Produkcyjno – Handlowo – Usługowe A. (hierna: „A.”) en P. S.A. over de rechtmatigheid van een contractueel beding waarbij laatstgenoemde eenzijdig een betalingstermijn van 120 kalenderdagen heeft vastgesteld voor de facturen betreffende de met A. gesloten overeenkomsten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2011/7

3 De overwegingen 12, 13 en 28 van richtlijn 2011/7 luiden: „(12) Betalingsachterstand is een vorm van contractbreuk die door het in rekening brengen van een lage of geen interest op achterstallige betalingen en/of door traag verlopende invorderingsprocedures in de meeste lidstaten voor schuldenaren financieel aantrekkelijk is geworden. Een ingrijpende verandering in de richting van een stipte betalingscultuur, waarbij de uitsluiting van het recht om interest in rekening te brengen hoe dan ook wordt beschouwd als een kennelijk onbillijk contractueel beding of kennelijk onbillijke praktijk, is nodig om deze tendens te keren en om betalingsachterstand te ontmoedigen. Een dergelijke verandering vereist ook het invoeren van specifieke bepalingen met betrekking tot betalingstermijnen […]. (13) Bijgevolg moeten betalingstermijnen in overeenkomsten tussen bedrijven in de regel tot maximaal 60 kalenderdagen worden beperkt. Er zijn echter situaties denkbaar waarin ondernemingen ruimere betalingstermijnen nodig hebben, bijvoorbeeld om hun klanten handelskrediet te kunnen verlenen. Daarom moeten de betrokken partijen over de mogelijkheid blijven beschikken om betalingstermijnen van meer dan 60 kalenderdagen uitdrukkelijk overeen te komen, althans voor zover deze langere termijn niet kennelijk onbillijk jegens de schuldeiser is. […] (28) Deze richtlijn dient misbruik van contractvrijheid ten nadele van de schuldeiser te verbieden. Dit impliceert dat, wanneer een beding in een overeenkomst of een praktijk met betrekking tot de betalingsdatum of ‑termijn[] […] op grond van de aan de schuldenaar toegekende voorwaarden niet te billijken is, of wanneer deze voornamelijk ten doel heeft de schuldenaar ten koste van de schuldeiser extra liquiditeit te verschaffen, zij als een misbruik in die zin kan worden aangemerkt. […] Deze richtlijn moet nationale bepalingen betreffende de wijze van sluiting van contracten […] onverlet laten.”

4 Artikel 1 („Voorwerp en toepassingsgebied”) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „Deze richtlijn heeft ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van het [midden‑ en kleinbedrijf/kleine en middelgrote ondernemingen] te versterken.”

5 In artikel 2 („Definities”) van die richtlijn staat: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. ‚handelstransacties’: transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding; 2. ‚overheidsinstantie’: elke aanbestedende dienst, zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/17/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB 2004, L 134, blz. 1)] en in artikel 1, lid 9, van richtlijn 2004/18/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114)], ongeacht het voorwerp of de waarde van de opdracht; 3. ‚onderneming’: elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend; 4. ‚betalingsachterstand’: een betaling die niet is verricht binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn en waar de voorwaarden van artikel 3, lid 1, […] vervuld zijn; 5. ‚interest voor betalingsachterstand’: de wettelijke interest voor betalingsachterstand of tussen ondernemingen overeengekomen interest, rekening houdend met artikel 7; 6. ‚wettelijke interest voor betalingsachterstand’: de enkelvoudige interest voor betalingsachterstand, overeenkomend met de referentie-interestvoet, vermeerderd met ten minste acht procentpunten; […]”

6 Artikel 3 van richtlijn 2011/7 heeft als opschrift „Transacties tussen ondernemingen” en bepaalt in de leden 1, 3 en 5: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat bij handelstransacties tussen ondernemingen de schuldeiser zonder aanmaning recht heeft op interest voor betalingsachterstand, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) de schuldeiser heeft zijn contractuele en wettelijke verplichtingen vervuld, alsmede b) de schuldeiser heeft het verschuldigde bedrag niet op tijd ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging. […] 3. Wanneer aan de voorwaarden in lid 1 wordt voldaan, zorgen de lidstaten voor het volgende: a) dat met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst, de schuldeiser aanspraak kan maken op interest voor betalingsachterstand; […] 5. De lidstaten zien erop toe dat de in de overeenkomst vastgestelde betalingstermijn niet meer dan 60 kalenderdagen bedraagt, tenzij in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen en mits daarbij geen sprake is van kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van artikel 7.”

7 Artikel 7 („Onbillijke bedingen en praktijken”) van richtlijn 2011/7 bepaalt in lid 1: „De lidstaten voorzien erin dat een contractueel beding of een praktijk met betrekking tot de datum of termijn voor betaling[] […] hetzij niet afdwingbaar zijn, hetzij aanleiding geven tot een vordering tot schadevergoeding, indien zij een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser behelzen. Bij de beoordeling van de vraag of een contractueel beding of een praktijk een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van de eerste alinea behelst, worden alle omstandigheden in aanmerking genomen, met inbegrip van: […] c) de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken […] van de in artikel 3, lid 5, […] bedoelde betalingstermijn”.

Richtlijn 2014/25

8 Artikel 3, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (PB 2014, L 94, blz. 243) luidt als volgt: „1. In deze richtlijn wordt verstaan onder ‚aanbestedende diensten’: de staats-, regionale of lokale overheidsinstanties, publiekrechtelijke instellingen alsmede samenwerkingsverbanden bestaande uit één of meer van deze overheidsinstanties of één of meer van deze publiekrechtelijke instellingen. […] 4. ‚Publiekrechtelijke instelling’: instelling die voldoet aan alle volgende kenmerken: a) zij is opgericht voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard; b) zij bezit rechtspersoonlijkheid, en c) zij wordt merendeels door de staats-, regionale of lokale overheidsinstantie of andere publiekrechtelijke lichamen gefinancierd; of haar beheer staat onder toezicht van die overheidsinstanties of lichamen; of heeft een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan waarvan de leden voor meer dan de helft door de staat, de regionale of lokale overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.”

Pools recht

9 Artikel 7 van de ustawa przeciwdziałaniu nadmiernym opóźnieniom w transakcjach handlowych (wet betreffende de bestrijding van buitensporige vertragingen bij handelstransacties) van 8 maart 2013 (Dz. U. van 2013, volgnr. 403), in de vóór 1 januari 2020 geldende versie (hierna: „wet van 8 maart 2013”), bepaalt: „1. Met uitzondering van transacties waarbij de schuldenaar een overheidsinstantie is, heeft de schuldeiser bij handelstransacties zonder aanmaning recht op de wettelijke interest voor betalingsachterstanden bij handelstransacties, tenzij de partijen een hogere interest zijn overeengekomen, voor de periode vanaf de dag waarop de geldelijke prestatie opeisbaar is tot de dag van betaling indien de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld: 1) de schuldeiser heeft zijn prestatie uitgevoerd; 2) de schuldeiser heeft de betaling niet verkregen binnen de bij de overeenkomst vastgestelde termijn. 2. De in de overeenkomst vastgestelde betalingstermijn mag niet meer bedragen dan 60 dagen te rekenen vanaf de datum waarop aan de schuldenaar de factuur of de rekening ter bevestiging van de levering van het goed of de verrichting van de dienst is uitgereikt, tenzij de partijen in de overeenkomst uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen en mits die bepaling geen kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser inhoudt. 3. Wanneer de in de overeenkomst vastgestelde betalingstermijn meer dan 60 dagen bedraagt, te rekenen vanaf de datum waarop aan de schuldenaar de factuur of rekening ter bevestiging van de levering van het goed of de verrichting van de dienst is uitgereikt, en de in lid 2 bedoelde voorwaarde niet is vervuld, heeft de schuldeiser die zijn prestatie heeft uitgevoerd, na het verstrijken van de termijn van 60 dagen recht op de in lid 1 bedoelde interest.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10 P., een vennootschap naar Pools recht die actief is op het gebied van de winning en de verkoop van steenkool, heeft met A., een vennootschap naar Pools recht die actief is op het gebied van de productie van mijnbouwapparatuur, verschillende overeenkomsten gesloten voor de levering van machineonderdelen voor de mijnbouw (hierna: „betrokken overeenkomsten”).

11 Een aantal van deze overeenkomsten is gesloten na een veiling die werd georganiseerd op een door P. beheerde website waarop de marktvoorwaarden werden bekendgemaakt. Andere overeenkomsten zijn gesloten na een (openbare of niet-openbare) aanbestedingsprocedure. In beide gevallen zijn de voorwaarden van de overeenkomsten tussen partijen – met inbegrip van de betalingstermijn van 120 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de factuur aan P. is uitgereikt – eenzijdig door P. vastgesteld.

12 Ter uitvoering van de betrokken overeenkomsten heeft P. 354 facturen voldaan binnen een termijn van 120 tot 122 dagen vanaf de datum van ontvangst ervan. Vervolgens heeft A. haar een samenvattende boekhoudkundige rekening gezonden met de bedragen die volgens haar verschuldigd waren als vertragingsrente en forfaitaire vergoeding van invorderingskosten.

13 Op 31 december 2021 heeft A. bij de Sąd Rejonowy Katowice – Wschód w Katowicach (rechter in eerste aanleg Oost-Katowice, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot betaling door P. van een bedrag van 13702,99 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 3100 EUR), vermeerderd met wettelijke vertragingsrente voor de periode tussen de datum van indiening van het verzoekschrift en de datum van betaling, alsmede van een forfaitair bedrag van 4473,04 PLN (ongeveer 975 EUR) als vergoeding van invorderingskosten. Voor de periode van de 61e dag vanaf de datum van uitreiking van de betrokken facturen tot de datum waarop die facturen daadwerkelijk zijn voldaan, heeft A. de vertragingsrente berekend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de wet van 8 maart 2013, waarbij artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 in de Poolse rechtsorde is opgenomen.

14 Tot staving van haar op artikel 7 van die wet gebaseerde rentevordering voert A. aan dat de betalingstermijn van 120 dagen eenzijdig door P. is vastgesteld in de modelovereenkomst die als bijlage bij het op haar website gepubliceerde bestek was gevoegd. Die termijn is op geen enkel moment tussen partijen overeengekomen, maar vloeit voort uit de machtspositie die P. in de contractuele verhouding inneemt. Ook voor de deelname aan een aanbestedingsprocedure golden voorwaarden die eenzijdig door P. waren vastgesteld, waaronder de voorwaarde van een betalingstermijn van 120 dagen. Wegens haar economische situatie had A. geen andere keuze dan de betrokken overeenkomsten te sluiten, zonder dat zij ooit met P. tot een akkoord kon komen om die termijn terug te brengen tot 60 kalenderdagen. In die omstandigheden kan een dergelijk contractueel beding niet worden geacht door de partijen bij de overeenkomst uitdrukkelijk te zijn overeengekomen in de zin van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7.

15 Op 26 januari 2022 heeft de griffier van de Sąd Rejonowy Katowice Wschód w Katowicach een betalingsbevel tegen P. uitgevaardigd, waarbij de vordering van A. in haar geheel werd toegewezen.

16 P. heeft tegen dit bevel verzet aangetekend en daarbij het overeenkomstig artikel 7 van de wet van 8 maart 2013 berekende gedeelte van de rente betwist voor zover de facturen waren voldaan binnen de betalingstermijn van 120 dagen vanaf de datum van uitreiking ervan, zoals die uit de betrokken overeenkomsten voortvloeit. Volgens P. is die termijn aanvaard door A., die, na kennis te hebben genomen van het bestek en te zijn geselecteerd, meerdere overeenkomsten heeft gesloten waarin zij die termijn heeft bevestigd. Die termijn kan niet nadelig zijn voor de schuldeiser, aangezien deze de zekerheid heeft dat hij zijn diensten kan afzetten, inkomsten kan genereren en zijn liquiditeit op peil kan houden.

17 Voor de beslechting van het hoofdgeding is de verwijzende rechter van oordeel dat moet worden nagegaan of de in de betrokken overeenkomsten vastgestelde betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen vanaf de datum waarop de factuur aan de schuldenaar is uitgereikt, is vastgesteld met inachtneming van de eerste voorwaarde van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7, volgens welke elke betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen „in de overeenkomst uitdrukkelijk [moet zijn] overeengekomen”.

18 Die rechter wijst er ten eerste op dat de betrokken contractuele bedingen, met inbegrip van die betreffende de betalingstermijn van 120 dagen, eenzijdig door P. zijn vastgesteld. Ten tweede merkt hij op dat het enige middel om die bedingen te betwisten, en dan nog slechts wat betreft de betrokken overeenkomsten die zijn gesloten na een openbare aanbesteding, een beroep bij de president van de Krajowa Izba Odwolawcza (nationale kamer van beroep, Polen) is, welk beroep A. niet heeft ingesteld.

19 De verwijzende rechter neigt tot het oordeel dat niet aan de eerste voorwaarde van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 is voldaan wanneer een betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen is bedongen in een overeenkomst waarvan de bedingen uitsluitend door één van de contractpartijen worden vastgesteld. Volgens die rechter kunnen de bedingen van een overeenkomst weliswaar in de regel worden vastgesteld door een van de partijen, die ze van tevoren opstelt of gebruikmaakt van een modelovereenkomst en waarbij de andere partij deze – net als bij een standaardovereenkomst – louter aanvaardt, maar staat artikel 3, lid 5, van die richtlijn eraan in de weg dat aldus een betalingstermijn van 120 dagen wordt vastgesteld. Aangezien een dergelijke termijn uitzonderlijk is, moet de schuldeiser ten minste de redenen kennen waarom de schuldenaar die termijn wenst vast te stellen en moet hij zijn eigen argumenten naar voren kunnen brengen waarom die termijn niet langer mag zijn dan 60 kalenderdagen.

20 Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat de omstandigheid dat bij een nationale autoriteit kan worden opgekomen tegen een betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen die is bedongen in een na een openbare aanbesteding gesloten overeenkomst, niet volstaat om aan te nemen dat aan de eerste voorwaarde van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 is voldaan, omdat een dergelijk beroep zou leiden tot een op de toepasselijke betalingstermijn betrekking hebbend „soeverein besluit van een instantie die buiten de contractuele verhouding staat”.

21 Ten slotte vindt de gegeven uitlegging van de eerste voorwaarde volgens die rechter steun in de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 5, van die richtlijn, volgens welke de in de overeenkomst uitdrukkelijk overeengekomen betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen, waarmee wordt afgeweken van de algemene regel dat de maximale betalingstermijn 60 kalenderdagen bedraagt, geen „kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van artikel 7 [van die richtlijn]” mag inhouden. Om tot een dergelijke beoordeling van de betrokken overeenkomsten over te kunnen gaan, moet zijns inziens rekening worden gehouden met de economische situatie van de schuldeiser op het tijdstip waarop die overeenkomsten worden gesloten.

22 Tegen die achtergrond heeft de Sąd Rejonowy Katowice – Wschód w Katowicach de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 3, lid 5, van richtlijn [2011/7] aldus worden uitgelegd dat ondernemers slechts kunnen worden geacht uitdrukkelijk een betalingstermijn van meer dan 60 [kalenderdagen] te zijn overeengekomen wanneer de bedingen van de gesloten overeenkomst niet uitsluitend door één van de contractpartijen zijn vastgesteld?”

Procedure bij het Hof

23 Gelet op de schriftelijke opmerkingen die partijen en de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde belanghebbenden hebben ingediend met betrekking tot met name de mogelijke kwalificatie van P. als „overheidsinstantie” in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2011/7, heeft het Hof de verwijzende rechter een verzoek om inlichtingen gezonden waarin deze wordt verzocht te bevestigen dat die vennootschap een „onderneming” in de zin van artikel 2, punt 3, van die richtlijn is en nader aan te geven welke criteria hem tot die kwalificatie hebben gebracht, zodat kan worden vastgesteld of het hoofdgeding daadwerkelijk binnen de werkingssfeer valt van artikel 3, lid 5, van die richtlijn, dat betrekking heeft op transacties tussen ondernemingen, en niet binnen die van artikel 4, lid 4, van die richtlijn, dat betrekking heeft op transacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties.

24 In zijn antwoord, ingekomen bij het Hof op 4 oktober 2023, heeft de verwijzende rechter bevestigd dat P. een „onderneming” is in de zin van artikel 2, punt 3, van de richtlijn.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid

25 De Duitse regering betoogt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is aangezien de verwijzende rechter niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de beslissing die hij in het hoofdgeding moet geven, afhangt van het antwoord op de prejudiciële vraag. Volgens die regering laat de verwijzende rechter zijn beslissing niet alleen afhangen van de vraag of de in de betrokken overeenkomsten vastgestelde betalingstermijn van 120 dagen uitdrukkelijk is overeengekomen in de zin van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7, maar ook van de vraag of die termijn een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van die bepaling inhoudt, zonder zich daar evenwel over uit te spreken en zonder in zijn vraag naar deze rechtsvraag te verwijzen.

26 In het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, wordt zij dus vermoed relevant te zijn en is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het Hof kan dan ook slechts weigeren op een dergelijke vraag te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vraag [zie in die zin arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 41, en 11 januari 2024, Inditex, C‑361/22, EU:C:2024:17, punten 28 en 29].

27 In casu vraagt de verwijzende rechter zich af hoe artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 moet worden uitgelegd zodat hij kan bepalen of een beding dat is opgenomen in overeenkomsten die hij kwalificeert als overeenkomsten die vergelijkbaar zijn met standaardovereenkomsten en waarbij de schuldenaar de termijn voor de betaling van de uit hoofde van die overeenkomsten verschuldigde facturen eenzijdig heeft vastgesteld op 120 dagen in plaats van op de in die bepaling vastgelegde 60 dagen, is aan te merken als een beding dat „in de overeenkomst uitdrukkelijk […] is overeengekomen” in de zin van die bepaling, en zodat hij uitspraak kan doen over de vordering van A. tot betaling van vertragingsrente over de krachtens die overeenkomsten verschuldigde bedragen.

28 Bijgevolg is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

Ten gronde

29 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling opgenomen bewoordingen „in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen” zich verzetten tegen een door de schuldenaar eenzijdig bedongen betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen.

30 Artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 luidt dat de lidstaten erop toezien dat de in de overeenkomst vastgestelde betalingstermijn niet meer dan 60 kalenderdagen bedraagt, tenzij in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen en mits daarbij geen sprake is van kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van artikel 7 van die richtlijn.

31 Op grond van artikel 3, lid 5, van die richtlijn kan derhalve worden afgeweken van de daarin opgenomen maximale betalingstermijn van 60 kalenderdagen, mits aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een dergelijke termijn „in de overeenkomst uitdrukkelijk [zijn] overeengekomen”. Ten tweede mag de aldus vastgestelde termijn geen „kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van artikel 7” van die richtlijn inhouden.

32 Aangezien artikel 3, lid 5, van die richtlijn het mogelijk maakt dat wordt afgeweken van de in de overeenkomst vastgestelde maximale betalingstermijn van 60 kalenderdagen, moet deze bepaling strikt worden uitgelegd [zie naar analogie arrest van 13 juni 2024, D. (Ontwerpfout in de motor),C‑411/23, EU:C:2024:498, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33 Wat de eerste cumulatieve voorwaarde betreft, op welke voorwaarde de prejudiciële vraag betrekking heeft, zij opgemerkt dat aangezien artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 voor de betekenis en de draagwijdte van de bewoordingen „in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen” niet expliciet verwijst naar het recht van de lidstaten, uit de vereisten van de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel voortvloeit dat die betekenis en draagwijdte normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moeten worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de formulering van die bewoordingen, maar ook met de context van de bepaling waarin die bewoordingen voorkomen, alsook met de doelstellingen van die bepaling en van de handeling van Unierecht waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arresten van 9 juli 2020, RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand),C‑199/19, EU:C:2020:548, punt 27, en 1 december 2022, X (Levering van medisch materiaal),C‑419/21, EU:C:2022:948, punt 21].

34 Weliswaar kan aan de hand van de bewoordingen van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 op zich niet worden achterhaald of een betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen die is bedongen in een overeenkomst waarvan de inhoud eenzijdig en volledig door de schuldenaar is vastgesteld, kan worden aangemerkt als een beding dat in de zin van die bepaling „in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen”, maar het vereiste dat er sprake is van een uitdrukkelijk beding impliceert dat er, rekening houdend met alle contractuele documenten en de in die overeenkomst opgenomen bedingen, kan worden vastgesteld dat de contractpartijen over en weer de wil kenbaar hebben gemaakt om specifiek gebonden te zijn aan de bedongen maximale betalingstermijn die afwijkt van de in die bepaling vastgestelde betalingstermijn van 60 kalenderdagen.

35 Artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 vereist derhalve dat die partijen bij het sluiten van de overeenkomst over en weer die wil tot uitdrukking brengen op een manier die verder gaat dan enkel de uitdrukkelijke opname van een dergelijke termijn in een contractueel beding, ongeacht of de overeenkomst waarin dat beding is opgenomen, geheel of gedeeltelijk een standaardovereenkomst of een soortgelijke overeenkomst vormt.

36 Aan een dergelijk vereiste kan niet alleen zijn voldaan wanneer de partijen afzonderlijk over een dergelijk beding hebben onderhandeld, maar ook, met name in een standaardovereenkomst, wanneer een van die partijen het betrokken beding in de contractuele documenten zodanig onder de aandacht heeft gebracht dat het duidelijk te onderscheiden is van de andere bedingen van de overeenkomst, waardoor het afwijkende karakter ervan wordt benadrukt en de wederpartij aldus de overeenkomst met volledige kennis van zaken kan sluiten.

37 Die uitlegging van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 strookt zowel met de algemene doelstellingen van die richtlijn als met de doelstelling die specifiek aan die bepaling ten grondslag ligt.

38 Zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van die richtlijn, gelezen in samenhang met overweging 12 ervan, heeft deze tot doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan en een stipte betalingscultuur tot stand te brengen teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen, en met name van het midden‑ en kleinbedrijf, te versterken [zie in die zin arrest van 9 juli 2020, RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand),C‑199/19, EU:C:2020:548, punt 35].

39 Voorts blijkt uit overweging 13 van die richtlijn dat artikel 3, lid 5, van de richtlijn een uitdrukking van deze doelstellingen vormt, aangezien die bepaling tot doel heeft de schuldeiser doeltreffend te beschermen tegen betalingsachterstand van de schuldenaar door een betalingstermijn van maximaal 60 kalenderdagen vast te stellen, waarvan slechts kan worden afgeweken onder de twee daarin genoemde cumulatieve voorwaarden, die in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht.

40 Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 de vaststelling van een betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen die het gevolg is van een uitdrukkelijk beding tussen de schuldeiser en de schuldenaar ook moet voldoen aan de tweede voorwaarde van die bepaling. Dat beding mag dus geen „kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser in de zin van artikel 7” van die richtlijn inhouden. Uit overweging 28 van die richtlijn blijkt immers dat zij misbruik van contractvrijheid ten nadele van de schuldeiser verbiedt. Zo moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 7, lid 1, van die richtlijn erin voorzien dat een kennelijk oneerlijk beding hetzij niet afdwingbaar is, hetzij aanleiding geeft tot een vordering tot vergoeding van de schade die de schuldeiser heeft geleden als gevolg van de toepassing ervan.

41 Op grond van artikel 7, lid 1, tweede alinea, onder a) tot en met c), van richtlijn 2011/7 worden bij de beoordeling of een contractueel beding een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser behelst, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met inbegrip van elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken die in strijd is met de goede trouw en eerlijke behandeling, de aard van het product of de dienst, en in het bijzonder de omstandigheid dat de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de in artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 genoemde betalingstermijn.

42 Uit dit laatste vereiste vloeit met name voort dat, ongeacht de vraag of de schuldenaar een economische machtspositie inneemt in zijn verhouding tot de schuldeiser, de daadwerkelijke bescherming van laatstgenoemde tegen een onrechtmatig gebruik door de schuldenaar van een in de overeenkomst bedongen betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen volledig gewaarborgd blijft, ook al is die betalingstermijn uitdrukkelijk bedongen met inachtneming van de voorwaarden die zijn opgenomen in de punten 34 en 35 van het onderhavige arrest.

43 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties stelt A. in casu dat zij over het beding inzake de betalingstermijn van 120 dagen dat was opgenomen in de modelovereenkomst die als bijlage was gevoegd bij het door P. opgestelde bestek, nooit heeft kunnen onderhandelen, en daarnaast dat de betrokken overeenkomsten pas konden worden gesloten nadat zij de eenzijdig door P. vastgestelde voorwaarden had aanvaard.

44 Ten eerste dient de verwijzende rechter na te gaan of op basis van alle contractuele documenten en bedingen in die overeenkomst kan worden vastgesteld dat A. en P. over en weer de wil kenbaar hebben gemaakt om specifiek gebonden te zijn aan de contractuele bedingen die voorzien in een termijn die afwijkt van de in artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 vastgestelde betalingstermijn van 60 kalenderdagen. Ten tweede dient die rechter te onderzoeken of, gelet op de in artikel 7 van die richtlijn genoemde omstandigheden, het gebruik van die bedingen een kennelijke onbillijkheid jegens A. kan opleveren, en daar in voorkomend geval de gevolgen aan te verbinden waarin het nationale recht in dat verband voorziet.

45 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat de bewoordingen „in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen” zich ertegen verzetten dat de schuldenaar eenzijdig een betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen bedingt, tenzij op basis van alle contractuele documenten en bedingen in die overeenkomst kan worden vastgesteld dat de partijen bij die overeenkomst over en weer de wil kenbaar hebben gemaakt om specifiek aan dat beding gebonden te zijn.

Kosten

46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties

moet aldus worden uitgelegd dat

de bewoordingen „in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen” zich ertegen verzetten dat de schuldenaar eenzijdig een betalingstermijn van meer dan 60 kalenderdagen bedingt, tenzij op basis van alle contractuele documenten en bedingen in die overeenkomst kan worden vastgesteld dat de partijen bij die overeenkomst over en weer de wil kenbaar hebben gemaakt om specifiek aan dat beding gebonden te zijn.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken