HvJ EU 10 juli 2025, C-367/24, ECLI:EU:C:2025:561

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

10 juli 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Elektronische communicatie – Verordening (EU) 2015/2120 – Maatregelen betreffende open-internettoegang – Artikel 3, lid 3 – Verplichting voor aanbieders van internettoegangsdiensten om verkeer op gelijke wijze, zonder discriminatie, beperking of interferentie te behandelen – Mogelijkheid voor die aanbieders om redelijke verkeersbeheersmaatregelen te treffen – Tariefoptie met bandbreedtebeperking voor videostreaming”

In zaak C‑367/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) bij beslissing van 4 april 2024, ingekomen bij het Hof op 23 mei 2024, in de procedure

Autoritatea Naţională pentru Administrare şi Reglementare în Comunicaţii

tegen

Telekom România Mobile Communications,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, O. Spineanu-Matei en N. Fenger (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Autoritate Naţională pentru Administrare şi Reglementare în Comunicaţii, vertegenwoordigd door M.‑R. Rudnic, A. Vasile en V. Ş. Zgonea als gemachtigden,

– Telekom România Mobile Communications, vertegenwoordigd door I. A. Hrisafi-Josan, avocată,

– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane en M. Chicu als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door D. Csoknyai en M. Z. Fehér als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, O. Gariazzo en E. A. Stamate als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB 2015, L 310, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Autoritate Naţională pentru Administrare şi Reglementare în Comunicaţii (nationale autoriteit voor het beheer en de regulering van communicatie, Roemenië; hierna: „Ancom”) en Telekom România Mobile Communications S.A. over een besluit waarbij die autoriteit heeft vastgesteld dat een door deze vennootschap aangeboden tariefoptie onverenigbaar is met de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen, en haar heeft gelast videostreaming niet langer te discrimineren ten opzichte van andere verkeerscategorieën.

Toepasselijke bepalingen

3 De overwegingen 6 tot en met 9, 11 en 15 van verordening 2015/2120 luiden als volgt: „(6) Eindgebruikers moeten het recht hebben om via hun internettoegangsdienst toegang te krijgen tot informatie en inhoud en deze te delen, en zonder discriminatie toepassingen en diensten te gebruiken en aan te bieden. [...] (7) Met het oog op de uitoefening van hun rechten om toegang te krijgen tot informatie en inhoud en deze te delen, en toepassingen en diensten van hun keuze te gebruiken en aan te bieden, moet de eindgebruikers de vrijheid worden geboden met de aanbieders van internettoegangsdiensten overeenkomsten te sluiten over tarieven voor specifieke datavolumes en snelheden van de internettoegangsdienst. Deze overeenkomsten, alsook enigerlei commerciële praktijken van de aanbieders van internettoegangsdiensten, mogen de uitoefening van die rechten niet inperken en aldus de bepalingen van deze verordening betreffende het waarborgen van open-internettoegang omzeilen. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde autoriteiten dient de bevoegdheid te worden verleend op te treden tegen overeenkomsten of commerciële praktijken die wegens hun omvang tot een feitelijke beperking van de keuzemogelijkheden van de eindgebruikers leiden. Daartoe dient bij het beoordelen van overeenkomsten en commerciële praktijken rekening te worden gehouden met onder meer de respectieve marktposities van de betrokken aanbieders van internettoegangsdiensten en aanbieders van inhoud, diensten en toepassingen. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde autoriteiten moet, als onderdeel van hun toezichts- en handhavingsfunctie, de verplichting worden opgelegd op te treden indien overeenkomsten of commerciële praktijken de essentie van de rechten van de eindgebruikers zouden ondermijnen. (8) Bij het aanbieden van de internettoegangsdiensten moeten aanbieders van die diensten alle verkeer gelijk behandelen, zonder discriminatie, beperking of inmenging, ongeacht de afzender of ontvanger, de inhoud, toepassing of dienst, of de eindapparatuur. Volgens de algemene beginselen van het Unierecht en de vaste rechtspraak mogen vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld en mogen verschillende situaties niet op dezelfde wijze worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. (9) Het doel van redelijk verkeersbeheer is om bij te dragen aan een efficiënt gebruik van netwerkmiddelen en een optimalisering van de algehele doorgiftekwaliteit, in reactie op de objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van de dienstverlening voor specifieke categorieën verkeer, en daarmee van de doorgegeven inhoud, toepassingen en diensten. De door de aanbieders van internettoegangsdiensten toegepaste redelijke verkeersbeheersmaatregelen moeten transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn en mogen niet ingegeven zijn door commerciële overwegingen. Het voorschrift dat verkeersbeheersmaatregelen niet-discriminerend moeten zijn, belet niet dat aanbieders van internettoegangsdiensten, met het oog op de optimalisering van de algehele doorgiftekwaliteit, verkeersbeheersmaatregelen toepassen die een onderscheid maken tussen objectief verschillende categorieën verkeer. Dergelijke differentiëringen mogen, teneinde de algehele kwaliteit en de ervaring van de gebruikers te optimaliseren, alleen worden toegestaan op basis van de objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van de specifieke categorieën verkeer [bijvoorbeeld wat betreft latentietijd (‚latency’), variatie in vertraging (‚jitter’), pakketverlies en bandbreedte], en niet op basis van commerciële overwegingen. Dergelijke differentiërende maatregelen moeten in verhouding staan tot de doelstelling de algehele kwaliteit te optimaliseren, en moeten gelijkwaardig verkeer gelijk behandelen. Deze maatregelen mogen niet langer dan nodig is in stand worden gehouden. [...] (11) Verkeersbeheersmaatregelen die verder gaan dan dergelijke redelijke verkeersbeheersmaatregelen doordat zij specifieke inhoud, toepassingen of diensten, of specifieke categorieën inhoud, toepassingen of diensten blokkeren, vertragen, wijzigen, beperken, ermee interfereren, degraderen of daartussen discrimineren, moeten worden verboden, behoudens de in deze verordening opgenomen gerechtvaardigde en nader omschreven uitzonderingen. Die uitzonderingen moeten strikt worden geïnterpreteerd en worden onderworpen aan evenredigheidsvoorschriften. Specifieke inhoud, toepassingen en diensten alsmede de specifieke categorieën daarvan moeten worden beschermd wegens de negatieve gevolgen van het blokkeren of andere niet onder de gerechtvaardigde uitzonderingen vallende beperkende maatregelen voor de keuzemogelijkheden van de eindgebruiker en voor innovatie. [...] [...] (15) [M]aatregelen die verder gaan dan dergelijke redelijke verkeersbeheersmaatregelen [kunnen] ook noodzakelijk zijn voor het voorkomen van dreigende netwerkcongestie, dit wil zeggen situaties waarin de congestie op het punt staat zich voor te doen, alsook voor het beperken van de gevolgen van netwerkcongestie, indien de netwerkcongestie slechts tijdelijk is of zich slechts in uitzonderlijke omstandigheden voordoet. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat gelijkwaardige soorten verkeer gelijk worden behandeld in de op die uitzondering gebaseerde verkeersbeheersmaatregelen. Met tijdelijke congestie worden specifieke situaties van korte duur bedoeld, wanneer zich een plotselinge toename van het aantal gebruikers bovenop de reguliere gebruikers of een plotselinge toename van de vraag naar specifieke inhoud, toepassingen of diensten voordoet die de transmissiecapaciteit van sommige elementen van het netwerk te boven kan gaan en de rest van het netwerk minder reactief kan maken. [...] Uitzonderlijke congestie moet in die zin worden opgevat dat het onvoorspelbare en onvermijdelijke situaties van congestie betreft, in zowel mobiele als vaste netwerken. [...] De noodzaak verkeersbeheersmaatregelen toe te passen die verder gaan dan de redelijke verkeersbeheersmaatregelen om de effecten van de tijdelijke of uitzonderlijke netwerkcongestie te voorkomen of te beperken, mag de aanbieders van internettoegangsdiensten niet de mogelijkheid geven tot het omzeilen van het algemene verbod specifieke inhoud, toepassingen of diensten, of bepaalde categorieën daarvan, te blokkeren, te vertragen, te wijzigen, te beperken, ermee te interfereren, te degraderen of daartussen te discrimineren. Herhaaldelijke en langduriger netwerkcongestie die noch uitzonderlijk, noch tijdelijk van aard is, mag niet onder die uitzondering vallen maar moet veeleer door een uitbreiding van de netwerkcapaciteit worden opgevangen.”

4 Artikel 1 („Onderwerp en toepassingsgebied”) van die verordening bepaalt in lid 1 het volgende: „Bij deze verordening worden gemeenschappelijke regels vastgesteld om de gelijke en niet-discriminerende behandeling van het verkeer bij het aanbieden van internettoegangsdiensten, alsmede de daarmee verband houdende rechten van eindgebruikers, te waarborgen.”

5 Artikel 3, leden 1 tot en met 3, van die verordening bepaalt: „1. Eindgebruikers hebben het recht om toegang te krijgen tot informatie en inhoud en deze te delen, toepassingen en diensten te gebruiken en aan te bieden, en gebruik te maken van de eindapparatuur van hun keuze, ongeacht de locatie van de eindgebruiker of de aanbieder, en ongeacht de locatie, herkomst of bestemming van de informatie, inhoud, toepassing of dienst, via hun internettoegangsdienst. [...] 2. Overeenkomsten tussen aanbieders van internettoegangsdiensten en eindgebruikers over commerciële en technische voorwaarden en de kenmerken van internettoegangsdiensten zoals prijs, datavolumes of snelheid, en alle commerciële praktijken van aanbieders van internettoegangsdiensten, mogen de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten van eindgebruikers niet beperken. 3. Aanbieders van internettoegangsdiensten behandelen bij het aanbieden van internettoegangsdiensten alle verkeer op gelijke wijze, zonder discriminatie, beperking of interferentie, en ongeacht de verzender en de ontvanger, de inhoud waartoe toegang wordt verleend of die wordt verspreid, de gebruikte of aangeboden toepassingen of diensten, of de gebruikte eindapparatuur. De eerste alinea belet aanbieders van internettoegangsdiensten niet redelijke verkeersbeheersmaatregelen te treffen. Om als redelijk te worden beschouwd, moeten die maatregelen transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en mogen zij niet berusten op commerciële overwegingen, maar op objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van specifieke categorieën verkeer [...]. Zulke maatregelen mogen niet inhouden [dat] de specifieke inhoud [wordt] gevolgd, en zij worden niet langer dan nodig aangehouden. Aanbieders van internettoegangsdiensten treffen geen verkeersbeheersmaatregelen die verder gaan dan de in de tweede alinea bedoelde maatregelen, en gaan met name niet over tot het blokkeren, vertragen, wijzigen, beperken of degraderen van, interfereren met of discrimineren tussen specifieke inhoud, toepassingen of diensten, of specifieke categorieën daarvan, behalve indien – en slechts zolang – dit nodig is om: a) te voldoen aan de wetgevingshandelingen [...]; b) de integriteit en de veiligheid van het netwerk[...] te beschermen; c) nakende netwerkcongestie te voorkomen en de effecten van uitzonderlijke of tijdelijke netwerkcongestie te beperken, op voorwaarde dat gelijkwaardige soorten verkeer gelijk worden behandeld.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6 Telekom România Mobile Communications is een onderneming die actief is in de telecommunicatiesector.

7 Sinds 15 oktober 2017 biedt Telekom România Mobile Communications als onderdeel van de in bepaalde mobiele abonnementen opgenomen internettoegangsdienst, en sinds 13 november 2017 voor bepaalde aanbiedingen van prepaidkaarten, een optie „Bonus Net Nelimitat” (bonus onbeperkt internet) aan.

8 Het basistarief voor die abonnementen of die kaarten omvat een maandelijks datavolume dat kan worden benut om toegang te krijgen tot alle verkeerscategorieën, met inbegrip van videostreaming, met snelheden tot 150 megabit per seconde. De activering door de betrokken klant van de „bonus onbeperkt internet” impliceert niet alleen dat hij toegang krijgt tot een onbeperkt datavolume, waarvan het verbruik niet wordt meegenomen in dat basistarief, maar ook dat de snelheid van het verkeer van het type videostreaming wordt beperkt tot maximaal 1,5 megabit per seconde. Die beperking leidt dan weer tot een lagere videoresolutie. Wanneer de betrokken klant die bonus deactiveert, verloopt elk soort verkeer aan de oorspronkelijke snelheid, maar wordt het maandelijks verbruikte datavolume in mindering gebracht op het overeenkomstig dat tarief gecontracteerde of gefactureerde volume.

9 Bij besluit van 8 augustus 2018 heeft Ancom vastgesteld dat de tariefoptie „bonus onbeperkt internet” een met artikel 3, lid 3, van verordening 2015/2120 onverenigbare verkeersbeheersmaatregel vormde en dat Telekom România Mobile Communications daaraan een einde moest maken. Volgens dat besluit werden verschillende verkeerscategorieën verschillend behandeld zonder enige objectieve rechtvaardiging, waarbij videostreaming werd gediscrimineerd door de beperking van de maximumsnelheid voor dit soort verkeer, tot 1,5 megabit per seconde, terwijl de snelheid voor andere verkeerscategorieën tot 150 megabit per seconde kon bedragen. Ten eerste berust die snelheidsbeperking voor een bepaald soort dataverkeer niet op technische overwegingen in de zin van artikel 3, lid 3, tweede alinea, van die verordening en ten tweede kan die beperking niet onder een van de in artikel 3, lid 3, derde alinea, van die verordening bedoelde uitzonderingen vallen.

10 Bij arrest van 26 mei 2021 heeft de Curte de Apel Bucureşti (bestuursrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) het door Telekom România Mobile Communications ingestelde beroep tot nietigverklaring van dat besluit toegewezen. Die rechter heeft in wezen geoordeeld dat videostreaming een soort verkeer vormde dat objectief verschilde van de andere verkeerscategorieën en dat de tariefoptie „bonus onbeperkt internet” een transparante, niet-discriminerende, evenredige en tijdelijke verkeersbeheersmaatregel was die berustte op objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van specifieke verkeerscategorieën en niet op commerciële overwegingen.

11 Ancom heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië), de verwijzende rechter.

12 Volgens die rechter bieden de arresten van 15 september 2020, Telenor Magyarország (C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708); 2 september 2021, Vodafone (C‑854/19, EU:C:2021:675); 2 september 2021, Vodafone (C‑5/20, EU:C:2021:676), en 2 september 2021, Telekom Deutschland (C‑34/20, EU:C:2021:677), reeds voldoende houvast met betrekking tot de door Telekom România Mobile Communications opgeworpen vragen over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening 2015/2120, gelezen in het licht van overweging 7 ervan, en over de verhouding tussen die bepaling en artikel 3, lid 3, van die verordening.

13 De verwijzende rechter wijst er niettemin op dat hij ten eerste moet vaststellen of het verschil in behandeling dat Telekom România Mobile Communications bij de activering van de „bonus onbeperkt internet” maakt tussen videostreaming en de andere verkeerscategorieën een ongelijke behandeling vormt in de zin van artikel 3, lid 3, eerste alinea, van verordening 2015/2120. Ten tweede vraagt de verwijzende rechter zich af of het in het kader van die activering door Telekom România Mobile Communications toegepaste verkeersbeheer overeenkomstig artikel 3, lid 3, tweede alinea, van die verordening, gelezen in het licht van overweging 9 ervan, een redelijke verkeersbeheersmaatregel vormt. Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke beheersmaatregel kan vallen onder de uitzondering van artikel 3, lid 3, derde alinea, onder c), van die verordening, betreffende de noodzaak om tijdelijke congestie te voorkomen, aangezien die maatregel een snelheidsbeperking voor een specifiek soort verkeer en een lagere resolutie van de video-inhoud tot maximaal 480p impliceert.

14 Volgens de verwijzende rechter verschilt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie van die in de zaken die hebben geleid tot de in punt 12 van het onderhavige arrest aangehaalde arresten. Laatstgenoemde zaken hadden namelijk betrekking op tariefopties die discrimineerden tussen de verschillende contentaanbieders, doordat de partners van de betrokken telecommunicatieonderneming werden bevoordeeld of de verkeerssnelheid voor niet in het betrokken tariefaanbod opgenomen toepassingen of diensten werd beperkt, terwijl het verschil in behandeling in de onderhavige zaak geldt ongeacht de persoon die de videostreamingdiensten aanbiedt, dus ongeacht of deze een partner van Telekom România Mobile Communication is of niet.

15 In die omstandigheden heeft de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 3 van verordening [2015/2120] aldus worden uitgelegd dat het verenigbaar is met de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen dat een telecommunicatieonderneming een tariefoptie aanbiedt waarmee eindgebruikers die deze optie hebben aanvaard, gratis gebruik kunnen maken van alle videostreamingdiensten, ongeacht door welke aanbieders zij worden verstrekt en of die aanbieders al dan niet contentpartners van de telecommunicatieonderneming zijn, waarbij het met deze diensten verbruikte datavolume niet is inbegrepen bij het maandelijks gegarandeerde datavolume van het mobiele tarief, maar de bandbreedte voor dit soort inhoud wordt beperkt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

16 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van verordening 2015/2120 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een door een aanbieder van internettoegangsdiensten aan zijn klanten aangeboden optie voor onbeperkte internettoegang zonder extra kosten, die bij activering ervan deze klanten in staat stelt om gebruik te maken van videostreamingdiensten zonder dat de aldus verbruikte data in mindering worden gebracht op het in het maandelijkse basistarief begrepen datavolume, maar die de bandbreedte voor die inhoud, ongeacht de verspreider of de aanbieder ervan, beperkt ten opzichte van de bandbreedte voor de andere verkeerscategorieën, terwijl, wanneer die optie door die klanten niet wordt geactiveerd, voor het gehele verkeer, met inbegrip van videostreaming, dezelfde bandbreedte beschikbaar is, doch het verbruikte datavolume in mindering wordt gebracht op het door die klanten gecontracteerde volume.

17 Zoals volgt uit artikel 1 van verordening 2015/2120, strekken de verschillende bepalingen van artikel 3 van die verordening ertoe de gelijke en niet-discriminerende behandeling van het verkeer bij het aanbieden van internettoegangsdiensten, alsmede de daarmee verband houdende rechten van eindgebruikers, te waarborgen (arresten van 15 september 2020, Telenor Magyarország,C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708, punt 27, en 2 september 2021, Telekom Deutschland,C‑34/20, EU:C:2021:677, punt 24).

18 In artikel 3, lid 1, van verordening 2015/2120, gelezen in het licht van overweging 6 ervan, worden de rechten van eindgebruikers genoemd, waaronder de rechten om toegang te krijgen tot informatie en inhoud en deze te delen alsmede toepassingen en diensten te gebruiken en aan te bieden. Volgens artikel 3, lid 2, van die verordening mag de uitoefening van die rechten niet worden beperkt door overeenkomsten tussen aanbieders van internettoegangsdiensten en eindgebruikers, noch door commerciële praktijken van die aanbieders.

19 Met betrekking tot artikel 3, lid 3, van die verordening dient er om te beginnen op te worden gewezen dat de eerste alinea van deze bepaling, gelezen in het licht van overweging 8 van die verordening, de aanbieders van internettoegangsdiensten een algemene verplichting oplegt om het verkeer op gelijke wijze, zonder discriminatie, beperking of interferentie te behandelen, waarvan in geen geval kan worden afgeweken door middel van commerciële praktijken van deze aanbieders of overeenkomsten die tussen die aanbieders en eindgebruikers zijn gesloten (arrest van 15 september 2020, Telenor Magyarország,C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708, punt 47).

20 Voorts blijkt uit de tweede alinea van artikel 3, lid 3, en overweging 9 van verordening 2015/2120, in het licht waarvan deze alinea moet worden gelezen, dat die aanbieders deze algemene verplichting weliswaar dienen na te leven, maar de mogelijkheid behouden om redelijke verkeersbeheersmaatregelen te treffen. Deze mogelijkheid hangt echter met name af van de voorwaarden dat dergelijke maatregelen niet langer dan nodig worden aangehouden, dat zij berusten op „objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van de specifieke categorieën verkeer” en dat zij niet zijn ingegeven door „commerciële overwegingen” (zie in die zin arrest van 15 september 2020, Telenor Magyarország, C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708, punt 48).

21 Ten slotte volgt uit artikel 3, lid 3, derde alinea, van verordening 2015/2120 dat alle maatregelen bestaande in het blokkeren, vertragen, wijzigen, beperken of degraderen van, interfereren met of discrimineren tussen met name specifieke inhoud, toepassingen of diensten, niet kunnen worden geacht redelijk te zijn in de zin van de tweede alinea van deze bepaling en dus als zodanig moeten worden geacht hiermee onverenigbaar te zijn, tenzij zij voor een bepaalde duur zijn getroffen en nodig zijn om aanbieders van internettoegangsdiensten in staat te stellen hetzij te voldoen aan een wettelijke verplichting, hetzij de integriteit en de veiligheid van het netwerk te beschermen, hetzij netwerkcongestie te voorkomen of te beperken (zie in die zin arrest van 15 september 2020, Telenor Magyarország, C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708, punt 49).

22 In het licht hiervan moet worden opgemerkt dat de algemene verplichting van artikel 3, lid 3, eerste alinea, van verordening 2015/2120 niet alleen tot doel heeft ervoor te zorgen dat aanbieders van internettoegangsdiensten zich onthouden van maatregelen die discriminatie tussen verschillende verspreiders of aanbieders van inhoud, toepassingen of diensten inhouden, maar meer in het algemeen tot doel heeft ervoor te zorgen dat alle inhoud die wordt gedownload of verspreid en alle toepassingen of diensten die worden gebruikt of aangeboden via een internettoegangsdienst, gelijk worden behandeld.

23 De enkele omstandigheid dat een door een aanbieder van internettoegangsdiensten toegepaste maatregel niet is bedoeld om bepaalde verspreiders of aanbieders van inhoud, toepassingen of diensten, die zijn partners zijn, anders te behandelen dan andere verspreiders of aanbieders van inhoud, toepassingen of diensten, die dat niet zijn, kan dus niet zonder meer tot de conclusie leiden dat aan die algemene verplichting is voldaan.

24 Hieruit volgt dat een maatregel die bij activering van een tariefoptie de bandbreedte voor videostreaming beperkt ten opzichte van die voor andere verkeerscategorieën, terwijl bij deactivering van die optie dezelfde bandbreedte beschikbaar is voor alle internetverkeer, met inbegrip van videostreaming, binnen het dataverkeer een onderscheid maakt waardoor mogelijk niet aan die algemene verplichting wordt voldaan.

25 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een dergelijk verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de contractvrijheid waarin artikel 3, lid 2, van verordening 2015/2120 voorziet, ook niet door middel van tussen de betrokken aanbieders van internettoegangsdiensten en eindgebruikers zoals consumenten gesloten overeenkomsten of commerciële praktijken om te voldoen aan een behoefte van de betrokken klant (zie in die zin arresten van 15 september 2020, Telenor Magyarország, C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708, punten 36 en 47, en 2 september 2021, Telekom Deutschland, C‑34/20, EU:C:2021:677, punten 26 en 32).

26 Daarentegen is het, zoals blijkt uit artikel 3, lid 3, tweede alinea, van die verordening, toegestaan om een maatregel te treffen die een onderscheid maakt tussen objectief verschillende verkeerscategorieën, voor zover die maatregel voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als een „redelijke verkeersbeheersmaatregel” in de zin van die bepaling. Indien een dergelijke maatregel niet aan die voorwaarden voldoet, kan een dergelijke maatregel ook dan nog worden getroffen indien hij valt onder een van de drie in artikel 3, lid 3, derde alinea, van die verordening limitatief opgesomde uitzonderingen, in casu de uitzondering onder c) van laatstgenoemde bepaling.

27 Wat in de eerste plaats artikel 3, lid 3, tweede alinea, van verordening 2015/2120 betreft, volgt uit die bepaling, gelezen in het licht van overweging 9 van die verordening, dat aanbieders van internettoegangsdiensten verkeersbeheersmaatregelen kunnen treffen die differentiëren tussen specifieke verkeerscategorieën, voor zover die maatregelen met name beogen de algehele doorgiftekwaliteit en de ervaring van de gebruikers te optimaliseren, berusten op objectief verschillende technische kwaliteitsvereisten van de dienstverlening voor die categorieën en niet zijn ingegeven door commerciële overwegingen.

28 Een verkeersbeheersmaatregel kan dus slechts worden geacht op dergelijke objectieve verschillen te berusten indien de volgens die maatregel voor een specifieke verkeerscategorie geldende technische voorwaarden beantwoorden aan de technische kwaliteitsvereisten van de dienstverlening voor die specifieke verkeerscategorie.

29 Daarentegen moeten maatregelen van een aanbieder van internettoegangsdiensten jegens een eindgebruiker, die zonder op dergelijke objectieve verschillen te berusten ertoe leiden dat de inhoud, toepassingen of diensten die door de verschillende aanbieders van inhoud, toepassingen of diensten worden aangeboden, niet op gelijke wijze en zonder discriminatie worden behandeld, worden geacht te berusten op „commerciële overwegingen” in de zin van artikel 3, lid 3, tweede alinea, van verordening 2015/2120 (zie in die zin arrest van 15 september 2020, Telenor Magyarország, C‑807/18 en C‑39/19, EU:C:2020:708, punt 48). Op dergelijke commerciële overwegingen berust met name een maatregel die binnen het dataverkeer een onderscheid maakt en die door een aanbieder van internettoegangsdiensten wordt gerechtvaardigd door het bestaan van een louter verschil tussen verkeerscategorieën, zonder dat het voorwerp van die maatregel evenwel verband houdt met dat verschil.

30 Hetzelfde geldt voor een maatregel die bij de activering van een tariefoptie niet alleen een onderscheid maakt tussen verschillende verkeerscategorieën, maar ook een en dezelfde verkeerscategorie verschillend behandelt naargelang de door de eindgebruiker voor een bepaald datavolume betaalde prijs.

31 Een tariefoptie als die in het hoofdgeding, die de bandbreedte voor videostreaming beperkt ten opzichte van de bandbreedte voor andere verkeerscategorieën, terwijl bij deactivering van die optie dezelfde bandbreedte beschikbaar is voor alle verkeer, met inbegrip van videostreaming, maakt dan ook binnen het internetverkeer een onderscheid dat is ingegeven door commerciële overwegingen. Dit geldt temeer daar niet wordt aangevoerd dat het verspreiden en het afspelen van video’s via streaming een bandbreedtebeperking vereisen om de algehele doorgiftekwaliteit en de ervaring van de gebruikers te optimaliseren. Integendeel, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, verlaagt een dergelijke beperking de resolutie van video-inhoud en dus de kwaliteit ervan.

32 Wanneer de betrokken klanten van een aanbieder van internettoegangsdiensten zelf kunnen beslissen om een dergelijke optie te activeren en te deactiveren en die aanbieder dus niet kan controleren wanneer de door hem getroffen verkeersbeheersmaatregel daadwerkelijk effect sorteert, kan die maatregel bovendien niet worden geacht niet „langer dan nodig” te worden aangehouden in de zin van artikel 3, lid 3, tweede alinea, van verordening 2015/2120.

33 Wat in de tweede plaats artikel 3, lid 3, derde alinea, onder c), van die verordening betreft, moet worden vastgesteld dat die bepaling, die luidens overweging 11 van die verordening strikt moet worden uitgelegd, toestaat dat verkeersbeheersmaatregelen worden getroffen die mogelijk niet voldoen aan de eisen van artikel 3, lid 3, tweede alinea, van die verordening, voor zover en slechts zolang die maatregelen nodig zijn om nakende netwerkcongestie te voorkomen of de effecten van uitzonderlijke of tijdelijke netwerkcongestie te beperken. Aangezien een aanbieder van internettoegangsdiensten, zoals in het vorige punt van het onderhavige arrest is uiteengezet, niet kan controleren wanneer een door hem getroffen verkeersbeheersmaatregel daadwerkelijk effect sorteert, kan die maatregel evenmin worden geacht te zijn beperkt tot de tijd die nodig is om nakende netwerkcongestie te voorkomen of om de effecten van uitzonderlijke of tijdelijke netwerkcongestie te beperken, zoals wordt vereist in artikel 3, lid 3, derde alinea, onder c), van verordening 2015/2120.

34 Uit een en ander volgt dat een tariefoptie die op grond van commerciële overwegingen binnen het verkeer differentieert door de bandbreedte voor videostreaming te beperken, zonder dat die tariefoptie onder een van de uitzonderingen van artikel 3, lid 3, derde alinea, valt, in strijd is met de in artikel 3, lid 3, eerste alinea, neergelegde algemene verplichting om verkeer op gelijke wijze, zonder discriminatie, beperking of interferentie te behandelen.

35 Bijgevolg dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 3 van verordening 2015/2120 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een door een aanbieder van internettoegangsdiensten aan zijn klanten aangeboden optie voor onbeperkte internettoegang zonder extra kosten, die bij activering ervan deze klanten in staat stelt om gebruik te maken van videostreamingdiensten zonder dat de aldus verbruikte data in mindering worden gebracht op het in het maandelijkse basistarief begrepen datavolume, maar die de bandbreedte voor die inhoud, ongeacht de verspreider of de aanbieder ervan, beperkt ten opzichte van de bandbreedte voor de andere verkeerscategorieën, terwijl, wanneer die optie door die klanten niet wordt geactiveerd, voor het gehele verkeer, met inbegrip van videostreaming, dezelfde bandbreedte beschikbaar is, doch het verbruikte datavolume in mindering wordt gebracht op het door die klanten gecontracteerde volume.

Kosten

36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3 van verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een door een aanbieder van internettoegangsdiensten aan zijn klanten aangeboden optie voor onbeperkte internettoegang zonder extra kosten, die bij activering ervan deze klanten in staat stelt om gebruik te maken van videostreamingdiensten zonder dat de aldus verbruikte data in mindering worden gebracht op het in het maandelijkse basistarief begrepen datavolume, maar die de bandbreedte voor die inhoud, ongeacht de verspreider of de aanbieder ervan, beperkt ten opzichte van de bandbreedte voor de andere verkeerscategorieën, terwijl, wanneer die optie door die klanten niet wordt geactiveerd, voor het gehele verkeer, met inbegrip van videostreaming, dezelfde bandbreedte beschikbaar is, doch het verbruikte datavolume in mindering wordt gebracht op het door die klanten gecontracteerde volume.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Roemeens.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken