HvJ EU 10 juli 2025, C-783/23, ECLI:EU:C:2025:547
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
10 juli 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Vervoer – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 300/2008 – Beveiliging van de burgerluchtvaart – Artikel 4 – Gemeenschappelijke basisnormen – Artikel 9 – Bevoegde autoriteit – Verplichting voor de lidstaat om één autoriteit aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de beveiligingsnormen – Draagwijdte – Nationale autoriteit die belast is met het toezicht op de naleving van een nationale regeling inzake de uitoefening van particuliere beveiligingsactiviteiten”
In zaak C‑783/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 1 december 2023, ingekomen bij het Hof op 19 december 2023, in de procedure
Liège Airport Security SA
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin (rapporteur), N. Piçarra, O. Spineanu-Matei en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Liège Airport Security SA, vertegenwoordigd door P. Frühling en B. Maes, advocaten,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, P. Cottin en C. Pochet als gemachtigden, bijgestaan door M. Chomé, S. Depré en G. Haumont, advocaten,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda, B. Herbaut en B. Travard als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo en B. Sasinowska als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9 van verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2320/2002 (PB 2008, L 97, blz. 72).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Liège Airport Security SA, een publiekrechtelijke naamloze vennootschap, en de Belgische Staat over een geldboete die door ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken (België; hierna: „FOD Binnenlandse Zaken”) is opgelegd aan Liège Airport Security naar aanleiding van de vaststelling van inbreuken op een nationale regeling met betrekking tot private beveiligingsondernemingen.
Toepasselijke bepalingen
Verdrag van Chicago
3 Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat is ondertekend te Chicago op 7 december 1944 (United Nations Treaty Series, deel 15, nr. 102; hierna: „Verdrag van Chicago”), is geratificeerd door alle lidstaten van de Europese Unie, doch deze laatste is zelf geen partij bij dit verdrag. Bij dit verdrag is de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (International Civil Aviation Organization – ICAO) ingesteld, die volgens artikel 44 van dit verdrag tot doel heeft de beginselen en techniek van de internationale luchtvaart te ontwikkelen en de planning en uitbouw van het internationale luchtvervoer te bevorderen.
4 Bijlage 17 bij het Verdrag van Chicago, in de versie die voortvloeit uit de twaalfde uitgave van juli 2022 (hierna: „bijlage 17 bij het Verdrag van Chicago”), heeft als opschrift „Beveiliging van de luchtvaart”. In hoofdstuk 1 („Definities”) van die bijlage staat te lezen: „Wederrechtelijke daden. Daden, of pogingen daartoe, bedoeld om de veiligheid van de burgerluchtvaart in het gedrang te brengen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot: – het kapen van luchtvaartuigen; – het vernietigen van een in dienst zijnd luchtvaartuig; – gijzelingen aan boord van luchtvaartuigen of op vliegvelden; – het met geweld binnendringen van een luchtvaartuig, luchthaven of het terrein van een luchtvaartinstallatie; – het met criminele doeleinden aan boord van een luchtvaartuig brengen of in een luchthaven binnenbrengen van wapens of gevaarlijke apparaten (of stoffen); – het gebruik van een in dienst zijnd luchtvaartuig om te doden, ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken of ernstige materiële of milieuschade te veroorzaken; – het verspreiden van valse informatie die de veiligheid van een luchtvaartuig tijdens de vlucht of op de grond, of de veiligheid van de passagiers, de bemanning, het grondpersoneel en het algemene publiek op een luchthaven of op het terrein van een burgerluchtvaartinstallatie in gevaar brengt. [...]”
5 Hoofdstuk 2 („Algemene beginselen”) van bijlage 17 bij het Verdrag van Chicago bevat een afdeling 2.1 („Doelstellingen”), waarin de punten 2.1.1 tot en met 2.1.4 van deze bijlage zijn opgenomen. Punt 2.1.1 van die bijlage luidt: „Elke verdragsluitende staat heeft als hoofddoel om de veiligheid van de passagiers, de bemanningen, het grondpersoneel en het algemene publiek te waarborgen in alle aangelegenheden die verband houden met de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden.”
6 Hoofdstuk 3 („Organisatie”) van bijlage 17 bij het Verdrag van Chicago bevat een afdeling 3.1 („Nationale organisatie en bevoegde autoriteit”), waarin de punten 3.1.1 tot en met 3.1.9 van deze bijlage zijn opgenomen. Punt 3.1.2 van die bijlage luidt: „Elke verdragsluitende staat wijst binnen zijn nationale overheidsdiensten een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het opstellen, het toepassen en het in stand houden van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, en stelt de ICAO daarvan in kennis.”
Unierecht
7 De overwegingen 2, 5, 10, 12 en 25 van verordening nr. 300/2008 luiden als volgt: „(2) Met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart in het algemeen is het wenselijk de basis te leggen voor een gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 van het [Verdrag van Chicago]. [...] (5) Om tegemoet te komen aan de evoluerende risicobeoordelingen en om de introductie van nieuwe technologieën mogelijk te maken, is er behoefte aan meer flexibiliteit bij het vaststellen van beveiligingsmaatregelen en -procedures; in de verordening dienen daarom de basisbeginselen te worden vastgelegd voor de maatregelen die genomen moeten worden om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden, zonder evenwel in te gaan op technische en procedurele bijzonderheden ten aanzien van de wijze waarop deze beginselen moeten worden toegepast. [...] (10) Het is lidstaten tevens toegestaan om, op basis van een risicobeoordeling, striktere maatregelen toe te passen anders dan vastgesteld in deze verordening. [...] (12) Hoewel het mogelijk is dat in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de luchtvaart, moet elke lidstaat één autoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de beveiligingsnormen. [...] (25) Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden en het leggen van een basis voor de gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 van het [Verdrag van Chicago], niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken”.
8 Artikel 1 („Doelstellingen”) van die verordening bepaalt: „1. In deze verordening worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart. Deze verordening verschaft tevens de basis voor een gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 [bij het Verdrag van Chicago]. 2. De doelstellingen van lid 1 worden bereikt door middel van: a) het vaststellen van gemeenschappelijke regels en gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart; b) mechanismen voor toezicht op de naleving van deze regels en basisnormen.”
9 Artikel 2 („Reikwijdte”) van die verordening bepaalt in lid 1 ervan het volgende: „Deze verordening is van toepassing op: a) alle luchthavens of delen van luchthavens op het grondgebied van een lidstaat die niet uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt; b) alle exploitanten, inclusief luchtvaartmaatschappijen, die diensten verlenen op de onder a) bedoelde luchthavens; c) alle entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen en die werkzaam zijn vanuit locaties die binnen of buiten luchthavens zijn gelegen en goederen en/of diensten leveren aan of via de onder a) bedoelde luchthavens.”
10 Artikel 3 („Definities”) van die verordening luidt als volgt: „In deze verordening wordt verstaan onder: 1. ‚burgerluchtvaart’: alle luchtvaartactiviteiten van burgerluchtvaartuigen, met uitzondering van activiteiten die worden uitgevoerd door de in artikel 3 van het [Verdrag van Chicago] vermelde staatsluchtvaartuigen; 2. ‚beveiliging van de luchtvaart’: de combinatie van maatregelen en menselijke en materiële hulpbronnen, bedoeld om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van de burgerluchtvaart; [...] 8. ‚beveiligingsonderzoek’: de toepassing van technische en andere middelen die tot doel hebben verboden voorwerpen te identificeren en/of te detecteren; 9. ‚beveiligingscontrole’: de toepassing van middelen om het binnenbrengen van verboden voorwerpen te kunnen voorkomen; 10. ‚toegangscontrole’: de toepassing van middelen om de toegang van onbevoegde personen of onbevoegde voertuigen, of beide, te kunnen voorkomen; [...]”
11 Artikel 4 („Gemeenschappelijke basisnormen”) van verordening nr. 300/2008 luidt: „1. De gemeenschappelijke basisnormen voor de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van de burgerluchtvaart, zijn vastgesteld in de bijlage. [...] 2. De algemene maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 19, lid 3. [...]”
12 Artikel 9 („Bevoegde autoriteit”) van die verordening bepaalt: „Als in een en dezelfde lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de burgerluchtvaart, wijst die lidstaat één autoriteit aan (hierna de ‚bevoegde autoriteit’ genoemd) die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.”
13 Artikel 10 („Nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart”) schrijft voor: „1. Elke lidstaat moet een nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart opstellen, toepassen en in stand houden. In dat programma worden de verantwoordelijkheden voor de toepassing van de in artikel 4 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen vastgesteld en worden de daartoe door de exploitanten en entiteiten te nemen maatregelen beschreven. 2. De bevoegde autoriteit stelt de exploitanten en entiteiten die er naar haar mening een legitiem belang bij hebben, op een ‚need-to-know’-basis schriftelijk in kennis van de relevante delen van het nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.”
14 In bijlage I bij die verordening, met als opschrift „Gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden (artikel 4)” worden die normen uiteengezet.
Belgisch recht
Wet tot regeling van de private veiligheid
15 Artikel 4 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (Belgisch Staatsblad, 31 oktober 2017, blz. 96776; hierna: „wet tot regeling van de private veiligheid”) bepaalt: „Wordt als een bewakingsonderneming beschouwd, elke onderneming die bewakingsactiviteiten aanbiedt, of uitoefent of zich als dusdanig bekendmaakt.”
16 Artikel 14 van de wet tot regeling van de private veiligheid luidt: „Deze wet is van toepassing bij elke uitoefening van de in deze afdeling bedoelde activiteiten of van in deze wet bepaalde bevoegdheden, ook al voorziet een Europese regelgeving of een bijzondere wetgeving in de verplichting dergelijke activiteiten aan te bieden, uit te oefenen of te organiseren.”
17 Artikel 16, eerste alinea, van die wet schrijft voor: „Niemand mag de diensten van een onderneming aanbieden of deze van een interne dienst organiseren indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de minister van Binnenlandse Zaken.”
18 Artikel 76, eerste alinea, van die wet bepaalt: „De personen, bedoeld in artikel 60, 1°, 3°, 4° en 5°, moeten houder zijn van een identificatiekaart, afgeleverd door de minister van Binnenlandse Zaken.”
Waals decreet betreffende de oprichting en de uitbating van de onder het Waalse Gewest ressorterende luchthavens en vliegvelden
19 Artikel 4 ter van het Waalse decreet van 23 juni 1994 betreffende de oprichting en de uitbating van de onder het Waalse Gewest ressorterende luchthavens en vliegvelden (Belgisch Staatsblad, 15 juli 1994, blz. 18666), zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2007 (Belgisch Staatsblad, 31 december 2007, blz. 65947), bepaalt: „[...] § 2. De taken van openbare dienstverlening gevormd door de beveiligings- en veiligheidstaken in de luchthaven worden toevertrouwd aan de maatschappijen waaraan de uitbating van de luchthavens in concessie is gegeven volgens de nadere regels bepaald in de concessieovereenkomst en in het desbetreffende bestek onverminderd [de derde alinea] van deze paragraaf en de paragrafen 3 tot 5. In de zin van dit artikel wordt verstaan onder: 1° beveiligingstaken: de combinatie van de maatregelen en de menselijke en materiële middelen ter bescherming van de burgerlijke luchtvaart tegen het plegen van illegale daden; 2° veiligheidstaken: alle maatregelen en menselijke en materiële middelen strekkende tot het veilig verloop van het burgerlijk luchtvaartverkeer, met uitsluiting van alle beschermingsmaatregelen en -middelen van de burgerluchtvaart tegen illegale daden. Het bestuur verricht de controle over de zorgvuldige uitvoering van de concessie, meer bepaald wat betreft de uitvoering van de beveiligings- en veiligheidstaken. De nadere regels voor de controle van de zorgvuldige uitvoering van de concessie waarover het bestuur beschikt worden omschreven in de concessieovereenkomsten en in de desbetreffende bestekken. § 3. Voor elke luchthaven wordt er een publiekrechtelijke naamloze vennootschap opgericht waarvan het kapitaal voor 49 % in handen is van de maatschappij waaraan de luchthavenuitbating is toevertrouwd en voor 51 % in handen is van het Waalse Gewest. De uitbatingsmaatschappij draagt de beveiligingstaken over aan die publiekrechtelijke naamloze vennootschap, Brussels South Charleroi Airport-Security genoemd, voor de luchthaven Charleroi-Brussel Zuid en Liege Airport-Security voor de luchthaven Luik-Bierset. Het Wetboek van vennootschappen en de uitvoeringsbepalingen ervan gelden voor Brussels South Airport-Security en Liege Airport-Security, behoudens afwijking vervat in dit decreet. De daden van Brussels South Airport-Security en Liege Airport-Security worden geacht handelsdaden te zijn in de zin van de artikelen 2 en 3 van het Wetboek van vennootschappen. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20 Liège Airport Security is door het Waalse Gewest (België) en door Liège Airport SA, de vennootschap die de luchthaven van Luik-Bierset (België) uitbaat, opgericht om binnen die luchthaven de „beveiligingstaken” in de zin van artikel 4 ter, lid 2, van het Waalse decreet van 23 juni 1994 betreffende de oprichting en de uitbating van de onder het Waalse Gewest ressorterende luchthavens en vliegvelden, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2007, te waarborgen.
21 Op 16 maart 2018 zijn ambtenaren van de FOD Binnenlandse Zaken naar die luchthaven gegaan om te controleren of de wet tot regeling van de private veiligheid werd nageleefd. Daarbij hebben zij vastgesteld dat twee werknemers activiteiten verrichtten die onder specifieke opdrachten voor private bewaking vallen in de zin van de wet tot regeling van de private veiligheid: de ene werknemer controleerde met behulp van een metaaldetector de toegang van passagiers tot de start- en landingsbanen, de andere werknemer inspecteerde de controlelocaties en hield toezicht op het controlepersoneel.
22 Er werden drie processen-verbaal van overtreding opgemaakt, waarvan het eerste ten laste kwam van Liège Airport Security wegens het organiseren, in strijd met artikel 16, eerste alinea, van de wet tot regeling van de private veiligheid, van een interne bewakingsdienst zonder daarvoor vergunning te hebben gekregen van de minister van Binnenlandse Zaken, en de andere twee processen-verbaal ten laste kwamen van elk van de twee werknemers wegens het verrichten van taken in het kader van die bewakingsdienst zonder in het bezit te zijn van de krachtens artikel 76, eerste alinea, van die wet vereiste identificatiekaart.
23 Bij administratieve besluiten van 27 november 2020 en 11 maart 2021 heeft de FOD Binnenlandse Zaken aan Liège Airport Security en aan elk van die werknemers een geldboete opgelegd van respectievelijk 15000 EUR en 500 EUR.
24 Liège Airport Security heeft bij de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) beroep ingesteld tegen deze administratieve besluiten op grond dat de FOD Binnenlandse Zaken niet bevoegd was om toezicht te houden op de Belgische luchthavens of om aan Liège Airport Security en haar werknemers geldboeten op te leggen. Het Directoraat-generaal Luchtvaart (hierna: „DGLV”), dat deel uitmaakt van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer (België), is immers exclusief bevoegd voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart in de zin van artikel 9 van verordening nr. 300/2008. Bijgevolg heeft het Koninkrijk België, door de beveiligingsdiensten van een nationale luchthaven aan het toezicht van de FOD Binnenlandse Zaken te onderwerpen, zich niet gehouden aan het in die bepaling vervatte voorschrift om slechts één bevoegde autoriteit aan te wijzen.
25 Nadat de rechter in eerste aanleg bij vonnis van 25 februari 2022 het door Liège Airport Security ingestelde beroep had verworpen, heeft deze vennootschap tegen dat vonnis cassatieberoep ingesteld bij het Hof van Cassatie (België), de verwijzende rechter.
26 In het kader van dit cassatieberoep betoogt Liège Airport Security met name dat de FOD Binnenlandse Zaken niet bevoegd is om toezicht te houden op de door haar verleende particuliere beveiligingsdiensten, noch om haar in dat kader sancties op te leggen, aangezien op grond van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 in elke lidstaat daartoe één enkele bevoegde autoriteit moet worden aangewezen. Indien artikel 14 van de wet tot regeling van de private veiligheid aldus moet worden uitgelegd dat het de Belgische Staat toestaat om van die verplichting af te wijken, moet het wegens onverenigbaarheid met het Unierecht terzijde worden geschoven.
27 De verwijzende rechter merkt op dat het vonnis waartegen cassatieberoep is ingesteld met name berust op de rechtsgrond dat artikel 9 van verordening nr. 300/2008 van de lidstaten verlangt dat zij één enkele autoriteit aanwijzen die niet zozeer bij uitsluiting bevoegd is voor alles wat te maken heeft met de beveiliging van de luchthavens, maar wel ervoor moet zorgen dat alle voor de beveiliging van een luchthaven noodzakelijke maatregelen worden gecoördineerd en de door het Unierecht opgelegde beveiligingsmaatregelen op de nationale luchthavens daadwerkelijk worden toegepast, zonder dat die autoriteit evenwel hoeft te controleren of alle relevante regelingen worden nageleefd. In casu is het DGLV dus niet bevoegd om te waken over de naleving van alle voor de werknemers op de nationale luchthavens geldende regels, zoals de arbeidsrechtelijke regels of de regels inzake private veiligheid, aangezien die autoriteit anders niet alleen toezicht zou moeten houden op private beveiligingsondernemingen die hun diensten op de nationale luchthavens aanbieden, maar ook op de politie- en douanebeambten, zulks alleen maar omdat laatstgenoemden daar ook werkzaam zijn.
28 In die omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 9 van verordening [nr. 300/2008] aldus worden uitgelegd dat de op grond van deze bepaling aangewezen bevoegde autoriteit, met uitsluiting van elke andere autoriteit, enkel toezicht houdt op de toepassing van de in artikel 4 [van die verordening] bedoelde gemeenschappelijke basisnormen wanneer deze voortvloeien uit een regeling die specifiek geldt voor de beveiliging van de burgerluchtvaart?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
29 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat het in casu gaat om de vraag of Liège Airport Security en twee van haar werknemers, die op de luchthaven Luik-Bierset beveiligingstaken verrichten, zoals het controleren van de toegang van passagiers tot de start- en landingsbanen, het inspecteren van de controlelocaties en het toezicht houden op het controlepersoneel, krachtens de wet tot regeling van de private veiligheid rechtmatig konden worden gecontroleerd door een andere autoriteit dan het DGLV, te weten de FOD Binnenlandse Zaken, en of zij vervolgens door laatstgenoemde autoriteit geldboeten opgelegd konden krijgen wegens niet-naleving van die wet, ofschoon alleen het DGLV door het Koninkrijk België is aangewezen als de „bevoegde autoriteit” in de zin van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.
30 Derhalve moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 9 van verordening nr. 300/2008 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een andere autoriteit dan de op grond van die bepaling aangewezen „bevoegde autoriteit” ermee belast wordt om te controleren of een privaatrechtelijke rechtspersoon en zijn werknemers, die beveiligingstaken op een nationale luchthaven verrichten, zich houden aan de vereisten die voortvloeien uit een nationale regeling inzake de uitoefening van particuliere beveiligingsactiviteiten.
31 In herinnering moet worden gebracht dat bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht volgens vaste rechtspraak niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck,292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 16 maart 2023, Commissie/Jiangsu Seraphim Solar System en Raad/Jiangsu Seraphim Solar System en Commissie, C‑439/20 P en C‑441/20 P, EU:C:2023:211, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 9 van verordening nr. 300/2008 bepaalt dat wanneer in een en dezelfde lidstaat „twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de burgerluchtvaart”, die lidstaat één autoriteit moet aanwijzen die als „bevoegde autoriteit” wordt aangemerkt en die verantwoordelijk is „voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing” van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.
33 Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dus ten eerste dat het niet uitgesloten is dat binnen een lidstaat meerdere organen belast zijn met de beveiliging van de burgerluchtvaart, een gebied dat overeenkomstig artikel 1, lid 1, eerste alinea, juncto artikel 3, punt 2, van verordening nr. 300/2008 activiteiten omvat die de burgerluchtvaart beschermen tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van de burgerluchtvaart. In overweging 12 van die verordening wordt trouwens uitdrukkelijk naar die mogelijkheid verwezen.
34 Ten tweede moeten de lidstaten in een dergelijk geval waarin meerdere nationale organen betrokken zijn, een „bevoegde autoriteit” aanwijzen die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4 van verordening nr. 300/2008 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen.
35 Uit de bewoordingen van artikel 9 van die verordening volgt derhalve dat de in die bepaling bedoelde bevoegde autoriteit zich onderscheidt van de andere voor de beveiliging van de burgerluchtvaart bevoegde nationale organen doordat zij op nationaal niveau verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de naleving van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen op dat gebied.
36 Uit de letterlijke uitlegging van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 blijkt dus niet dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de op grond van dat artikel aangewezen bevoegde autoriteit als enige belast is met de controle op de naleving van alle aspecten van de beveiliging van de burgerluchtvaart op nationaal niveau, mits de prerogatieven van die autoriteit met betrekking tot de coördinatie van en het toezicht op de uitvoering van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke normen worden geëerbiedigd.
37 Wat vervolgens de doelstellingen van verordening nr. 300/2008 betreft, zij er ten eerste op gewezen dat een van die doelstellingen er overeenkomstig artikel 1 van die verordening, gelezen in het licht van met name de overwegingen 5 en 10 ervan, in bestaat om, door de vaststelling van gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de luchtvaart en mechanismen voor toezicht op de naleving ervan, gemeenschappelijke regels in te voeren ter bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, waarbij de lidstaten enige vrijheid wordt gelaten ten aanzien van de wijze waarop die gemeenschappelijke regels moeten worden toegepast.
38 Ten tweede bepaalt artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 300/2008 dat die verordening voor de lidstaten de basis moet verschaffen voor een gemeenschappelijke interpretatie van bijlage 17 bij het Verdrag van Chicago, waarbij die gemeenschappelijke interpretatie blijkens de overwegingen 2 en 25 van die verordening de tweede doelstelling van deze verordening vormt. In punt 3.1.2 van die bijlage wordt enkel bepaald dat de verdragsluitende staten binnen hun nationale overheidsdiensten een bevoegde autoriteit moeten aanwijzen die verantwoordelijk zal zijn voor het opstellen, het uitvoeren en het updaten van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart. Het bevat geen verplichting voor die lidstaten om alle bevoegdheden op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart toe te vertrouwen aan één enkele nationale autoriteit.
39 Het doel van verordening nr. 300/2008 is dus niet om de bevoegdheidsverdeling binnen de lidstaten op het gebied van de toepassing van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen te regelen, en zeker niet om die lidstaten ertoe te verplichten om alle verantwoordelijkheden op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart toe te vertrouwen aan één enkele nationale autoriteit.
40 Wat ten slotte de context van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 betreft, moet erop worden gewezen dat artikel 10, lid 1, van die verordening bepaalt dat elke lidstaat in het door hem op te stellen nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart de verantwoordelijkheden vaststelt voor de toepassing van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen. Die bepaling bevestigt dus de vaststelling in punt 39 van het onderhavige arrest dat verordening nr. 300/2008 niet tot doel heeft de verdeling van de verantwoordelijkheden binnen de lidstaten op het gebied van de toepassing van die normen te regelen.
41 Uit het voorgaande volgt, zoals de advocaat-generaal in de punten 48, 50 en 58 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, dat op grond van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 meerdere organen binnen een en dezelfde lidstaat kunnen worden belast met de beveiliging van de burgerluchtvaart en dat die bepaling slechts vereist dat elke lidstaat één enkele autoriteit aanwijst waaraan hij de verantwoordelijkheid toevertrouwt om de toepassing op het nationale grondgebied van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen te coördineren en om toezicht te houden op die toepassing.
42 In casu vallen controles als die welke de FOD Binnenlandse Zaken heeft verricht, als zodanig niet onder de uitoefening van een bevoegdheid die noodzakelijkerwijs moet worden voorbehouden aan een op grond van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 aangewezen bevoegde autoriteit, aangezien zij niet tot doel hebben de coördinatie van of het toezicht op de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen in de zin van artikel 4 van die verordening te verzekeren, maar om na te gaan of de betrokken personen hun taken verrichten overeenkomstig de specifieke vereisten die voortvloeien uit een nationale regeling inzake de uitoefening van particuliere beveiligingsactiviteiten.
43 Wanneer de particuliere beveiligingsondernemingen in kwestie en hun werknemers hun diensten aanbieden op een luchthaven, kunnen die nationale regeling en de daaruit voortvloeiende vereisten weliswaar worden geacht indirect betrekking te hebben op de beveiliging van de burgerluchtvaart, maar dat neemt niet weg dat het gaat om een regeling van algemene aard die niet uitsluitend verband houdt met de beveiliging van de burgerluchtvaart en die niet specifiek de toepassing van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen tot doel heeft.
44 Wanneer dus een nationale autoriteit, zoals in casu de FOD Binnenlandse Zaken, bevoegd is om de naleving van de uit een dergelijke regeling voortvloeiende vereisten na te gaan en om daartoe controles te verrichten, of zelfs, in geval van overtredingen, geldelijke sancties op te leggen, kan een dergelijke autoriteit, zelfs wanneer die controles betrekking hebben op activiteiten die worden uitgeoefend op een luchthaven, op grond daarvan niet worden geacht in de zin van artikel 9 van verordening nr. 300/2008 te zijn belast met de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van die gemeenschappelijke basisnormen.
45 Gelet op een en ander moet op de voorgelegde vraag worden geantwoord dat artikel 9 van verordening nr. 300/2008 aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een andere autoriteit dan de op grond van die bepaling aangewezen „bevoegde autoriteit” ermee belast wordt om te controleren of een privaatrechtelijke rechtspersoon en zijn werknemers, die beveiligingstaken op een nationale luchthaven verrichten, zich houden aan de vereisten die voortvloeien uit een nationale regeling inzake de uitoefening van particuliere beveiligingsactiviteiten.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 9 van verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2320/2002
moet aldus worden uitgelegd dat
het er niet aan in de weg staat dat een andere autoriteit dan de op grond van die bepaling aangewezen „bevoegde autoriteit” ermee belast wordt om te controleren of een privaatrechtelijke rechtspersoon en zijn werknemers, die beveiligingstaken op een nationale luchthaven verrichten, zich houden aan de vereisten die voortvloeien uit een nationale regeling inzake de uitoefening van particuliere beveiligingsactiviteiten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.