HvJ EU 3 juli 2025, C-263/24, ECLI:EU:C:2025:525
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
3 juli 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2008/675/JBZ – Artikel 3, leden 1 en 2 – Inaanmerkingneming van in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordelingen bij een nieuwe strafrechtelijke procedure – Aan eerdere nationale veroordelingen gelijkwaardige rechtsgevolgen – Kaderbesluit 2009/315/JBZ – Uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten – Artikel 2, onder a) – Begrip ,strafrechtelijke veroordeling’ – Bestuurlijke overtredingen – Indeling van strafbare feiten naar nationaal recht – Handelingen die volgens het nationale recht geen strafbaar feit vormen”
In zaak C‑263/24 [Smiliev] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rayonen sad Tutrakan (rechter in eerste aanleg Tutrakan, Bulgarije) bij beslissing van 15 april 2024, ingekomen bij het Hof op 15 april 2024, in de strafrechtelijke procedure tegen
YE
in tegenwoordigheid van:
Rayonna prokuratura Silistra, Teritorialno otdelenie Tutrakan,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), kamerpresident, E. Regan en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, J. Vondung en I. Zaloguin, als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PB 2008, L 220, blz. 32), gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PB 2009, L 93, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/884 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 (PB 2019, L 151, blz. 143) (hierna: „kaderbesluit 2009/315”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure die tegen YE, een Bulgaarse staatsburger, voor het besturen van een motorvoertuig zonder passend rijbewijs is ingeleid minder dan een jaar nadat aan hem een bestuurlijke sanctie was opgelegd voor dezelfde feiten.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Artikel 13, lid 1, van het op 20 april 1959 te Straatsburg ondertekende Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: „Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp”) bepaalt: „De uittreksels uit het strafregister en alle inlichtingen welke op het strafregister betrekking hebben, die door de rechterlijke autoriteiten van een partij in verband met een strafzaak worden gevraagd, worden door de aangezochte partij aan die autoriteiten verstrekt, voor zover haar eigen rechterlijke autoriteiten deze in overeenkomstige gevallen kunnen verkrijgen.”
Unierecht
Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten
4 Artikel 1 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB 2000, C 197, blz. 3; hierna: „overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten”) draagt het opschrift „Verhouding tot andere rechtshulpverdragen” en luidt als volgt: „1. De overeenkomst strekt tot het aanvullen en het vergemakkelijken van de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van: a) het [Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp]; [...]”
5 Artikel 6 van de overeenkomst heeft als opschrift „Toezending van verzoeken om rechtshulp” en bepaalt in lid 1: „Verzoeken om rechtshulp [...] worden schriftelijk gedaan, dan wel op zodanige wijze dat het verzoek schriftelijk kan worden vastgesteld en de ontvangende lidstaat de echtheid ervan kan vaststellen. Dergelijke verzoeken worden rechtstreeks gedaan tussen de rechterlijke autoriteiten die territoriaal bevoegd zijn voor de indiening en uitvoering ervan en op dezelfde wijze beantwoord, tenzij dit in dit artikel anders is bepaald. [...]”
Kaderbesluit 2008/675
6 In de overwegingen 2, 3, 5 tot en met 8 en 13 van kaderbesluit 2008/675 staat te lezen: „(2) Op 29 november 2000 heeft de Raad overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Tampere zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen [...]. Dit programma behelst de ‚aanneming van één of verscheidene instrumenten tot vaststelling van het beginsel dat de rechter van een lidstaat bij de beoordeling van het strafrechtelijk verleden van de dader, de vaststelling van recidive en de bepaling van strafmodaliteiten en executiemodaliteiten rekening moet kunnen houden met onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen in andere lidstaten’. (3) Dit kaderbesluit beoogt de lidstaten de minimumverplichting op te leggen rekening te houden met in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen. Bijgevolg dient dit besluit de lidstaten niet te beletten om, overeenkomstig hun recht en wanneer zij over informatie beschikken, rekening te houden met, bijvoorbeeld, de onherroepelijke beslissingen van administratieve instanties tegen welker beslissingen beroep openstaat voor de strafgerechten die de schuld aan een strafbaar feit of een volgens het nationaal recht als inbreuk op de rechtsvoorschriften strafbare handeling vaststellen. [...] (5) Als grondregel moet gelden dat de lidstaten aan een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling gevolgen moeten verbinden die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen van een nationale veroordeling overeenkomstig het nationale recht, ongeacht of het volgens het nationale recht om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat. Dit kaderbesluit beoogt evenwel niet een harmonisatie tot stand te brengen wat betreft de gevolgen die door de verschillende nationale wetgevingen aan het bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden, en de verplichting om rekening te houden met eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen bestaat alleen voor zover volgens het nationaal recht met eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf rekening wordt gehouden. (6) In tegenstelling tot andere instrumenten richt dit kaderbesluit zich niet op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen, maar strekt het ertoe dat in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen gevolgen kunnen worden verbonden voor zover volgens het nationale recht van die lidstaat ook aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf gevolgen worden verbonden. Daarom houdt dit kaderbesluit niet de verplichting in om met [...] eerdere veroordelingen rekening te houden wanneer, bijvoorbeeld, de uit hoofde van de toepasselijke instrumenten verkregen informatie niet toereikend is, wanneer in de lidstaat zelf geen veroordeling had kunnen worden uitgesproken met betrekking tot de handeling die tot de eerdere veroordeling heeft geleid of wanneer de eerder opgelegde straf in het eigen rechtsstelsel niet bestaat. (7) De gevolgen die aan veroordelingen uit andere lidstaten worden verbonden, moeten gelijkwaardig zijn aan de gevolgen die aan nationale veroordelingen verbonden worden, en zulks tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. (8) Wanneer tijdens een strafrechtelijke procedure in een lidstaat informatie over een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling beschikbaar is, moet zoveel mogelijk worden vermeden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan indien de eerdere veroordeling een nationale veroordeling was geweest. [...] (13) Dit kaderbesluit laat de verscheidenheid aan nationale oplossingen en procedures die nodig is om rekening te kunnen houden met een eerdere veroordeling in een andere lidstaat, onverlet. Het feit dat de mogelijkheid tot herziening van een eerdere veroordeling uitgesloten is, dient een lidstaat niet te beletten zo nodig een besluit te nemen dat ertoe strekt aan die eerdere veroordeling gelijkwaardige rechtsgevolgen te verbinden. [...]”
7 Artikel 1 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Voorwerp”, bepaalt in lid 1 het volgende: „Dit kaderbesluit heeft ten doel de voorwaarden vast te stellen waaronder in een strafrechtelijke procedure in een lidstaat tegen een persoon rekening wordt gehouden met eerdere veroordelingen die in andere lidstaten wegens andere feiten tegen de betrokkene zijn uitgesproken.”
8 Artikel 2 van dat kaderbesluit draagt het opschrift „Definities” en luidt als volgt: „In dit kaderbesluit wordt onder ,veroordeling’ verstaan: elke definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een strafbaar feit.”
9 Artikel 3 van dat kaderbesluit, met als opschrift „Wijze waarop in een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3 het volgende: ,,1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf. 2. Lid 1 is van toepassing tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling, met name wat betreft de geldende procesrechtelijke regels, inclusief die met betrekking tot de voorlopige hechtenis, de kwalificatie van het strafbare feit, de soort opgelegde straf en de strafmaat, en wat betreft de regels inzake de tenuitvoerlegging van de beslissing. 3. De inaanmerkingneming van in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen als bedoeld in lid 1, leidt er niet toe dat eerdere veroordelingen of eventuele besluiten betreffende de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaat die de procedure uitvoert, erdoor worden doorkruist, ingetrokken of herzien.”
Kaderbesluit 2009/315
10 De overwegingen 6 en 10 van kaderbesluit 2009/315 luiden als volgt: „(6) [...] Het hoofddoel van dit kaderbesluit is de totstandbrenging van een betere uitwisseling van gegevens over tegen burgers van de Unie uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen [...]. [...] (10) Het bepaalde in dit kaderbesluit laat onverlet dat de gerechtelijke autoriteiten elkaar rechtstreeks om informatie uit het strafregister kunnen verzoeken en deze rechtstreeks kunnen doen toekomen op grond van artikel 13 juncto artikel 15, lid 3, van het [Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp] en laat tevens onverlet artikel 6, lid 1, van de [overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten].”
11 In artikel 1 van dat kaderbesluit, met als opschrift „Onderwerp”, staat te lezen: „Dit kaderbesluit a) bepaalt de voorwaarden waaronder een lidstaat van veroordeling informatie over veroordelingen deelt met andere lidstaten; b) bepaalt welke verplichtingen rusten op de lidstaat van veroordeling en de lidstaat waarvan de veroordeelde de nationaliteit heeft (de ,lidstaat waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft’), en welke methoden gevolgd moeten worden bij het beantwoorden van een verzoek om gegevens uit het strafregister; c) creëert een gedecentraliseerd op de strafregisterdatabanken in de lidstaten gebaseerd informatietechnologiesysteem voor de uitwisseling van gegevens over veroordelingen, het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris).”
12 Artikel 2 van dat kaderbesluit heeft als opschrift „Definities” en bepaalt het volgende: „In dit kaderbesluit wordt verstaan onder a) ‚veroordeling’, iedere definitieve beslissing die door een strafgerecht jegens een natuurlijk persoon met betrekking tot een strafbaar feit wordt uitgesproken en die in de lidstaat van veroordeling in het strafregister wordt vermeld; [...] c) ‚strafregister’, het nationale register of de nationale registers waarin de veroordelingen overeenkomstig het nationale recht worden opgetekend; [...]”
13 Artikel 4 van het kaderbesluit, met als opschrift „Verplichtingen van de lidstaat van veroordeling”, bepaalt in lid 2: „Elke centrale autoriteit van de lidstaat van veroordeling stelt de centrale autoriteiten van de andere lidstaten zo spoedig mogelijk in kennis van de op haar grondgebied uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen jegens onderdanen van die andere lidstaten, zoals zij in het strafregister zijn vermeld. [...]”
14 Artikel 7 van kaderbesluit 2009/315 heeft als opschrift „Antwoord op een verzoek om gegevens over veroordelingen” en bepaalt in lid 4: „Wanneer informatie uit het strafregister over veroordelingen van een onderdaan van een lidstaat uit hoofde van artikel 6 wordt opgevraagd bij de centrale autoriteit van een andere lidstaat dan die waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft, verstrekt de aangezochte lidstaat deze informatie in dezelfde hoeveelheid als bepaald in artikel 13 van het [Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp].”
Bulgaars recht
NK
15 Artikel 8, lid 2, van de Nakazatelen kodeks (strafwetboek; hierna: „NK”) geeft uitvoering aan kaderbesluit 2008/675. Deze bepaling luidt: „Met een in kracht van gewijsde gegane veroordeling die is uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens een handeling die volgens de [NK] een strafbaar feit vormt, wordt rekening gehouden in elke strafrechtelijke procedure die in de Republiek Bulgarije tegen die persoon wordt gevoerd.”
16 Artikel 66, lid 1, NK is als volgt verwoord: „Wanneer de rechter een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar oplegt, kan hij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf voorwaardelijk voor een periode van drie tot vijf jaar opschorten wanneer de persoon niet tot een vrijheidsstraf is veroordeeld voor een algemeen strafbaar feit en indien de rechter van oordeel is dat het voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de straf en vooral voor de correctie van de veroordeelde niet nodig is om de straf ten uitvoer te leggen.”
17 Artikel 78a, lid 1, NK luidt: „Een volwassene wordt door de rechtbank vrijgesteld van strafrechtelijke aansprakelijkheid en wordt veroordeeld tot het betalen van een geldboete van [1000] tot [5000] [Bulgaarse lev (BGN)] [ongeveer 500 tot 2500 EUR] indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden: a) [...] het strafbare feit wordt bestraft met een vrijheidsstaf van ten hoogste drie jaar of met een andere, minder zware straf indien het opzettelijk is gepleegd, of met een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar of enige andere, minder zware straf in geval van onvoorzichtigheid; b) de dader is niet veroordeeld voor een algemeen strafbaar feit en is niet vrijgesteld van strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van dit hoofdstuk; c) de uit het strafbare feit voortvloeiende materiële schade is vergoed.”
18 Artikel 343c NK is in de volgende bewoordingen gesteld: „ (1) Eenieder die een motorvoertuig bestuurt gedurende de tijd dat hem het recht is ontzegd om een motorvoertuig te besturen nadat hij voor dezelfde handeling is gestraft in een bestuurlijke procedure, is strafbaar met een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar en een geldboete van [200] tot [1000] BGN [ongeveer 100 tot 500 EUR]. (2) Eenieder die binnen een jaar na in een bestuurlijke procedure te zijn veroordeeld voor het besturen van een motorvoertuig zonder het passende rijbewijs, een dergelijk feit begaat, wordt bestraft met een vrijheidsstraf van één tot drie jaar en een geldboete van [500] tot [1200] BGN [ongeveer 250 tot 600 EUR].”
19 Artikel 345 NK luidt als volgt: „ (1) Eenieder die gebruikmaakt van een kentekenplaat die voor een ander motorvoertuig is afgegeven of van een kentekenplaat die niet door de bevoegde autoriteiten is afgegeven, wordt bestraft met een vrijheidsstraf van maximaal een jaar of een geldboete van [500] tot [1000] BGN [ongeveer 250 tot 500 EUR]. (2) De in lid 1 genoemde straf is ook van toepassing op eenieder die een motorvoertuig bestuurt dat niet naar behoren is ingeschreven.”
Nakazatelno-protsesualen kodeks
20 Krachtens artikel 247, lid 1, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) (DV nr. 86 van 28 oktober 2005) wordt de procedure in eerste aanleg ingesteld via een tenlastelegging of naar aanleiding van een door het slachtoffer van het strafbare feit ingediende klacht.
Naredba no 8 za funktsiite i organizatsiata na deynostta na byurata za sadimost
21 Artikel 40 van Naredba no 8 za funktsiite i organizatsiata na deynostta na byurata za sadimost (besluit nr. 8 betreffende de taken en de organisatie van de werkzaamheden van het strafregister) van 26 februari 2008 bepaalt in lid 1: „Elke krachtens artikel 78a NK uitgesproken veroordeling en bestuurlijke sanctie wordt in het register van veroordelingen vermeld [...]”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22 Bij proces-verbaal van 7 maart 2023, dat gevolgen had vanaf 4 mei 2023, werd aan YE een bestuurlijke sanctie opgelegd voor het besturen van een motorvoertuig zonder passend rijbewijs. In de onderhavige zaak wordt hij ervan beschuldigd op 25 oktober 2023 opnieuw dezelfde feiten te hebben gepleegd, dus binnen een jaar nadat hij voor deze feiten in een bestuurlijke procedure was bestraft, hetgeen overeenkomstig artikel 343c, lid 2, NK een strafbaar feit oplevert.
23 YE wordt vervolgd bij de Rayonen sad Tutrakan (rechter in eerste aanleg Tukatran, Bulgarije), de verwijzende rechter. Tijdens het strafrechtelijke onderzoek werd vastgesteld dat er tegen YE verschillende veroordelingen werden uitgesproken door nationale rechters, namelijk respectievelijk op 2 november 2023 wegens het gebruik van een vals rijbewijs, wat strafbaar is overeenkomstig artikel 316 NK, gelezen in samenhang met artikel 308, lid 1, NK, op 7 december 2023 wegens een strafbaar feit dat identiek is aan dat van punt 22 van het onderhavige arrest, en op 19 januari 2024 – wederom – wegens het gebruik van een vals rijbewijs. Bij al deze veroordelingen was er sprake van een op grond van artikel 66, lid 1, NK opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf.
24 Voorts heeft de verwijzende rechter op basis van gegevens uit het Ecris vastgesteld dat YE ook in andere lidstaten was veroordeeld voor overtredingen van de verkeerswetgeving.
25 Zo heeft om te beginnen de politierechtbank Vilvoorde (België) bij vonnis van 15 november 2021, dat op 3 januari 2022 onherroepelijk is geworden, YE verschillende malen veroordeeld voor op 14 juni 2020 in Zaventem (België) begane overtredingen van de Belgische wetgeving.
26 Ten eerste werd YE voor het besturen van een voertuig dat niet was verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid en voor het besturen op de openbare weg van een voertuig dat niet was ingeschreven of waarop de kentekenplaat die bij de inschrijving werd afgegeven niet was aangebracht, veroordeeld tot een boete van 800 EUR of, bij gebreke van betaling van die boete binnen de wettelijke termijn, een verbod om een motorvoertuig te besturen voor een periode van 30 dagen, alsook tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor een periode van een maand.
27 Ten tweede werd hij voor het gebruik van een mobiele telefoon als bestuurder van een voertuig op de openbare weg zonder dat dit voertuig stilstond of geparkeerd was, veroordeeld tot een boete van 200 EUR of, bij gebreke van betaling van die boete binnen de wettelijke termijn, een verbod om een motorvoertuig te besturen voor een periode van 30 dagen, alsook tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor een periode van 15 dagen.
28 Ten derde werd hij voor het rijden op de openbare weg met een in België ingeschreven voertuig zonder in het bezit te zijn van een geldig keuringsbewijs, het overeenstemmende keuringsvignet en een met het gebruik van het voertuig overeenstemmend identificatieverslag, een daarmee overeenstemmende technische fiche of een document „Visuele keuring van het voertuig”, veroordeeld tot een boete van 200 EUR of, bij gebreke van betaling van die boete binnen de wettelijke termijn, een gevangenisstraf van drie dagen.
29 Voorts heeft het Amtsgericht Prüm (rechter in eerste aanleg Prüm, Duitsland) YE bij vonnis van 16 augustus 2023, dat op 16 september 2023 onherroepelijk is geworden, veroordeeld tot een boete van 50 EUR voor het besturen van een voertuig zonder rijbewijs of na ontzegging van de rijbevoegdheid.
30 Bij vonnis van 15 december 2023 heeft de verwijzende rechter, rekening houdend met de eerdere veroordelingen van YE, hem schuldig bevonden aan het besturen van een voertuig zonder rijbewijs en hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en een boete opgelegd.
31 Op 27 februari 2024 werd dit vonnis vernietigd door de Okrazhen sad Silistra (rechter in tweede aanleg Silistra, Bulgarije), die de zaak terugverwees naar een kamer van de verwijzende rechterlijke instantie met een andere samenstelling, met de opdracht om na te gaan of de door de Belgische rechter opgelegde sancties rechtsgevolgen hadden.
32 Volgens de verwijzende rechter is de uitlegging van artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315, noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding. De erkenning van de rechtsgevolgen van zowel de in België als de in Duitsland uitgesproken veroordelingen heeft invloed op de straf die aan de verdachte kan worden opgelegd, aangezien die veroordelingen op de datum van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten reeds onherroepelijk waren geworden en dus „eerdere veroordelingen” vormden in de zin van artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675.
33 De verwijzende rechter geeft aan dat het in beginsel mogelijk is om de verdachte vrij te stellen van strafrechtelijke aansprakelijkheid en hem een bestuurlijke sanctie op te leggen indien hij overeenkomstig artikel 78a, lid 1, onder b), NK niet is veroordeeld voor een „algemeen” strafbaar feit. Het is tevens mogelijk, aldus die rechter, om op grond van artikel 66, lid 1, NK de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf op te schorten als de verdachte niet eerder is veroordeeld tot een dergelijke straf voor het plegen van een algemeen strafbaar feit.
34 De verwijzende rechter vraagt zich af aan de hand van welke criteria dient te worden bepaald of de door YE gepleegde en door de Belgische en Duitse rechterlijke instanties bestrafte strafbare feiten bij de inaanmerkingneming ervan in het hoofdgeding gekwalificeerd moeten worden als strafrechtelijk afgehandelde strafbare feiten of als bestuurlijke overtredingen.
35 In de eerste plaats moet artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 volgens hem aldus worden uitgelegd dat veroordelingen voor handelingen waarvoor een straf kan worden opgelegd, en niet enkel veroordelingen voor strafbare feiten, in aanmerking moeten worden genomen, aangezien dit laatste begrip in het Bulgaarse recht beperkter is.
36 Ter ondersteuning van deze uitlegging merkt hij op dat de definitie van het begrip „veroordeling” in de Bulgaarse taalversie van artikel 2 van kaderbesluit 2008/675 weliswaar verwijst naar elke definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een „strafbaar feit” (in het Bulgaars „prestaplenie”), maar dat artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315 in die taalversie het begrip „veroordeling” definieert als iedere definitieve beslissing die door een strafgerecht wordt uitgesproken jegens een natuurlijke persoon met betrekking tot een „handeling waarvoor een straf kan worden opgelegd” (in het Bulgaars „nakazuemo deyanie”). Voorts is het zo, aldus die rechter, dat in de Duitstalige en de Nederlandstalige versie van deze laatste bepaling respectievelijk de termen „Straftat” en „strafbaar feit” worden gebruikt, die vergelijkbaar zijn.
37 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat het Bulgaarse recht een onderscheid maakt tussen „strafbare” feiten (die strafrechtelijk worden afgehandeld) en „bestuurlijke” overtredingen, waarbij die laatste in de regel niet in het strafregister worden vermeld en dus niet zijn aan te merken als „handelingen waarvoor een straf kan worden opgelegd” in de zin van artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315 in de Bulgaarse taalversie. Overeenkomstig artikel 40, lid 1, van besluit nr. 8 van 26 februari 2008 bevat het strafregister echter niet alleen veroordelingen voor strafbare feiten, maar ook bestuurlijke sancties die zijn opgelegd op grond van artikel 78a NK. Hij verduidelijkt verder dat artikel 247 van het wetboek van strafvordering een onderscheid maakt tussen „algemene” strafbare feiten, dit wil zeggen waarvoor strafvervolging wordt ingesteld via een tenlastelegging van het openbaar ministerie, en „particuliere” strafbare feiten, waarvoor vervolging wordt ingesteld naar aanleiding van een klacht van het slachtoffer.
38 De verwijzende rechter merkt op dat het Duitse en het Belgische recht daarentegen een andere indeling hanteren van handelingen waarvoor een straf kan worden opgelegd, waarbij in het Duitse recht onderscheid wordt gemaakt tussen twee categorieën van handelingen, namelijk zware misdrijven („Verbrechen”) en minder zware misdrijven („Vergehen”), terwijl het Belgische recht voorziet in een indeling in drie categorieën, namelijk „misdaden”, „wanbedrijven” en „overtredingen”.
39 Aan de hand van de door het Ecris verstrekte gegevens kan volgens de verwijzende rechter niet worden vastgesteld onder welke categorie naar het relevante nationale recht de handelingen vallen waarop de in België en in Duitsland uitgesproken eerdere veroordelingen betrekking hebben. Hierdoor kan hij niet bepalen of hij deze handelingen naar Bulgaars recht als bestuurlijke overtredingen dan wel als strafbare feiten moet behandelen en, indien het gaat om strafbare feiten, of er sprake is van algemene dan wel van particuliere strafbare feiten.
40 In de derde plaats leidt de verwijzende rechter indien die handelingen naar Bulgaars recht moeten worden geacht dezelfde gevolgen te hebben als in het strafregister en in het Ecris opgenomen handelingen, daaruit af dat hij er dan van uit moet gaan dat de door de Belgische en Duitse rechters uitgesproken veroordelingen naar Bulgaars recht slechts veroordelingen kunnen vormen voor strafbare feiten of beslissingen waarbij een persoon wordt vrijgesteld van strafrechtelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 78a NK. Dienaangaande merkt hij op dat deze veroordelingen niet in het Ecris zijn opgenomen als beslissingen tot vrijstelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Voorts zien de betrokken categorieën van strafbare feiten op handelingen die geen slachtoffers kennen. Hij leidt hieruit af dat de aan de orde zijnde handelingen algemene strafbare feiten zijn, wat de toepassing van de artikelen 66 en 78a NK op de onderhavige zaak uitsluit.
41 Indien niet kan worden aangenomen dat de veroordelingen in het Ecris gelijkwaardig zijn aan de in het Bulgaarse strafregister vermelde veroordelingen, wijst de verwijzende rechter erop dat er geen criteria bestaan aan de hand waarvan kan worden beoordeeld onder welke categorieën van handelingen waarvoor een straf kan worden opgelegd de handelingen vallen waarvoor de verdachte is veroordeeld in België en Duitsland, en dat dan per geval moet worden bepaald of de in dat verband uitgesproken veroordelingen in aanmerking worden genomen of niet. In deze context zou de conclusie kunnen luiden dat de door de buitenlandse rechters opgelegde straffen veroordelingen wegens bestuurlijke overtredingen zijn en dat er dus geen rekening mee kan worden gehouden.
42 De verwijzende rechter is echter van mening dat de vermelding van veroordelingen in het strafregister voor sommige categorieën van strafbare feiten wordt gerechtvaardigd door het gevaar voor de openbare orde dat dergelijke feiten volgens de wetgever van de betreffende lidstaat vormen. De andere lidstaten dienen deze beoordeling te aanvaarden. De in artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 neergelegde verplichting heeft betrekking op het in aanmerking nemen door die lidstaten van de veroordelingen die deze lidstaat besloten heeft op te nemen in het strafregister, en dus op de omstandigheid dat er met die veroordelingen op dezelfde wijze rekening wordt gehouden als in het nationale recht is bepaald met betrekking tot de gevolgen van nationale veroordelingen die in het eigen strafregister zijn vermeld.
43 In de vierde plaats geeft de verwijzende rechter aan dat overeenkomstig artikel 8, lid 2, NK een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling alleen in aanmerking wordt genomen voor handelingen die een strafbaar feit vormen in de zin van het Bulgaarse strafwetboek. Krachtens overweging 6 van kaderbesluit 2008/675 is de bevoegde nationale rechter bovendien niet verplicht rekening te houden met een eerdere veroordeling die in een andere lidstaat is uitgesproken, wanneer er naar nationaal recht geen veroordeling mogelijk is voor de handeling die aanleiding heeft gegeven tot die eerdere veroordeling.
44 Volgens de verwijzende rechter kan in het hoofdgeding derhalve enkel rekening worden gehouden met de door de Duitse rechter uitgesproken veroordeling omdat deze overeenstemt met een veroordeling voor het in artikel 343c NK bedoelde strafbare feit, en met de door de Belgische rechter uitgesproken veroordeling met betrekking tot het besturen van een niet-ingeschreven voertuig omdat deze overeenstemt met een veroordeling voor het in artikel 345 NK bedoelde strafbare feit. De andere handelingen waarvoor die laatste rechter veroordelingen heeft uitgesproken kunnen naar Bulgaars recht niet als strafbare feiten worden bestraft, met name niet het besturen van een voertuig dat niet aan een technische controle is onderworpen. Voor de wegens dat laatste strafbare feit uitgesproken veroordeling wordt een vrijheidsstraf opgelegd, wat betekent dat, indien de gevolgen van die veroordeling worden erkend, het niet mogelijk is om op grond van artikel 66 NK een voorwaardelijke straf op te leggen voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde strafbare feit.
45 De verwijzende rechter is derhalve van oordeel dat dat er geen tegenstrijdigheid is tussen artikel 8, lid 2, NK en artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675. Met een dergelijke uitlegging wordt er zijns inziens gewaarborgd dat de situatie van de verdachte niet verergert doordat een zwaardere straf wordt opgelegd dan wanneer hij voor hetzelfde feit door de nationale rechter zou zijn veroordeeld, en wordt vermeden dat in de praktijk een veroordeling ten uitvoer wordt gelegd voor een feit dat in de tenuitvoerleggingsstaat niet wordt vervolgd.
46 Tegen deze achtergrond heeft de Rayonen sad Tutrakan de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 3, lid 1, van kaderbesluit [2008/675] juncto artikel 2, onder a), van kaderbesluit [2009/315], aldus worden uitgelegd dat het in aanmerking nemen van in andere lidstaten tegen dezelfde persoon uitgesproken eerdere veroordelingen impliceert dat de rechter bij wie een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen die persoon aanhangig is gemaakt (tenuitvoerleggingsrechter) ervan moet uitgaan dat de in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen die in het [Ecris] zijn opgenomen, betrekking hebben op dezelfde, naar nationaal recht volgens het daarvan uitgaande gevaar voor de samenleving ingedeelde categorieën van strafbare feiten als die welke in de staat van de tenuitvoerleggingsrechter in het strafregister worden opgenomen? Wanneer er verschillende categorieën bestaan van naar het nationale recht van de tenuitvoerleggingsrechter in het strafregister op te nemen strafbare feiten en de rechtsgevolgen van een veroordeling per categorie verschillen, staat het dan aan de nationale rechter bij wie een strafzaak tegen een bepaalde persoon aanhangig is, om in elk afzonderlijk geval te beoordelen onder welke categorie de feiten die hebben geleid tot de eerdere veroordelingen in andere lidstaten, vallen volgens de nationale indeling? In welke gevallen moet een dergelijke beoordeling worden gemaakt? 2) Moet artikel 3, lid 1, van kaderbesluit [2008/675] aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de rechter geen rekening mag houden met eerdere veroordelingen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn uitgesproken voor feiten die naar het nationale recht van de tenuitvoerleggingsrechter geen strafbare feiten vormen?”
Procedure bij het Hof
47 Bij beslissing van 24 juni 2024 heeft de president van het Hof krachtens artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslist dat de onderhavige zaak bij voorrang zou worden behandeld.
48 Bij beschikking van de president van het Hof van 29 juli 2024 is het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
49 Het is aangewezen het onderzoek van de prejudiciële vragen te beginnen met de tweede vraag.
Tweede vraag
50 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de bevoegde rechter bij de beslissing over strafvervolging geen rekening mag houden met eerdere veroordelingen die in een andere lidstaat tegen de verdachte zijn uitgesproken wegens handelingen die naar nationaal recht geen strafbare feiten vormen.
51 Kaderbesluit 2008/675 heeft volgens artikel 1, lid 1, ervan ten doel de voorwaarden vast te stellen waaronder in een strafrechtelijke procedure in een lidstaat tegen een persoon rekening wordt gehouden met eerdere veroordelingen die in andere lidstaten wegens andere feiten tegen de betrokkene zijn uitgesproken.
52 Met dat doel legt artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit, gelezen in het licht van overweging 5 van dat kaderbesluit, de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat in een dergelijk geval, enerzijds met de eerdere in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, rekening wordt gehouden voor zover naar nationaal recht met eerdere nationale veroordelingen rekening wordt gehouden, en anderzijds gelijkwaardige rechtsgevolgen aan die veroordelingen worden verbonden als die welke volgens dat recht aan die laatste veroordelingen worden verbonden, ongeacht of het om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat (arrest van 21 september 2017, Beshkov,C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 26).
53 Uit overweging 5 van kaderbesluit 2008/675 volgt evenwel dat dit kaderbesluit niet beoogt een harmonisatie tot stand te brengen wat betreft de gevolgen die door de verschillende nationale wetgevingen aan het bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden, en dat de verplichting om rekening te houden met eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen alleen bestaat voor zover volgens het nationaal recht met eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf rekening wordt gehouden. Zoals in overweging 3 van kaderbesluit 2008/675 wordt benadrukt, is de in artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit neergelegde verplichting van de lidstaten om bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening te houden met in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen een minimumverplichting.
54 Zoals uitdrukkelijk wordt aangegeven in overweging 6 van dat kaderbesluit, is het voorts zo dat dit kaderbesluit zich, in tegenstelling tot andere instrumenten, niet richt op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen, maar ertoe strekt dat in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen gevolgen kunnen worden verbonden voor zover volgens het nationale recht van die lidstaat ook aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf gevolgen worden verbonden. Daarom houdt dat kaderbesluit niet de verplichting in om met deze eerdere veroordelingen rekening te houden wanneer bijvoorbeeld de uit hoofde van de toepasselijke instrumenten verkregen informatie niet toereikend is, wanneer in de lidstaat zelf geen veroordeling had kunnen worden uitgesproken met betrekking tot de handeling die tot de eerdere veroordeling heeft geleid of wanneer de eerder opgelegde straf in het eigen rechtsstelsel niet bestaat.
55 Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in samenhang met de overwegingen 3, 5 en 6 ervan, blijkt dus dat deze bepaling de lidstaten niet verplicht om in een strafrechtelijke procedure rekening te houden met eerdere veroordelingen die in een andere lidstaat ten aanzien van de betrokkene zijn uitgesproken, wanneer die veroordelingen zijn uitgesproken wegens handelingen die naar nationaal recht geen strafbare feiten vormen en naar dat recht dus geen voorwerp kunnen zijn van een strafrechtelijke veroordeling.
56 Artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 verbiedt een lidstaat derhalve niet om in zijn nationale wetgeving in een bepaling te voorzien die de bevoegde rechter verplicht om geen rekening te houden met eerdere veroordelingen die in een andere lidstaat tegen een verdachte zijn uitgesproken wegens handelingen die naar nationaal recht geen strafbare feiten vormen.
57 In casu verzet die bepaling zich er niet tegen dat de verwijzende rechter overeenkomstig zijn nationaal recht uitsluitend rekening houdt met de tegen de verweerder in het hoofdgeding in Duitsland uitgesproken eerdere veroordeling voor het besturen van een voertuig zonder rijbewijs en met de veroordeling die in België is uitgesproken voor het besturen van een niet-ingeschreven voertuig, aangezien volgens de door deze rechter verstrekte informatie alleen deze veroordelingen betrekking hebben op handelingen die naar nationaal recht strafbare feiten vormen en als zodanig tot een veroordeling kunnen leiden.
58 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de bevoegde rechter bij de beslissing over strafvervolging geen rekening mag houden met eerdere veroordelingen die in een andere lidstaat tegen de verdachte zijn uitgesproken wegens feiten die naar nationaal recht geen strafbare feiten vormen en naar dat recht dus geen voorwerp kunnen zijn van een strafrechtelijke veroordeling.
Eerste vraag
59 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Bovendien kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt [arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
60 In de onderhavige zaak moet om te beginnen worden opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen tracht vast te stellen of hij de handelingen die hebben geleid tot de eerdere, in andere lidstaten tegen de betrokkene in de strafzaak in het hoofdgeding uitgesproken veroordelingen, moet kwalificeren aan de hand van de soorten handelingen die strafbaar zijn volgens het nationale recht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen deze handelingen op basis van de vraag of het om een bestuurlijke overtreding of om een strafbaar feit binnen het strafrecht gaat, en de strafbare feiten in twee categorieën worden ingedeeld. De eerste categorie heeft betrekking op „algemene” strafbare feiten, waarvoor strafvervolging wordt ingesteld via een tenlastelegging van het openbaar ministerie. De tweede categorie heeft betrekking op „particuliere” strafbare feiten, waarvoor vervolging wordt ingesteld naar aanleiding van een klacht van het slachtoffer.
61 Voorts dient te worden beklemtoond dat artikel 3, lid 2, van kaderbesluit 2008/675 de reikwijdte van artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit, waarnaar de eerste vraag verwijst, verduidelijkt door te stellen dat dat laatste lid van toepassing is tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling, met name wat betreft de geldende procesrechtelijke regels, inclusief die met betrekking tot de voorlopige hechtenis, de kwalificatie van het strafbare feit, de soort opgelegde straf en de strafmaat, en wat betreft de regels inzake de tenuitvoerlegging van de beslissing. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter juist te vernemen hoe de feiten waarvoor de persoon tegen wie de bij hem aanhangige strafzaak is ingeleid eerder in andere lidstaten is veroordeeld moeten worden gekwalificeerd, gelet op de gevolgen van die kwalificatie voor de beslissing die hij jegens die persoon moet nemen.
62 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315, aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde nationale rechter bij het in aanmerking nemen van in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordelingen van een verdachte moet beoordelen of de handelingen die hebben geleid tot die – in het Ecris opgenomen – veroordelingen, aan de hand van de in het nationale recht gehanteerde indeling zijn te kwalificeren als strafbare feiten of als bestuurlijke overtredingen en, indien het om strafbare feiten gaat, als algemene strafbare feiten of als particuliere strafbare feiten, wanneer de rechtsgevolgen naar nationaal recht verschillen afhankelijk van de categorie waaronder de handeling valt die tot een eerdere veroordeling heeft geleid.
63 Zoals in punt 52 van dit arrest is opgemerkt, schrijft artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat er in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten uitgesproken eerdere „veroordelingen” voor zover volgens het nationale recht in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden die gelijkwaardig zijn aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf. Bovendien blijkt uit de in punt 61 van dit arrest weergegeven bewoordingen van artikel 3, lid 2, van dit kaderbesluit dat deze verplichting onder meer van toepassing is met betrekking tot de kwalificatie van het strafbare feit, de soort opgelegde straf en de strafmaat.
64 In deze context is ter beantwoording van de eerste vraag vereist dat de reikwijdte wordt vastgesteld van ten eerste het begrip „veroordeling” in de zin van artikel 2 van kaderbesluit 2008/675 en ten tweede de term „gelijkwaardig” in de zin van artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit, teneinde de in die laatste bepaling neergelegde verplichtingen van de nationale rechter te bepalen wat betreft het in aanmerking nemen van „in andere lidstaten [...] uitgesproken, eerdere veroordelingen”, alsook wat betreft het toekennen van „rechtsgevolgen [...] gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf”.
65 In de eerste plaats wordt volgens artikel 2 van dat kaderbesluit onder „veroordeling” verstaan „elke definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een strafbaar feit”.
66 Om te beginnen dient te worden beklemtoond dat de door de verwijzende rechter aangevoerde omstandigheid dat artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315 in de Bulgaarse taalversie het begrip „veroordeling” definieert onder verwijzing naar het begrip „handeling waarvoor een straf kan worden opgelegd”, anders dan deze rechter aanneemt niet noodzakelijk betekent dat dit laatste begrip ook moet worden gebruikt voor de definitie van het begrip „veroordeling” in de zin van artikel 2 van kaderbesluit 2008/675, ook al is er in die bepaling sprake van het begrip „strafbaar feit”, aangezien dat begrip in de Bulgaarse taal een beperktere betekenis heeft dan het begrip „handeling waarvoor een straf kan worden opgelegd”.
67 In dit verband kan volgens de vaste rechtspraak van het Hof de in bepaalde taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of daartoe voorrang hebben boven de andere taalversies. De noodzaak van een eenvormige toepassing en dientengevolge eenvormige uitlegging van een Uniehandeling sluit namelijk uit dat voor deze handeling slechts één taalversie in beschouwing wordt genomen, en vereist dat de betrokken bepaling wordt uitgelegd aan de hand van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt, in het licht van met name alle taalversies ervan (arrest van 5 december 2024, Network One Distribution,C‑506/23, EU:C:2024:1003, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 In casu dient te worden opgemerkt dat in het merendeel van de taalversies van zowel artikel 2 van kaderbesluit 2008/675 als artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315 de bewoordingen van die bepalingen verwijzen naar het begrip „strafbaar feit”. Dit is met name het geval in de Duitstalige en de Nederlandstalige versie van deze twee bepalingen, waarin respectievelijk de termen „Straftat” en „strafbaar feit” worden gebruikt en niet het algemenere begrip „handeling waarvoor een straf kan worden opgelegd”.
69 De uitlegging volgens welke het begrip „veroordeling” in de zin van artikel 2 van kaderbesluit 2008/675 uitsluitend wordt gedefinieerd onder verwijzing naar strafbare feiten, wordt bevestigd door overweging 3 van dat kaderbesluit. Uit deze overweging blijkt immers dat dit begrip geen onherroepelijke beslissingen van administratieve instanties omvat die de aansprakelijkheid voor een „strafbaar feit” of voor een „volgens het nationaal recht als inbreuk op de rechtsvoorschriften strafbare handeling” vaststellen. De Uniewetgever heeft daarmee een onderscheid willen invoeren tussen enerzijds strafbare feiten en anderzijds handelingen die volgens het nationale recht strafbaar zijn, maar niet van strafrechtelijke aard zijn.
70 Deze uitlegging vindt ook steun in de doelstellingen van kaderbesluit 2008/675 en kaderbesluit 2009/315, die onlosmakelijk zijn verbonden. Het is immers van belang dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met spoed en op uniforme wijze meewerken aan de uitwisseling van informatie over strafrechtelijke veroordelingen, teneinde te vermijden dat nationale rechterlijke autoriteiten waarbij een nieuwe strafrechtelijke procedure aanhangig wordt gemaakt tegen een persoon tegen wie reeds veroordelingen zijn uitgesproken door rechters van andere lidstaten wegens andere feiten, zich uitspreken zonder in staat te zijn om rekening te houden met deze eerdere veroordelingen (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, Lada,C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 47).
71 Uit het voorgaande blijkt dat het begrip „veroordeling” in de zin van artikel 2 van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overweging 3 van dat kaderbesluit, in overeenstemming is met het in artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315 gebruikte begrip en betrekking heeft op een definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een „strafbaar feit” en dus niet – meer algemeen – aan een „handeling waarvoor een straf kan worden opgelegd” of „een volgens het nationaal recht als inbreuk op de rechtsvoorschriften strafbare handeling”. Zoals reeds in punt 69 van het onderhavige arrest is aangegeven omvat dit begrip verder ook geen onherroepelijke beslissingen van administratieve instanties, ongeacht de aard van de handeling waarvoor die instanties de aansprakelijkheid van de betrokkene hebben vastgesteld.
72 Hieruit blijkt dat de in artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 neergelegde verplichting voor de lidstaten enkel betrekking heeft op definitieve beslissingen die door een strafgerecht in een andere lidstaat zijn uitgesproken en de schuld van de betrokkene aan een strafbaar feit vaststellen. Voorts is, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling, die verplichting beperkt tot veroordelingen waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen.
73 Er moet echter worden opgemerkt dat de genoemde verplichting overeenkomstig artikel 2 van kaderbesluit 2008/675, zoals dat is uitgelegd in punt 71 van dit arrest, ook betrekking heeft op definitieve beslissingen van strafgerechten zoals de in artikel 78a, lid 1, onder b), NK bedoelde beslissingen waarbij de verdachte, nadat is vastgesteld dat hij schuldig is aan een strafbaar feit, wordt vrijgesteld van strafrechtelijke aansprakelijkheid en hem geen strafrechtelijke, maar een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd. Als voorwaarde geldt wel dat er informatie over die beslissingen kon worden verkregen.
74 Bijgevolg moet de bevoegde rechter bij het in aanmerking nemen van in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen in de zin van artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit, eerst nagaan of de betrokkene in een door een strafgerecht van een andere lidstaat uitgesproken eerdere definitieve beslissing waarvan hij op de hoogte is gesteld, schuldig is verklaard aan het plegen van een strafbaar feit.
75 Zoals de verwijzende rechter zelf in essentie suggereert, wijst het feit dat een dergelijke definitieve beslissing in de lidstaat van veroordeling in het strafregister van de betrokkene wordt vermeld en dus via het Ecris ter kennis wordt gebracht aan rechters in andere lidstaten, er in beginsel op dat deze beslissing voldoet aan het in het voorgaande punt genoemde criterium. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat het begrip „veroordeling” in de zin van artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315 ook een dergelijk criterium omvat.
76 Voor zover de verwijzende rechter uiteenzet dat hij op grond van de uit het Ecris verkregen gegevens over de eerdere veroordelingen van de verdachte in het hoofdgeding niet kan vaststellen onder welke categorie de handelingen vallen waarop die veroordelingen betrekking hebben, dient te worden beklemtoond dat, zoals is aangegeven in overweging 10 van kaderbesluit 2009/315, het bepaalde in dat kaderbesluit onverlet laat dat de gerechtelijke autoriteiten elkaar rechtstreeks om informatie uit het strafregister kunnen verzoeken en deze rechtstreeks kunnen doen toekomen op grond van artikel 13 juncto artikel 15, lid 3, van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp, en tevens artikel 6, lid 1, van de overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten onverlet laat. Daarin wordt gespecificeerd hoe een verzoek om wederzijdse rechtshulp overeenkomstig de vermelde bepalingen van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp dient te worden opgesteld en toegezonden.
77 Indien een rechter van een lidstaat van oordeel is dat de informatie in het Ecris onvoldoende is om artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 te kunnen toepassen, moet hij zich derhalve rechtstreeks tot de rechter die de eerdere veroordeling heeft uitgesproken wenden om na te gaan of die veroordeling daadwerkelijk een veroordeling in de zin van artikel 2 van dat kaderbesluit is.
78 Wat in de tweede plaats de reikwijdte betreft van de verplichting die elke lidstaat heeft om ervoor te zorgen dat er in de zin van artikel 3, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van dat kaderbesluit, aan in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen gevolgen worden verbonden die „gelijkwaardig” zijn aan de gevolgen die worden verbonden aan eerdere in de betrokken lidstaat overeenkomstig het nationale recht uitgesproken nationale veroordelingen , is het zo dat die reikwijdte moet worden bepaald in het licht van het in artikel 82, lid 1, VWEU neergelegde beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken, waaraan kaderbesluit 2008/675 uitvoering beoogt te geven, zoals in overweging 2 ervan is aangegeven.
79 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat dit beginsel zich met name ertegen verzet dat een eerder in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling kan worden herzien doordat deze in aanmerking wordt genomen in het kader van dat kaderbesluit (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, Lada,C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Zo verbiedt artikel 3, lid 3, van dat kaderbesluit uitdrukkelijk een dergelijke herziening en moeten de eerder in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen derhalve in aanmerking worden genomen zoals zij werden uitgesproken (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, Lada,C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Zoals expliciet is vermeld in overweging 13 van kaderbesluit 2008/675, laat dit kaderbesluit de verscheidenheid aan nationale oplossingen en procedures die nodig is om rekening te kunnen houden met een eerdere veroordeling in een andere lidstaat onverlet. Het feit dat de mogelijkheid tot herziening van een eerdere veroordeling uitgesloten is, dient een lidstaat niet te beletten zo nodig een besluit te nemen dat ertoe strekt aan die eerdere veroordeling gelijkwaardige rechtsgevolgen te verbinden.
82 In het bijzonder moet, zoals in overweging 8 van dat kaderbesluit is aangegeven, wanneer tijdens een strafrechtelijke procedure in een lidstaat informatie over een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling beschikbaar is, zo veel mogelijk worden vermeden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan indien de eerdere veroordeling een nationale veroordeling was geweest.
83 Hieruit blijkt dat de rechter bij wie in een lidstaat strafvervolging is ingesteld, zich ervan moet vergewissen dat aan het strafbare feit dat tot een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling heeft geleid, en aan de krachtens die veroordeling opgelegde straf geen rechtsgevolgen worden verbonden die voor de situatie van de betrokkene zwaardere gevolgen hebben dan indien die veroordeling door een nationale rechter zou zijn uitgesproken.
84 Om aan de in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling rechtsgevolgen te kunnen verbinden die „gelijkwaardig” zijn aan die van een nationale veroordeling, is het noodzakelijk dat de verwijzende rechter met name kan beoordelen onder welke categorie – op basis waarvan de aard en de strafmaat zijn bepaald – het door de eerdere veroordeling bestrafte strafbare feit valt. Ter bepaling van de gelijkwaardigheid kan er namelijk onder meer een vergelijking nodig zijn tussen de soorten strafbare feiten die er zijn in het nationale strafrecht van de lidstaat van de eerdere veroordeling en de in het nationale recht bestaande soorten, in het bijzonder wanneer de rechtsgevolgen die verbonden zijn aan de veroordeling voor het betrokken strafbare feit volgens het nationale recht kunnen verschillen afhankelijk van de categorie waaronder dat strafbare feit valt.
85 Hieruit volgt dat het nemen van een beslissing op grond waarvan aan een eerder in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling rechtsgevolgen worden verbonden die gelijkwaardig zijn aan die welke zouden worden verbonden aan een eerdere nationale veroordeling, een onderzoek per geval vereist aan de hand van de concrete omstandigheden. Dit kan echter niet leiden tot een herkwalificatie van het gepleegde strafbare feit en van de opgelegde straf (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, Lada,C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Meer specifiek dient uit de overwegingen in de punten 65 tot en met 85 van dit arrest te worden afgeleid dat de bevoegde strafrechter die over gegevens beschikt waaruit blijkt dat tegen de verdachte in een andere lidstaat een veroordeling in de zin van artikel 2 van kaderbesluit 2008/675 is uitgesproken, te weten een definitieve beslissing waarbij wordt vastgesteld dat hij schuldig is aan een strafbaar feit, aan die beslissing gevolgen dient toe te kennen die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen van een nationale veroordeling voor het plegen van een strafbaar feit dat onder een gelijkwaardige categorie valt en tot een straf leidt die vergelijkbaar is qua aard en hoogte. Dit mag er echter in de betrokken procedure niet toe leiden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan wanneer de beslissing door een nationale rechter zou zijn genomen.
87 In deze context kan de bevoegde strafrechter het strafbare feit waarvoor de verdachte in een andere lidstaat is veroordeeld niet aldus herkwalificeren dat dat strafbare feit het karakter van een bestuurlijke overtreding krijgt. Een dergelijke herkwalificatie zou namelijk niet alleen tot een herziening van de eerdere veroordeling leiden, wat artikel 3, lid 3, van dat kaderbesluit uitdrukkelijk verbiedt, maar zou er ook toe leiden dat de in artikel 3, lid 1, van het kaderbesluit neergelegde verplichting niet wordt nagekomen doordat aan deze veroordeling geen gevolgen worden verbonden die gelijkwaardig zijn aan een nationale veroordeling.
88 Zoals blijkt uit punt 73 van dit arrest, vereist kaderbesluit 2008/675 echter dat de bevoegde rechter, wanneer het nationale recht voorziet in de inaanmerkingneming van eerdere definitieve beslissingen van een strafgerecht waarbij de verdachte schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, maar hem geen strafrechtelijke maar een bestuurlijke sanctie is opgelegd, de relevante bepalingen van het nationale recht toepast op die in een andere lidstaat gegeven beslissingen, mits hij in dat verband over voldoende informatie beschikt.
89 Wat tot slot de beoordeling betreft of de strafbare feiten waarop in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen betrekking hebben, volgens de in het nationale recht vastgelegde indeling „algemene” of „particuliere” strafbare feiten zijn – waarbij het zo is dat de rechtsgevolgen naar nationaal recht verschillend zijn afhankelijk van de categorie waaronder zij vallen – is het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de strafvervolging in die andere lidstaten werd ingesteld op initiatief van de bevoegde autoriteit of ten gevolge van een door het slachtoffer bij een rechter ingediende klacht.
90 In casu waren er, zoals de nationale rechter zelf heeft vastgesteld, geen slachtoffers betrokken bij de strafbare feiten die in België en Duitsland tot de veroordelingen hebben geleid. Voor zover deze strafbare feiten naar het recht van de betrokken lidstaat daadwerkelijk strafbare feiten vormen, dient die rechter aan die veroordelingen gevolgen te verbinden die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen die zouden zijn verbonden aan eerdere nationale veroordelingen voor „algemene” strafbare feiten.
91 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315, aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde nationale rechter bij het in aanmerking nemen van in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordelingen van een verdachte in een bij hem aanhangige strafrechtelijke procedure moet beoordelen of de handelingen die hebben geleid tot de door rechters in die andere lidstaat gegeven eerdere definitieve beslissingen waarvan hij kennis heeft gekregen, aan de hand van de in het recht van de andere lidstaat gehanteerde indeling zijn gekwalificeerd als strafbare feiten. Op grond van artikel 3, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/675 mag die rechter uitsluitend rekening houden met beslissingen waarbij dat het geval is en daar rechtsgevolgen aan toekennen die gelijkwaardig zijn aan die welke zouden zijn verbonden aan eerdere nationale veroordelingen voor het plegen van een strafbaar feit dat onder een gelijkwaardige categorie valt en tot een straf leidt die vergelijkbaar is qua aard en hoogte. De omstandigheid dat er rekening wordt gehouden met die beslissingen mag er echter in de betreffende procedure niet toe leiden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan wanneer de beslissingen door een nationale rechter zouden zijn gegeven.
Kosten
92 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de bevoegde rechter bij de beslissing over strafvervolging geen rekening mag houden met eerdere veroordelingen die in een andere lidstaat tegen de verdachte zijn uitgesproken wegens handelingen die naar nationaal recht geen strafbare feiten vormen en naar dat recht dus geen voorwerp kunnen zijn van een strafrechtelijke veroordeling.
2) Artikel 3, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/884 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale rechter bij het in aanmerking nemen van in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordelingen van een verdachte in een bij hem aanhangige strafrechtelijke procedure moet beoordelen of de handelingen die hebben geleid tot de door rechters in die andere lidstaat gegeven eerdere definitieve beslissingen waarvan hij kennis heeft gekregen, aan de hand van de in het recht van de andere lidstaat gehanteerde indeling zijn gekwalificeerd als strafbare feiten. Op grond van artikel 3, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/675 mag die rechter uitsluitend rekening houden met beslissingen waarbij dat het geval is en daar rechtsgevolgen aan toekennen die gelijkwaardig zijn aan die welke zouden zijn verbonden aan eerdere nationale veroordelingen voor het plegen van een strafbaar feit dat onder een gelijkwaardige categorie valt en tot een straf leidt die vergelijkbaar is qua aard en hoogte. De omstandigheid dat er rekening wordt gehouden met die beslissingen mag er echter in de betreffende procedure niet toe leiden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan wanneer de beslissingen door een nationale rechter zouden zijn gegeven.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.