HvJ EU 3 juli 2025, C-529/23, ECLI:EU:C:2025:521
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
3 juli 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Europees Parlement – Regeling inzake de kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement – Vergoeding voor parlementaire medewerkers – Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen – Artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht om te worden gehoord – Recht van toegang tot het dossier – Verordening (EU) 2018/1725 – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens – Artikel 9 – Doorzending van persoonsgegevens aan ontvangers die in de Unie zijn gevestigd en die geen instelling of orgaan van de Unie zijn – Artikel 26 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie”
In zaak C‑529/23 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 17 augustus 2023,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Ecker, N. Görlitz, J.‑C. Puffer en S. Toliušis als gemachtigden,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
TC, vertegenwoordigd door D. Aukštuolytė-Kapp, advokatė,
verzoeker in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur), E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 november 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met deze hogere voorziening vordert het Europees Parlement vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 juni 2023, TC/Parlement (T‑309/21, EU:T:2023:315; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beroep van TC gedeeltelijk heeft toegewezen en het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 16 maart 2021 tot vaststelling van een schuldvordering op TC wegens een ten onrechte als kosten voor parlementaire medewerkers betaald bedrag en tot terugvordering van dat bedrag (hierna: „litigieus besluit”), alsook debetnota nr. 7010000523 van 31 maart 2021 (hierna: „debetnota”), nietig heeft verklaard voor zover daarbij werd gelast om het loon, de sociale kosten en de reiskosten betreffende de tewerkstelling van zijn geaccrediteerde parlementaire medewerker A over de periode van 22 mei 2015 tot en met 31 maart 2016 van TC terug te vorderen voor een bedrag van 50754,54 EUR.
Toepasselijke bepalingen
Verkiezingsakte
2 Artikel 6, lid 1, van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom (PB 1976, L 278, blz. 5), zoals gewijzigd bij besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni 2002 en van 23 september 2002 (PB 2002, L 283, blz. 1) (hierna: „verkiezingsakte”), luidt: „De leden van het Europees Parlement brengen hun stem individueel en persoonlijk uit. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies en geen bindend mandaat aanvaarden.”
Statuut van de leden
3 Artikel 2, lid 1, van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2005, L 262, blz. 1; hierna: „Statuut van de leden”) bepaalt: „De leden zijn vrij en onafhankelijk.”
4 Volgens artikel 4 van het Statuut van de leden worden „[d]oor een lid ontvangen, opgestelde of verstuurde documenten of elektronische gegevens [...] niet gelijkgesteld met documenten van het Europees Parlement tenzij zij officieel zijn ingediend overeenkomstig het reglement [van orde van het Europees Parlement]”.
5 Artikel 21 van het Statuut van de leden luidt: „1. De leden hebben recht op assistentie door persoonlijke medewerkers die door hen vrijelijk worden aangewezen. 2. Het Parlement draagt de werkelijk gemaakte kosten die door hun tewerkstelling ontstaan. 3. Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.”
Uitvoeringsbepalingen
6 Artikel 33, leden 1 en 2, van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2009, C 159, blz. 1; hierna: „uitvoeringsbepalingen”) bepaalt: „1. De leden hebben recht op assistentie door persoonlijke medewerkers die ze vrijelijk kunnen aanwijzen. Het Parlement vergoedt de werkelijk gemaakte kosten die volledig en uitsluitend ontstaan door de aanstelling van een of meer medewerkers of het gebruik van de dienstverlening overeenkomstig deze uitvoeringsbepalingen en de door het Bureau vastgestelde voorwaarden. 2. Alleen de kosten voor noodzakelijke assistentie die rechtstreeks verband houdt met de uitoefening van het mandaat van parlementslid, kunnen worden vergoed. Deze uitgaven kunnen in geen geval kosten omvatten die verband houden met de persoonlijke levenssfeer van de leden.”
7 Artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen is als volgt verwoord: „1. Bedragen die ter uitvoering van onderhavige uitvoeringsbepalingen onverschuldigd zijn uitgekeerd, worden teruggevorderd. De secretaris-generaal geeft instructies teneinde deze bedragen onder het betrokken lid terug te vorderen. 2. Bij het besluit tot terugvordering wordt erop toegezien dat het lid zijn ambt goed kan blijven uitoefenen en het Parlement goed kan blijven functioneren. Alvorens dit besluit te nemen, wordt het betrokken lid door de secretaris-generaal gehoord. 3. Onderhavig artikel is eveneens van toepassing op voormalige leden en derden.”
Verordening 2016/679
8 Overweging 4 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1) luidt: „De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. [...]”
9 Artikel 6, lid 1, van die verordening bepaalt: „De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: [...] f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, [onder f)], geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.”
Verordening 2018/1725
10 De overwegingen 5 en 22 van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39) luiden als volgt: „(5) In het belang van een samenhangende aanpak van de bescherming van persoonsgegevens in de gehele Unie en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie dienen de gegevensbeschermingsvoorschriften voor de instellingen, organen en instanties van de Unie zo veel mogelijk op één lijn te worden gebracht met de gegevensbeschermingsvoorschriften die voor de overheidssector in de lidstaten zijn vastgesteld. Wanneer de bepalingen van deze verordening dezelfde principes volgen als de bepalingen van [verordening 2016/679], dienen beide bepalingen overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie [...] homogeen te worden uitgelegd, in het bijzonder omdat gezien de opzet van deze verordening, zij moet worden opgevat als de tegenhanger van [verordening 2016/679]. [...] (22) De verwerking van persoonsgegevens is slechts rechtmatig indien de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang door de instellingen of organen van de Unie of de uitoefening van hun openbaar gezag, dan wel voor de vervulling van een wettelijke verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke, of indien er voor de verwerking een andere gerechtvaardigde grondslag op grond van deze verordening bestaat, zoals de toestemming van de betrokkene, indien de verwerking noodzakelijk is om een overeenkomst uit te voeren waarbij de betrokkene partij is of om op verzoek van de betrokkene voorafgaand aan het aangaan van een overeenkomst maatregelen te nemen. [...]”
11 Artikel 4 („Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens”) van deze verordening bepaalt in lid 1: „Persoonsgegevens: [...] c) zijn toereikend, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‚minimale gegevensverwerking’); [...] e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, en zulks niet langer dan nodig is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 13, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen (‚opslagbeperking’); [...]”
12 Artikel 9 („Doorzending van persoonsgegevens aan ontvangers die in de Unie zijn gevestigd en die geen instelling of orgaan van de Unie zijn”) van die verordening luidt: „1. Onverminderd de artikelen 4 tot en met 6, en 10, worden persoonsgegevens uitsluitend doorgegeven aan ontvangers die in de Unie zijn gevestigd en die geen instellingen of organen van de Unie zijn, indien de ontvanger aantoont dat: a) de gegevens nodig zijn voor de uitvoering van een taak die wordt verricht in het algemeen belang of ter uitoefening van het door de ontvanger beklede openbaar gezag, of b) de doorzending van de gegevens noodzakelijk is voor een specifiek doel in het openbaar belang, en de verwerkingsverantwoordelijke, indien er reden bestaat om aan te nemen dat de legitieme belangen van de betrokkene kunnen worden geschaad, na de verschillende belangen die aan de orde zijn aantoonbaar tegen elkaar te hebben afgewogen, aantoont dat de doorzending van persoonsgegevens voor dit specifieke doel evenredig is. 2. Indien de verwerkingsverantwoordelijke het initiatief tot doorzending krachtens dit artikel neemt, toont hij aan dat de doorzending van persoonsgegevens noodzakelijk is voor en evenredig is aan de doeleinden van de doorzending, door toepassing van de criteria van lid 1, onder a) of b). 3. De instellingen en organen van de Unie brengen het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming met het recht van toegang tot documenten overeenkomstig het recht van de Unie.”
Statuut
13 Artikel 26 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „Statuut”), bepaalt: „Het persoonsdossier van de ambtenaar dient in te houden: a) alle bescheiden welke betrekking hebben op zijn positie als ambtenaar, alsmede alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag; b) de opmerkingen welke de betrokken ambtenaar ten aanzien van bovengenoemde stukken heeft gemaakt. Elk dezer stukken dient te zijn ingeschreven, genummerd en opgeborgen in ononderbroken volgorde; stukken, bedoeld onder a), kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren, noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan zijn dossier worden toegevoegd. De mededeling van elk stuk blijkt uit de handtekening die de ambtenaar hieronder heeft gesteld; bij gebreke daarvan geschiedt zij per aangetekende brief, die wordt verzonden naar het laatste door de ambtenaar opgegeven adres. Het persoonsdossier van de ambtenaar mag geen enkele aanduiding bevatten van zijn politieke, vakbonds-, wijsgerige of godsdienstige activiteiten en opvattingen, van zijn ras of etnische afstamming of van zijn seksuele geaardheid. De vierde alinea belet evenwel niet dat in het persoonsdossier administratieve besluiten en documenten worden opgenomen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit Statuut en waarvan de inhoud aan de betrokken ambtenaar bekend is. Voor iedere ambtenaar mag slechts één dossier worden aangelegd. Iedere ambtenaar heeft ook na beëindiging van de dienst, het recht kennis te nemen van alle stukken die zich in zijn dossier bevinden en daarvan een kopie te maken. Het persoonsdossier is van vertrouwelijke aard en kan slechts in de dienstlokalen of op een beveiligde elektronische drager worden geraadpleegd. Het wordt echter aan het Hof van Justitie van de Europese Unie toegezonden wanneer een beroep waarbij de ambtenaar is betrokken, wordt ingesteld.”
RAP
14 Artikel 1 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „RAP”), luidt: „Deze regeling is van toepassing op ieder personeelslid dat op grond van een overeenkomst door de Unie is aangesteld. Dit personeelslid heeft de hoedanigheid van: [...] – geaccrediteerd parlementair medewerker. [...]”
15 In artikel 5 bis RAP is het volgende opgenomen: „Met het oog op de onderhavige regeling wordt onder ‚geaccrediteerde parlementaire medewerkers’ verstaan door een of meerdere leden gekozen personen die door het Europees Parlement worden aangeworven op grond van een rechtstreekse overeenkomst, teneinde in de gebouwen van het Europees Parlement in een van zijn drie vergaderplaatsen rechtstreekse assistentie te verlenen aan het lid of de leden in de uitoefening van hun functies als lid van het Europees Parlement onder hun leiding en gezag en in een relatie van wederzijds vertrouwen, in de zin van artikel 21 van [het Statuut van de leden].”
16 Uit artikel 127, eerste volzin, RAP volgt dat de artikelen 11 tot en met 26 bis van het Statuut van overeenkomstige toepassing zijn op geaccrediteerde parlementaire medewerkers.
Voorgeschiedenis van het geding
17 De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 2 tot en met 26 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat.
18 Op 22 mei 2015 heeft het Parlement op grond van artikel 5 bis RAP met A een voltijdse overeenkomst van geaccrediteerd parlementair medewerker in Brussel (België) gesloten teneinde TC, lid van het Parlement, assistentie te verlenen tot het einde van de zevende zittingsperiode.
19 Op 25 februari 2016 heeft TC het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag van het Parlement (hierna: „TAOBG”) verzocht die overeenkomst op te zeggen wegens verlies van vertrouwen om verschillende redenen, waaronder afwezigheden zonder geldige reden en niet-inachtneming van de regels betreffende machtiging voor nevenactiviteiten.
20 Na het mislukken van een bemiddelingspoging heeft het TAOBG A op 24 juni 2016 in kennis gesteld van zijn besluit om die overeenkomst op te zeggen wegens verlies van vertrouwen omdat hij de regels betreffende machtiging voor nevenactiviteiten niet in acht had genomen.
21 Op 14 april 2017 heeft A bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen dat besluit van 24 juni 2016.
22 Bij arrest van 7 maart 2019, L/Parlement (T‑59/17, EU:T:2019:140; hierna: „arrest L/Parlement”), heeft het Gerecht genoemd besluit nietig verklaard. Bij dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat uit het dossier bleek dat TC op de hoogte was van de nevenactiviteiten van A en dat het rechtstreekse initiatief daartoe van hem uitging. Bijgevolg heeft het Gerecht geoordeeld dat de door het TAOBG verstrekte rechtvaardigingsgrond voor dat besluit, namelijk de verbreking van de vertrouwensband, niet plausibel was. Volgens het Gerecht had het TAOBG door het verzoek van TC tot opzegging van de overeenkomst van A op die grond in te willigen dus een kennelijk onjuiste beoordeling verricht. TC was geen partij in de procedure die tot dat arrest heeft geleid.
23 Bij brief van 8 juni 2020, die in het Engels was opgesteld en op 30 juli 2020 bij e‑mail aan TC was gezonden, heeft de secretaris-generaal van het Parlement TC ervan in kennis gesteld dat een procedure tot terugvordering van onverschuldigd uitgekeerde bedragen krachtens artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen werd ingesteld voor een totaalbedrag van 78838,21 EUR betreffende de door A aan TC verleende parlementaire assistentie. De secretaris-generaal van het Parlement heeft TC uitgenodigd om binnen een termijn van twee maanden opmerkingen en bewijselementen in te dienen om de voorlopige conclusies van het Parlement betreffende de nevenactiviteiten die A van 22 mei 2015 tot en met 22 november 2016 met zijn medeweten en onder zijn leiding had verricht, te weerleggen en te bewijzen dat A in die periode daadwerkelijk de functie van geaccrediteerd parlementair medewerker had uitgeoefend.
24 Uit punt 13 van het bestreden arrest blijkt dat TC het Parlement bij e‑mail van 4 augustus 2020 heeft verzocht om mededeling van: – het personeelsdossier van A bij het Parlement (alle documenten in verband met zijn aanwerving en zijn werk), met inbegrip van informatie over het aantal keren dat „tegen A” de bescherming van het Parlement was gevraagd en de gegevens over zijn aanwezigheden (gegevens van zijn toegangsbadge van het Parlement), – kopieën van zijn briefwisseling met de vertegenwoordigers van het Parlement over het werk van A en – het volledige dossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest L/Parlement.
25 Op 4 september 2020 heeft de secretaris-generaal van het Parlement TC een in het Litouws opgestelde brief van 3 september 2020 gestuurd met in wezen dezelfde inhoud als de in punt 23 van het onderhavige arrest genoemde brief van 8 juni 2020. Bij die brief van 3 september 2020 waren een kopie van het arrest L/Parlement en de afrekening van de door het Parlement aan A betaalde bedragen gevoegd.
26 Op 22 september 2020 heeft TC het in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde verzoek aan het Parlement herhaald en gevraagd om de notulen van de bemiddelingsprocedure tussen hemzelf en A in het Litouws en een kopie van „alle e‑mails van 2015, 2016 en 2019”.
27 Bij e‑mail van 29 oktober 2020 heeft TC het Parlement zijn voorlopige opmerkingen en een aantal documenten meegedeeld en ook gevraagd om later nog meer inlichtingen en bewijselementen te mogen meedelen.
28 Bij e‑mail van 20 november 2020 heeft TC het Parlement opnieuw gevraagd om de informatie waar hij met zijn e‑mails van 4 augustus en 22 september 2020 om had verzocht, meer bepaald de gegevens over de toegang van A tot het Parlement en de kopie van de e‑mails van 2015, 2016 en 2019.
29 Bij e‑mail van 24 november 2020 heeft TC het Parlement opmerkingen en bewijselementen doen toekomen ter aanvulling van die welke hij bij e‑mail van 29 oktober 2020 had meegedeeld.
30 Bij e‑mail van 27 november 2020 heeft de directeur-generaal Financiën van het Parlement (hierna: „directeur-generaal Financiën) TC laten weten dat de termijn die hem was toegekend om zijn opmerkingen en bewijselementen in te dienen in het kader van de procedure tot terugvordering van artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen, op 4 november 2020 was verstreken. Indien TC informatie wenste over A kon hij zich daarvoor wel richten tot twee personen wier e‑mailadressen door de directeur-generaal Financiën aan hem waren meegedeeld, zonder dat die verzoeken evenwel een invloed konden hebben op genoemde procedure.
31 Bij brief van 1 december 2020 aan het Parlement heeft TC de inhoud van die e‑mail van 27 november 2020 betwist. Daarnaast heeft hij zijn verzoeken om documenten gericht aan de in die e‑mail genoemde personen.
32 Bij brief van 8 januari 2021 (hierna: „brief van 8 januari 2021”) heeft de directeur-generaal Financiën TC de in punt 26 van het onderhavige arrest bedoelde notulen doen toekomen, maar heeft hij geweigerd om hem toegang te verlenen tot de andere gevraagde documenten. Voorts heeft hij TC een termijn van vijftien dagen toegekend om aanvullende opmerkingen in te dienen, hetgeen TC op 21 januari 2021 heeft gedaan.
33 Bij het litigieuze besluit heeft de secretaris-generaal van het Parlement geoordeeld dat deze instelling in het kader van de tewerkstelling van A in de periode van 22 mei 2015 tot en met 22 november 2016 een bedrag van 78838,21 EUR onverschuldigd had vergoed en dat dit overeenkomstig artikel 68, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen diende te worden teruggevorderd van TC. Op 31 maart 2021 heeft de directeur-generaal Financiën in zijn hoedanigheid van gedelegeerd ordonnateur dan ook de debetnota opgesteld waarbij de terugvordering bij TC van dat bedrag werd gelast en hem werd verzocht dat bedrag ten laatste op 30 mei 2021 te betalen. De dag waarop de debetnota is opgesteld, is deze samen met het litigieuze besluit door de directeur-generaal Financiën meegedeeld aan TC.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
34 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 mei 2021, heeft TC beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de debetnota ingesteld. Ter ondersteuning van dit beroep heeft hij vijf middelen aangevoerd.
35 In de eerste plaats blijkt uit de punten 27 en 28 van het bestreden arrest dat het Parlement na een controle die is verricht in het kader van de zaak die tot dat arrest heeft geleid, heeft vastgesteld dat het in maart 2016 had beslist om de betaling van het loon en de reiskosten van A op te schorten vanaf 1 april 2016. Dientengevolge heeft de secretaris-generaal van het Parlement op 8 november 2022 het litigieuze besluit ex tunc gedeeltelijk ingetrokken, voor zover het betrekking had op een totaalbedrag van 28083,67 EUR. Op 15 november 2022 is voor datzelfde bedrag een creditnota uitgereikt.
36 Uit de punten 32 en 36 tot en met 42 van de motivering en punt 1 van het dictum van het bestreden arrest blijkt voorts dat het Gerecht in die omstandigheden op verzoek van het Parlement, en na de opmerkingen van TC te hebben gehoord, heeft vastgesteld dat het beroep zonder voorwerp was geraakt en dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over de wettigheid van het litigieuze besluit en de debetnota, voor zover deze betrekking hadden op het loon, de sociale kosten en de reiskosten betreffende de tewerkstelling van A in de periode van 1 april tot en met 22 november 2016 voor dat bedrag van 28083,67 EUR.
37 In de tweede plaats heeft het Gerecht, nadat het in de punten 45 tot en met 53 van het bestreden arrest had herinnerd aan de regels betreffende de vergoeding van de kosten voor parlementaire assistentie en de terugvordering van de desbetreffend onverschuldigd betaalde bedragen, alsmede aan de desbetreffende rechtspraak, in de punten 54 tot en met 66 van dat arrest het eerste middel van het beroep – dat was gebaseerd op schending van het beginsel van de redelijke termijn – onderzocht en ongegrond verklaard.
38 In de derde en laatste plaats heeft het Gerecht het tweede middel van het beroep onderzocht, waarmee werd aangevoerd dat de in artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde rechten om te worden gehoord en om inzage te krijgen in het dossier waren geschonden en dat niet was voldaan aan de daarin neergelegde motiveringsplicht. In dat verband heeft het Gerecht ook een aantal argumenten onderzocht die in de punten 70 en 71 van het bestreden arrest zijn samengevat en die TC in het kader van het eerste middel van zijn beroep had aangevoerd.
39 In de punten 74 tot en met 79 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het in punt 73 van dat arrest samengevatte argument van het Parlement onderzocht, namelijk dat TC niet kon opkomen tegen het antwoord dat de directeur-generaal Financiën hem bij brief van 8 januari 2021 had verschaft, aangezien de in artikel 263, zesde alinea, VWEU gestelde termijn van twee maanden om beroep in te stellen tegen het in die brief vervatte besluit was verstreken.
40 Zoals blijkt uit de punten 78 tot en met 80 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht geoordeeld dat die brief het antwoord van het Parlement bevatte op het verzoek van TC om mededeling van documenten die hij noodzakelijk achtte om te kunnen bewijzen dat A in de periode van 22 mei 2015 tot en met 22 november 2016 wel degelijk de functie van geaccrediteerd parlementair medewerker had uitgeoefend. Het Gerecht was tevens van oordeel dat dit antwoord onderdeel uitmaakte van de procedure tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen. Het heeft derhalve geoordeeld dat het TC vrijstond om in het kader van zijn beroep tegen het litigieuze besluit en de debetnota de vermeende onregelmatigheden van die brief aan te voeren, zodat de argumentatie van TC met betrekking tot die brief ontvankelijk was.
41 In het kader van het onderzoek ten gronde van het tweede middel van het beroep en van een aantal in het kader van het eerste middel van dat beroep aangevoerde argumenten heeft het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest vastgesteld dat TC het Parlement met e‑mails van 4 augustus, 22 september en 20 november 2020 had verzocht om mededeling van verschillende documenten, te weten: – de notulen in het Litouws van de bemiddelingsprocedure tussen hemzelf en A; – een kopie van „alle e‑mails van 2015, 2016 en 2019”; – een kopie van zijn briefwisseling met de vertegenwoordigers van het Parlement over het werk van A; – het volledige dossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest L/Parlement, en – het personeelsdossier van A bij het Parlement (alle documenten in verband met zijn aanwerving en zijn werk), met inbegrip van informatie over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement was gevraagd en de gegevens over zijn aanwezigheden die van zijn toegangsbadge van het Parlement konden worden gehaald.
42 In punt 88 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het Parlement die notulen en de documenten betreffende de beëindiging van de overeenkomst van A had bezorgd aan TC. Volgens het Gerecht heeft het Parlement daarentegen bij brief van 8 januari 2021 geweigerd om TC de in het vorige punt van dit arrest genoemde andere documenten te doen toekomen.
43 Het Gerecht heeft in punt 90 van het bestreden arrest geoordeeld dat wanneer aan een parlementslid wordt gevraagd om het Parlement het bewijs te leveren dat een geaccrediteerde parlementaire medewerker voor hem heeft gewerkt in verband met zijn mandaat van parlementslid, hij op grond van het recht om te worden gehoord de instellingen, instanties en agentschappen van de Unie kan verzoeken om de elementen waarover zij beschikken en die hem relevant lijken, mee te delen. Wanneer het Parlement een dergelijk verzoek ontvangt kan het volgens het Gerecht niet zonder schending van het recht om te worden gehoord weigeren de gevraagde gegevens te bezorgen, tenzij het ter ondersteuning van deze weigering redenen aanvoert die in het licht van de omstandigheden van de zaak en de toepasselijke regels gerechtvaardigd kunnen worden geacht.
44 Bijgevolg heeft het Gerecht, zoals blijkt uit punt 91 van het bestreden arrest, geoordeeld dat het moest onderzoeken of de redenen die het Parlement in de brief van 8 januari 2021 had aangevoerd om de door TC gevraagde gegevens niet mee te delen, gerechtvaardigd waren.
45 Ten eerste heeft het Gerecht de redenen onderzocht die het Parlement had aangevoerd voor de afwijzing van de vraag van TC om mededeling van „alle e‑mails van 2015, 2016 en 2019” en van zijn briefwisseling met de bevoegde diensten van het Parlement over het werk van A.
46 In punt 92 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het Parlement die vraag had afgewezen omdat e‑mails volgens het beleid van het Parlement slechts gedurende 90 dagen, en bij uitzondering gedurende een jaar, werden bewaard. Het heeft daaraan toegevoegd dat de e‑mails van na 2019 konden worden meegedeeld maar dat die niet relevant waren omdat ze geen betrekking hadden op de periode waarin A voor TC zou hebben gewerkt.
47 In dat verband heeft het Gerecht in punt 95 van het bestreden arrest opgemerkt dat het Parlement reeds begin 2016 kennis had gekregen van het bestaan van een conflictsituatie tussen TC en A omtrent de vraag of deze laatste zijn activiteiten uitoefende met naleving van de regels inzake parlementaire assistentie. Volgens het Gerecht behoorde het Parlement dan ook vanaf dat moment de bewaring te verzekeren van e‑mails die mogelijk het bewijs konden verschaffen van de juiste aard van de activiteiten van A, en dit gedurende het verloop van de ontslagprocedure en, indien deze aanleiding gaf tot andere rechterlijke of administratieve procedures, zoals een terugvorderingsprocedure, zolang die andere procedures nog liepen.
48 In de punten 100 en 101 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het door het Parlement aangevoerde argument afgewezen dat de parlementsleden hun e‑mails zelf moesten bewaren door persoonlijke mappen aan te leggen waarin hun e‑mails voor onbepaalde tijd konden worden opgeslagen, zoals het Parlement de parlementsleden had gevraagd te doen in drie tot hen gerichte mededelingen van 14 juni 2014, 13 oktober 2014 en 30 maart 2015. Het Gerecht was van oordeel dat de mogelijkheid om e‑mails op te slaan in een persoonlijke archiefmap er niet toe kon leiden dat het Parlement werd bevrijd van zijn verplichting om de bewaring te verzekeren van relevante e‑mails en om de aldus bewaarde e‑mails mee te delen wanneer het Parlement daarom wordt verzocht op grond van het recht om te worden gehoord door het betrokken parlementslid ten aanzien van wie een terugvorderingsprocedure was ingesteld wegens onregelmatig gebruik van de vergoedingen voor parlementaire medewerkers.
49 Het Gerecht heeft daar in punt 102 van het bestreden arrest aan toegevoegd dat het Parlement niet het bewijs had kunnen leveren dat die mededelingen ter kennis van TC waren gebracht. Wat met name de mededeling van 14 juni 2014 betreft, heeft het Gerecht opgemerkt dat deze was verzonden naar de „nieuwkomers” en dat TC daar niet toe behoorde aangezien hij voor die datum reeds lid van het Parlement was.
50 Daarnaast heeft het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest vastgesteld dat het Parlement geen enkele reden had aangegeven die zijn weigering om TC zijn briefwisseling met de bevoegde diensten van het Parlement te bezorgen, kon rechtvaardigen.
51 Op grond van die overwegingen heeft het Gerecht in punt 104 van het bestreden arrest vastgesteld dat de door het Parlement aangevoerde redenen voor de afwijzing van het verzoek van TC om mededeling van „alle e‑mails van 2015, 2016 en 2019” en van zijn briefwisseling met de bevoegde diensten van het Parlement over het werk van A, ongegrond waren.
52 Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 105 tot en met 124 van het bestreden arrest de redenen onderzocht die het Parlement had aangevoerd voor de afwijzing van het verzoek van TC om het persoonsdossier van A, met inbegrip van alle documenten in verband met diens aanwerving en werk, mee te delen alsmede de informatie over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement was gevraagd en de gegevens over zijn aanwezigheden die van zijn toegangsbadge van het Parlement konden worden gehaald.
53 In punt 105 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het Parlement ter rechtvaardiging van zijn weigering om dat dossier en die documenten, informatie en gegevens mee te delen had aangevoerd dat het doorgeven ervan in strijd zou zijn met verordening 2018/1725 en met artikel 26 van het Statuut. Voorts heeft het Gerecht in punt 106 van dat arrest vastgesteld dat de directeur-generaal Financiën TC had laten weten dat de interventies van de beveiligingsagenten van het Parlement niet officieel werden geregistreerd en dat de gegevens van de toegangsbadges van het Parlement slechts gedurende vier maanden werden bewaard.
54 Allereerst heeft het Gerecht in de punten 107 tot en met 118 van het bestreden arrest de motivering op grond van verordening 2018/1725 onderzocht. Dienaangaande heeft het Gerecht er in de punten 110 en 111 van dat arrest op gewezen dat de door TC gevraagde gegevens niet konden worden geacht onder artikel 9, lid 1, onder a) of b), van die verordening te vallen, aangezien zij moesten dienen voor zijn verdediging in het kader van de terugvorderingsprocedure. Het Gerecht heeft in punt 113 van dat arrest evenwel geoordeeld dat, „[g]elet op het belang dat in de rechtsorde van de Unie wordt gehecht aan het recht om te worden gehoord, [...] de omstandigheid dat dergelijke gegevens mogelijk zijn opgenomen in het ‚personeelsdossier’ van [A] er op zichzelf niet aan in de weg [kan] staan dat deze aan [TC] worden meegedeeld om hem, zoals de rechtspraak vereist, met het oog op de uitoefening van dat recht in staat te stellen naar behoren en daadwerkelijk zijn opmerkingen te formuleren”.
55 Het heeft daar in de punten 114 tot en met 116 van dat arrest aan toegevoegd dat het recht op bescherming van persoonsgegevens geen absolute gelding heeft, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en derhalve overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, waarbij aan elk van de betrokken rechten zijn juiste plaats in de rechtsorde van de Unie wordt toegekend, gelet op de betrokken feiten. Volgens het Gerecht is de noodzaak van een dergelijke afweging door de Uniewetgever onderstreept in overweging 4 van verordening 2016/679, waarvan verordening 2018/1725 „de tegenhanger” is voor wat betreft de bescherming van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie, zoals blijkt uit overweging 5 van laatstgenoemde verordening.
56 Het Gerecht heeft daar in punt 117 van het bestreden arrest uit afgeleid dat niet kan worden aanvaard dat het Parlement van TC kan verlangen dat hij zich dienstig en doeltreffend uitspreekt over gegevens die, in voorkomend geval, deel uitmaken van het dossier van A, zonder dat hem toegang tot die gegevens is verleend, en na het belang dat A erbij heeft dat gegevens over hem niet aan derden worden meegedeeld te hebben afgewogen tegen het belang van TC om in het kader van de tegen hem ingestelde terugvorderingsprocedure dienstig en doeltreffend opmerkingen te kunnen maken. In punt 118 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel vastgesteld dat het Parlement een dergelijke afweging in het geval van TC niet had gemaakt.
57 Wat vervolgens de motivering op grond van artikel 26 van het Statuut betreft, heeft het Gerecht er in punt 121 van het bestreden arrest op gewezen dat het vertrouwelijke karakter van de stukken in het persoonsdossier van A niet kon worden tegengeworpen aan TC – die overigens als directe chef van A de auteur van sommige van de betrokken documenten was – voor zover deze noodzakelijk waren om TC in staat te stellen zijn recht om te worden gehoord uit te oefenen. Het Gerecht heeft daar in punt 122 van dat arrest aan toegevoegd dat het Parlement, door zich op artikel 26 van het Statuut te beroepen, ten onrechte geen rekening had gehouden met het belang van TC om toegang te krijgen tot bepaalde stukken uit het persoonsdossier van A teneinde dienstig en doeltreffend opmerkingen te kunnen maken in het kader van de tegen hem ingestelde terugvorderingsprocedure.
58 Wat ten slotte de motivering in verband met de gegevens betreffende het gebruik van de toegangsbadge van A betreft, heeft het Gerecht in punt 123 van het bestreden arrest opgemerkt dat het Parlement om soortgelijke gronden als die welke zijn uiteengezet in de punten 100 en 101 van dat arrest – en die in punt 48 van het onderhavige arrest zijn samengevat – de nodige maatregelen behoorde te nemen opdat deze gegevens langer dan vier maanden zouden worden bewaard, aangezien het ontslag van A aanleiding had gegeven tot een gerechtelijke procedure en er tegen het parlementslid voor wie het Parlement A had aangesteld, een procedure tot terugvordering van de vergoedingen voor parlementaire assistentie was ingeleid.
59 Het Gerecht heeft derhalve in punt 124 van het bestreden arrest verklaard dat de door het Parlement aangevoerde redenen voor de afwijzing van het verzoek van TC betreffende het „personeelsdossier van [A] (alle documenten in verband met zijn aanwerving en zijn werk)”, met inbegrip van informatie over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement was gevraagd en de gegevens over zijn aanwezigheden die van zijn toegangsbadge van het Parlement konden worden gehaald, niet konden worden aanvaard.
60 Ten derde heeft het Gerecht in de punten 126 tot en met 128 van het bestreden arrest de motivering onderzocht die het Parlement had aangevoerd voor de afwijzing van de vraag van TC om mededeling van het dossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest L/Parlement. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest vastgesteld dat die vraag door het Parlement was afgewezen omdat die mededeling in strijd zou zijn met artikel 9 van verordening 2018/1725 en A de anonimiteit had verkregen in die procedure voor het Gerecht.
61 Wat de motivering op grond van artikel 9 van verordening 2018/1725 betreft, heeft het Gerecht verwezen naar de punten 112 tot en met 118 van het bestreden arrest – die in de punten 54 tot en met 56 van het onderhavige arrest zijn samengevat. Voorts verklaarde het Gerecht dat anonimiteit, zoals toegekend aan A in de zaak die heeft geleid tot het arrest L/Parlement, de weglating beoogt van de naam van een partij in het geding of die van andere personen die in het kader van de procedure worden genoemd, of van bepaalde gegevens in de documenten betreffende de zaak die toegankelijk zijn voor het publiek, en niet leidt tot de vertrouwelijkheid van de stukken van het dossier ervan buiten die procedure, in de betrekkingen tussen de partijen en derden. Het Gerecht heeft daar in punt 129 van het bestreden arrest uit afgeleid dat het besluit van het Gerecht tot het verlenen van anonimiteit in de procedure die heeft geleid tot het arrest L/Parlement, voor het Parlement geen verbod inhield om TC de stukken mee te delen die in de loop van laatstgenoemde procedure waren uitgewisseld en die mogelijk relevant waren voor de uitoefening van het recht van TC om te worden gehoord.
62 Tot slot heeft het Gerecht in de punten 130 en 131 van het bestreden arrest vastgesteld dat de door het Parlement in zijn brief van 8 januari 2021 aangevoerde redenen ongegrond of ontoereikend waren en dat, bij gebreke van een behoorlijke rechtvaardiging door het Parlement van zijn afwijzing van de vraag van TC om mededeling van de documenten die hem mogelijk in staat konden stellen om in het kader van de tegen hem ingeleide procedure tot terugvordering van de uitbetaalde vergoedingen voor parlementaire assistentie dienstig en doeltreffend zijn recht om te worden gehoord, zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 41, lid 2, onder a) van het Handvest, uit te oefenen, niet valt uit te sluiten dat TC een kans is ontnomen om zich beter te verweren. Bijgevolg heeft het Gerecht het tweede middel, voor zover het was ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, aanvaard en, zonder de andere door TC aangevoerde middelen en argumenten te onderzoeken, het litigieuze besluit en de debetnota nietig verklaard voor zover deze betrekking hadden op het loon, de sociale kosten en de reiskosten betreffende de tewerkstelling van A in de periode van 22 mei 2015 tot en met 31 maart 2016.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
63 Het Parlement verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak bij het Gerecht zelf af te doen door toewijzing van de door het Parlement in de procedure in eerste aanleg ingediende vorderingen, en – TC te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de hogere voorziening.
64 TC verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en het Parlement te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
65 Tot staving van zijn hogere voorziening voert het Parlement vijf middelen aan. Met zijn eerste middel voert het aan dat het Gerecht is voorbijgegaan aan het voorwerp van de procedure in eerste aanleg en aan de aard van de voorbereidende brief van 8 januari 2021, het recht om te worden gehoord heeft geschonden en geen rekening heeft gehouden met de rechtspraak over de gevolgen van procedurele onregelmatigheden. Het tweede middel, dat uiteenvalt in drie onderdelen, heeft betrekking op de overwegingen van het Gerecht betreffende de e‑mails van TC van 2015, 2016 en 2019 en de briefwisseling tussen laatstgenoemde en de diensten van het Parlement die hebben geleid tot de vaststelling dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het derde middel, dat uiteenvalt in vier onderdelen, heeft betrekking op de overwegingen van het Gerecht betreffende het persoonsdossier van A, de gegevens betreffende het gebruik van zijn toegangsbadge van het Parlement en de informatie over het aantal keren dat de beveiligingsdiensten in verband met hem waren verzocht om in te grijpen. Het vierde middel heeft betrekking op de overwegingen van het Gerecht betreffende het dossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest L/Parlement, welke hebben geleid tot de vaststelling dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het vijfde middel heeft betrekking op de overwegingen van het Gerecht dat het recht om te worden gehoord volstaat als grondslag voor TC om van het Parlement te kunnen verlangen dat het de gegevens meedeelt die hij nodig heeft om zijn opmerkingen te kunnen maken.
66 Het eerste onderdeel van het tweede middel en het derde en het vijfde middel moeten eerst en gezamenlijk worden onderzocht.
Eerste onderdeel van het tweede middel en het derde en het vijfde middel
Argumenten van partijen
67 Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel komt het Parlement op tegen de motivering in de punten 2, 92 tot en met 104, 130 en 131 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat deze instelling het recht van TC om te worden gehoord had geschonden door zijn e‑mails van 2015 en 2016 niet te bewaren. Volgens het Parlement heeft het Gerecht zich gebaseerd op een veel te ruime opvatting van het recht om te worden gehoord en heeft het het beginsel van het vrije mandaat van de leden geschonden – een beginsel dat voortvloeit uit artikel 6, lid 1, van de verkiezingsakte en artikel 2 van het Statuut van de leden en zich verzet tegen elke inbreuk op of inmenging in de beschermde sfeer van de leden door de diensten van het Parlement. Het Gerecht heeft bovendien geen rekening gehouden met het in artikel 4, lid 1, onder c), van verordening 2018/1725 neergelegde beginsel van minimale gegevensverwerking.
68 Het Parlement voegt hieraan toe dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 95 van het bestreden arrest te oordelen dat het Parlement, zodra het begin 2016 kennis had gekregen van het bestaan van een conflictsituatie tussen TC en A, de e‑mails had moeten bewaren die mogelijk het bewijs konden verschaffen van de juiste aard van de activiteiten van A. Het Parlement betwist ook de vaststelling van het Gerecht dat de in de punten 98 en 102 van het bestreden arrest genoemde mededeling van 14 juni 2014 was bedoeld voor de „nieuwkomers” onder de leden, waartoe TC niet behoorde.
69 Met het derde middel komt het Parlement op tegen de punten 105 tot en met 124, 130 en 131 van het bestreden arrest. Met het eerste onderdeel van dat middel voert het aan dat de in de punten 107 tot en met 118 van dat arrest uiteengezette motivering betreffende artikel 9 van verordening 2018/1725 onsamenhangend is. Het Gerecht heeft enerzijds vastgesteld dat artikel 9, lid 1, van verordening 2018/1725 zich ertegen verzette dat gegevens van A werden doorgegeven aan TC en anderzijds geoordeeld dat het Parlement die gegevens aan TC had kunnen doorgeven. Op die manier is het Parlement in een situatie geplaatst waarin het zich onmogelijk kon voegen naar het bestreden arrest, zoals artikel 266 VWEU vereist.
70 Met het tweede onderdeel van zijn derde middel komt het Parlement op tegen de motivering in de punten 119 tot en met 122, 124, 130 en 131 van het bestreden arrest met betrekking tot de weigering van het Parlement om TC het persoonsdossier van A toe te zenden. Het voert aan dat artikel 26, laatste alinea, eerste volzin, van het Statuut zich verzette tegen de toezending van de gegevens uit het persoonsdossier van A, aangezien dit dossier slechts in de dienstlokalen of op een beveiligde elektronische drager kon worden geraadpleegd. Dit dossier kon hoe dan ook geen stukken bevatten waarmee kon worden aangetoond dat A daadwerkelijk had gewerkt en dat dit werk verband hield met de uitoefening van het mandaat van TC.
71 Met het derde onderdeel van zijn derde middel komt het Parlement op tegen de overwegingen in de punten 123, 124, 130 en 131 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat het recht om te worden gehoord het Parlement verplichtte de nodige maatregelen te nemen om de gegevens over het gebruik van de toegangsbadge van het Parlement door A te bewaren. Het Parlement verwijt het Gerecht dat het zich heeft gebaseerd op een veel te ruime opvatting van het recht om te worden gehoord en dat het artikel 4, lid 1, onder e), van verordening 2018/1725 heeft geschonden.
72 Met het vierde onderdeel van zijn derde middel komt het Parlement op tegen de overwegingen in de punten 124, 130 en 131 van het bestreden arrest waarmee het Gerecht zijn oordeel heeft gemotiveerd dat het Parlement het recht van TC om te worden gehoord had geschonden door hem niet de informatie te verstrekken over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement was gevraagd. Het Parlement verwijt het Gerecht dat het er geen rekening mee heeft gehouden dat dergelijke informatie, zoals aangegeven in de brief van 8 januari 2021, niet door het DG Beveiliging en Veiligheid van het Parlement werd geregistreerd. Dergelijke informatie was hoe dan ook niet relevant.
73 Met zijn vijfde middel voert het Parlement aan dat het Gerecht in de punten 90 en 91 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest verankerde recht om te worden gehoord volstond als grondslag voor TC om van het Parlement te kunnen verlangen dat het de gegevens zou meedelen die relevant leken om de regelmatigheid van het gebruik van vergoedingen voor parlementaire assistentie aan te tonen.
74 Volgens het Parlement roept dit oordeel van het Gerecht een nieuw recht van toegang tot de bij het Parlement berustende gegevens in het leven, dat verder gaat dan het in artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest neergelegde recht van toegang tot het dossier. Het Gerecht heeft in dat verband niet uiteengezet op basis waarvan de erkenning van een dergelijk recht, dat geen enkele grondslag vindt in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, kan worden gerechtvaardigd. Bovendien druist die erkenning in tegen de algemene opzet van artikel 41, lid 2, van het Handvest, waarin onder b) wordt voorzien in een duidelijk omschreven en alomvattende route voor de betrokkene om inzage te kunnen krijgen in elk onderdeel van het hem betreffende dossier.
75 TC antwoordt op het eerste onderdeel van het tweede middel, betreffende de toegang tot de e‑mails van 2015 en 2016, dat uit de punten 94 tot en met 102 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht rekening heeft gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden van de onderhavige zaak, die worden gekenmerkt door het feit dat het Parlement reeds begin 2016 kennis had gekregen van de conflictsituatie tussen TC en A en van de niet-naleving door laatstgenoemde van de voor zijn werkzaamheden geldende regels. Volgens TC was die conflictsituatie de reden om de terugvorderingsprocedure tegen hem in te leiden. TC verwijt het Parlement dat het hem niet op de hoogte heeft gesteld van het voornemen om zijn e‑mails – die volgens hem bewijs bevatten van de door A verrichte werkzaamheden – te verwijderen. Voorts is TC van mening dat de argumenten van het Parlement inzake artikel 6, lid 1, van de verkiezingsakte en artikel 2 van het Statuut van de leden nieuw zijn, aangezien zij niet voor het Gerecht zijn aangevoerd. Die argumenten kunnen hoe dan ook niet worden aanvaard, aangezien, ten eerste, de loutere bewaring van e‑mails van een lid door het Parlement – dat zijn eigen e‑mailsysteem beheert – niet als „inmenging” kan worden aangemerkt en, ten tweede, het Parlement de e‑mails van de leden gedurende 90 dagen bewaart.
76 Wat de aan verordening 2018/1725 ontleende argumenten van het Parlement betreft, voert TC aan dat het Parlement geen nadere informatie heeft verstrekt over de wijze waarop het de persoonsgegevens verwerkt en evenmin heeft uitgelegd waarom langere bewaartermijnen voor e‑mails onverenigbaar zouden zijn met de bij die verordening ingevoerde regeling. Bovendien heeft het in artikel 4, lid 1, onder c), van die verordening neergelegde beginsel van minimale gegevensverwerking betrekking op de hoeveelheid verwerkte gegevens en niet op de duur van de bewaring ervan.
77 Voorts heeft het Parlement, ondanks een verzoek daartoe van het Gerecht, aan het dossier in eerste aanleg geen enkel bewijs toegevoegd waaruit blijkt dat TC kennis had genomen van de mededelingen over het e-mailbewaarbeleid, die bovendien waren opgesteld in talen die TC niet begreep. De vraag of hij in 2014 al dan niet moest worden aangemerkt als een „nieuwkomer” onder de leden is derhalve irrelevant.
78 In antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel voert TC aan dat het Gerecht in de punten 115 en 116 van het bestreden arrest duidelijk heeft aangegeven dat het Parlement gehouden was de verordeningen 2016/679 en 2018/1725 in acht te nemen en de persoonsgegevens zodanig te verwerken dat hij zijn recht om te worden gehoord kon uitoefenen. Met betrekking tot het tweede tot en met het vierde onderdeel van dat middel merkt TC op dat alle informatie waar hij om had verzocht, en die het Parlement hem heeft geweigerd te verstrekken, direct of indirect kon dienen als bewijs van de door A verrichte werkzaamheden.
79 In antwoord op het vijfde middel wijst TC erop dat het Parlement noch in de brief van 8 januari 2021, noch tijdens de procedure voor het Gerecht zijn recht op informatie heeft betwist en dat het zich heeft beperkt tot het aanvoeren van artikel 9 van verordening 2018/1725. Volgens TC volgt daaruit dat het Parlement met dit middel nieuwe argumenten aanvoert, waarover het Gerecht zich niet heeft kunnen uitspreken.
80 Hoe dan ook meent TC dat er geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen het „recht op informatie” en het „recht om te worden gehoord”. Die rechten zijn in wezen slechts onderdelen van het in artikel 41 van het Handvest neergelegde algemene recht op behoorlijk bestuur. Het Parlement heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat het in het kader van de procedure tot terugvordering van de vergoedingen voor parlementaire medewerkers aan geen enkele verplichting was gebonden. Het vernietigt het relevante bewijsmateriaal waarover het beschikt en verzoekt vervolgens de leden om datzelfde bewijsmateriaal over te leggen, met het argument dat de bewijslast op hen rust.
81 Voorts wijst TC erop dat uit de rechtspraak van het Gerecht blijkt dat de toegang tot het administratieve dossier niet afhankelijk kan worden gesteld van een verzoek van de betrokkene. Volgens hem heeft het Parlement zijn recht om inzage te krijgen in zijn dossier en om daadwerkelijk opmerkingen te maken, in casu aanzienlijk beperkt. De daadwerkelijke uitoefening van het recht om te worden gehoord impliceert de mogelijkheid om opmerkingen te maken die zijn onderbouwd met bewijsmateriaal, waarvan ten minste een deel in het bezit is van het Parlement. Volgens TC kan het Parlement hem niet gewoon uitnodigen om zijn opmerkingen in te dienen en daarmee alleen formeel zijn recht om te worden gehoord respecteren, zonder hem daadwerkelijk de middelen te verschaffen om dat recht ook echt uit te oefenen.
Beoordeling door het Hof
82 Om te beginnen moet, voor zover TC stelt dat het Parlement in het kader van het eerste onderdeel van zijn tweede middel en ook zijn vijfde middel nieuwe argumenten aanvoert die niet voor het Gerecht zijn aangevoerd, in herinnering worden geroepen dat volgens vaste rechtspraak een verzoeker een hogere voorziening mag instellen waarin hij middelen aanvoert die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid daarvan in rechte te betwisten (arrest van 6 september 2018, Tsjechië/Commissie, C‑4/17 P, EU:C:2018:678, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel komt het Parlement op tegen de overwegingen in het bestreden arrest die de vaststelling in punt 131 daarvan rechtvaardigen, namelijk dat het Parlement zijn weigering om TC met name zijn e‑mails van 2015 en 2016 mee te delen, niet naar behoren had gemotiveerd.
84 Voorts betwist het Parlement met zijn vijfde middel in wezen de gegrondheid van de motivering in punt 90 van het bestreden arrest, namelijk dat het Parlement, wanneer een lid dat verantwoording moet afleggen over de werkzaamheden van zijn parlementaire medewerker, het Parlement verzoekt om hem relevant lijkende bewijsstukken te verstrekken waarover het beschikt, dat verzoek niet kan weigeren zonder het recht van het betrokken lid om te worden gehoord te schenden, tenzij het daarvoor redenen aanvoert die in het licht van de omstandigheden van de zaak en de toepasselijke regels gerechtvaardigd kunnen worden geacht.
85 Het gaat in beide gevallen om middelen en argumenten die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien en die overeenkomstig de in punt 82 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak ontvankelijk zijn.
86 Wat de gegrondheid ervan betreft, zij er in de eerste plaats – met betrekking tot de motivering zoals uiteengezet in punt 90 van het bestreden arrest en betwist door het Parlement in het kader van het vijfde middel – op gewezen dat de eerbiediging van de in artikel 41, lid 2, van het Handvest neergelegde rechten van verdediging een grondrecht is dat behoort tot de rechtsorde van de Unie. Dit recht omvat met name het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, en het recht om inzage te krijgen in het dossier met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 98 en 99).
87 Uit de rechtspraak van het Hof volgt met name dat het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord moet worden geëerbiedigd in iedere procedure die tot een bezwarend besluit kan leiden. Dit recht waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden (zie in die zin arrest van 18 juni 2020, Commissie/RQ,C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Het in artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest neergelegde recht van toegang tot het dossier van zijn kant impliceert dat de betrokkene de mogelijkheid wordt geboden om alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die voor zijn verdediging relevant kunnen zijn. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen bevatten, de interne documenten van de betrokken instelling en andere vertrouwelijke informatie (zie in die zin arrest van 25 oktober 2011, Solvay/Commissie,C‑110/10 P, EU:C:2011:687, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Uit artikel 41, lid 2, van het Handvest en de in de punten 86 tot en met 88 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt dus dat de betrokkene, alvorens zijn opmerkingen in te dienen in het kader van de uitoefening van zijn recht om te worden gehoord zoals neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, op grond van het hem toegekende recht van inzage uit artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest, toegang kan vragen en verkrijgen tot alle gegevens in het dossier dat door de betrokken dienst is samengesteld, mits het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps‑ en het zakengeheim in acht wordt genomen.
90 Anderzijds moet het recht om te worden gehoord worden onderscheiden van het recht om toegang te vragen en te verkrijgen tot elk document dat weliswaar niet in dat dossier is opgenomen, maar dat zich in het bezit van de betrokken instelling bevindt en volgens de betrokkene relevant kan zijn voor zijn verdediging. Om die reden voorziet artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest in een specifiek recht dat de betrokkene inzage verleent in het hem betreffende dossier.
91 De bijzondere situatie van een parlementslid dat door het Parlement wordt gevraagd de gemaakte kosten voor parlementaire assistentie aan te tonen, is geen reden om zijn in artikel 41 van het Handvest neergelegde rechten van verdediging anders uit te leggen.
92 Zoals het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, volgt uit artikel 33, leden 1 en 2, van de uitvoeringsbepalingen dat de parlementsleden die een financiële vergoeding van het Parlement vragen voor kosten in verband met de assistentie door persoonlijke medewerkers, moeten bewijzen dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, betrekking hebben op noodzakelijke assistentie en rechtstreeks verband houden met de uitoefening van hun mandaat (arrest van 4 juli 2024, SN/Parlement,C‑430/23 P, EU:C:2024:576, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat de elementen die nodig zijn om dit bewijs te leveren, zich niet bij het betrokken lid bevinden, maar bij het Parlement. In een dergelijk geval kan dat parlementslid dergelijke gegevens mogelijk niet verkrijgen op basis van alleen zijn recht om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, zoals vastgelegd in artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest, wanneer dat dossier zich in het bezit van het Parlement bevindt.
94 Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van haar conclusie in wezen immers heeft aangegeven, zal het aan het betrokken parlementslid zijn om het desbetreffende bewijs te leveren. Het dossier dat door het Parlement is samengesteld zal in eerste instantie althans alleen de elementen bevatten die ten grondslag liggen aan het verzoek aan dat parlementslid, met name een overzicht van de door het Parlement gemaakte kosten voor parlementaire assistentie ten behoeve van dat lid.
95 Dit neemt niet weg dat elk lid op de hoogte is van het werk van zijn parlementair medewerker en het dus kan beschrijven, ook al beschikt hij niet over alle noodzakelijke bewijzen om zijn verklaringen te staven.
96 Zoals ook de advocaat-generaal in punt 69 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan een parlementslid dat wordt geconfronteerd met een verzoek om verantwoording af te leggen over de gemaakte kosten voor parlementaire assistentie en niet beschikt over alle daarvoor benodigde bewijzen – die zijns inziens wel in het bezit zijn van het Parlement – zich er dus in eerste instantie toe beperken om in de opmerkingen die hij in antwoord op dat verzoek bij het Parlement indient, de door zijn medewerker verrichte werkzaamheden uiteen te zetten, en daarbij de bewijzen die hij wel bezit over te leggen en te verwijzen naar de bewijzen die wellicht in het bezit zijn van het Parlement.
97 In navolging van de advocaat-generaal in punt 70 van haar conclusie moet evenwel worden benadrukt dat een dergelijke verwijzing voldoende nauwkeurig moet aangeven om welke bewijsstukken het gaat en welke de feiten zijn die met behulp van die bewijsstukken kunnen worden aangetoond en die betrekking hebben op de reële aard van het werk van de betrokken medewerker en op het verband tussen dat werk en het mandaat van het parlementslid. Dergelijke aanwijzingen zijn namelijk onontbeerlijk om het Parlement in staat te stellen die bewijsstukken terug te vinden en te onderzoeken, zodat het kan nagaan of zij daadwerkelijk het door het parlementslid gevraagde bewijs leveren.
98 Indien het Parlement na onderzoek van het betrokken bewijsmateriaal van mening zou zijn dat daarmee niet kan worden aangetoond dat het werk door de parlementaire medewerker van het betrokken lid daadwerkelijk is verricht, of dat dit werk verband houdt met de uitoefening van het mandaat van dat lid, zal het Parlement, om de volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van dat lid te waarborgen, dat bewijsmateriaal aan het dossier moeten toevoegen, het parlementslid toegang tot dat dossier moeten verlenen, met inachtneming van onder meer de vertrouwelijkheidsvereisten, en hem de mogelijkheid moeten bieden om zijn opmerkingen aan te vullen, indien hij dat wenst.
99 Gelet op de overwegingen in de punten 86 tot en met 98 van dit arrest moet derhalve worden vastgesteld dat punt 90 van het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het Gerecht daarin heeft geoordeeld dat – behoudens het aanvoeren van redenen die in het licht van de omstandigheden van de zaak en de toepasselijke regels gerechtvaardigd kunnen worden geacht – wanneer een parlementslid dat wordt verzocht de reële aard van het werk van zijn parlementaire medewerker en het verband tussen dat werk en de uitoefening van zijn mandaat aan te tonen, daarom verzoekt, het Parlement aan dat parlementslid alle gegevens in zijn bezit moet verstrekken die „relevant lijken”, zonder te verlangen dat een dergelijk verzoek, overeenkomstig de in de punten 96 en 97 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, een voldoende nauwkeurige uiteenzetting verstrekt van zowel de bewijsstukken die zich mogelijk in het bezit van het Parlement bevinden als de feiten betreffende de reële aard van het werk van die assistent en het verband tussen dat werk en het mandaat van het parlementslid, zodat het Parlement deze gegevens kan identificeren om ze te kunnen controleren.
100 Bijgevolg moet het vijfde middel worden aanvaard.
101 Wat in de tweede plaats het eerste onderdeel van het tweede middel en het derde en het vierde onderdeel van het derde middel betreft, waarmee het Parlement opkomt tegen de motivering in het bestreden arrest dat de rechten van verdediging van TC zijn geschonden omdat zijn e‑mails van 2015 en 2016, de gegevens van A betreffende het gebruik van diens toegangsbadge van het Parlement en de informatie over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement is gevraagd, hem niet zijn meegedeeld, zij opgemerkt dat van een instelling niet kan worden verlangd dat zij bewijsmateriaal aan het dossier van een ingeleide administratieve procedure toevoegt dat niet bestaat of dat niet meer bestaat op de datum waarop die procedure wordt ingeleid.
102 Dit betekent niet dat het feit dat bepaalde informatie niet is geregistreerd of bepaalde gegevens niet zijn bewaard, geen invloed kan hebben op de uitkomst van de betrokken procedure. Deze kwestie heeft echter geen betrekking op het recht van toegang tot het dossier, zoals neergelegd in artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest. Zij is van belang voor de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal en van de feitelijke geldigheid van het besluit dat de betrokken instelling aan het einde van de betrokken procedure heeft genomen.
103 In het bijzonder kan, in een geval zoals het onderhavige, waarin het aan de betrokken persoon – in dit geval een voormalig lid van het Parlement – is om het bewijs te leveren van bepaalde feiten, bij gebreke waarvan de betrokken instelling – hier het Parlement – gerechtigd is een beslissing in een bepaalde richting te nemen, worden aangenomen dat deze persoon aan zijn bewijslast heeft voldaan, ook al lijken de door hem overgelegde bewijzen op het eerste gezicht ontoereikend, indien blijkt dat de instelling ten onrechte heeft nagelaten bepaalde andere gegevens te bewaren die een vollediger bewijs hadden kunnen leveren.
104 Omgekeerd kan die persoon worden geacht niet aan die bewijslast te hebben voldaan, indien de door hem overgelegde bewijselementen ontoereikend zijn en hij geen bewijselementen heeft overgelegd die hij diende te bewaren en op verzoek moest overleggen.
105 In casu blijkt uit de punten 85, 86, 92 en 96 van het bestreden arrest dat op 8 juni 2020, de datum waarop de terugvorderingsprocedure tegen TC werd ingeleid, zijn e‑mails van 2015 en 2016 reeds uit het systeem van het Parlement waren verwijderd, overeenkomstig het e‑mailbewaarbeleid van die instelling, op grond waarvan e‑mails in beginsel na 90 dagen, en bij uitzondering, na één jaar, werden gewist.
106 Voorts blijkt uit punt 106 van het bestreden arrest dat de gegevens betreffende het gebruik van de toegangsbadges van het Parlement gedurende maximaal vier maanden werden bewaard en dat de interventies van de beveiligingsagenten van het Parlement niet officieel werden geregistreerd.
107 In de punten 130 en 131 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de redenen die het Parlement in zijn brief van 8 januari 2021 had aangevoerd ter rechtvaardiging van de niet-mededeling aan TC van met name zijn e‑mails van 2015 en 2016, de gegevens van A betreffende het gebruik van diens toegangsbadge van het Parlement en informatie over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement was gevraagd, ongegrond of ontoereikend waren. Bijgevolg kon niet worden uitgesloten dat TC een kans was ontnomen om zich beter te verweren door zijn recht om te worden gehoord – gewaarborgd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest – dienstig en doeltreffend uit te oefenen.
108 Evenwel blijkt ten eerste uit de overwegingen in de punten 101 tot en met 104 van het onderhavige arrest dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen te oordelen dat het Parlement, ter bescherming van de rechten van verdediging van TC, deze toegang had moeten verlenen tot gegevens die ofwel nooit hadden bestaan, ofwel, op de datum waarop de procedure werd ingeleid die heeft geleid tot de vaststelling van het litigieuze besluit, niet meer bestonden en dus geen deel uitmaakten van het dossier van die procedure.
109 Ten tweede volstaat het om, net als het Gerecht in punt 93 van het bestreden arrest, op te merken dat niets eraan in de weg stond dat het Parlement e‑mails die niet specifiek door de leden en de andere gebruikers van het e‑mailsysteem van het Parlement werden bewaard, automatisch verwijderde na de periode van 90 dagen waarin het ten tijde van de feiten van de onderhavige zaak geldende e‑mailbewaarbeleid van het Parlement voorzag, zonder dat hoeft te worden nagegaan of, zoals het Parlement betoogt, afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de vrijheid en de onafhankelijkheid van de leden wanneer het Parlement de e‑mails van de leden voor onbepaalde tijd of langer dan die periode van 90 dagen zou bewaren.
110 Het Gerecht heeft echter blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 95 van het bestreden arrest te oordelen dat aangezien het Parlement reeds begin 2016 kennis had gekregen van het bestaan van een „conflictsituatie tussen [TC en A] omtrent de vraag of [A] zijn activiteiten voor [TC] uitoefende met naleving van de regels inzake parlementaire assistentie”, het aan het Parlement stond om „vanaf dat moment de bewaring te verzekeren van e‑mails die mogelijk het bewijs konden verschaffen van de juiste aard van de activiteiten van [A], en dit gedurende het verloop van de ontslagprocedure en, indien deze aanleiding gaf tot andere rechterlijke of administratieve procedures, zoals een terugvorderingsprocedure, zolang die andere procedures nog liepen”.
111 Uit de punten 86, 92 en 96 tot en met 98 van het bestreden arrest blijkt immers dat het Parlement zich had verbonden aan een e‑mailbewaarbeleid waarbij e‑mails in beginsel automatisch werden verwijderd na een bewaartermijn van 90 dagen, tenzij de betrokkenen deze zelf hadden bewaard. Het Parlement kon, ondanks kennis van een „conflictsituatie” tussen een lid en zijn parlementaire medewerker, niet van dit beleid afwijken.
112 Dit geldt temeer daar het Parlement, om de e‑mails die relevant konden zijn voor de conflictsituatie tussen TC en A te bewaren, een selectie van hun e‑mails had moeten maken, wat een grote en ongegronde inbreuk zou zijn geweest op de privésfeer van zowel het parlementslid als de parlementaire medewerker. Dienaangaande moet, zoals ook advocaat-generaal in punt 87 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden vastgesteld dat e‑mails die door een lid van het Parlement worden verzonden of ontvangen, overeenkomstig artikel 4 van het Statuut van de leden geen documenten van het Parlement vormen en dus eigendom zijn van het lid zelf.
113 Om over eventuele uit die conflictsituatie voortvloeiende procedures uitspraak te doen, hoefde het Parlement bovendien de tussen TC en A uitgewisselde e‑mails niet uit voorzorg en op eigen initiatief te bewaren. Het kon zich ter zake baseren op de verklaringen van de betrokken partijen en op het door hen overgelegde bewijsmateriaal, met inbegrip van, in voorkomend geval, de e‑mails die zij hadden bewaard en overgelegd.
114 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bewijslast met betrekking tot de kosten van assistentie door persoonlijke medewerkers, zoals in punt 92 van het onderhavige arrest is aangegeven, op de leden rust.
115 Ten derde moet om soortgelijke redenen als in de punten 112 tot en met 114 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, worden geoordeeld dat het Parlement, anders dan het Gerecht in wezen heeft vastgesteld, evenmin verplicht was om de gegevens van A betreffende het gebruik van diens toegangsbadge van het Parlement langer te bewaren dan de gebruikelijke bewaartermijn, noch om een register bij te houden van de met betrekking tot A gevraagde interventies van de beveiligingsagenten van het Parlement.
116 Uit de overwegingen in de punten 101 tot en met 115 van het onderhavige arrest volgt dat ook het eerste onderdeel van het tweede middel en het derde en het vierde onderdeel van het derde middel moeten worden aanvaard.
117 Wat in de derde plaats de in de punten 109 tot en met 118 van het bestreden arrest uiteengezette motivering met betrekking tot de door het Parlement in de brief van 8 januari 2021 aangevoerde verordening 2018/1725 betreft, waartegen door het Parlement wordt opgekomen met het eerste onderdeel van zijn derde middel, heeft het Gerecht in punt 110 van dat arrest terecht opgemerkt dat de door TC gevraagde gegevens niet konden worden geacht „nodig [te zijn] voor de uitvoering van een taak die wordt verricht in het algemeen belang of ter uitoefening van het door de ontvanger beklede openbaar gezag” in de zin van artikel 9, lid 1, onder a), van die verordening.
118 Zoals de advocaat-generaal in de punten 97 en 98 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet daarentegen worden aangenomen dat het voeren van een procedure tot terugvordering van de door het Parlement voor een lid onverschuldigd betaalde kosten voor parlementaire assistentie, met inachtneming van de rechten van verdediging van dat lid beantwoordt aan een „specifiek doel in het openbaar belang” in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725.
119 Indien het dossier van de betrokken terugvorderingsprocedure persoonsgegevens bevat, verzet die verordening zich er dus niet tegen dat het Parlement, ter naleving van zijn verplichting uit hoofde van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest, het betrokken lid toegang verschaft tot die gegevens, mits dit gebeurt overeenkomstig de in artikel 9, lid 1, onder b), van die verordening gestelde voorwaarden, met dien verstande dat overeenkomstig artikel 41, lid 2, onder b), inzage in het dossier moet worden verleend met inachtneming van met name „het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid”.
120 Het door het Parlement aangevoerde gebrek aan samenhang in de motivering van het bestreden arrest vloeit dus voort uit een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door in punt 111 van dat arrest ten onrechte te oordelen dat de mededeling van dergelijke gegevens niet beantwoordde aan een „specifiek doel in het openbaar belang” in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725.
121 Ofschoon het Gerecht in de punten 110 en 111 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat artikel 9, lid 1, van verordening 2018/1725 geen rechtvaardigingsgrond kan zijn voor de mededeling van persoonsgegevens aan een parlementslid die wordt verzocht de voor hem gemaakte kosten voor parlementaire assistentie te verantwoorden, heeft het in punt 117 van dat arrest geoordeeld dat het Parlement in casu verplicht was om TC toegang tot de persoonsgegevens in het dossier van A te verlenen „na het belang dat die [parlementaire medewerker] erbij heeft dat gegevens over hem niet aan derden worden meegedeeld te hebben afgewogen tegen [het] belang [van TC] om in het kader van de tegen hem ingestelde terugvorderingsprocedure dienstig en doeltreffend opmerkingen te kunnen maken”.
122 Daarmee heeft het Gerecht uiteindelijk erkend dat het Parlement TC toegang tot de persoonsgegevens van die parlementaire medewerker moest verlenen met inachtneming van voorwaarden die in wezen overeenkomen met die van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725.
123 Bijgevolg kan het eerste onderdeel van het derde middel hoe dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en moet het niet ter zake dienend worden verklaard.
124 Wat in de vierde en laatste plaats het persoonsdossier van A betreft, volgt – zoals het Parlement in het kader van het tweede onderdeel van zijn derde middel aanvoert – uit artikel 26, laatste alinea, van het Statuut, welke bepaling krachtens artikel 127, eerste volzin, RAP van toepassing is op geaccrediteerde parlementaire medewerkers, dat het persoonsdossier van een dergelijke medewerker slechts in de lokalen van het Parlement of op een beveiligde elektronische drager kan worden geraadpleegd en alleen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden toegezonden wanneer een beroep waarbij de medewerker in kwestie is betrokken, wordt ingesteld.
125 In casu blijkt uit punt 87, laatste streepje, van het bestreden arrest dat TC het Parlement niet had gevraagd om het persoonsdossier van A te mogen raadplegen in zijn lokalen of op een beveiligde elektronische drager, maar om het hem toe te zenden. Een dergelijke toezending zou in strijd zijn geweest met artikel 26 van het Statuut.
126 Het Gerecht heeft bijgevolg blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 121 en 122 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat het Parlement zich voor de afwijzing van dat verzoek van TC niet met succes kon beroepen op artikel 26 van het Statuut, aangezien de vertrouwelijkheid van de stukken in dat dossier, voor zover deze nodig waren om zijn recht om te worden gehoord uit te oefenen, niet kon worden tegengeworpen aan TC, die als directe chef van A overigens de auteur van sommige stukken in dat dossier was.
127 Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het derde middel worden aanvaard.
128 Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening moet worden toegewezen en dat de punten 2 en 3 van het dictum van het bestreden arrest moeten worden vernietigd.
129 In die omstandigheden hoeven het eerste en het vierde middel en het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel niet te worden onderzocht, aangezien daarmee wordt opgekomen tegen overwegingen van het bestreden arrest die berusten op een veronderstelling waarvan bij het onderzoek van het vijfde middel is gebleken dat zij is ingegeven door een onjuiste rechtsopvatting.
130 Daarentegen kan punt 1 van dat dictum, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp was geraakt en dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over de rechtmatigheid van het litigieuze besluit en de debetnota, voor zover deze betrekking hadden op het loon, de sociale kosten en de reiskosten betreffende de tewerkstelling van A in de periode van 1 april tot en met 22 november 2016, ten bedrage van 28083,67 EUR, niet worden geacht het voorwerp van de hogere voorziening te zijn, aangezien het Parlement met betrekking tot dat deel van het bestreden arrest niet in het ongelijk is gesteld.
Beroep bij het Gerecht
131 Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.
132 In casu is de zaak in staat van wijzen wat het eerste en het tweede middel van het beroep betreft.
133 Het eerste middel is formeel ontleend aan schending van het in artikel 41, lid 1, van het Handvest neergelegde beginsel van eerbiediging van de redelijke termijn. De door TC ter ondersteuning van dat middel aangevoerde argumenten zijn samengevat in de punten 54 en 55 van het bestreden arrest en zijn door het Gerecht afgewezen om de in de punten 57 tot en met 66 van dat arrest uiteengezette redenen, die niet ter discussie staan, aangezien TC geen incidentele hogere voorziening tegen dat deel van dat arrest heeft ingesteld (zie in die zin arrest van 23 november 2021, Raad/Hamas,C‑833/19 P, EU:C:2021:950, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
134 In het kader van dat middel heeft TC evenwel ook argumenten aangevoerd met betrekking tot de weigering van het Parlement in de brief van 8 januari 2021 om hem de gevraagde gegevens mee te delen. Het Gerecht heeft deze in de punten 70 en 71 van het bestreden arrest samengevatte argumenten onderzocht samen met het tweede middel van het beroep – betreffende schending van de in artikel 41, lid 2, van het Handvest neergelegde rechten om te worden gehoord en om inzage te krijgen in het dossier en betreffende niet-nakoming van de in die bepaling neergelegde motiveringsplicht – dat door het Gerecht is aanvaard. Aangezien het bestreden arrest is vernietigd, moeten die argumenten en dat tweede middel samen worden onderzocht.
135 TC betoogt dat het Parlement zijn recht om te worden gehoord en zijn recht van toegang tot het dossier, zoals neergelegd in artikel 41, lid 2, van het Handvest, heeft geschonden, aangezien het zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op de conclusies van het arrest L/Parlement, zonder hem de bewijselementen waarop deze conclusies steunen – meer bepaald een nota van A van 9 mei 2016 – mee te delen. Voorts is hij van mening dat hem door het e‑mailbewaarbeleid van het Parlement, dat volgens hem onverenigbaar is met overweging 22 van verordening 2018/1725 en waarvan hij beweert niet op de hoogte te zijn geweest, de mogelijkheid is ontnomen om bewijselementen over te leggen tegen de aantijgingen van het Parlement. Bovendien verwijt hij het Parlement dat het zich ten onrechte op artikel 9 van die verordening heeft beroepen om hem de toegang tot de door hem gevraagde bewijselementen te weigeren.
136 Uit de in de punten 86 tot en met 116 en 124 tot en met 126 van het onderhavige arrest uiteengezette motivering blijkt evenwel dat de weigering van het Parlement in de brief van 8 januari 2021 om TC de door hem gevraagde bewijselementen mee te delen, niet kan worden beschouwd als een schending van zijn rechten van verdediging, en met name van zijn recht om te worden gehoord.
137 Ten eerste heeft TC met zijn verzoeken van 4 augustus en 22 september 2020, waarnaar respectievelijk in de punten 24 en 26 van het onderhavige arrest wordt verwezen, gewoon verzocht om mededeling van een hele reeks elementen die op algemene wijze werden omschreven, zonder de te bewijzen feiten of de elementen die deze feiten zouden kunnen bewijzen, te specificeren. TC heeft met name niet aangegeven waaruit het werk van A bestond, wat het verband was tussen dat werk en de uitoefening van zijn parlementair mandaat, noch hoe de gevraagde bewijselementen, die zich in het bezit van het Parlement zouden bevinden, konden dienen ter staving van dat werk en dat verband.
138 Ten tweede zij opgemerkt dat een aantal van de gevraagde bewijselementen, te weten de e‑mails van TC van 2015 en 2016, de gegevens van A betreffende het gebruik van diens toegangsbadge van het Parlement en de informatie over het aantal keren dat tegen A de bescherming van het Parlement was gevraagd, nooit hebben bestaan of in elk geval niet bestonden ten tijde van de inleiding van de betrokken procedure, en dus ook niet op het moment waarop TC zijn verzoek indiende.
139 Ten derde was het overeenkomstig artikel 26 van het Statuut verboden om het persoonsdossier van A mee te delen aan TC.
140 Wat het argument van TC betreft dat het Parlement in het litigieuze besluit zou hebben verwezen naar de conclusies van het arrest L/Parlement, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest, het Parlement TC een kopie van het arrest L/Parlement heeft doen toekomen. Hierdoor kan het Parlement niet worden verweten dat het in het litigieuze besluit rekening heeft gehouden met elementen waartoe TC geen toegang had.
141 Bijgevolg moeten het eerste en het tweede middel van het beroep bij het Gerecht worden afgewezen.
142 De zaak is niet in staat van wijzen voor het overige, aangezien het door TC ter ondersteuning van zijn beroep aangevoerde derde tot en met vijfde middel niet door het Gerecht zijn onderzocht.
143 Bijgevolg moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht om over die middelen uitspraak te doen.
Kosten
144 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten van de onderhavige hogere voorziening te worden aangehouden.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) De punten 2 en 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 juni 2023, TC/Parlement (T‑309/21, EU:T:2023:315), worden vernietigd.
2) Het eerste en het tweede middel van het beroep bij het Gerecht van de Europese Unie worden afgewezen.
3) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie om over het derde tot en met het vijfde middel van het beroep uitspraak te doen.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Litouws.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 7 juni 2023, T-309/21, ECLI:EU:T:2023:315
- HvJ EU 23 november 2021, C-833/19, ECLI:EU:C:2021:950
- HvJ EU 18 juni 2020, C-831/18, ECLI:EU:C:2020:481
- Gerecht EU 7 maart 2019, T-59/17, ECLI:EU:T:2019:140
- HvJ EU 6 september 2018, C-4/17, ECLI:EU:C:2018:678
- HvJ EU 18 juli 2013, C-584/10, ECLI:EU:C:2013:518
- HvJ EU 25 oktober 2011, C-110/10, ECLI:EU:C:2011:687