HvJ EU 30 april 2025, C-386/23, ECLI:EU:C:2025:304
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
30 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Verordening (EG) nr. 1924/2006 – Voedings‑ en gezondheidsclaims voor levensmiddelen – Artikel 10, leden 1 en 3 – Specifieke voorwaarden voor gezondheidsclaims – Artikelen 13 en 14 – Lijsten van toegestane gezondheidsclaims – Artikel 28, leden 5 en 6 – Overgangsmaatregelen – Reclame waarin een voedingssupplement wordt gepromoot aan de hand van gezondheidsclaims die verband houden met botanische substanties in dat supplement – Gezondheidsclaims waarvan de beoordeling door de Europese Commissie is opgeschort – Toepasselijkheid van verordening nr. 1924/2006”
In zaak C‑386/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 1 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2023, in de procedure
Novel Nutriology GmbH
tegen
Verband Sozialer Wettbewerb eV,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: N. Mundhenke, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 juni 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– Novel Nutriology GmbH, vertegenwoordigd door T. Büttner, Rechtsanwalt,
– Verband Sozialer Wettbewerb eV, vertegenwoordigd door D. Marquardt, Rechtsanwalt,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Karra, E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door M. de Lisi, H. Nunes da Silva en B. Travard als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Di Benedetto, avvocato dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Rous Demiri en E. Schmidt als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, leden 1 en 3, en artikel 28, leden 5 en 6, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings‑ en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB 2006, L 404, blz. 9, met rectificatie in PB 2007, L 12, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 (PB 2008, L 39, blz. 14) (hierna: „verordening nr. 1924/2006”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Novel Nutriology GmbH en Verband Sozialer Wettbewerb eV (hierna: „VSW”) over de commerciële reclame die Novel Nutriology maakt om een voedingssupplement te promoten aan de hand van gezondheidsclaims die verband houden met botanische substanties in dat supplement.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2002/46
3 Artikel 2 van richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB 2002, L 183, blz. 51) bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚voedingssupplementen’: als aanvulling op de normale voeding bedoelde voedingsmiddelen die een geconcentreerde bron van een of meer nutriënten of andere stoffen met een nutritioneel of fysiologisch effect vormen en in voorgedoseerde vorm op de markt worden gebracht, namelijk als capsules, pastilles, tabletten, pillen, en soortgelijke vormen, zakjes poeder, ampullen met vloeistof, druppelflacons, en soortgelijke vormen van vloeistoffen en poeders bedoeld voor inname in afgemeten kleine eenheidshoeveelheden; […]”
Verordening nr. 1924/2006
4 De overwegingen 1, 9, 14, 16, 17, 23, 24 en 35 van verordening nr. 1924/2006 luiden: „(1) Er komen in de Gemeenschap steeds meer levensmiddelen waarvoor op het etiket of in reclameboodschappen voedings‑ en gezondheidsclaims worden gedaan. Om een hoog beschermingsniveau voor de consumenten te waarborgen en hun keuze te vergemakkelijken, dienen de in de handel gebrachte producten […] veilig en naar behoren geëtiketteerd te zijn. […] […] (9) In een levensmiddel kunnen allerlei nutriënten en andere stoffen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, voedingsvezels, diverse planten‑ en kruidenextracten, met een nutritioneel of fysiologisch effect aanwezig zijn waarvoor een claim kan worden gedaan. Derhalve moeten er algemene beginselen voor alle claims inzake levensmiddelen worden vastgesteld om een hoog beschermingsniveau voor de consument te waarborgen, de consument de informatie te verstrekken die hij nodig heeft om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, en gelijke concurrentievoorwaarden voor de levensmiddelenindustrie te scheppen. […] (14) In de etikettering van en de reclame voor levensmiddelen worden in sommige lidstaten momenteel allerlei claims gebruikt betreffende stoffen waarvan niet bewezen is dat zij heilzaam zijn of waarover nog onvoldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat. Er moet voor worden gezorgd dat de stoffen waarvoor een claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben. […] (16) Claims inzake levensmiddelen moeten voor de consument begrijpelijk zijn en alle consumenten moeten tegen misleidende claims worden beschermd. […] (17) Wetenschappelijke onderbouwing dient bij het gebruik van voedings‑ en gezondheidsclaims op de eerste plaats te komen; exploitanten van levensmiddelenbedrijven die claims gebruiken, moeten deze onderbouwen. Een claim wetenschappelijk onderbouwen dient te gebeuren door rekening te houden met alle beschikbare wetenschappelijke gegevens en door de bewijzen te wegen. […] (23) Het gebruik van gezondheidsclaims in de Gemeenschap mag pas na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengst mogelijke normen worden toegestaan. Met het oog op een geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van die claims dient de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid [(EFSA)] daarmee te worden belast. De aanvrager dient op verzoek inzage in zijn dossier te krijgen om de stand van de procedure te verifiëren. (24) Psychologische en gedragsfuncties kunnen, behalve door de voeding, nog door tal van andere factoren worden beïnvloed. Dit is een uiterst complexe materie en daardoor is het niet eenvoudig om een volledige, correcte en zinvolle boodschap over te brengen in een korte claim die in de etikettering en reclame voor levensmiddelen kan worden gebruikt. Daarom dienen claims met betrekking tot psychologische of gedragsaspecten wetenschappelijk te worden onderbouwd. […] (35) Toereikende overgangsmaatregelen zijn nodig om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van deze verordening aan te passen.”
5 Artikel 1 („Onderwerp en toepassingsgebied”) van verordening nr. 1924/2006 bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Deze verordening harmoniseert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings‑ en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken. 2. Deze verordening is van toepassing op voedings‑ en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd. […]”
6 In artikel 2 („Definities”) van die verordening wordt bepaald: „1. Voor de toepassing van deze verordening: […] b) geldt de definitie van ‚voedingssupplement’ van [richtlijn 2002/46]; […] 2. Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing: […] 5) gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid; […]”
7 Hoofdstuk II („Algemene beginselen”) van die verordening omvat de artikelen 3 tot en met 7.
8 Artikel 3 („Algemene beginselen voor alle claims”) van die verordening luidt: „Voedings‑ en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening. Onverminderd [richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 2000, L 109, blz. 29) en richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB 1984, L 250, blz. 17)] mogen voedings‑ en gezondheidsclaims niet: a) onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn; […]”
9 Artikel 5 („Algemene voorwaarden”) van die verordening is als volgt verwoord: „1. Voedings‑ en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de aanwezigheid, de afwezigheid of de verlaagde hoeveelheid in een levensmiddel of levensmiddelencategorie van een nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, heeft een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect, dat is vastgesteld aan de hand van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs; […] 2. Voedings‑ en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument de heilzame effecten die in de claim worden beschreven, begrijpt. […]”
10 Artikel 6 („Wetenschappelijke onderbouwing van claims”) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Voedings‑ en gezondheidsclaims zijn gebaseerd op en onderbouwd door algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs. 2. Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die gebruikmaakt van een voedings‑ of gezondheidsclaim, dient dit te rechtvaardigen.”
11 Hoofdstuk IV („Gezondheidsclaims”) van verordening nr. 1924/2006 omvat de artikelen 10 tot en met 19.
12 Artikel 10 („Specifieke voorwaarden”) van die verordening bepaalt: „1. Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk, en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend, en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims. […] 3. Verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid zijn alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten. […]”
13 Artikel 13 („Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan”) van die verordening luidt: „1. Gezondheidsclaims die het volgende beschrijven of waarin naar het volgende wordt verwezen: a) de rol van een nutriënt of andere stof bij de groei en ontwikkeling en de functies van het lichaam, of b) psychologische functies of gedragsfuncties, […] […] en die staan vermeld op de in lid 3 bedoelde lijst, zijn toegestaan zonder dat zij aan de in de artikelen 15 tot en met 19 bedoelde procedures hoeven te worden onderworpen, indien zij: i) zijn gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs, en ii) door de gemiddelde consument goed begrepen worden. 2. De lidstaten verstrekken de [Europese] Commissie uiterlijk op 31 januari 2008 een lijst met claims als bedoeld in lid 1, tezamen met de voorwaarden die daarop van toepassing zijn en verwijzingen naar het desbetreffende wetenschappelijk bewijs. 3. Na raadpleging van [EFSA], stelt de Commissie, volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, uiterlijk op 31 januari 2010 een communautaire lijst, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, vast van toegestane claims als bedoeld in lid 1 en van alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van deze claims. 4. Aanpassingen van de in lid 3 bedoelde lijst op basis van algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs, en die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, vastgesteld, na raadpleging van [EFSA], op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat. 5. Toevoegingen van claims aan de in lid 3 bedoelde lijst die gebaseerd zijn op nieuw wetenschappelijk bewijs en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhouden, worden volgens de procedure van artikel 18 goedgekeurd, behalve claims die verband houden met de ontwikkeling en gezondheid van kinderen die volgens de procedure van de artikelen 15, 16, 17 en 19 worden goedgekeurd.”
14 Artikel 14 („Claims inzake ziekterisicobeperking en claims die verband houden met de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen”) van die verordening bepaalt: „1. Niettegenstaande artikel 2, lid 1, onder b), van [richtlijn 2000/13] mogen de volgende claims worden gedaan indien er volgens de procedure van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van deze verordening een vergunning is verleend om ze op te nemen in een communautaire lijst van dergelijke toegestane claims, tezamen met alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van die claims: a) claims inzake ziekterisicobeperking; b) claims die verband houden met de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen. 2. Naast de algemene voorschriften van deze verordening en de specifieke voorschriften van lid 1 geldt bij claims inzake ziekterisicobeperking dat op de etikettering, of bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame, ook moet worden vermeld dat de ziekte waaraan de claim verwijst, meerdere risicofactoren heeft en dat verandering van een van die factoren al dan niet een heilzaam effect kan hebben.”
15 Artikel 15 („Aanvragen van een vergunning”) van verordening nr. 1924/2006 bepaalt in lid 3: „De aanvraag bevat het volgende: […] c) een afschrift van de verrichte onderzoeken, met inbegrip van, voor zover beschikbaar, onafhankelijke collegiaal getoetste studies die met betrekking tot de gezondheidsclaim zijn verricht en alle andere gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat de gezondheidsclaim aan de criteria van deze verordening voldoet; […] e) een afschrift van andere wetenschappelijke studies die voor de gezondheidsclaim van belang zijn; f) een voorstel voor de tekst van de gezondheidsclaim waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, in voorkomend geval met inbegrip van specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan; […]”
16 Artikel 16 („Advies van [EFSA]) van die verordening schrijft in de leden 3 en 5 ervan het volgende voor: „3. Voor het opstellen van het advies zal [EFSA] verifiëren: a) of de voorgestelde tekst van de gezondheidsclaim met wetenschappelijke staving is onderbouwd; b) of de tekst van de gezondheidsclaim voldoet aan de criteria van deze verordening. […] 5. [EFSA] zendt het advies aan de Commissie, de lidstaten en de aanvrager, tezamen met een rapport waarin haar beoordeling van de gezondheidsclaim wordt beschreven en het advies wordt gemotiveerd alsook de gegevens waarop het advies is gebaseerd.”
17 Artikel 17 („Communautaire vergunning”) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 5: „1. De Commissie legt binnen twee maanden na ontvangst van het advies van [EFSA] aan het in artikel 23, lid 2, bedoelde comité een ontwerpbesluit betreffende de lijsten van toegestane gezondheidsclaims voor, daarbij rekening houdend met het advies van [EFSA], de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en andere factoren die ter zake een rol spelen. Indien het ontwerpbesluit niet in overeenstemming is met het advies van [EFSA], geeft de Commissie een verklaring voor de verschillen. […] 5. Gezondheidsclaims die op de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten staan, kunnen overeenkomstig de daarvoor geldende voorwaarden door elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden gebruikt, tenzij het gebruik ervan overeenkomstig artikel 21 is beperkt. […]”
18 In artikel 18 („In artikel 13, lid 5, genoemde gezondheidsclaims”) van die verordening wordt het volgende bepaald: „1. Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die voornemens is gebruik te maken van een gezondheidsclaim die niet voorkomt in de lijst bedoeld in artikel 13, lid 3, kan een aanvraag indienen voor opname van de claim in deze lijst. […] 3. De geldige aanvraag, in lijn met de in artikel 15, lid 5, genoemde richtsnoeren, en alle door de aanvrager verstrekte informatie worden onverwijld toegezonden aan [EFSA] voor een wetenschappelijke beoordeling en naar de Commissie en de lidstaten ter informatie. […] […]”
19 In artikel 28 („Overgangsmaatregelen”) van die verordening staat: „[…] 5. De in artikel 13, lid 1, onder a), vermelde gezondheidsclaims kunnen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot de aanneming van de in artikel 13, lid 3, vermelde lijst onder de verantwoordelijkheid van bedrijfsexploitanten worden gedaan, mits zij stroken met deze verordening en met de toepasselijke nationale bepalingen en onverminderd de aanneming van de in artikel 24 bedoelde vrijwaringsmaatregelen. 6. Ten aanzien van andere dan de in artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 1, onder a), genoemde gezondheidsclaims die, in overeenstemming met de nationale bepalingen, vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn gebruikt, geldt het volgende: a) gezondheidsclaims die in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, worden als volgt toegestaan: i) de lidstaten doen de Commissie die claims uiterlijk op 31 januari 2008 toekomen, vergezeld van een verslag met de evaluatie van de wetenschappelijke gegevens ter staving van de claim; ii) na raadpleging van [EFSA] neemt de Commissie volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing een besluit met betrekking tot de gezondheidsclaims waaraan op die manier een vergunning werd verleend aan, dat niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen. Gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk zes maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt; b) gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan: deze claims kunnen verder worden gebruikt, mits voor 19 januari 2008 overeenkomstig deze verordening een aanvraag wordt ingediend; gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure kunnen verder worden gebruikt tot uiterlijk zes maanden nadat overeenkomstig artikel 17, lid 3, een besluit is genomen.”
Verordening nr. 432/2012
20 De overwegingen 10 en 11 van verordening (EU) nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB 2012, L 136, blz. 1) luiden: „(10) De Commissie heeft een aantal voor evaluatie ingediende claims geïdentificeerd, die betrekking hebben op de effecten van planten‑ of kruidensubstanties, algemeen bekend als ‚botanische substanties’, waarvoor [EFSA] nog een wetenschappelijke evaluatie moet uitvoeren. Bovendien bestaan er gezondheidsclaims waarvoor een verdere evaluatie is vereist voordat de Commissie in staat is om de eventuele opname in de lijst van toegestane claims te bestuderen of die zijn geëvalueerd maar waarvan de bestudering door de Commissie op dit ogenblik wegens andere rechtmatige factoren niet kan worden voltooid. (11) Claims waarvan de evaluatie door [EFSA] of de bestudering door de Commissie nog niet is voltooid, zullen op de website van de Commissie worden gepubliceerd en mogen verder gebruikt worden overeenkomstig artikel 28, leden 5 en 6, van [verordening nr. 1924/2006].”
Verordening nr. 536/2013
21 Overweging 9 van verordening (EU) nr. 536/2013 van de Commissie van 11 juni 2013 tot wijziging van verordening (EU) nr. 432/2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (PB 2013, L 160, blz. 4) luidt: „Ter waarborging van de transparantie en de rechtszekerheid voor alle belanghebbenden wordt de bekendmaking van claims waarvan de bestudering nog niet is afgerond, op de website van de Commissie gehandhaafd, en mogen deze uit hoofde van artikel 28, leden 5 en 6, van [verordening nr. 1924/2006] blijven worden gebruikt.”
Duits recht
22 § 3 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet inzake oneerlijke mededinging) van 3 juli 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 1414), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, heeft als opschrift „Verbod op oneerlijke handelspraktijken” en bepaalt het volgende: „(1) Oneerlijke handelspraktijken zijn ongeoorloofd. (2) Handelspraktijken die gericht zijn op consumenten of die hen bereiken, zijn oneerlijk indien zij niet in overeenstemming zijn met de zorgvuldigheid die een ondernemer dient te betrachten, en het economisch gedrag van de consument aanzienlijk kunnen beïnvloeden. […]”
23 § 3a van die wet heeft als opschrift „Schending van het recht” en luidt: „Eenieder die handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren, maakt zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk indien de inbreuk de belangen van consumenten, andere marktdeelnemers of concurrenten wezenlijk kan aantasten.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
24 Novel Nutriology verkoopt een voedingssupplement (hierna: „betrokken product”) waarvoor zij met de volgende claims met betrekking tot de bestanddelen „saffraanextract” en „meloensapextract” reclame heeft gemaakt op haar website: „1. Saffraanextract voor een positievere stemming. 2. Het saffraanextract Safr’Inside in [het betrokken product] werd in het kader van een open onderzoek gedurende een periode van 30 dagen getest op 50 deelnemers. Bij een dosis van 30 mg Safr’Inside per dag voelde 77 % van de proefpersonen zich na slechts twee weken gebruik emotioneel beter in evenwicht, optimistischer en gelukkiger. 66 % voelde zich ook meer ontspannen en dynamisch. Na 30 dagen sliep 11 % van de proefpersonen beter. 3. Onderzoek heeft aangetoond dat meloensapextract met superoxidedismutase na vier weken zorgde voor verminderde gevoelens van stress en uitputting. Bovendien verminderden prikkelbaarheid en vermoeidheid met 63 %, wat tot een aanzienlijke verbetering van de levenskwaliteit leidde.”
25 VSW, een beroepsvereniging naar Duits recht die volgens haar statuten met name tot doel heeft de commerciële belangen van haar leden te behartigen, meende dat die claims op grond van artikel 10 van verordening nr. 1924/2006 verboden waren en heeft Novel Nutriology bij brief van 23 oktober 2019 dan ook verzocht om een onthoudingsverklaring met betrekking tot het gebruik van die claims af te geven.
26 Novel Nutriology heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven, waarop VSW bij het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) een vordering heeft ingesteld om Novel Nutriology op straffe van een dwangsom te doen verbieden om in het handelsverkeer met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims reclame te maken voor het betrokken product.
27 Nadat die rechter deze vordering had toegewezen, heeft Novel Nutriology tegen het vonnis van die rechter hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hamburg, Duitsland), dat is verworpen.
28 Novel Nutriology heeft tegen het arrest van die rechter beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
29 Laatstgenoemde rechter wijst er ten eerste op dat gezondheidsclaims krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006 verboden zijn, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van hoofdstuk IV van die verordening, er overeenkomstig die verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 ervan bedoelde lijsten van toegestane claims.
30 Ten tweede zijn krachtens artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten van toegestane claims.
31 Na te hebben opgemerkt dat het Oberlandesgericht Hamburg geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ter zake te oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims „gezondheidsclaims” in de zin van artikel 2, lid 2, punt 5, en artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 vormden, verklaart de verwijzende rechter niettemin dat er geen duidelijkheid is over de vraag of artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening van toepassing is op gezondheidsclaims met betrekking tot botanische substanties zolang EFSA en de Commissie het onderzoek van die claims met het oog op hun eventuele opneming in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten niet hebben afgerond.
32 Het antwoord op die vraag is doorslaggevend om die rechter in staat te stellen in het hoofdgeding uitspraak te doen omdat, mocht artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing zijn, de vordering van VSW om Novel Nutriology te doen verbieden met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims voor het betrokken product reclame te maken, zijns inziens dan moet worden toegewezen op grond dat die claims krachtens die verordening verboden zijn.
33 De verwijzende rechter verklaart dat artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 volgens de uitlegging van een deel van de Duitse rechters niet van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding. De Uniewetgever heeft namelijk slechts voorzien in een beperkt verbod op algemene en niet-specifieke gezondheidsclaims volgens hetwelk algemene verwijzingen naar de gezondheid alleen verboden zijn indien zij niet gepaard gaan met specifieke claims die zijn opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 van die verordening bedoelde lijsten, wat veronderstelt dat die lijsten zijn opgesteld.
34 Als gevolg van de opschorting door EFSA en de Commissie van het onderzoek van de gezondheidsclaims met betrekking tot „botanische substanties” kan een exploitant van een levensmiddelenbedrijf evenwel geen beslissing verkrijgen over specifieke gezondheidsclaims en kan hij bijgevolg een algemene verwijzing naar de gezondheid niet gepaard doen gaan met dergelijke gezondheidsclaims.
35 De niet-toepasselijkheid van die bepalingen zolang de Commissie geen stappen onderneemt ziet ook op de situatie waarin de betrokkene niet om opname van gezondheidsclaims in de in artikel 13 of artikel 14 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijsten heeft verzocht, aangezien een dergelijke aanvraag in de nabije toekomst geen kans van slagen zou hebben wegens de opschorting van het onderzoek van gezondheidsclaims met betrekking tot botanische substanties.
36 De verwijzende rechter ziet nog een ander argument voor de niet-toepasselijkheid van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006, namelijk dat het jarenlang stilzitten van de Commissie kan worden beschouwd als een onevenredige beperking van de vrijheid van ondernemerschap, zoals neergelegd in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), en als een ongerechtvaardigd verschil in behandeling vergeleken met de reclamemogelijkheden van concurrenten wier aanvraag tot opname van gezondheidsclaims in de in artikel 13 of artikel 14 van die verordening bedoelde lijsten, op substanties zien die door EFSA zijn beoordeeld en door de Commissie zijn onderzocht.
37 Volgens een tweede uitlegging, die door de verwijzende rechter wordt omschreven als het „standpunt van de meerderheid” van de Duitse rechters, is artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing op botanische substanties. Aan de vereisten van die bepaling moet evenwel worden geacht te zijn voldaan wanneer een verwijzing naar de algemene voordelen van een dergelijke substantie gepaard gaat met een specifieke gezondheidsclaim die mag worden gebruikt onder de voorwaarden van artikel 28, leden 5 en 6, van die verordening.
38 Die uitlegging vindt steun in het feit dat de bewoordingen van artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening geen onderscheid maken naargelang de gezondheidsclaims al dan niet verwijzen naar „botanische substanties”.
39 Bovendien staat een teleologische uitlegging eraan in de weg dat reclame met niet-specifieke gezondheidsclaims voor „botanische substanties” volledig kan worden vrijgesteld van de beperkingen van artikel 10, leden 1 en 3, zolang er geen afgeronde wetenschappelijke beoordeling is van de specifieke gezondheidsclaims die met deze algemene claims gepaard moeten gaan. Het risico bestaat namelijk dat consumenten voedingssupplementen en kruidengeneesmiddelen niet van elkaar zouden kunnen onderscheiden en dat, in strijd met de bedoeling van de Uniewetgever, het gebruik van voedingssupplementen met niet-onderzochte gezondheidsclaims de gezondheid van patiënten in gevaar kan blijven brengen.
40 Voorts kan met de legitieme belangen van exploitanten van levensmiddelenbedrijven om gebruik te kunnen maken van gezondheidsclaims voor „botanische substanties” voldoende rekening zijn gehouden doordat de Commissie er in overweging 11 van verordening nr. 432/2012 en in overweging 9 van verordening nr. 536/2013 op heeft gewezen dat gezondheidsclaims waarvan het onderzoek nog niet is afgerond op haar website blijven staan en uit hoofde van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening nr. 1924/2006 verder kunnen worden gebruikt.
41 Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gezondheidsclaims, die betrekking hebben op psychologische functies in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van die verordening, niet verder kunnen worden gebruikt uit hoofde van artikel 28, lid 6, onder b), ervan, aangezien Novel Nutriology vóór 19 januari 2008 geen vergunning krachtens die verordening heeft aangevraagd met betrekking tot die claims. Het Oberlandesgericht Hamburg heeft namelijk vastgesteld, zonder dat dit in het kader van het beroep in Revision is betwist, dat die onderneming geen aanvraag had ingediend met betrekking tot het bestanddeel meloensapextract van het betrokken product en dat de aanvraag met betrekking tot het bestanddeel saffraanextract dateerde van 13 januari 2009.
42 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Mag voor kruidensubstanties (‚botanische substanties’) reclame worden gemaakt met gezondheidsclaims (artikel 10, lid 1, van [verordening nr. 1924/2006]) of met verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid (artikel 10, lid 3, van [verordening nr. 1924/2006]), zonder dat die claims volgens deze verordening zijn toegestaan en in de in de artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten van toegestane claims zijn opgenomen (artikel 10, lid 1, van die verordening) of zonder dat deze verwijzingen gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in artikelen 13 of 14 van [verordening nr. 1924/2006] bedoelde lijsten (artikel 10, lid 3, van [die] verordening), zolang de beoordeling door [EFSA] en het onderzoek door de Commissie met betrekking tot de opname van de voor ‚botanische substanties’ ingediende claims in de communautaire lijsten als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van [verordening nr. 1924/2006] nog niet zijn voltooid?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
43 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in het kader van commerciële reclame voor een voedingssupplement bestaande uit „botanische substanties” in de zin van verordening nr. 432/2012 wordt toegestaan om specifieke gezondheidsclaims voor dergelijke substanties te gebruiken of te verwijzen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van een dergelijke substantie voor de algemene gezondheid en het welzijn op het gebied van gezondheid zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in die lijsten opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Commissie het onderzoek van de gezondheidsclaims voor de botanische substanties met het oog op de opneming ervan op de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 niet heeft afgerond.
44 Krachtens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 is die verordening van toepassing op voedings‑ en gezondheidsclaims die worden gedaan in commerciële mededelingen over levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd, waaronder, zoals volgt uit artikel 2, lid 1, onder b), van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/46, voedingssupplementen.
45 Overeenkomstig artikel 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 mogen dergelijke claims in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Europese Unie in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met die verordening.
46 In die context moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de specifieke voorwaarden voor gezondheidsclaims zijn opgenomen in hoofdstuk IV van verordening nr. 1924/2006, waartoe artikel 10, lid 1, behoort, en dat op grond van die bepaling gezondheidsclaims verboden zijn, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van hoofdstuk IV van die verordening, er overeenkomstig die verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 ervan bedoelde lijsten van toegestane claims.
47 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006 bevat dus een principieel verbod op gezondheidsclaims, met uitzondering van die welke zijn opgenomen in de in artikel 13 of artikel 14 bedoelde lijsten van toegestane claims (arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe,C‑524/18, EU:C:2020:60, punt 37).
48 Voorts bepaalt artikel 10, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 dat verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel op het gebied van gezondheid gepaard moeten gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in artikelen 13 en 14 van die verordening bedoelde lijsten.
49 Artikel 10 van die verordening maakt dus onderscheid tussen twee categorieën gezondheidsclaims, te weten, enerzijds de in lid 1 van dat artikel bedoelde specifieke gezondheidsclaims en, anderzijds, de in lid 3 van dat artikel bedoelde „algemene” gezondheidsclaims, die bestaan in een verwijzing naar algemene, niet-specifieke voordelen voor de algemene gezondheid (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe,C‑524/18, EU:C:2020:60, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat een specifieke gezondheidsclaim slechts mag worden gebruikt indien deze is opgenomen in een van de in artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 1, van die verordening bedoelde lijsten van toegestane gezondheidsclaims, terwijl elke algemene gezondheidsclaim gepaard moet gaan met een dergelijke specifieke claim.
51 In de tweede plaats moet worden benadrukt dat voor de opname van specifieke gezondheidsclaims in die lijsten verschillende vergunningsprocedures gelden, die er met name toe strekken te waarborgen, zoals blijkt uit artikel 6 van die verordening, gelezen in samenhang met overweging 23 ervan, dat zij wetenschappelijk verantwoord zijn.
52 Wat in het bijzonder gezondheidsclaims betreft die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen en die volgens de verwijzende rechter de categorie claims zijn waartoe de in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims behoren, is het op grond van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006, gelezen in samenhang met overweging 24 van die verordening, toegestaan om dergelijke claims te gebruiken, voor zover voldaan is aan bepaalde voorwaarden, waaronder dat die claims zijn gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs en dat zij door de gemiddelde consument goed begrepen worden.
53 De voorwaarde dat toegestane gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen zijn opgenomen op de in artikel 13 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijst, wordt dus gerechtvaardigd door de noodzaak om te waarborgen dat dergelijke gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan over levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruikers te worden geleverd, wetenschappelijk gefundeerd en goed begrepen zijn.
54 In de derde plaats zij opgemerkt dat de Commissie overeenkomstig artikel 13, lid 3, van die verordening verplicht was om EFSA te raadplegen met het oog op de vaststelling, uiterlijk op 31 januari 2010, van de lijst van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in lid 1 van dat artikel.
55 Zoals de Commissie ter terechtzitting voor het Hof evenwel heeft erkend, is de beoordeling van de gezondheidsclaims voor botanische substanties opgeschort en is de lijst van dergelijke claims nog niet vastgesteld.
56 Bovendien wordt in overweging 9 van verordening nr. 536/2013 in wezen verklaard dat gezondheidsclaims waarvan het onderzoek niet is afgerond, op de website van de Commissie blijven staan en verder mogen worden gebruikt overeenkomstig de overgangsmaatregelen van artikel 28, leden 5 en 6, van verordening nr. 1924/2006.
57 In het bijzonder vallen de in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006 bedoelde gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar die functies wordt verwezen, onder artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006, voor zover zij zijn gebruikt in overeenstemming met de vóór de datum van inwerkingtreding van die verordening geldende nationale bepalingen.
58 In casu gaat de verwijzende rechter, zoals blijkt uit punt 41 van het onderhavige arrest, ervan uit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde specifieke gezondheidsclaims op grond van de overgangsregeling binnen de werkingssfeer van artikel 28, lid 6, onder b), van verordening nr. 1924/2006 vallen.
59 Krachtens die bepaling kunnen de met name in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1924/2006 bedoelde gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, verder worden gebruikt op voorwaarde dat vóór 19 januari 2008 overeenkomstig die verordening een aanvraag is ingediend.
60 In casu zet de verwijzende rechter, zoals blijkt uit punt 41 van het onderhavige arrest, evenwel uiteen dat voor een van de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde claims de aanvraag krachtens artikel 28, lid 6, onder b), van verordening nr. 1924/2006 te laat is ingediend, terwijl voor de andere claim geen aanvraag is ingediend.
61 Bijgevolg kan het gebruik van claims als die in het hoofdgeding niet worden toegestaan op grond van de overgangsregeling van artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006, en is dat enkel mogelijk op grond van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006. Hieruit volgt dat het gebruik van dergelijke claims niet kan worden toegestaan zolang de Commissie het onderzoek ervan niet heeft afgerond.
62 Een dergelijke uitlegging is des te meer gerechtvaardigd daar de Uniewetgever in artikel 28 van die verordening uitdrukkelijk heeft voorzien in overgangsmaatregelen die, zoals in overweging 35 wordt verklaard, tot doel hebben exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van die verordening aan te passen.
63 Voor die uitlegging is steun te vinden in de doelstelling van verordening nr. 1924/2006, die volgens artikel 1, lid 1, ervan beoogt de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken, met name tegen misleidende claims, door de keuze van de consument te vergemakkelijken door veilige en naar behoren geëtiketteerde producten in de handel te brengen. Bovendien is de bescherming van de gezondheid volgens de rechtspraak van het Hof ook een van de hoofddoelstellingen van voornoemde verordening (arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe,C‑524/18, EU:C:2020:60, punten 35 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Teneinde te voldoen aan de doelstellingen om een hoog niveau van consumentenbescherming en bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen, moet aan de consumenten met name de informatie worden verstrekt die zij nodig hebben om geïnformeerde keuzes te maken (zie in die zin arrest van 14 juli 2016, Verband Sozialer Wettbewerb,C‑19/15, EU:C:2016:563, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Zoals in overweging 23 van verordening nr. 1924/2006 wordt aangegeven, mag het gebruik van gezondheidsclaims in de Unie dus pas worden toegestaan na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengst mogelijke normen die, ter waarborging van een geharmoniseerde beoordeling, moet worden uitgevoerd door EFSA (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Dr. Willmar Schwabe,C‑524/18, EU:C:2020:60, punt 55).
66 Artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 moet derhalve aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan het gebruik van gezondheidsclaims voor botanische substanties door een exploitant van een levensmiddelenbedrijf zolang de Commissie het onderzoek van dergelijke claims met het oog op de opneming ervan in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims niet heeft afgerond, tenzij een dergelijk gebruik is toegestaan op grond van de overgangsmaatregelen van die verordening.
67 Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door het in artikel 16 van het Handvest neergelegde beginsel van vrijheid van ondernemerschap.
68 Dienaangaande zij er namelijk allereerst aan herinnerd dat dit beginsel, dat voorziet in bescherming van de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de vrijheid voor een onderneming om, binnen de grenzen van haar aansprakelijkheid voor haar eigen handelingen, de haar ter beschikking staande economische, technische en financiële middelen te gebruiken, alsmede de contractvrijheid (arrest van 27 juni 2024, Gestore dei Servizi Energetici,C‑148/23, EU:C:2024:555, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak), geen absolute gelding heeft, maar in relatie tot zijn maatschappelijke functie moet worden beschouwd (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, cdVet Naturprodukte,C‑13/23, EU:C:2024:175, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Vervolgens is in artikel 52, lid 1, van het Handvest erkend dat aan de uitoefening van in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden beperkingen kunnen worden gesteld voor zover bij wet in deze beperkingen is voorzien, de beperkingen de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, en deze beperkingen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
70 Ten slotte, wanneer meerdere door de rechtsorde van de Unie beschermde rechten met elkaar in conflict komen, moeten bij een dergelijke beoordeling de vereisten inzake de bescherming van deze verschillende rechten met elkaar worden verzoend en moet een juist evenwicht tussen deze rechten worden verzekerd (arrest van 29 februari 2024, cdVet Naturprodukte,C‑13/23, EU:C:2024:175, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 In casu moet er ten eerste op worden gewezen dat het vereiste dat voor specifieke gezondheidsclaims vooraf een vergunning is verleend en dat zij zijn opgenomen op de in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 bedoelde lijsten, aan exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levensmiddelen verkopen die botanische substanties bevatten, niet de mogelijkheid ontneemt om dergelijke levensmiddelen in de handel te brengen, maar hen enkel verbiedt om er reclame voor te maken met gezondheidsclaims die niet vooraf zijn beoordeeld en waarvoor geen vergunning overeenkomstig die verordening is verleend.
72 Bovendien heeft de omstandigheid dat voor gezondheidsclaims voor botanische substanties geen dergelijke vergunning kan worden verleend zolang de Commissie het onderzoek ervan met het oog op een eventuele opneming in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims niet heeft afgerond, niet tot gevolg dat dergelijke claims helemaal niet kunnen worden gebruikt. Zoals blijkt uit de punten 57 tot en met 59 van het onderhavige arrest, heeft de Uniewetgever immers overgangsmaatregelen vastgesteld teneinde dergelijke exploitanten de mogelijkheid te bieden om van dergelijke claims gebruik te maken. Dit is met name het geval voor gezondheidsclaims die, zoals die in het hoofdgeding, psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen en die uit hoofde van artikel 28, lid 6, van verordening nr. 1924/2006 verder mogen worden gebruikt mits de betrokken exploitant voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden.
73 Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt in die omstandigheden door de toepassing van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 op gezondheidsclaims voor botanische substanties die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar die functies wordt verwezen, de vrijheid van ondernemerschap in haar kern niet aangetast.
74 Ten tweede zij erop gewezen, zoals in de punten 63 tot en met 66 van het onderhavige arrest is uiteengezet, dat het verbod om reclame te maken voor levensmiddelen die botanische substanties bevatten met gezondheidsclaims die niet vooraf overeenkomstig die verordening zijn beoordeeld en toegestaan, beantwoordt aan de doelstelling om de menselijke gezondheid en de consument te beschermen.
75 Volgens vaste rechtspraak weegt het doel van bescherming van de gezondheid zwaarder dan economische belangen, zodat het belang van dat doel negatieve economische gevolgen kan rechtvaardigen, zelfs wanneer deze aanzienlijk zijn (arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli et Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2022:111, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 In casu moet derhalve worden geoordeeld, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie in wezen heeft uiteengezet, dat door het verbod om voor levensmiddelen die botanische substanties bevatten reclame te maken met gezondheidsclaims die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen, die niet vooraf overeenkomstig verordening nr. 1924/2006 zijn beoordeeld en toegestaan en die evenmin zijn toegestaan op grond van de overgangsmaatregelen van die verordening, een juist evenwicht kan worden verzekerd tussen de met elkaar in overeenstemming te brengen grondrechten, zonder dat het legitieme recht van exploitanten van levensmiddelenbedrijven om hun ondernemersactiviteit uit te oefenen, onevenredig wordt aangetast.
77 Het beginsel van gelijke behandeling kan evenmin leiden tot een andere dan de in punt 66 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging.
78 Dit beginsel, dat is neergelegd in artikel 20 van het Handvest, vereist immers dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (arrest van 23 november 2023, Seven.One Entertainment Group,C‑260/22, EU:C:2023:900, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van situaties om te bepalen of dit algemene beginsel in acht is genomen, worden uitgegaan van het doel van de handeling waarvan de betrokken norm deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, HDI Global en MS Amlin Insurance, C‑771/22 en C‑45/23, EU:C:2024:644, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Zoals in punt 63 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft verordening nr. 1924/2006 tot doel een hoog niveau van consumentenbescherming en bescherming van de menselijke gezondheid te verwezenlijken. Artikel 10, leden 1 en 3, van die verordening draagt bij tot de verwezenlijking van die doelstelling door de consumenten te waarborgen dat gezondheidsclaims om levensmiddelen te promoten wetenschappelijk zijn onderzocht, teneinde hen in staat te stellen om geïnformeerde keuzes te maken.
81 Gelet op die doelstelling moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven die gezondheidsclaims wensen te gebruiken om reclame te maken voor de door hen in de handel gebrachte levensmiddelen, derhalve worden vergeleken in het licht van de wetenschappelijke gegrondheid van die claims.
82 Hieruit volgt dat krachtens het beginsel van gelijke behandeling alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven de bepalingen van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 moeten naleven.
83 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in het kader van commerciële reclame voor een voedingssupplement bestaande uit „botanische substanties” in de zin van verordening nr. 432/2012 wordt toegestaan om specifieke gezondheidsclaims voor dergelijke substanties te gebruiken die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen, of te verwijzen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van dergelijke substanties voor de algemene gezondheid en het welzijn op het gebied van gezondheid zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006 opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Commissie het onderzoek van de gezondheidsclaims voor de botanische substanties met het oog op de opneming ervan op die lijsten niet heeft afgerond, tenzij het gebruik van dergelijke claims is toegestaan op grond van artikel 28, lid 6, van die verordening.
Kosten
84 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings‑ en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 109/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008,
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat in het kader van commerciële reclame voor een voedingssupplement bestaande uit „botanische substanties” in de zin van verordening (EU) nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan, wordt toegestaan om specifieke gezondheidsclaims voor dergelijke substanties te gebruiken die psychologische of gedragsfuncties beschrijven of waarin naar dergelijke functies wordt verwezen, of te verwijzen naar de algemene, niet-specifieke voordelen van dergelijke substanties voor de algemene gezondheid en het welzijn op het gebied van gezondheid zonder dat die verwijzing gepaard gaat met een in de lijsten van toegestane gezondheidsclaims als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd, opgenomen specifieke gezondheidsclaim, zolang de Europese Commissie het onderzoek van de gezondheidsclaims voor de botanische substanties met het oog op de opneming ervan op die lijsten niet heeft afgerond, tenzij het gebruik van dergelijke claims is toegestaan op grond van artikel 28, lid 6, van die verordening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 29 juli 2024, C-771/22, ECLI:EU:C:2024:644
- HvJ EU 27 juni 2024, C-148/23, ECLI:EU:C:2024:555
- HvJ EU 29 februari 2024, C-13/23, ECLI:EU:C:2024:175
- HvJ EU 23 november 2023, C-260/22, ECLI:EU:C:2023:900
- HvJ EU 24 februari 2022, C-452/20, ECLI:EU:C:2022:111
- HvJ EU 30 januari 2020, C-524/18, ECLI:EU:C:2020:60
- HvJ EU 14 juli 2016, C-19/15, ECLI:EU:C:2016:563