HvJ EU 30 april 2025, C-39/24, ECLI:EU:C:2025:298
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
30 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Artikelen 4 en 5 – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Hypothecaire kredietovereenkomsten – Openingskostenbeding – Duidelijk en begrijpelijk karakter van de bedingen”
In zaak C‑39/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 6 de Ceuta (gerecht van eerste aanleg en instructie nr. 6 Ceuta, Spanje) bij beslissing van 2 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 15 januari 2024, in de procedure
Justa
tegen
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA, vertegenwoordigd door M. Á. Cepero Aránguez, J. M. Martínez Gimeno en C. Vendrell Cervantes, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Baquero Cruz, P. Kienapfel en N. Ruiz García als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en artikel 7 van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34, met rectificatie in PB 2023, L 17, blz. 100).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Justa en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA inzake een vermeend oneerlijk contractueel beding betreffende openingskosten voor het verstrekken van een lening.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”
4 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt: „1. Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. 2. De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”
5 Artikel 5 van de richtlijn luidt als volgt: „In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. Deze uitleggingsregel is niet van toepassing in het kader van de in artikel 7, lid 2, bedoelde procedures.”
Richtlijn 2014/17
6 In artikel 7 van richtlijn 2014/17, met als opschrift „Gedragsregels bij het verstrekken van krediet aan consumenten”, is in lid 1 het volgende bepaald: „De lidstaten schrijven voor dat de kredietgever, kredietbemiddelaar of aangestelde vertegenwoordigers bij het opstellen van kredietproducten of bij het toekennen van, bij het bemiddelen bij of bij het verlenen van adviesdiensten inzake krediet en, in voorkomend geval, bij nevendiensten aan consumenten, of bij het uitvoeren van een kredietovereenkomst, op een eerlijke, billijke, transparante en professionele wijze optreden en rekening houden met de rechten en belangen van de consument. […]”
7 Artikel 43, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „Deze richtlijn is niet van toepassing op kredietovereenkomsten die geldig zijn aangegaan voor 21 maart 2016.”
Spaans recht
Ley 5/2019
8 Artikel 14 van Ley 5/2019, de 15 de marzo, reguladora de los contratos de crédito inmobiliario (wet 5/2019 van 15 maart 2019 tot regeling van hypothecaire kredietovereenkomsten, BOE nr. 65 van 16 maart 2019, blz. 26329), bepaalt: „[…] 3. Kosten of vergoedingen mogen alleen in rekening worden gebracht voor diensten in verband met leningen waar een leningnemer of potentiële leningnemer uitdrukkelijk om heeft verzocht of die hij uitdrukkelijk heeft aanvaard, en mits zij aantoonbaar beantwoorden aan daadwerkelijk verrichte diensten of gemaakte kosten. 4. Indien openingskosten worden overeengekomen, zijn deze slechts eenmaal verschuldigd en omvatten deze alle kosten voor het beoordelen, verstrekken en afwikkelen van de lening of andere soortgelijke kosten die inherent zijn aan de activiteit van de kredietgever en die voortvloeien uit de toekenning van de lening. In het geval van leningen of kredieten die in vreemde valuta luiden, omvatten de openingskosten ook valutaprovisies zoals berekend bij de eerste uitbetaling van de lening.”
Orden del Ministerio de la Presidencia, sobre transparencia de las condiciones financieras de los préstamos hipotecarios
9 Bijlage II bij de Orden de 5 de mayo de 1994 del Ministerio de la Presidencia, sobre transparencia de las condiciones financieras de los préstamos hipotecarios (besluit van het ministerie van Algemene Zaken van 5 mei 1994 betreffende de transparantie van de financiële voorwaarden van hypothecaire leningen, BOE nr. 112 van 11 mei 1994, blz. 14444), bepaalt in lid 4 („Provisies)”: „1. Openingskosten – Alle kosten voor het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van de hypothecaire lening, of alle andere soortgelijke kosten die inherent zijn aan de activiteit van de financiële instelling en die voortvloeien uit de toekenning van de lening, worden verplicht opgenomen in één enkele provisie met de benaming ‚openingskosten’, die slechts eenmaal is verschuldigd. In het openingskostenbeding worden het bedrag, de vorm en de datum van betaling van die kosten gespecificeerd. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Op 3 november 2005 heeft Justa bij authentieke akte een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten met Banco Bilbao Vizcaya Argentaria.
11 Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die overeenkomst moest de kredietnemer bij de ondertekening van die overeenkomst openingskosten betalen ten belope van 0,25 % van het geleende kapitaal.
12 Justa heeft bij de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 6 de Ceuta (gerecht van eerste aanleg en instructie nr. 6 Ceuta, Spanje), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tegen Banco Bilbao Vizcaya Argentaria en met name verzocht om vast te stellen dat het openingskostenbeding oneerlijk was.
13 In de verwijzingsbeslissing merkt de verwijzende rechter op dat het Hof in het arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578), richtlijn 93/13 heeft uitgelegd met betrekking tot de toetsing van de oneerlijkheid en van het transparantievereiste bij een beding in een door het Spaans recht geregelde kredietovereenkomst waarbij de kredietnemer openingskosten moet betalen. Die rechter licht toe dat verschillende nationale rechterlijke instanties naar aanleiding van dat arrest beslissingen hebben gewezen waarbij openingskostenbedingen nietig werden verklaard. Daarop heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend dat opnieuw betrekking had op een dergelijk beding en dat heeft geleid tot het arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening) (C‑565/21, EU:C:2023:212).
14 De verwijzende rechter vraagt zich af of de rechtspraak van de Tribunal Supremo verenigbaar is met laatstgenoemd arrest van het Hof.
15 In dat verband wijst de verwijzende rechter op een arrest van de Tribunal Supremo van 29 mei 2023 (816/2023, ECLI:ES:TS:2023:2131), waarin die hoogste rechter heeft geoordeeld dat de openingskosten, die de kosten vergoeden van het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van de lening of het hypothecair krediet, niet tot het eigenlijke voorwerp van een leningsovereenkomst behoren en dus door de nationale rechter kunnen worden getoetst op grond van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13. Daarbij verduidelijkt die rechter dat een openingskostenbeding op zich niet oneerlijk is. Het staat aldus aan de beoordelende rechter om zich ervan te vergewissen dat de consument in staat is om de aard van de als tegenprestatie voor de verrichte diensten betaalde kosten te begrijpen, om na te gaan of de verschillende opgenomen kosten elkaar niet overlappen, en om op basis van de informatie die krachtens de nationale regeling is verstrekt door de financiële instelling voldoende kennis te nemen van de economische inhoud en de werking van het beding, ook al is de kredietgever niet verplicht om in de overeenkomst de aard van alle als tegenprestatie voor de openingskosten verrichte diensten te vermelden. In dat verband moet de nationale rechter rekening houden met de bijzondere aandacht die de gemiddelde consument aan een dergelijk beding hecht. Bovendien verplicht de Tribunal Supremo volgens de verwijzende rechter de nationale rechter om na te gaan of de hoogte van de openingskosten niet onevenredig is aan het bedrag van de lening, bezien in het licht van de gemiddelde hoogte van dergelijke kosten.
16 In die omstandigheden heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 6 de Ceuta de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Verzet de Unieregeling zich tegen de uitlegging van de Tribunal Supremo (hoogste rechter, Spanje) ter zake van de openingskosten, volgens welke louter de vermelding van het bedrag van het betreffende beding in de hypotheekakte en het feit dat dit bedrag de vastgestelde limiet niet overschrijdt, voldoende is om vast te stellen dat er, gelet op artikel 4, lid 2, van richtlijn [93/13], geen sprake is van oneerlijkheid wegens gebrek aan transparantie, ook al worden in dat beding de inhoud en de looptijd ervan niet gespecificeerd? 2) Als het beding in kwestie vooraf onder de aandacht van de consument is gebracht, niet wordt geacht deel uit te maken van de op bankleningen betrekking hebbende activiteiten overeenkomstig richtlijn [2014/17] en wordt geacht geen verband te houden met de rente die ter vergoeding wordt betaald, moeten er dan geen facturen worden opgesteld waarop de desbetreffende diensten worden gespecificeerd voordat zij aan de consument in rekening worden gebracht, en is het feit dat dit wordt nagelaten niet in strijd met de Unieregeling doordat er materieel afbreuk wordt gedaan aan de transparantie van dat beding?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
17 In hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen uiten verweerster in het hoofdgeding, het Koninkrijk Spanje en de Europese Commissie twijfels over de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, of ten minste van de tweede prejudiciële vraag.
18 De door verweerster in het hoofdgeding opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing is gebaseerd op het feit dat het verzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof omdat de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet waarom hij twijfelt over de uitlegging van het Unierecht. Die partij voegt daaraan toe dat de aan de prejudiciële vragen ten grondslag liggende problematiek reeds door het Hof is behandeld in zijn arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening) (C‑565/21, EU:C:2023:212), zodat een antwoord op die vragen niet meer nodig is.
19 Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een regel van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arrest van 19 september 2024, Booking.com en Booking.com (Deutschland), C‑264/23, EU:C:2024:764, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
20 Hieruit volgt dat op vragen betreffende het Unierecht een vermoeden van relevantie rust. Het Hof kan slechts kan weigeren om een beslissing te geven over een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 19 september 2024, Booking.com en Booking.com (Deutschland), C‑264/23, EU:C:2024:764, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu hebben de gestelde vragen in wezen betrekking op de uitlegging van de artikelen 4 en 5 van richtlijn 93/13 en artikel 7 van richtlijn 2014/17. Voorts volgt uit een lezing van het gehele verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding waar zijn verzoek betrekking op heeft, voldoende nauwkeurig heeft afgebakend, zodat de belanghebbenden overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie hun opmerkingen kunnen indienen en het Hof zinvol op dat verzoek kan antwoorden. In het bijzonder heeft de verwijzende rechter duidelijk verwezen naar de betrokken nationale rechtspraak en zijn twijfels geuit over de verenigbaarheid van het arrest van 29 mei 2023 (816/2023, ECLI:ES:TS:2023:2131) van de Tribunal Supremo met richtlijn 93/13, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening) (C‑565/21, EU:C:2023:212). Die twijfels kunnen ook worden afgeleid uit de bewoordingen van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen en hebben met name betrekking op de criteria voor de beoordeling van het transparante karakter van een openingskostenbeding. Zij maken het noodzakelijk dat het arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening) (C‑565/21, EU:C:2023:212) nader wordt verduidelijkt.
22 Hieruit volgt dat het door verweerster in het hoofdgeding aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
23 Wat de niet-ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag betreft, zijn het Koninkrijk Spanje en de Commissie van mening dat de daarin vermelde richtlijn 2014/17 ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding.
24 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke de gevolgen zijn wanneer de door de openingskosten vergoede diensten krachtens richtlijn 2014/17 worden uitgesloten van de activiteit van bankleningen. Die vraag berust op de veronderstelling dat die richtlijn van toepassing is op het hoofdgeding.
25 Er zij op gewezen dat richtlijn 2014/17 krachtens artikel 43, lid 1, ervan niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die geldig zijn aangegaan vóór 21 maart 2016. De in het hoofdgeding aan de orde zijn kredietovereenkomst is gesloten op 3 november 2005.
26 Derhalve moet worden vastgesteld dat richtlijn 2014/17, waarvan in de tweede prejudiciële vraag in wezen de uitlegging wordt gevraagd, ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding.
27 De in het kader van de tweede prejudiciële vraag gevraagde uitlegging van het Unierecht houdt dus kennelijk geen verband met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Die vraag moet dan ook overeenkomstig de in de punten 19 en 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, rekening houdend met een nationale regeling die bepaalt dat de openingskosten de diensten vergoeden die verband houden met het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van een lening of een hypothecair krediet of andere soortgelijke diensten, het beding dat deze kosten oplegt aan de kredietnemer aan het transparantievereiste voldoet, ook indien de details van de als tegenprestatie voor die kosten verrichte diensten en de voor de uitvoering van die diensten benodigde tijd niet in dat beding worden gespecificeerd.
29 Vooraf zij opgemerkt dat deze vraag de beoordeling betreft van het duidelijke en begrijpelijke karakter van een openingskostenbeding zoals in het hoofdgeding aan de orde is, en of dat beding bijgevolg transparant is in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.
30 Het Hof heeft geoordeeld dat contractuele bedingen die onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, die bedingen omvatten die de voornaamste prestaties van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder dat begrip vallen [zie in die zin arresten van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punten 35 en 36, en 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C‑714/22, EU:C:2024:263, punt 60].
31 De voornaamste prestaties van een kredietovereenkomst houden in dat de kredietverlener zich, in de eerste plaats, ertoe verbindt aan de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en dat laatstgenoemde zich op zijn beurt eerst en vooral ertoe verplicht om dit geldbedrag, in het algemeen met rente, in afgesproken termijnen terug te betalen [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C‑714/22, EU:C:2024:263, punt 61].
32 In het arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 64), heeft het Hof voor recht verklaard dat openingskosten niet louter omdat zij deel uitmaken van de totale kostprijs van een hypothecaire lening als een kernprestatie daarvan kunnen worden beschouwd.
33 Uit de toelichting van de verwijzende rechter over de toepasselijke nationale regelgeving volgt dat de openingskosten de vergoeding vormen voor de diensten die verband houden met het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van de lening of het krediet, of andere soortgelijke diensten voor het verstrekken van de lening of het krediet die verbonden zijn aan de activiteiten van de kredietgever.
34 Gelet op de verplichting om artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 strikt uit te leggen moet de verplichting om die diensten te vergoeden niet worden beschouwd als een van de voornaamste verbintenissen op grond van een kredietovereenkomst zoals die door de in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak zijn gedefinieerd. Het zou namelijk niet stroken met de strikte uitlegging om onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” alle prestaties te scharen die eenvoudigweg verband houden met het eigenlijke voorwerp en dus een aanvulling vormen in de zin van de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Het in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 bedoelde transparantievereiste is tevens opgenomen in artikel 5 ervan, dat bepaalt dat schriftelijke contractuele bedingen „steeds” duidelijk en begrijpelijk moeten worden opgesteld. Zoals het Hof heeft geoordeeld, heeft het transparantievereiste van de eerste van deze bepalingen dezelfde draagwijdte als het in de tweede bepaling opgenomen vereiste [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven moet dus worden aangenomen dat hij met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 5 van richtlijn 93/13 zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, rekeninghoudend met een nationale regeling die bepaalt dat de openingskosten de diensten die verband houden met het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van een lening of een hypothecair krediet of andere soortgelijke diensten vergoeden, het beding dat aan de kredietnemer een dergelijke provisie oplegt aan het transparantievereiste voldoet, ook indien daarin niet de details van de als tegenprestatie voor de provisie verrichte diensten en de voor de uitvoering van die diensten benodigde tijd worden gespecificeerd.
37 Dienaangaande heeft het Hof erop gewezen dat het feit dat bedingen van overeenkomsten formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, niet volstaat om te voldoen aan het vereiste van transparantie van die bedingen dat is neergelegd in artikel 5 van richtlijn 93/13, maar dat, integendeel, aangezien het door die richtlijn uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie dan laatstgenoemde beschikt, het in die richtlijn neergelegde vereiste dat bedingen van overeenkomsten duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en derhalve transparant zijn, ruim moet worden opgevat [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 Dit vereiste moet worden opgevat in die zin dat het niet alleen gebiedt dat het betrokken beding voor de consument grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarnaar het betrokken beding verwijst alsook, in voorkomend geval, de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen transparant zijn gespecificeerd, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan beoordelen [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39 Uit deze rechtspraak vloeit niet voort dat de kredietgever verplicht is om in de betrokken overeenkomst te specificeren wat de aard is van alle diensten die als tegenprestatie voor de in een of meerdere contractuele bedingen bepaalde kosten worden verricht. Gelet op de bescherming die richtlijn 93/13 aan de consument beoogt te verlenen omdat hij zich tegenover de verkoper in een zwakkere onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie beschikt dan de verkoper, is het evenwel van belang dat uit de overeenkomst in haar geheel redelijkerwijs valt op te maken wat de juiste aard van de daadwerkelijk verrichte diensten is. Bovendien moet de consument kunnen vaststellen dat er geen overlapping is van kosten of van diensten die door die kosten worden vergoed [arresten van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 43, en 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 32].
40 Het Hof heeft wat dat betreft in punt 70 van het arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578), verduidelijkt dat het aan de nationale rechter staat om te verifiëren of de financiële instelling de consument voldoende inlichtingen heeft gegeven om hem in staat te stellen de inhoud, de werking en de rol binnen de leningsovereenkomst te begrijpen van het beding volgens hetwelk hij openingskosten moet betalen. Op die manier zal de consument de redenen kennen voor de vergoeding die met deze kosten overeenstemt, en ook de omvang van zijn verbintenis en inzonderheid de totale kosten van de overeenkomst kunnen inschatten [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Of een beding zoals aan de orde is in het hoofdgeding duidelijk en begrijpelijk is, moet door de bevoegde rechter worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten, en met name de bewoordingen van het onderzochte beding, de inlichtingen die de financiële instelling aan de kredietnemer heeft verstrekt, waaronder de inlichtingen die krachtens de relevante nationale regelgeving moeten worden verstrekt, en de reclame die deze instelling maakt voor het aangegane soort overeenkomst, waarbij moet worden gelet op het aandachtsniveau dat mag worden verwacht van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument [arrest van 16 maart 2023, Caixabank (Openingskosten van een lening), C‑565/21, EU:C:2023:212, punt 40].
42 Wat betreft het tijdstip waarop die inlichtingen aan de consument ter kennis moeten worden gebracht, heeft het Hof geoordeeld dat het voor een consument van wezenlijk belang is dat hij vóór de sluiting van de overeenkomst kennisneemt van alle contractuele voorwaarden en de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie besluiten of hij gebonden wenst te worden door de voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd [arresten van 9 juli 2020, Ibercaja Banco, C‑452/18, EU:C:2020:536, punt 47, en 12 januari 2023, D.V. (Honorarium van een advocaat – Principe van het uurtarief), C‑395/21, EU:C:2023:14, punt 39].
43 Met betrekking tot een overeenkomst inzake volgens een uurtarief aangerekende juridische diensten, heeft het Hof verduidelijkt dat weliswaar niet van een verkoper kan worden geëist dat hij de consument informeert over de uiteindelijke financiële consequenties van zijn verbintenis, die afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover deze verkoper geen controle heeft, maar dat dit niet wegneemt dat de informatie die hij moet verstrekken vóórdat de overeenkomst wordt gesloten de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, met volledige kennis van enerzijds de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en anderzijds de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de desbetreffende juridische diensten [arrest van 12 januari 2023, D.V. (Honorarium van een advocaat – Principe van het uurtarief), C‑395/21, EU:C:2023:14, punt 43].
44 In casu moet worden opgemerkt dat het beding waarbij aan de kredietnemer openingskosten van 435 EUR worden opgelegd – hetgeen overeenkomt met 0,25 % van het bedrag van de verstrekte lening – in de nationale regeling wordt gedefinieerd als de vergoeding voor de diensten die verband houden met het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van de lening of het hypothecaire krediet of andere soortgelijke diensten. Het transparantievereiste, dat er hoofdzakelijk toe strekt ervoor te zorgen dat de consument in staat wordt gesteld de financiële gevolgen van een beding als dat in het hoofdgeding in te schatten, houdt voor de bankinstelling geen verplichting in om nauwkeurig de aard van de als tegenprestatie voor de openingskosten verrichte diensten te specificeren, zoals blijkt uit de in punt 38 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, noch het aantal uren dat aan elk van die diensten wordt besteed, mits het betrokken beding het nationale wettelijke kader in acht neemt.
45 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, kan nog worden verduidelijkt dat uit richtlijn 93/13 evenmin volgt dat de bankinstelling de consument facturen moet verstrekken waarin de aard van de verrichte diensten wordt gespecificeerd, op voorwaarde dat de nationale rechter kan nagaan of deze diensten daadwerkelijk worden verricht. De consument krijgt door een dergelijke verplichting immers niet per definitie een beter begrip vóór de sluiting van de overeenkomst, aangezien de openingskosten op het tijdstip van de verstrekking van de lening in één keer worden betaald en de facturering plaatsvindt na de ondertekening van die overeenkomst.
46 Er zij aan herinnerd dat de nationale rechter bij de beoordeling of een contractueel beding, zoals aan de orde in het hoofdgeding „duidelijk en begrijpelijk” is in de zin van artikel 5 van richtlijn 93/13, rekening moet houden met alle relevante feiten en alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst. Bij die beoordeling moeten met name de inlichtingen in aanmerking worden genomen die de financiële instelling aan de kredietnemer heeft verstrekt tijdens de verschillende stappen die voorafgaan aan de sluiting van de leningsovereenkomst, waaronder de inlichtingen die krachtens de relevante nationale regelgeving moeten worden verstrekt. Het is des te belangrijker om dat onderzoek in elk afzonderlijk geval uit te voeren omdat de door artikel 5 van richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding een van de elementen is waarmee rekening moet worden gehouden bij de door de nationale rechter krachtens artikel 3, lid 1, van die richtlijn uit te voeren beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding (arrest van 3 oktober 2019, Kiss en CIB Bank, C‑621/17, EU:C:2019:820, punt 49). In beginsel kan dus niet worden voorondersteld dat een specifiek contractueel beding oneerlijk is, aangezien een dergelijke kwalificatie kan afhangen van de specifieke omstandigheden bij de sluiting van elke overeenkomst, met inbegrip van de bijzondere informatie die verkopers aan consumenten verstrekken en de vraag of die diensten daadwerkelijk zijn verstrekt.
47 Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 5 van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke een contractueel beding voldoet aan het transparantievereiste wanneer het overeenkomstig de nationale regelgeving bepaalt dat de consument openingskosten moet betalen die bedoeld zijn om de diensten die verband houden met het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van een lening of een hypothecair krediet of andere soortgelijke diensten te vergoeden, en in dat beding geen gedetailleerde omschrijving van die diensten en de voor de uitvoering ervan benodigde tijd wordt gegeven, voor zover die consument daadwerkelijk in staat is gesteld om de uit dat beding voor hem voortvloeiende economische gevolgen te beoordelen, om de aard van de als tegenprestatie voor de openingskosten verrichte diensten te begrijpen, en om na te gaan of er geen overlapping is tussen de verschillende in de overeenkomst opgenomen kosten of tussen de diensten die door deze kosten worden vergoed.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke een contractueel beding voldoet aan het transparantievereiste wanneer het overeenkomstig de nationale regelgeving bepaalt dat de consument openingskosten moet betalen die bedoeld zijn om de diensten die verband houden met het beoordelen, verstrekken of afwikkelen van een lening of een hypothecair krediet of andere soortgelijke diensten te vergoeden, en in dat beding geen gedetailleerde omschrijving van die diensten en de voor de uitvoering ervan benodigde tijd wordt gegeven, voor zover die consument daadwerkelijk in staat is gesteld om de uit dat beding voor hem voortvloeiende economische gevolgen te beoordelen, om de aard van de als tegenprestatie voor de openingskosten verrichte diensten te begrijpen, en om na te gaan of er geen overlapping is tussen de verschillende in de overeenkomst opgenomen kosten of van de diensten die door deze kosten worden vergoed.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 19 september 2024, C-264/23, ECLI:EU:C:2024:764
- HvJ EU 21 maart 2024, C-714/22, ECLI:EU:C:2024:263
- HvJ EU 16 maart 2023, C-565/21, ECLI:EU:C:2023:212
- HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14
- HvJ EU 16 juli 2020, C-224/19, ECLI:EU:C:2020:578
- HvJ EU 9 juli 2020, C-452/18, ECLI:EU:C:2020:536
- HvJ EU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820
- HvJ EU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703