HvJ EU 10 april 2025, C-238/24, ECLI:EU:C:2025:258
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
10 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) – Besluit 2010/279/GBVB – Politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan – Artikel 7, lid 3 – Uitgaven voor gedetacheerd personeel – Vergoedingen betaald door zowel de Europese Unie als de lidstaat waartoe het personeelslid behoort – Cumulatie – Artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU – Artikel 275, eerste alinea, VWEU – Bevoegdheid van het Hof om een Unierechtelijke bepaling betreffende het GBVB uit te leggen”
In zaak C‑238/24 [Tartisai] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 2 april 2024, ingekomen bij het Hof op 2 april 2024, in de procedure
NR
tegen
Ministero della Difesa,
Comando Generale dell’Arma dei Carabinieri,
Comando Generale Carabinieri – Centro Nazionale Amministrativo – Chieti,
Centro Amministrativo d’Intendenza Interforze del Contingente delle Forze Armate Italiane in Afghanistan,
Centro Nazionale Amministrativo dell’Arma dei Carabinieri,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Kumin, I. Ziemele en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– NR, vertegenwoordigd door A. Pucci, avvocato,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door E. Feola, avvocato dello Stato,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane en L. Ghiţă als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Bruti Liberati, M. Carpus-Carcea, L. Hohenecker en I. Melo Sampaio als gemachtigden,
– de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, vertegenwoordigd door M. Almeida Veiga, F. Hoffmeister, E. Orgován en I. Orsini als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279/GBVB van de Raad van 18 mei 2010 over de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (EUPOL AFGHANISTAN) (PB 2010, L 123, blz. 4).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen NR enerzijds en de Ministero della Difesa (ministerie van Defensie, Italië), de Comando Generale dell’Arma dei Carabinieri (generale staf van de nationale militaire politie, Italië), de Comando Generale Carabinieri – Centro Nazionale Amministrativo – Chieti (generale staf van de nationale militaire politie – nationaal administratief centrum – Chieti, Italië), de Centro Amministrativo d’Intendenza Interforze del Contingente delle Forze Armate Italiane in Afghanistan (administratief centrum van het contingent van de Italiaanse strijdkrachten in Afghanistan, Italië) en de Centro Nazionale Amministrativo dell’Arma dei Carabinieri (nationaal administratief centrum van de nationale militaire politie, Italië) anderzijds (hierna samen: „Defensieadministratie”) over de terugvordering door deze laatste van de buitenlandsemissievergoeding die NR krachtens de Italiaanse wetgeving heeft ontvangen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2 van besluit 2010/279, met als opschrift „Doelstellingen”, luidde: „[De politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (hierna: „EUPOL-Afghanistan-missie”)] dient een belangrijke bijdrage te leveren aan de totstandbrenging onder Afghaans gezag van een duurzame en doeltreffende civielepolitiestructuur die zorgt voor een passende interactie met het strafrechtsysteem in ruimere zin in overeenstemming met de werkzaamheden van de [Europese] Unie, de lidstaten en andere internationale actoren op het gebied van politieke advisering en institutionele opbouw. De [EUPOL-Afghanistan-missie] ondersteunt voorts het proces van hervorming naar een vertrouwen genietende en efficiënte politiedienst, die, in overeenstemming met de internationale normen, binnen het rechtsstatelijk kader opereert en de mensenrechten eerbiedigt.”
4 Artikel 7 van dit besluit, met als opschrift „Personeel”, bepaalde: „1. Het aantal en het niveau van de […] personeelsleden [van de EUPOL-Afghanistan-missie] zijn in overeenstemming met de in artikel 2 bedoelde doelstellingen, met de in artikel 3 bedoelde taken en met de in artikel 4 bedoelde structuur. 2. [De EUPOL-Afghanistan-missie] bestaat voornamelijk uit personeel dat door de lidstaten of de instellingen van de Europese Unie wordt gedetacheerd. 3. Elke lidstaat of instelling van de Europese Unie draagt de kosten in verband met elk door hem of haar gedetacheerd personeelslid, met inbegrip van kosten voor vervoer van en naar de plaats van detachering, salarissen, ziektekosten en andere vergoedingen dan [dagvergoedingen en ongemakken-] en gevarentoeslagen. […] 5. Alle personeelsleden vervullen hun plichten en handelen in het belang van de [EUPOL-Afghanistan-missie]. Alle personeelsleden nemen de beveiligingsbeginselen en minimumnormen als bedoeld in [besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad (PB 2001, L 101, blz. 1)] in acht.”
5 Artikel 8 van dat besluit, met als opschrift „Status van het personeel van [de EUPOL-Afghanistan-missie]”, luidde als volgt: „1. Over de status van het personeel van [de EUPOL-Afghanistan-missie], in voorkomend geval inclusief de voorrechten en immuniteiten en overige waarborgen die nodig zijn voor de uitvoering en de soepele werking van [de EUPOL-Afghanistan-missie], wordt een overeenkomst gesloten conform artikel 37 [VEU]. 2. De staat of EU-instelling die een personeelslid heeft gedetacheerd, is verantwoordelijk voor de afhandeling van met de detachering verband houdende schade-eisen van of betreffende het personeelslid. De betrokken staat of EU-instelling stelt in voorkomend geval vorderingen tegen het gedetacheerde personeelslid in. 3. De arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van het internationale en het plaatselijke civiele personeel zijn vervat in contracten tussen het hoofd van de [EUPOL-Afghanistan-missie] en de betrokken personeelsleden.”
Italiaans recht
6 Artikel 2 van regio decreto n. 941 – Indennità al personale dell’Amministrazione dello Stato incaricato di missione all’estero (koninklijk besluit nr. 941 – Vergoeding voor overheidspersoneel op buitenlandse missie) van 3 juni 1926 (GURI nr. 134 van 11 juni 1926; hierna: „koninklijk besluit nr. 941/26”) bepaalt dat voor personen die deelnemen aan internationale missies, de daarin beschreven vergoeding voor buitenlandse missies verschuldigd is „vanaf de dag waarop de grens wordt overschreden of vanaf de dag van aankomst in het buitenland tot op de dag waarop de grens wordt overschreden of de dag van inscheping voor terugkeer”.
7 Artikel 39 unvicies, lid 39, van decreto-legge n. 273 – Definizione e proroga di termini, nonchè conseguenti disposizioni urgenti (wetgevend besluit nr. 273 – Definitie en verlenging van de termijnen en daaruit voortvloeiende noodbepalingen) van 30 december 2005 (GURI nr. 303 van 30 december 2005), dat na wijzigingen is omgezet in wet bij legge n. 51 (wet nr. 51) van 23 februari 2006 (GURI nr. 49 van 28 februari 2006), bepaalt: „Artikel 1 van [koninklijk besluit nr. 941/26], artikel 1, lid 1, onder b), en artikel 3 van wet nr. 642 van 8 juli 1961, en artikel 4, lid 1, onder a), van wet nr. 838 van 27 december 1973 moeten aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde emolumenten een aanvullend karakter hebben en worden betaald ter compensatie van ongemakken en gevaren die aan het werk zijn verbonden, de verplichte permanente bereikbaarheid en de verplichte beschikbaarheid op ongunstige tijdstippen, alsmede ter vervanging van vergoedingen voor overuren.”
8 Artikel 3, lid 1, van legge n. 108 – Proroga della partecipazione italiana a missioni internazionali (wet nr. 108 – Verlenging van de deelname van Italië aan internationale missies) van 3 augustus 2009 (GURI nr. 181 van 6 augustus 2009; hierna: „wet nr. 108/2009”) bepaalt: „Vanaf de datum van aankomst op het grondgebied, in de territoriale wateren of in het luchtruim van de betrokken landen en tot aan de datum van vertrek uit deze landen met het oog op terugkeer naar het nationale grondgebied wegens het einde van de missie, ontvangt het personeel dat deelneemt aan de in deze wet bedoelde internationale missies, na aftrek van inhoudingen, gedurende de gehele periode bovenop zijn bezoldiging, loon of andere vaste en doorlopende vergoedingen, de in [koninklijk besluit nr. 941/26] bedoelde missievergoeding ten belope van de hierna genoemde bedragen, verminderd met eventuele vergoedingen en bijdragen die op dezelfde grond rechtstreeks door internationale organisaties aan de betrokkenen zijn betaald […].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Verzoeker in het hoofdgeding, die deel uitmaakt van het politiekorps van de carabinieri, heeft in juni 2011 in die hoedanigheid deelgenomen aan de EUPOL-Afghanistan-missie.
10 Op nationaal niveau kreeg hij een dagvergoeding (per diem) als bedoeld in artikel 3 van wet nr. 108/2009. Hij ontving ook emolumenten van de EUPOL-Afghanistan-missie, die uit drie soorten „vergoedingen” bestonden: een per diem allowance (dagvergoeding), een hardship allowance (vergoeding voor moeilijke werkomstandigheden) en een risk allowance (risicopremie).
11 In maart 2012 is de Defensieadministratie op grond van wet nr. 108/2009 overgegaan tot terugvordering van de missievergoeding die verzoeker in het hoofdgeding krachtens koninklijk besluit nr. 941/26 had ontvangen. Artikel 3, lid 1, van wet nr. 108/2009 bepaalt in wezen dat voor personen die deelnemen aan internationale missies, de hun krachtens koninklijk besluit nr. 941/26 verschuldigde vergoeding wordt uitgekeerd onder aftrek van eventuele vergoedingen die zij rechtstreeks van internationale organisaties ontvangen. Op basis van haar analyse heeft de Defensieadministratie aldus in december 2020 besloten om van verzoeker in het hoofdgeding 25131,80 EUR terug te vorderen.
12 Deze laatste heeft dit besluit aangevochten en daarbij met name aangevoerd dat uit een brief van 11 augustus 2011 van de juridisch adviseur van het hoofd van de EUPOL-Afghanistan-missie in het inter-forces administratief centrum van het contingent van de Italiaanse strijdkrachten in Afghanistan bleek dat de lidstaten krachtens artikel 7 van besluit 2010/279 de kosten van het gedetacheerde personeel moesten dragen, met inbegrip van de kosten voor vervoer, de ziektekosten en de toepasselijke vergoedingen. Volgens verzoeker in het hoofdgeding moesten de in het kader van de EUPOL-Afghanistan-missie betaalde vergoedingen bovenop de vergoedingen komen die krachtens het Italiaanse recht werden uitgekeerd. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij zich ook beroepen op de Engelse versie van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 en betoogd dat de woorden other than daarin moeten worden begrepen als „bovenop”.
13 Aangezien de rechter in eerste aanleg het door verzoeker in het hoofdgeding ingestelde beroep heeft verworpen, heeft laatstgenoemde tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), de verwijzende rechter.
14 Verzoeker in het hoofdgeding herhaalt bij die rechterlijke instantie zijn in eerste aanleg aangevoerd betoog en stelt dat de Defensieadministratie volgens het beginsel van voorrang van het Unierecht op het nationale recht gehouden is de Italiaanse missievergoeding te betalen, terwijl de Unietoelagen, te weten de dagvergoedingen en de ongemakken- en gevarentoeslagen, zoals de juridisch adviseur van het hoofd van de EUPOL-Afghanistan-missie heeft aangegeven, autonoom moeten worden betaald, aangezien zij zijn vastgelegd bij een gemeenschappelijk optreden en dus niet onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen. Ter ondersteuning van zijn interpretatie van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 beroept hij zich opnieuw op de Engelse taalversie van deze bepaling en stelt hij dat daaruit blijkt dat de nationale vergoedingen moeten worden betaald „bovenop” de vergoedingen die op dezelfde grond door de Unie worden betaald.
15 De verwijzende rechter twijfelt over de juiste betekenis van de uitdrukking other than in de Engelse taalversie van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279. Volgens hem kan deze uitdrukking in het Italiaans weliswaar worden vertaald met hetzij „bovenop” hetzij „met uitsluiting van”, maar zijn andere taalversies, en met name de Franse taalversie, niet voor interpretatie vatbaar, aangezien daarin à l'exclusion des wordt gebruikt, net als in de Italiaanse versie, waarin diverse da (anders dan, verschillend van) wordt gebruikt.
16 In die omstandigheden heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Hoe moet artikel 7, lid 3, van [besluit 2010/279] precies worden uitgelegd, dat wil zeggen, is met die bepaling bedoeld te voorzien in cumulatie van door de lidstaat uitgekeerde en door [de EUPOL-Afghanistan-missie] toegekende vergoedingen? 2) Indien die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de genoemde vergoedingen cumuleerbaar zijn: staat artikel 7, lid 3, van [besluit 2010/279] in de weg aan een nationale regeling als die welke voortvloeit uit artikel 3, lid 1, van wet nr. 108/2009, voor zover daarin is bepaald dat ‚aan het personeel dat deelneemt aan de in deze wet bedoelde internationale missies voor de gehele duur van de periode, in aanvulling op de bezoldiging, het loon of andere vaste en doorlopende vergoedingen, na aftrek van inhoudingen, de in [koninklijk besluit nr. 941/26] bedoelde missievergoeding wordt toegekend, […] waarvan eventuele vergoedingen en bijdragen die internationale organisaties de betrokkenen op dezelfde grond hebben betaald, worden afgetrokken’, en uit artikel 1 van [koninklijk besluit nr. 941/26], artikel 1, lid 1, onder b), en artikel 3 van wet nr. 642 van 8 juli 1961, en artikel 4, lid 1, onder a), van wet nr. 838 van 27 december 1973, zoals uitgelegd in de […] rechtspraak, volgens welke cumulatie van de vergoedingen is uitgesloten?”
17 Op 11 juli 2024 heeft het Hof de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op grond van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om inlichtingen over de doelstellingen van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279.
Bevoegdheid van het Hof
18 De Roemeense regering is van mening dat het Hof volgens artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275, eerste alinea, VWEU niet bevoegd is om een bepaling uit te leggen die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) valt, zoals artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279. De Europese Commissie van haar kant meent dat het Hof wel bevoegd is om deze bepaling uit te leggen.
19 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275, eerste alinea, VWEU in beginsel niet bevoegd is ten aanzien van de bepalingen van het GBVB en evenmin ten aanzien van de op basis daarvan vastgestelde handelingen. Deze artikelen vormen een afwijking van de regel van de algemene bevoegdheid die bij artikel 19 VEU aan het Hof is verleend om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen te verzekeren, zodat zij restrictief moeten worden uitgelegd (arresten van 19 juli 2016, H/Raad e.a.,C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punten 39 en 40; 10 september 2024, Neves 77 Solutions, C‑351/22, EU:C:2024:723, punt 35, en 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punt 62).
20 Voorts voorzien artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275, tweede alinea, VWEU uitdrukkelijk in twee uitzonderingen op dit beginsel, te weten de bevoegdheid van het Hof om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 VEU en om uitspraak te doen op beroepen die worden ingesteld onder de in artikel 263, vierde alinea, VWEU bepaalde voorwaarden en die verband houden met het toezicht op de wettigheid van de op grond van de bepalingen inzake het GBVB genomen besluiten van de Raad van de Europese Unie waarbij beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen worden vastgesteld (arresten van 10 september 2024, Neves 77 Solutions, C‑351/22, EU:C:2024:723, punt 36, en 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu moet worden vastgesteld dat de onderhavige prejudiciële vragen onder geen enkele van deze uitzonderingen vallen.
22 Bijgevolg moet ook nog worden beoordeeld of de bevoegdheid van het Hof kan worden gebaseerd op de omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen niet rechtstreeks in verband staan met de politieke of strategische keuzen van de instellingen, organen en instanties van de Unie in het kader van het GBVB, met dien verstande dat indien er geen dergelijk rechtstreeks verband met die politieke of strategische keuzen is, het Hof onder meer bevoegd is om die handelingen uit te leggen (zie in die zin arrest van 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punten 116 en 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de draagwijdte van de in artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en in artikel 275, eerste alinea, VWEU in de vorm van een afwijking neergelegde beperking op de bevoegdheid van het Hof van Justitie niet kan worden geacht zover te gaan dat zij de bevoegdheid van de rechter van de Unie uitsluit om toezicht uit te oefenen op besluiten op het gebied van personeelsbeheer betreffende door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden die worden genomen om te voldoen aan de behoeften bij het optreden van een missie als de EUPOL-Afghanistan-missie, hoewel de rechter van de Unie hoe dan ook bevoegd is dergelijke besluiten te toetsen wanneer zij betrekking hebben op door de instellingen van de Unie gedetacheerde personeelsleden (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, H/Raad e.a., C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punt 55).
24 Iedere andere uitlegging zou onder meer tot gevolg hebben dat, wanneer een en hetzelfde besluit op het gebied van personeelsbeheer betreffende optreden „op het terrein” zowel door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden betreft als personeelsleden die door de instellingen van de Unie zijn gedetacheerd, de beslissing die ten aanzien van de eerste categorie personeelsleden wordt gegeven onverzoenbaar zou kunnen zijn met de beslissing van de rechter van de Unie ten aanzien van de tweede categorie (arrest van 19 juli 2016, H/Raad e.a., C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punt 57).
25 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279, waarvan in de onderhavige prejudiciële verwijzing om uitlegging wordt verzocht, betrekking heeft op de uitgaven voor personeel dat gedetacheerd is in het kader van de EUPOL-Afghanistan-missie, en dus niet rechtstreeks in verband staat met de politieke of strategische keuzen van de instellingen, organen en instanties van de Unie in het kader van het GBVB (zie naar analogie arrest van 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punt 128).
26 Voorts is die bepaling weliswaar geen besluit op het gebied van personeelsbeheer betreffende optreden „op het terrein”, maar neemt dat niet weg dat zij op dezelfde wijze betrekking heeft op de personeelsleden die door de lidstaten respectievelijk de instellingen van de Unie worden gedetacheerd wat het ten laste nemen van die uitgaven betreft. Teneinde een uniforme uitlegging van die bepaling te waarborgen en te voorkomen dat beslissingen over de door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden onverzoenbaar zijn met beslissingen van de Unierechter over de door de instellingen van de Unie gedetacheerde personeelsleden in de zin van de in punt 24 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, moet het Hof bevoegd blijven om die bepaling uit te leggen.
27 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het Hof bevoegd is om artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 uit te leggen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 aldus moet worden uitgelegd dat daarin wordt voorzien in een cumulatie van de dagvergoedingen en ongemakken- en gevarentoeslagen die door de Unie aan een personeelslid van de bij dit besluit verlengde politiemissie worden betaald, met soortgelijke vergoedingen en toeslagen die aan dit personeelslid voor de uitoefening van dezelfde taken bij die politiemissie worden betaald door de lidstaat waartoe het behoort.
29 In casu komt de twijfel van de verwijzende rechter over de juiste uitlegging van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 voort uit het feit dat volgens verzoeker in het hoofdgeding de woorden other than in de Engelse versie van deze bepaling moeten worden begrepen als „bovenop” en niet als „met uitzondering van”.
30 In dit verband is het vaste rechtspraak dat het vereiste van een uniforme uitlegging van de bepalingen van het Unierecht meebrengt dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar integendeel moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van Unierecht, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling ook worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 15 april 2010, Heinrich Heine, C‑511/08, EU:C:2010:189, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien uit een letterlijke uitlegging van een bepaling blijkt dat de bewoordingen ervan volkomen duidelijk en ondubbelzinnig zijn, is er daarentegen geen reden om er een andere uitlegging aan te geven (zie naar analogie arrest van 11 april 2024, OSTP Italy, C‑770/22, EU:C:2024:299, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Wat in casu de bewoordingen van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 betreft, moet worden opgemerkt dat volgens de verwijzende rechter de woorden other than in de Engelse taalversie van dat besluit, in deze taal zowel except (met uitzondering van) als in addition to (bovenop) kunnen betekenen.
32 In de Franse taalversie van die bepaling staat echter te lezen dat elke lidstaat of instelling van de Europese Unie de kosten in verband met elk door hem of haar gedetacheerd personeelslid draagt, met inbegrip van kosten voor vervoer van en naar de plaats van detachering, salarissen, ziektekosten et les indemnités, à l’exclusion des indemnités journalières de subsistance, des indemnités pour conditions de travail difficiles et des primes de risque (en andere vergoedingen dan dagvergoedingen en ongemakken- en gevarentoeslagen).
33 De woorden à l’exclusion des in de Franse taalversie van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 vinden in wezen hun equivalent in talrijke andere taalversies van deze bepaling, en met name in de Italiaanse, de Tsjechische, de Deense, de Duitse, de Estse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Hongaarse, de Nederlandse, de Portugese, de Sloveense, de Finse en de Zweedse taalversie. De in deze taalversies gehanteerde bewoordingen hebben immers dezelfde betekenis (respectievelijk diverse da, s výjimkou, bortset fra, anderer […] als, välja arvatud, osim, izņemot, išskyrus, kivételével, en andere vergoedingen dan, com excepção das, razen, muista […] kuin en andra […] än).
34 Aangezien other than in de Engelse taalversie van artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 onder meer „met uitzondering van” kan betekenen en deze betekenis volledig in overeenstemming is met de bewoordingen van de andere taalversies van deze bepaling, moet worden geoordeeld dat alleen deze betekenis kan worden aanvaard en dat er dus geen verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van deze bepaling.
35 Zoals uit de punten 32 en 33 van het onderhavige arrest blijkt, leiden de verschillende taalversies samen tot de conclusie dat artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 niet voorziet in een cumulatie van de dagvergoedingen en ongemakken- en gevarentoeslagen die de Unie aan een personeelslid van de EUPOL-Afghanistan-missie betaalt, met soortgelijke vergoedingen en toeslagen die aan dit personeelslid voor de uitoefening van dezelfde taken bij die politiemissie worden betaald door de lidstaat waartoe het behoort. Aangezien de bewoordingen van deze bepaling voldoende duidelijk en ondubbelzinnig zijn, hoeft zij niet te worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en de doelstelling van besluit 2010/279.
36 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279 aldus moet worden uitgelegd dat daarin niet wordt voorzien in een cumulatie van de dagvergoedingen en ongemakken- en gevarentoeslagen die door de Unie aan een personeelslid van de bij dit besluit verlengde politiemissie worden betaald, met soortgelijke vergoedingen en toeslagen die aan dit personeelslid voor de uitoefening van dezelfde taken bij die politiemissie worden betaald door de lidstaat waartoe het behoort.
Tweede vraag
37 Aangezien de verwijzende rechter zijn tweede vraag alleen heeft gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 3, van besluit 2010/279/GBVB van de Raad van 18 mei 2010 over de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (EUPOL AFGHANISTAN)
moet aldus worden uitgelegd dat
daarin niet wordt voorzien in een cumulatie van de dagvergoedingen en ongemakken- en gevarentoeslagen die door de Europese Unie aan een personeelslid van de bij dit besluit verlengde politiemissie worden betaald, met soortgelijke vergoedingen en toeslagen die aan dit personeelslid voor de uitoefening van dezelfde taken bij die politiemissie worden betaald door de lidstaat waartoe het behoort.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.