HvJ EU 13 maart 2025, C-44/23, ECLI:EU:C:2025:181

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

13 maart 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Strijd tegen het terrorisme – Beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten – Bevriezing van tegoeden – Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB – Artikel 1, leden 3, 4 en 6 – Verordening (EG) nr. 2580/2001 – Artikel 2, lid 3 – Handhaving van een organisatie op de lijst van personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden – Toepasselijkheid op situaties van gewapend conflict – Terroristische groepering – Aard van de verrichte handelingen en onderliggende redenen van die handelingen – Afstand in de tijd – Voortbestaan van het gevaar van betrokkenheid bij terroristische activiteiten – Evenredigheid – Motiveringsplicht”

In zaak C‑44/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 27 januari 2023,

Kurdistan Workers’ Party (PKK), vertegenwoordigd door T. Buruma en A. M. van Eik, advocaten,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M.‑C. Cadilhac, B. Driessen en S. Van Overmeire als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Giolito, J. Norris en L. Puccio als gemachtigden,

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑L. Carré, B. Fodda en W. Zemamta, vervolgens door J.‑L. Carré en B. Fodda, en ten slotte door B. Fodda en B. Travard als gemachtigden,

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, J. M. Hoogveld en J. Langer als gemachtigden,

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Kurdistan Workers’ Party om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 november 2022, PKK/Raad (T‑316/14 RENV en T‑148/19, EU:T:2022:727; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroepen heeft verworpen die strekten tot nietigverklaring van: – uitvoeringsverordening (EU) 2015/513 van de Raad van 26 maart 2015 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 790/2014 (PB 2015, L 82, blz. 1); – uitvoeringsverordening (EU) 2015/1325 van de Raad van 31 juli 2015 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/513 (PB 2015, L 206, blz. 12); – uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425 van de Raad van 21 december 2015 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/1325 (PB 2015, L 334, blz. 1); – uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425 (PB 2016, L 188, blz. 1); – uitvoeringsverordening (EU) 2017/150 van de Raad van 27 januari 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/1127 (PB 2017, L 23, blz. 3); – uitvoeringsverordening (EU) 2017/1420 van de Raad van 4 augustus 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2017/150 (PB 2017, L 204, blz. 3); – besluit (GBVB) 2019/25 van de Raad van 8 januari 2019 tot wijziging en actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit (GBVB) 2018/1084 (PB 2019, L 6, blz. 6), en – besluit (GBVB) 2019/1341 van de Raad van 8 augustus 2019 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit (GBVB) 2019/25 (PB 2019, L 209, blz. 15), voor zover deze verordeningen en besluiten (hierna samen: „litigieuze handelingen”) haar betreffen.

Toepasselijke bepalingen

Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties

2 Op 28 september 2001 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1373 (2001) aangenomen, waarbij strategieën zijn vastgesteld om het terrorisme, en met name de financiering ervan, met alle mogelijke middelen te bestrijden.

3 In de preambule van deze resolutie wordt nogmaals gewezen op „de noodzaak om met alle middelen, conform het Handvest van de Verenigde Naties, te strijden tegen de bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid door terroristische daden”. Deze preambule benadrukt tevens de verplichting voor de staten „om de internationale samenwerking te vervolledigen door het nemen van aanvullende maatregelen, teneinde op hun grondgebied met alle geoorloofde middelen de financiering en de voorbereiding van terroristische daden te voorkomen en te beteugelen”.

4 Punt 1, onder c), van deze resolutie bepaalt met name dat alle staten onverwijld de tegoeden en andere financiële activa of economische middelen moeten bevriezen van personen die terroristische daden plegen, pogen te plegen, of daaraan deelnemen dan wel het plegen van deze daden vergemakkelijken, alsook van de entiteiten die aan die personen toebehoren of door hen worden gecontroleerd en van de personen en entiteiten die namens of in opdracht van die personen en entiteiten handelen.

5 Deze resolutie bevat geen lijst met namen van personen op wie die beperkende maatregelen moeten worden toegepast.

Unierecht

Gemeenschappelijk standpunt 2001/931

6 Ter uitvoering van resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft de Raad van de Europese Unie op 27 december 2001 gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 93) vastgesteld.

7 Artikel 1, leden 1, 3, 4 en 6, van dit gemeenschappelijk standpunt luidt als volgt: „1. Dit gemeenschappelijk standpunt is overeenkomstig het bepaalde in de onderstaande artikelen van toepassing op de in de bijlage vermelde personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden. […] 3. Voor de toepassing van dit gemeenschappelijk standpunt wordt onder terroristische daad verstaan: een opzettelijke handeling die naar aard of context een land of een organisatie ernstig kan schaden en die overeenkomstig het nationale recht als strafbaar feit is gedefinieerd, wanneer de daad gepleegd wordt met het doel: i) een bevolking ernstig te intimideren, of ii) overheden dan wel een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te verplichten een bepaalde handeling te verrichten of zich daarvan te onthouden, dan wel iii) de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of van een internationale organisatie ernstig te destabiliseren of te vernietigen: a) aanslag op het leven van een persoon, met mogelijk een dodelijke afloop; b) ernstige schending van de fysieke integriteit van één persoon; c) ontvoering of gijzeling; d) het veroorzaken van vergaande verwoesting van overheids‑ en openbare voorzieningen, vervoersystemen of infrastructurele voorzieningen, met inbegrip van informaticasystemen, een vast platform op het continentaal plat, openbare plaatsen of privéterreinen, met als mogelijk resultaat dat mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht; e) het kapen van vlieg‑ en vaartuigen, van andere middelen van personen‑ of goederenvervoer; f) vervaardiging, bezit, verwerving, vervoer, levering of gebruik van vuurwapens, springstoffen, kernwapens, biologische en chemische wapens, alsook onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot biologische en chemische wapens; g) het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen of het veroorzaken van branden, overstromingen of ontploffingen, met als gevolg dat mensenlevens in gevaar worden gebracht; h) het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, stroom of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen, met als gevolg dat mensenlevens in gevaar worden gebracht; i) het dreigen met een van de onder a) tot en met h) genoemde gedragingen; j) leiding geven aan een terroristische groepering; k) het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groepering, ook door aan deze groepering informatie of materiële middelen te leveren of door enigerlei vorm van financiering van de activiteiten van de groepering, in de wetenschap dat met deze deelname aan de criminele activiteiten van de groepering wordt meegewerkt. Voor de toepassing van dit lid wordt onder terroristische groepering verstaan een sinds enige tijd bestaande, gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die in overleg optreden om strafbare feiten van terroristische aard te plegen. Onder ‚gestructureerde vereniging’ wordt verstaan een vereniging die niet toevallig tot stand is gekomen met het oog op een onverwijld te plegen terroristische daad en waarbij niet noodzakelijkerwijs sprake is van formeel afgebakende taken van de leden, noch van continuïteit in de samenstelling of een ontwikkelde structuur. 4. De lijst in de bijlage wordt opgesteld aan de hand van welbepaalde inlichtingen of dossierelementen die aantonen dat door een bevoegde instantie een beslissing is genomen ten aanzien van de bedoelde personen, groepen of entiteiten, ongeacht of het gaat om de inleiding van een onderzoek of een vervolging wegens een terroristische daad, poging tot het plegen van een dergelijke daad, of de deelname aan of het vergemakkelijken van een dergelijke daad, op grond van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen, dan wel om een veroordeling wegens dergelijke feiten. Personen, groepen en entiteiten die de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in verband heeft gebracht met terrorisme en waartegen deze sancties heeft gelast, kunnen op de lijst worden geplaatst. Voor de toepassing van dit lid wordt onder ‚bevoegde instantie’ verstaan een rechterlijke instantie of, indien rechterlijke instanties geen bevoegdheid bezitten op het door deze bepaling bestreken gebied, een gelijkwaardige op dat terrein bevoegde instantie. […] 6. De namen van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen, groepen en entiteiten worden regelmatig en ten minste om de zes maanden bezien om er zeker van te zijn dat hun plaatsing op de lijst nog steeds gerechtvaardigd is.”

8 Artikel 2 van dit gemeenschappelijk standpunt luidt als volgt: „De Europese Gemeenschap, handelend binnen de grenzen van de haar bij het EG-Verdrag verleende bevoegdheden, zal bevel geven tot bevriezing van de tegoeden, financiële activa of andere economische middelen van in de bijlage vermelde personen, groepen en entiteiten.”

Verordening nr. 2580/2001

9 Aangezien de Raad van mening was dat een verordening noodzakelijk was om de in gemeenschappelijk standpunt 2001/931 beschreven maatregelen op het niveau van de Europese Unie ten uitvoer te leggen, heeft hij verordening (EG) nr. 2580/2001 van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 70) vastgesteld.

10 Artikel 2 van deze verordening bepaalt: „1. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6: a) worden alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, bevroren; b) worden aan of ten behoeve van een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking gesteld. 2. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6, is het verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van een natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit als vermeld in de lijst als bedoeld in artikel 2, lid 3. 3. De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze met eenparigheid van stemmen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB. Deze lijst behelst: i) natuurlijke personen die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken; ii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken; iii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii); iv) natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten die optreden namens of in opdracht van een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii).”

Voorgeschiedenis van het geding

11 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 3 tot en met 14 van het bestreden arrest. Bij het onderzoek van de onderhavige hogere voorziening moeten de volgende feiten in aanmerking worden genomen.

12 De PKK, verzoekster in eerste aanleg en rekwirante in hogere voorziening, is in 1978 opgericht en voert sindsdien een gewapende strijd tegen de Turkse regering teneinde het recht op zelfbeschikking van de Koerden te doen erkennen.

13 De naam van rekwirante was aanvankelijk niet opgenomen op de lijst in de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2001/931, noch op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001.

14 Op 2 mei 2002 heeft de Raad gemeenschappelijk standpunt 2002/340/GBVB inzake de actualisering van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB 2002, L 116, blz. 75) vastgesteld. In de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2002/340 is de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de in gemeenschappelijk standpunt 2001/931 bedoelde beperkende maatregelen van toepassing zijn, geactualiseerd en is daarop met name de naam van rekwirante opgenomen, aangeduid als „Kurdistan Workers’ Party (PKK)”. Op dezelfde datum heeft de Raad besluit 2002/334/EG vastgesteld, tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van besluit 2001/927/EG (PB 2002, L 116, blz. 33). Besluit 2002/334 heeft de naam van rekwirante op de in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 bedoelde lijst opgenomen onder dezelfde aanduiding als in de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2002/340.

15 Sedertdien zijn deze handelingen regelmatig geactualiseerd overeenkomstig artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001. De naam van rekwirante is bij iedere actualisering opnieuw gehandhaafd op de lijsten van groepen en entiteiten waarop de beperkende maatregelen van toepassing zijn (hierna: „litigieuze lijsten”), ondanks het feit dat verschillende besluiten en verordeningen waarbij deze lijsten als bijlage waren opgenomen voor het Gerecht zijn betwist of door het Gerecht nietig zijn verklaard. Sinds 2 april 2004 staat de entiteit op de litigieuze lijsten vermeld als „Kurdistan Workers’ Party (‚PKK’) (alias ‚KADEK’, alias ‚KONGRA-GEL’)”.

16 Zo zijn de op rekwirante toepasselijke beperkende maatregelen later gehandhaafd bij handelingen die tussen 2014 en 2020 zijn vastgesteld, met name: – uitvoeringsverordening (EU) nr. 125/2014 van de Raad van 10 februari 2014 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 714/2013 (PB 2014, L 40, blz. 9), en uitvoeringsverordening (EU) nr. 790/2014 van de Raad van 22 juli 2014 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 125/2014 (PB 2014, L 217, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van 2014”); – de uitvoeringsverordeningen 2015/513, 2015/1325, 2015/2425, 2016/1127, 2017/150 en 2017/1420 (hierna samen: „verordeningen van 2015 tot en met 2017”), – besluit (GBVB) 2015/521 van de Raad van 26 maart 2015 inzake de actualisering en wijziging van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2014/483/GBVB (PB 2015, L 82, blz. 107); besluit (GBVB) 2015/1334 van de Raad van 31 juli 2015 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2015/521 (PB 2015, L 206, blz. 61), en besluit (GBVB) 2017/1426 van de Raad van 4 augustus 2017 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit (GBVB) 2017/154 (PB 2017, L 204, blz. 95) (hierna samen: „GBVB-besluiten van 2015 tot en met 2017”); – besluiten 2019/25 en 2019/1341; – uitvoeringsverordening (EU) 2019/1337 van de Raad van 8 augustus 2019 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2019/24 (PB 2019, L 209, blz. 1); – uitvoeringsverordening (EU) 2020/19 van de Raad van 13 januari 2020 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1337 (PB 2020, L 8 I, blz. 1), en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2020/1128 van de Raad van 30 juli 2020 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2020/19 (PB 2020, L 247, blz. 1); – besluit (GBVB) 2020/1132 van de Raad van 30 juli 2020 tot actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en tot intrekking van besluit (GBVB) 2020/20 (PB 2020, L 247, blz. 18).

17 In de motiveringen van de handelingen van 2014 heeft de Raad de PKK omschreven als een entiteit die betrokken was bij terroristische daden en die vanaf 1984 tal van dergelijke daden had gepleegd. De Raad heeft erop gewezen dat de terroristische activiteiten van de PKK werden voortgezet, ondanks een aantal staakt-het-vurens die zij met name sinds 2009 eenzijdig had afgekondigd. De Raad heeft in dit verband gepreciseerd dat de door de PKK gepleegde terroristische daden bestonden uit bomaanslagen, raketaanvallen, het gebruik van springstoffen, het vermoorden en ontvoeren van Turkse burgers en buitenlandse toeristen, gijzelingen, aanslagen op en gewapende confrontaties met Turkse veiligheidstroepen, aanslagen op olie-installaties, openbare vervoersmiddelen, alsook op Turkse diplomatieke, culturele en commerciële voorzieningen in verschillende landen, afpersing van in het buitenland wonende Turkse burgers en andere criminele daden om haar activiteiten te financieren. Ter illustratie daarvan heeft de Raad een lijst opgesteld van 69 incidenten die zich tussen 14 november 2003 en 19 oktober 2011 hebben voorgedaan en die als „terroristische daden” in de zin van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 worden aangemerkt.

18 De Raad heeft hieraan toegevoegd dat er ten aanzien van de PKK beslissingen door bevoegde nationale instanties waren genomen in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, waaronder met name een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 29 maart 2001 (hierna: „beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001”) om de PKK te verbieden krachtens de UK Terrorism Act 2000 (wet van het Verenigd Koninkrijk van 2000 betreffende het terrorisme), zoals aangevuld bij een besluit van 14 juli 2006, waarin werd gesteld dat „KADEK” en „KONGRA-GEL” andere benamingen van de PKK waren.

19 In de motiveringen van de tussen 2015 en 2017 vastgestelde handelingen heeft de Raad opgemerkt dat de handhaving van rekwirantes naam op de litigieuze lijsten onder andere was gebaseerd op de – eerder reeds in aanmerking genomen – beslissingen van de instanties van het Verenigd Koninkrijk die in de loop van 2001 en 2006 waren vastgesteld, zoals aangevuld bij een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk van 3 december 2014 houdende handhaving van het verbod op de PKK, bij een arrest van 2 november 2011 van de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk), waarbij het Koerdisch cultureel centrum Ahmet Kaya is veroordeeld wegens deelname aan een criminele vereniging ten behoeve van de voorbereiding van een terroristische daad en de financiering van een terroristische onderneming, welk arrest in hoger beroep is bekrachtigd bij een arrest van 23 april 2013 van de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) en in cassatie bij een arrest van 21 mei 2014 van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), en bij een op 21 november 2013 afgeronde evaluatie van de instanties van de Verenigde Staten, waarbij de PKK opnieuw als „buitenlandse terroristische organisatie” is aangeduid.

20 In de motiveringen van de tussen 2019 en 2020 vastgestelde handelingen worden in wezen de hierboven genoemde redenen herhaald.

Beroepen bij het Gerecht

Zaak T‑316/14 RENV

21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 mei 2014, heeft de PKK beroep ingesteld tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening nr. 125/2014, voor zover deze haar betreft.

22 Bij latere memories houdende aanpassing heeft rekwirante ook verzocht om nietigverklaring van uitvoeringsverordening nr. 790/2014 en van de handelingen die tussen 2015 en 2017 zijn vastgesteld (de GBVB-besluiten van 2015 tot en met 2017 en de verordeningen van 2015 tot en met 2017), voor zover die handelingen haar betreffen.

23 De Europese Commissie is in de procedure bij het Gerecht toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.

24 Bij arrest van 15 november 2018, PKK/Raad (T‑316/14, EU:T:2018:788), heeft het Gerecht alle handelingen waartegen het beroep gericht was, nietig verklaard, voor zover zij de PKK betreffen.

25 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 januari 2019, heeft de Raad hogere voorziening ingesteld tot vernietiging van dat arrest. De Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden zijn in het kader van de procedure bij het Hof toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.

26 Bij arrest van 22 april 2021, Raad/PKK (C‑46/19 P, EU:C:2021:316), heeft het Hof het arrest van het Gerecht van 15 november 2018, PKK/Raad (T‑316/14, EU:T:2018:788), vernietigd voor zover dit het beroep tot nietigverklaring had toegewezen, en heeft het de zaak terugverwezen naar het Gerecht.

27 Ter ondersteuning van haar beroep in zaak T‑316/14 RENV, heeft de PKK in wezen zeven middelen aangevoerd. Het eerste middel was ontleend aan de onjuiste kwalificatie van rekwirante als terroristische groepering in de zin van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Het tweede middel was ontleend aan het ontbreken van een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt. Het derde middel betrof de schending van de artikelen 4 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de handelingen van 2014 en de handelingen die tussen 2015 en 2017 zijn vastgesteld deels waren gebaseerd op informatie die was verkregen door middel van foltering of mishandeling. Het vierde middel betrof het ontbreken van een evaluatie overeenkomstig de vereisten van artikel 1, lid 6, van het voornoemde gemeenschappelijk standpunt. Het vijfde middel was ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel en het zesde middel aan schending van de motiveringsplicht. Het zevende middel was ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming.

Zaak T‑148/19

28 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 maart 2019, heeft de PKK beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2019/25, voor zover dit besluit haar betreft.

29 Bij latere memories houdende aanpassing heeft rekwirante ook verzocht om nietigverklaring van de andere in 2019 vastgestelde handelingen (besluit 2019/1341 en uitvoeringsverordening 2019/1337) alsook van de in 2020 vastgestelde handelingen (besluit 2020/1132 en uitvoeringsverordeningen 2020/19 en 2020/1128), voor zover die handelingen haar betreffen.

30 Ter ondersteuning van haar beroep heeft rekwirante zes middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof de onjuiste kwalificatie van rekwirante als terroristische groepering in de zin van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Het tweede middel betrof het ontbreken van een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt en het derde middel het ontbreken van een evaluatie overeenkomstig de vereisten van artikel 1, lid 6, van datzelfde gemeenschappelijk standpunt. Het vierde middel was ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel en het vijfde middel aan schending van de motiveringsplicht. Het zesde middel was ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming.

31 Bij beslissing van 8 februari 2022 zijn de zaken T‑316/14 RENV en T‑148/19 gevoegd voor de mondelinge behandeling en de eindbeslissing.

Bestreden arrest

32 Het Gerecht heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij strekken tot nietigverklaring van de GBVB-besluiten van 2015 tot en met 2017 (zaak T‑316/14 RENV), besluit 2020/1132 alsmede uitvoeringsverordeningen 2019/1337, 2020/19 en 2020/1128 (zaak T‑148/19). Bijgevolg heeft het Gerecht de gegrondheid van deze beroepen alleen onderzocht voor zover zij betrekking hadden op de handelingen van 2014 en de litigieuze handelingen, namelijk de verordeningen van 2015 tot en met 2017, alsmede op de besluiten 2019/25 en 2019/1341 (hierna: „besluiten van 2019”).

33 Gelet op de overeenkomsten tussen zes van de in beide zaken T‑316/14 RENV en T‑148/19 aangevoerde middelen, heeft het Gerecht deze gezamenlijk onderzocht, waarbij het alleen een onderscheid tussen die zaken heeft gemaakt wanneer specifieke argumenten ter onderbouwing van deze middelen worden aangevoerd en bepaalde verschillen tussen de bestreden handelingen dit vereisen.

34 Vijf van deze middelen zijn relevant voor de onderhavige hogere voorziening.

35 In de eerste plaats heeft het Gerecht, bij de beoordeling van het middel inzake schending van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, in punt 43 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de aanvankelijke plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden, overeenkomstig deze bepaling, en de handhaving op die lijst van een persoon of entiteit die reeds op deze lijst was geplaatst, zoals bedoeld in artikel 1, lid 6, van dat gemeenschappelijk standpunt. Terwijl de aanvankelijke plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst veronderstelt dat er een nationale beslissing van een bevoegde instantie is, geldt die voorwaarde niet voor de handhaving van deze persoon of entiteit op de lijst, aangezien deze handhaving in essentie de verlenging van de aanvankelijke plaatsing op de lijst is en veronderstelt dat het gevaar van betrokkenheid van de persoon of entiteit in kwestie bij terroristische activiteiten nog steeds bestaat.

36 Wat betreft de grieven waarmee rekwirante betwist dat de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 is, heeft het Gerecht de kwalificatie als bevoegde instantie, de vereiste aanwijzingen waaruit blijkt dat een beslissing is genomen en de datum van de in die beslissing in aanmerking genomen incidenten geanalyseerd, om in punt 83 van het bestreden arrest tot de conclusie te komen dat die grieven ongegrond zijn.

37 In de tweede plaats heeft het Gerecht bij het onderzoek van de grieven inzake schending van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 in punt 126 van het bestreden arrest geoordeeld dat het gewoonterechtelijke beginsel van zelfbeschikking niet impliceert dat een volk of de inwoners van een gebied, voor de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht een beroep kunnen doen op middelen die binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen. In punt 131 van het arrest oordeelde het Gerecht dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de doelstellingen die een volk of de bewoners van een gebied voor ogen staan en de handelingen die zij verrichten om die doelstellingen te verwezenlijken. Daarom komen de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder i) tot en met iii), van dat gemeenschappelijk standpunt genoemde „doelstellingen” niet overeen met deze doelstellingen, die meer als een einddoel of een onderliggende doelstelling moeten worden beschouwd. Het Gerecht preciseerde in punt 132 van dat arrest dat geen rekening hoeft te worden gehouden met het doel dat zij met de aanslagen op de basisstructuren van de Turkse Staat zegt na te streven, te weten het verhogen van het democratisch gehalte van die structuren. Evenzo moet de zinsnede „op onrechtmatige wijze” geacht worden te verwijzen naar de onrechtmatige aard van de dwang die wordt uitgeoefend, in plaats van dat zij wordt getoetst aan het gestelde legitieme karakter van het met de uitoefening van die dwang nagestreefde doel. Het Gerecht oordeelde in punt 133 van datzelfde arrest dat het genoemde gemeenschappelijk standpunt en meer algemeen het gehele stelsel van beperkende maatregelen van de Unie geen belemmering kunnen vormen voor de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht van bevolkingsgroepen in staten met een repressief regime, aangezien die instrumenten immers niet zijn bedoeld om vast te stellen wie er binnen een gewapend conflict tussen een staat en een groep gelijk of ongelijk heeft, maar om het terrorisme te bestrijden. Derhalve werd het betoog dat bij de uitlegging van de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, van dat gemeenschappelijk standpunt genoemde doelstellingen rekening moet worden gehouden met het legitieme gewapende conflict ten behoeve van zelfbeschikking van het Koerdische volk, ongegrond verklaard.

38 Het Gerecht heeft eveneens het betoog afgewezen waarmee rekwirante betwistte dat bepaalde aan de PKK toegeschreven daden terroristische doelstellingen nastreefden, in verband met de vermeende schending van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, door met name in punt 144 van het bestreden arrest erop te wijzen dat er geen gevolgen zijn verbonden aan het feit dat de definitie van terroristische daad in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk afwijkt van de definitie in het voornoemde artikel 1, lid 3, aangezien beide begrippen dezelfde tweetrapsdefinitie van terroristische daden bevatten.

39 In de derde plaats heeft het Gerecht, bij de beoordeling van het middel ontleend aan schending van artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, in de punten 147 en 150 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat de Raad de naam van een betrokken persoon of entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden mag handhaven indien hij tot de conclusie komt dat het gevaar van betrokkenheid bij terroristische activiteiten dat de reden was voor de aanvankelijke plaatsing op de lijst, nog steeds bestaat, maar dat de voorwaarden die verband houden met het verstrijken van de tijd en de wijziging van omstandigheden factoren zijn die een verplichting doen ontstaan om het gevaar van betrokkenheid te actualiseren. In casu is het Gerecht, na in punt 167 van dat arrest te hebben vastgesteld dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden die een geactualiseerde beoordeling van de situatie rechtvaardigt, in punt 175 van dat arrest tot de slotsom gekomen dat de Raad niet had voldaan aan de krachtens artikel 1, lid 6, van dat gemeenschappelijk standpunt op hem rustende verplichting om zijn beoordeling te actualiseren, wat het Gerecht ertoe heeft gebracht de handelingen van 2014 nietig te verklaren voor zover deze handelingen de PKK betreffen. Daarentegen heeft het Gerecht, wat de verordeningen van 2015 tot en met 2017 alsmede de in 2019 vastgestelde handelingen betreft, met name in de punten 186 en 202 van dat arrest vastgesteld dat de Raad zijn beoordeling van het gevaar van terroristische betrokkenheid ten opzichte van de datum van die handelingen op geldige wijze heeft geactualiseerd, zodat dit gemeenschappelijk standpunt krachtens artikel 1, lid 6, ervan naar behoren is geëvalueerd.

40 In de vierde plaats heeft het Gerecht, in antwoord op het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel, in de punten 207 tot en met 215 van het bestreden arrest vastgesteld dat beperkende maatregelen in het algemeen een doel van algemeen belang nastreven en voorts niet worden beschouwd als onevenredig of onduldbaar of als een aantasting in de kern van de fundamentele rechten. Wat meer bepaald het argument betreft dat de in de onderhavige zaak vastgestelde beperkende maatregelen een vreedzame en democratische oplossing van het conflict tussen de Koerden en de Turkse autoriteiten in de weg zouden staan of zelfs negatieve gevolgen zouden hebben voor de Koerden en voor iedereen die hen wil steunen, heeft het Gerecht in de punten 212 en 213 van dat arrest geoordeeld dat de litigieuze handelingen er duidelijk toe strekten het terrorisme en de PKK te bestrijden, zodat het bestaan van een gewapend conflict en de door rekwirante gelaakte acties jegens derden niet konden worden geacht voort te vloeien uit voornoemde handelingen en derhalve niet de vaststelling konden staven dat die handelingen onevenredig waren.

41 In de vijfde en laatste plaats heeft het Gerecht, wat betreft het middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht, in de punten 216 tot en met 219 van het bestreden arrest gewezen op de rechtspraak volgens welke, om te voldoen aan de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU, de Raad voldoende nauwkeurige en concrete redenen moet aanvoeren, zodat de verzoeker de redenen voor de handhaving van de plaatsing van zijn naam op de lijsten van bevriezing van tegoeden kan kennen en het Gerecht zijn toezicht kan uitoefenen. Het Gerecht heeft in de punten 221 tot en met 238 van dat arrest een standpunt ingenomen over de verschillende grieven die rekwirante in dat verband heeft aangevoerd, waarbij het met name in punt 234 van dat arrest in herinnering heeft gebracht dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de betrokken handeling betreft, zodat de grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van een handeling derhalve geen doel treffen in het kader van een middel betreffende een ontbrekende of ontoereikende motivering.

42 Bijgevolg heeft het Gerecht bij het bestreden arrest de handelingen van 2014 in zaak T‑316/14 RENV nietig verklaard voor zover deze de PKK betreffen, en het beroep verworpen voor het overige, alsmede het beroep in zaak T‑148/19 in zijn geheel verworpen.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

43 De PKK verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, voor zover het Gerecht de beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen heeft verworpen voor zover deze rekwirante betreffen; – definitief uitspraak te doen op de punten waarop deze hogere voorziening betrekking heeft en de litigieuze handelingen nietig te verklaren voor zover deze rekwirante betreffen, en – de Raad te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en in die van de procedures in eerste aanleg, vermeerderd met rente.

44 De Raad verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen; – subsidiair, de beroepen tot nietigverklaring van de bestreden handelingen in de zaken T‑316/14 RENV en T‑148/19 te verwerpen, en – de PKK te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en in die van de procedures in eerste aanleg.

45 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.

46 De Franse Republiek verzoekt het Hof om de hogere voorziening af te wijzen.

47 Het Koninkrijk der Nederlanden verzoekt het Hof om de hogere voorziening af te wijzen en de PKK te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

48 Rekwirante voert vijf middelen aan ter ondersteuning van haar hogere voorziening. Ten eerste heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, met name wat betreft de uitlegging van de daarin genoemde „doelstellingen” en de toepassing van die bepaling in de onderhavige zaak. Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad zich kon baseren op de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, leden 3 en 4, van dat gemeenschappelijk standpunt. Ten derde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting bij de beoordeling van de evaluatie van de Raad op grond van artikel 1, lid 6, van dat gemeenschappelijk standpunt. Ten vierde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting bij de uitlegging van het evenredigheidsbeginsel. Ten vijfde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting bij de beoordeling van de toereikendheid van de redenen die de Raad heeft verstrekt in de motivering van de litigieuze handelingen.

Eerste middel

Argumenten van partijen

49 Met haar eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 126 tot en met 146 van het bestreden arrest een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en deze bepaling onjuist heeft toegepast op de onderhavige zaak, door te oordelen dat de in de punten i) tot en met iii) van die bepaling genoemde „doelstellingen” betrekking hebben op de aard zelve van de gepleegde daden.

50 Volgens rekwirante maakt artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 een onderscheid tussen de onder de punten a) tot en met k) ervan genoemde handelingen, die op grond van de ernst ervan als terroristische daden kunnen worden aangemerkt, en de doelstellingen waarmee de in de punten i) tot en met iii) van dat lid genoemde daden moeten worden gepleegd. Aangezien deze voorwaarden cumulatief zijn, staat het aan de Raad om, ten eerste, aan te tonen dat een organisatie een of meer in de punten a) tot en met k) genoemde daden heeft gepleegd en, ten tweede, dat die da(a)d(en) is/zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk, teneinde te kunnen concluderen dat er sprake is van een terroristische daad in de zin van dit gemeenschappelijk standpunt. Door in punt 131 van het bestreden arrest te hebben verklaard dat de „doelstellingen” van artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder i) tot en met iii), van dit gemeenschappelijk standpunt verwijzen naar „de aard zelve van de gepleegde daden”, heeft het Gerecht echter blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van deze tweeledige voorwaarde, door de facto de autonome voorwaarde met betrekking tot het terroristisch oogmerk te schrappen.

51 Het is juist dat het Gerecht, na in punt 131 van het bestreden arrest een onderscheid te maken tussen de doelstellingen die een volk of de bewoners van een gebied voor ogen staan en de handelingen die zij verrichten om die doelstellingen te verwezenlijken, terecht heeft geoordeeld dat de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 genoemde „doelstellingen” niet overeenkomen met doelstellingen die meer als een einddoel of een onderliggende doelstelling kunnen worden omschreven. Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat het uiteindelijke doel „niet relevant” is voor de uitlegging van het onmiddellijke doel van een handeling. Het Gerecht heeft dus in punt 132 van dat arrest ten onrechte geoordeeld dat daarmee geen rekening moest worden gehouden.

52 Voorts stelt rekwirante, onder verwijzing naar punt 132, dat de zinsnede „op onrechtmatige wijze” in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder ii), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 niet uitsluitend verwijst naar de onrechtmatige aard van de dwang die wordt uitgeoefend. Zo dat het geval zou zijn, is deze zinsnede overbodig, aangezien een handeling onrechtmatig moet zijn om binnen de werkingssfeer van artikel 1, lid 3, te vallen. Bijgevolg dient deze zinsnede aldus te worden opgevat dat zij de kwalificatie van een handeling als terroristische daad bemoeilijkt.

53 Evenzo heeft het Gerecht in punt 131 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat „de gebezigde terminologie (intimidatie, dwang, destabilisatie of vernietiging)” betrekking heeft op „de aard zelve van de gepleegde daden”, aangezien niet kan worden vastgesteld of een daad destabiliserend of vernietigend is voor de basisstructuren van een staat zonder rekening te houden met de doelstellingen die de betrokken organisatie ten aanzien van die basisstructuren nastreeft. Indien het nagestreefde doel erin bestaat de genoemde basisstructuren meer in overeenstemming te brengen met de beginselen van het internationaal recht en de mensenrechten, kan die daad aldus niet de destabilisatie of vernietiging van die basisstructuren tot doel hebben. Aangezien het Hof reeds heeft geoordeeld dat het gewoonterechtelijk beginsel van zelfbeschikking „een recht [is] dat erga omnes geldt en een van de basisbeginselen van het internationale recht [is]” (arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario,C‑104/16 P, EU:C:2016:973, punt 88), moet de Raad daarmee rekening houden wanneer hij beslist om een organisatie op een sanctielijst te plaatsen. Het Gerecht heeft dan ook in punt 133 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de toepassing van de bepalingen van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 geen belemmering vormt voor het gewoonterechtelijk beginsel van zelfbeschikking.

54 Volgens rekwirante zou, indien de redenering van het Gerecht moet worden gevolgd, een daad van een persoon die – om zijn volk in staat te stellen zijn zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen – geen andere keuze heeft dan het gebruik van gewapend geweld, onder de definitie van terroristische daad vallen. Dit zou neerkomen op de verwerping van de idee van het internationaal humanitair recht in zijn geheel. Volgens dat recht zijn tal van militaire handelingen die in een dergelijk conflict worden gepleegd legitiem. In plaats van, zoals in punt 133 van het bestreden arrest, te verwijzen naar de ruime beoordelingsbevoegdheid die aan de Raad is toegekend, had het Gerecht bij de uitlegging van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 rekening moeten houden met het beginsel van zelfbeschikking.

55 Tot slot verwijt rekwirante het Gerecht, onder verwijzing naar de in eerste aanleg aangevoerde argumenten, dat het in punt 126 van het bestreden arrest heeft geweigerd om zich uit te spreken over de toepassing van het beginsel van zelfbeschikking in de onderhavige zaak en over de vraag naar de rechtmatigheid van het gebruik van geweld om zelfbeschikking af te dwingen.

56 De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie, verzoekt het Hof om het eerste middel af te wijzen.

Beoordeling door het Hof

57 Het eerste middel betreft de uitlegging die het Gerecht in de punten 126 tot en met 146 van het bestreden arrest heeft gegeven aan artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Volgens die uitlegging zouden de in deze bepaling genoemde „doelstellingen” betrekking hebben op „de aard zelve van de gepleegde daden” en zou er geen rekening kunnen worden houden met het eventuele bestaan van een gewapend conflict met als doel de zelfbeschikking van een volk.

58 In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak dat bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arrest van 2 december 2021, Commissie en GMB Glasmanufaktur Brandenburg/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings, C‑884/19 P en C‑888/19 P, EU:C:2021:973, punt 70].

59 Wat de bewoordingen van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 betreft, zij erop gewezen dat de definitie van een handeling als „terroristische daad” berust op twee cumulatieve voorwaarden, te weten dat het om een van de onder a) tot en met k) genoemde handelingen gaat, en dat die handeling wordt gepleegd teneinde een van de onder die punten i) tot en met iii) genoemde doelstellingen te bereiken.

60 Derhalve heeft het Gerecht terecht – zoals rekwirante overigens heeft erkend – in punt 144 van het bestreden arrest geoordeeld dat dit gemeenschappelijk standpunt terroristische daden zowel aan de hand van de nagestreefde doelstellingen als aan de hand van de daartoe aangewende middelen definieert.

61 Daarentegen kan, in tegenstelling tot wat rekwirante stelt, op grond van de bewoordingen van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van het genoemde gemeenschappelijk standpunt niet worden vastgesteld dat een politiek doel dat met de betrokken handeling wordt nagestreefd, of de aard van de eisen van de dader, enige relevantie zou kunnen hebben voor de definitie van het begrip „terroristische daad”.

62 Deze lezing van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 wordt bevestigd door de context van deze bepaling en door de doelstellingen die de Raad nastreefde bij de vaststelling ervan.

63 Zoals blijkt uit de overwegingen 5 tot en met 7 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en de overwegingen 3, 5 en 6 van verordening nr. 2580/2001, heeft de Raad dit gemeenschappelijk standpunt en vervolgens, overeenkomstig dat standpunt, deze verordening onder meer vastgesteld met het oog op de tenuitvoerlegging op Unieniveau van resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. In die resolutie werd „nogmaals gewezen op de noodzaak om met alle middelen, conform het Handvest van de Verenigde Naties, te strijden tegen de bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid door terroristische daden [opnieuw bevestigd]” en werd de lidstaten verzocht „de internationale samenwerking te vervolledigen door het nemen van aanvullende maatregelen, teneinde op hun grondgebied met alle geoorloofde middelen de financiering en de voorbereiding van terroristische daden te voorkomen en te beteugelen”.

64 In dit verband zij er ook aan herinnerd dat gemeenschappelijk standpunt 2001/931 in wezen het preventieve doel nastreeft om het internationaal terrorisme te bestrijden en het zijn financiële middelen te ontnemen door de tegoeden en economische middelen te bevriezen van de personen of entiteiten die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij daarmee verband houdende activiteiten (zie in die zin arrest van 15 november 2012, Al-Aqsa/Raad en Nederland/Al-Aqsa, C‑539/10 P en C‑550/10 P, EU:C:2012:711, punt 67).

65 Bijgevolg worden de opzettelijke handelingen die worden genoemd in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder a) tot en met k), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 als terroristische daden beschouwd indien zij worden gepleegd met het doel een bevolking ernstig te intimideren, overheden dan wel een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te verplichten een bepaalde handeling te verrichten of zich daarvan te onthouden, dan wel de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of van een internationale organisatie ernstig te destabiliseren of te vernietigen, zonder dat daarbij rekening hoeft te worden gehouden met het doel, politiek of anderszins, van de dader van de betrokken terroristische daad.

66 In dit verband moet worden benadrukt dat gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001 niet tot doel hebben terroristische daden te bestraffen, maar terrorisme te bestrijden door de financiering van terroristische daden te voorkomen (arrest van 14 maart 2017, A e.a.,C‑158/14, EU:C:2017:202, punt 96).

67 Geen van die overwegingen of doelstellingen kan echter zodanig worden opgevat dat handelingen die een vermeend legitiem doel nastreven, van de werkingssfeer van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 moeten worden uitgesloten, zodat het argument van rekwirante dat rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van een doel van zelfbeschikking om te bepalen of een handeling met een terroristisch oogmerk is gepleegd, moet worden verworpen.

68 Het Gerecht heeft in de punten 122 en 124 van het bestreden arrest op dit argument gereageerd door – zonder door rekwirante te worden tegengesproken – eraan te herinneren dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet uitsluit dat Unierechtelijke bepalingen inzake het voorkomen van terrorisme, zoals gemeenschappelijk standpunt 2001/931, van toepassing zijn op eventueel in dat verband gepleegde terroristische daden (zie in die zin arrest van 14 maart 2017, A e.a.,C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 97 en 98), en gepreciseerd dat in dit gemeenschappelijk standpunt qua werkingssfeer geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de betrokken handeling al dan niet is gepleegd in het kader van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht.

69 Hoewel het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest heeft erkend dat het gewoonterechtelijk beginsel van zelfbeschikking, dat met name in artikel 1 van het Handvest van de Verenigde Naties in herinnering wordt gebracht, een internationaal rechtsbeginsel is dat van toepassing is op alle niet-zelfbesturende gebieden en op alle volkeren die nog niet onafhankelijk zijn geworden (arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario,C‑104/16 P, EU:C:2016:973, punt 88), impliceert dit echter niet dat een volk of de inwoners van een gebied zich voor de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht kunnen beroepen op middelen die binnen de werkingssfeer van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 vallen.

70 Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat het internationaal humanitair recht en gemeenschappelijk standpunt 2001/931 andere doelen nastreven en afzonderlijke mechanismen instellen, zodat de toepassing van het gemeenschappelijk standpunt niet afhankelijk is van de uit het internationale humanitaire recht voortvloeiende kwalificaties. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat dit gemeenschappelijk standpunt en verordening nr. 2580/2001 in die zin moeten worden uitgelegd dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht „terroristische daden” in de zin van deze Uniehandelingen kunnen vormen (zie in die zin arrest van 14 maart 2017, A e.a., C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 89, 91 en 97).

71 In dit verband heeft het Gerecht in punt 131 van het bestreden arrest vastgesteld dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de doelstellingen die een volk of de bewoners van een gebied voor ogen staan en de handelingen die zij verrichten om die doelstellingen te verwezenlijken, zodat de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder i) tot en met iii), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 genoemde „doelstellingen” niet overeenkomen met dergelijke doelstellingen, die meer als een einddoel of een onderliggende doelstelling kunnen worden omschreven.

72 Hoewel rekwirante erkent dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat er een verschil bestaat tussen het einddoel of de onderliggende doelstelling waardoor de entiteit in een gewapend conflict verwikkeld geraakt en het doel waarvoor de specifieke daden in het kader van dat conflict worden gepleegd, voert zij geen geldig juridisch argument aan waaruit zou blijken dat het einddoel of de onderliggende doelstelling relevant is voor de beoordeling van het doel van die specifieke daden.

73 Hieruit volgt dat daden die worden gepleegd met een van de drie in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder i) tot iii), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 genoemde doelstellingen als terroristische daden kunnen worden aangemerkt, zelfs als hun einddoel of onderliggende doelstelling er bijvoorbeeld in bestaat om het democratisch gehalte van de basisstructuren van een staat te verhogen. Derhalve heeft het Gerecht in punt 132 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat voor daden die met een van deze drie doelstellingen worden gepleegd, niet hoeft te worden nagegaan welke doelen de betrokken organisatie nastreeft. Dit zou immers neerkomen op de schrapping van een van de twee cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een handeling als een terroristische daad aan te merken. Die doelstellingen, die de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder a) tot en met k), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 genoemde daden kenmerken en dus van louter functionele aard zijn, houden geen verband met een politiek doel of met eisen die de plegers van een daad zichzelf hebben gesteld. Het einddoel of de onderliggende doelstelling van die daad is dan ook zonder betekenis voor de kwalificatie ervan als „terroristische daad”.

74 In het licht van het voorgaande moet ook het tegen punt 126 van het bestreden arrest gerichte betoog van rekwirante worden afgewezen, niet alleen omdat dit betoog zich beperkt tot een algemene betwisting van de vaststelling van het Gerecht in dat punt, maar ook omdat het berust op een onjuiste lezing van dat punt. Het Gerecht heeft in dat punt namelijk geoordeeld dat het niet nodig was om zich in de onderhavige zaak uit te spreken over de toepassing van het beginsel van zelfbeschikking om te kunnen antwoorden op het betoog over de uitlegging van de in artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 genoemde doelstellingen, en heeft, anders dan rekwirante stelt, niet geweigerd zich uit te spreken over de toepasselijkheid van dit beginsel.

75 Het aanvaarden van het betoog van rekwirante, dat een organisatie of entiteit het recht heeft om een van de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder a) tot en met k), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 genoemde daden te plegen, zolang deze daden worden gepleegd met een algemeen doel van zelfbeschikking, zou bovendien leiden tot een resultaat dat in strijd is met de bewoordingen en de context van deze bepaling, alsmede met de doelstellingen van de regelgeving waarvan zij deel uitmaakt, en zou in strijd zijn met de rechtspraak die in de punten 68 tot en met 70 van dit arrest wordt aangehaald.

76 Ten slotte heeft het Gerecht om deze redenen in punt 132 van het bestreden arrest evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de zinsnede „op onrechtmatige wijze” in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder ii), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 niet moet worden getoetst aan het vermeende legitieme karakter van het met de uitoefening van die dwang nagestreefde doel.

77 Uit een en ander volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.

Tweede middel

Argumenten van partijen

78 Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad zich kon baseren op de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 als een „beslissing” in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, aangezien de feiten die in de motivering van die beslissing worden genoemd inmiddels verouderd waren en derhalve niet de aanname konden rechtvaardigen dat rekwirante terroristische daden had gepleegd waardoor zij als een „terroristische groepering” kon worden aangemerkt.

79 Rekwirante stelt dat het Gerecht in punt 142 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling door te verwijzen naar de feiten die ten grondslag lagen aan de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 – meer bepaald de ontvoering van westerse toeristen begin jaren negentig, de aanslag op een raffinaderij in de periode 1993‑1994, een reeks aanslagen op toeristische voorzieningen in dezelfde jaren, en dreigementen met aanslagen op toeristische voorzieningen tussen 1995 en 1999 –, door deze feiten te analyseren en tot de slotsom te komen dat de Raad deze als terroristische daden in de zin van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 kon aanmerken. Aangezien het Gerecht in de punten 77 tot en met 83 van dat arrest alleen rekening heeft gehouden met de feiten die zich tussen 1995 en 1999 hebben voorgedaan, moet daaruit namelijk worden afgeleid dat de andere, oudere feiten irrelevant zijn. Deze oudere feiten konden bijgevolg niet de conclusie staven dat rekwirante moest worden aangemerkt als een terroristische groepering in de zin van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van dat gemeenschappelijk standpunt, temeer daar het Gerecht in punt 72 van dat arrest tot de vaststelling was gekomen dat de PKK „[haar terroristische] campagne […] leek te hebben opgegeven”.

80 Hoe dan ook, het Gerecht heeft in de punten 80 tot en met 83 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de dreigementen met aanslagen op toeristische voorzieningen tussen 1995 en 1999 in aanmerking konden worden genomen, gezien hun afstand in de tijd. Zelfs als wordt aangenomen dat de Raad niet hoeft te controleren of de in de nationale veroordelingsbesluiten vastgestelde feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, is het volgens rekwirante evenwel de taak van de Raad om na te gaan of de bevoegde nationale instantie van oordeel was dat deze feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dit op een duidelijke en coherente manier heeft gemotiveerd.

81 Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 98 van het bestreden arrest te oordelen dat het middel dat was ontleend aan schending van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 moest worden afgewezen, aangezien de litigieuze handelingen waren gebaseerd op de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001, en door in punt 146 van dat arrest te oordelen dat het middel ontleend aan schending van artikel 1, lid 3, van dat gemeenschappelijk standpunt moest worden afgewezen.

82 Bovendien had noch de Raad, noch het Gerecht mogen oordelen dat de gestelde bedreigingen voldeden aan de criteria van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Deze vermeende bedreigingen konden namelijk niet worden beschouwd als terroristische daden in de zin van die bepaling, aangezien de reeks aanslagen die tot de dood van personen had geleid, was opgegeven.

83 Volgens rekwirante moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de definitie van terroristische daad in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk afwijkt van deze in gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Om die reden heeft het Gerecht in punt 144 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het niet van belang is dat het criterium van de ernst in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is gekoppeld aan de „middelen” terwijl het in het gemeenschappelijk standpunt betrekking heeft op de „doelstellingen”, aangezien dit een aanzienlijk verschil is, vooral met betrekking tot dreigementen.

84 De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie, betwist de argumenten van rekwirante.

Beoordeling door het Hof

85 Het tweede middel betreft de vermeende onjuiste opvatting van het Gerecht in de punten 77 tot en met 83, 98 en 136 tot en met 146 van het bestreden arrest, door de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 in aanmerking te nemen om vast te stellen, ten eerste, dat de Raad de verplichtingen is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en, ten tweede, dat de gepleegde daden terroristische daden waren in de zin van artikel 1, lid 3, van het gemeenschappelijk standpunt.

86 Om te oordelen over de gegrondheid van dit middel moet allereerst een onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 kan worden aangemerkt als een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, met name gezien de datum waarop de in die beslissing in aanmerking genomen incidenten zich hebben voorgedaan, en de vraag of deze incidenten, met name gelet op hun aard, als terroristische daden in de zin van artikel 1, lid 3, van dat gemeenschappelijk standpunt kunnen worden aangemerkt.

87 In de eerste plaats bepaalt artikel 1, lid 4, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 dat de lijst van bevriezing van tegoeden „wordt opgesteld aan de hand van welbepaalde inlichtingen of dossierelementen die aantonen dat door een bevoegde instantie een beslissing is genomen ten aanzien van de bedoelde personen, groepen of entiteiten, ongeacht of het gaat om de inleiding van een onderzoek of een vervolging wegens een terroristische daad, poging tot het plegen van een dergelijke daad, of de deelname aan of het vergemakkelijken van een dergelijke daad, op grond van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen, dan wel om een veroordeling wegens dergelijke feiten”.

88 Wat betreft de verplichtingen van de Raad bij de plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst, vloeit uit de verwijzing naar een „nationale beslissing” en uit de vermelding van „welbepaalde inlichtingen” en „bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen” in artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 voort dat deze bepaling ertoe strekt de betrokkenen te beschermen door te verzekeren dat zij enkel op de lijst van bevriezing van tegoeden kunnen worden geplaatst indien daarvoor een voldoende solide feitelijke grondslag bestaat, en dat dit gemeenschappelijk standpunt deze doelstelling wil bereiken door zich te beroepen op een door een nationale instantie genomen beslissing (zie in die zin arrest van 15 november 2012, Al-Aqsa/Raad en Nederland/Al-Aqsa, C‑539/10 P en C‑550/10 P, EU:C:2012:711, punt 68).

89 Aangezien de Unie niet over de middelen beschikt om zelf te onderzoeken of iemand betrokken is bij terroristische daden, bestaat het doel van een dergelijk vereiste er immers in vast te stellen of er bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen bestaan dat die persoon betrokken is bij terroristische activiteiten, waarvan de nationale instanties menen dat zij betrouwbaar zijn en op basis waarvan zij ten minste hebben besloten onderzoeksmaatregelen te nemen, zonder te verlangen dat de nationale beslissing een specifieke rechtsvorm heeft, dan wel dat zij gepubliceerd of betekend is (arrest van 15 november 2012, Al-Aqsa/Raad en Nederland/Al-Aqsa (C‑539/10 P en C‑550/10 P, EU:C:2012:711, punt 69).

90 In casu heeft het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Raad zich heeft gebaseerd op beslissingen die door hem worden aangemerkt als beslissingen van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, waaronder de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001. Het Gerecht heeft daartoe eerst de bewijzen en de serieuze en geloofwaardige aanwijzingen genoemd, zoals door de Raad aangegeven en door de nationale autoriteiten als betrouwbaar beschouwd. Deze omvatten terroristische aanslagen die sinds 1984 aan de PKK werden toegeschreven, een terreurcampagne begin jaren 1990, met inbegrip van de ontvoering van westerse toeristen, de aanslag op een raffinaderij en aanslagen op toeristische voorzieningen die in de jaren 1993‑1994 tot de dood van buitenlandse toeristen hebben geleid. Het Gerecht heeft in punt 72 van dat arrest, en in tegenstelling tot wat rekwirante beweert, voorts aangegeven dat de Raad had vastgesteld dat, hoewel de PKK die campagne in de periode van 1995 tot 1999 leek te hebben opgegeven, zij in die periode is blijven dreigen met aanvallen op toeristische voorzieningen. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 73 van dat arrest eraan herinnerd dat uit de rechtspraak volgt dat de overeenkomstig artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt vereiste „welbepaalde inlichtingen of dossierelementen” dienen aan te tonen dat ten aanzien van de betrokken personen of entiteiten een beslissing door een nationale instantie is genomen die beantwoordt aan de in die bepaling opgenomen definitie, zodat die personen of entiteiten kunnen weten dat deze beslissing is genomen, zonder dat die inlichtingen of elementen betrekking hebben op de inhoud van die beslissing. Ten slotte is het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest tot de conclusie gekomen dat de Raad voldoende welbepaalde inlichtingen heeft verstrekt over de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt.

91 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest kon oordelen dat de Raad beschikte over welbepaalde inlichtingen en dossierelementen die voortvloeien uit een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Aangezien rekwirante deze conclusie van het Gerecht niet betwist en hoe dan ook geen enkel element aanvoert om deze te weerleggen, heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de Raad zich kon baseren op de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001.

92 Wat betreft het argument dat het Gerecht in de punten 77 tot en met 83, 143, 144 en 146 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat daden die van vóór 1995 dateren in aanmerking konden worden genomen in het kader van de toetsing op grond van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, terwijl deze niet in aanmerking konden worden genomen in het kader van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt, moet een onderscheid worden gemaakt tussen, ten eerste, de vereisten voor de aanvankelijke plaatsing op de lijst van een persoon of entiteit, zoals uiteengezet in artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt, met name met betrekking tot de voorwaarden qua „afstand in de tijd”, en, ten tweede, de vereisten die verband houden met de definitie van het begrip „terroristische daad”, die zijn opgenomen in artikel 1, lid 3, van dat gemeenschappelijk standpunt.

93 Voor de aanvankelijke plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst in de zin van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, is vereist dat de daden waarop een dergelijke beslissing is gebaseerd voldoende recent zijn, vooral gelet op het doel van deze bepaling, dat – zoals in punt 88 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – beoogt de betrokken personen of entiteiten te beschermen.

94 Artikel 1, lid 3, van dat gemeenschappelijk standpunt beperkt zich daarentegen tot het vaststellen van de definitie van het begrip „terroristische daad” in de zin van dat gemeenschappelijk standpunt. Het staat de Raad vrij om in dat kader rekening te houden met andere, oudere elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de voorgeschiedenis en de omvang van de terroristische activiteiten van de betrokken persoon of entiteit, in de zin van deze bepaling.

95 Hieruit volgt dat het Gerecht in casu terecht rekening heeft gehouden met daden van vóór 1995, die met name werden gepleegd in de jaren 1990, 1993 en 1994, om uit te maken of de doelstellingen die zijn nagestreefd met de daden die aan rekwirante worden toegeschreven terroristisch van aard waren in de zin van artikel 1, lid 3, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931. Het Gerecht oordeelde tevens terecht dat de „afstand in de tijd” van ongeveer twee jaar tussen de laatste in aanmerking genomen feiten uit 1999 en de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 niet als buitensporig kon worden beschouwd, zodat die beslissing bijgevolg kon worden aangemerkt als een beslissing van een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt.

96 Wat betreft de verwijzing door het Gerecht, in punt 81 van het bestreden arrest, naar een afstand in de tijd van minder dan vijf jaar, waarbij het alleen de laatste daden in aanmerking heeft genomen waarop de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 was gebaseerd, moet worden opgemerkt dat het Gerecht bij de verwijzing naar die termijn van vijf jaar rechtspraak heeft aangehaald waarin wordt gesteld dat een termijn van vijf jaar niet buitensporig is. Nergens in het bestreden arrest wordt echter gesteld dat het Gerecht, door te verwijzen naar die termijn van vijf jaar, van oordeel was dat de andere in de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 vermelde feiten te lang geleden hebben plaatsgevonden om in aanmerking te worden genomen. Het argument van rekwirante berust op een verkeerde lezing van dat arrest en moet dus worden verworpen.

97 In de tweede plaats moet ook het argument dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de dreigementen met aanslagen op Turkse toeristische voorzieningen voldeden aan de criteria van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, worden verworpen.

98 In punt i) van die bepaling wordt namelijk uitdrukkelijk verwezen naar „het dreigen met een van de onder a) tot en met h) genoemde gedragingen”, zoals aanslagen op het leven van een persoon of het veroorzaken van vergaande verwoestingen.

99 Het dreigen met een van de onder a) tot en met h) genoemde gedragingen is dus voldoende om een bevriezing van tegoeden te rechtvaardigen. Het feit dat de PKK haar aanvalscampagnes tussen 1995 en 1999 zou hebben opgegeven, heeft geen invloed op de kwalificatie van de dreigementen als een terroristische daad.

100 Het Gerecht is dus terecht tot de slotsom gekomen dat het feit dat er gedurende een bepaalde periode geen aanslagen zijn gepleegd, niet verhindert dat er dreigementen om een aanslag te plegen blijven bestaan, welke dreigementen dan een terroristische daad in de zin van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 vormen.

101 Wat betreft het argument van rekwirante dat de definitie van terroristische daad in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk afwijkt van de definitie in artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931, zij erop gewezen dat het Gerecht in punt 144 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het niet van belang is dat het criterium van de ernst in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is gekoppeld aan de „middelen” terwijl het in het gemeenschappelijk standpunt betrekking heeft op de „doelstellingen”.

102 In dit verband blijkt uit punt 73 van het onderhavige arrest dat de doeleinden die zijn genoemd in artikel 1, lid 3, eerste alinea, punten i) tot en met iii), van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 van louter functionele aard zijn en het mogelijk maken om de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, punten a) tot en met k), van dat gemeenschappelijk standpunt bedoelde daden als terroristische daden aan te merken. De redenering van het Gerecht bevat derhalve geen inconsistentie, aangezien zowel het Unierecht als de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 een tweetrapsdefinitie van terroristische daden hanteert, door die daden zowel aan de hand van de nagestreefde „doelstellingen” als aan de hand van de daartoe aangewende middelen te definiëren.

103 Het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

104 Met haar derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 182 tot en met 188 en 191 tot en met 203 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de Raad verrichte evaluatie van de verordeningen van 2015 tot en met 2017 en de besluiten van 2019 voldeed aan de vereisten van artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931.

105 Rekwirante wijst erop dat het Gerecht heeft geoordeeld dat tussen de vaststelling van de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 en de daden van 2014 een aanzienlijke periode is verstreken waarin zich verschillende gebeurtenissen hebben voorgedaan, waardoor er sprake is van een wijziging van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de Raad zijn verplichting heeft geschonden om zijn beoordeling van het gevaar van terroristische betrokkenheid voor het jaar 2014 te actualiseren. Rekwirante stelt echter dat het Gerecht met betrekking tot de verordeningen van 2015 tot en met 2017 en de besluiten van 2019 tot dezelfde conclusie had moeten komen.

106 Onder verwijzing naar de argumenten die rekwirante in het tweede middel heeft aangevoerd, merkt zij op dat de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 niet aan de vereisten van artikel 1, lid 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 voldoet. Rekwirante betoogt ook dat het Gerecht in punt 185 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad zich kon baseren op de aanval op een terrein waar in mei 2014 een nieuwe Turkse militaire voorpost werd aangelegd en deze aanval als een terroristische daad kon aanmerken. Een dergelijke daad zou namelijk een typevoorbeeld zijn van een daad waarvan niet kan worden gesteld dat rekwirante deze met een terroristisch oogmerk heeft gepleegd, aangezien die daad volgens haar een rechtstreekse reactie was op de schending van de vredesonderhandelingen door de Turkse regering en deze volgens het internationaal humanitair recht als een legitieme militaire actie moest worden beschouwd.

107 Zelfs als het Hof zou oordelen dat het Gerecht artikel 1, leden 3 en 4, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 niet onjuist heeft uitgelegd met betrekking tot de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001, betoogt rekwirante dat, gelet op de duidelijke verschillen tussen de in mei 2014 gepleegde aanslag en de incidenten die in die beslissing zijn aangevoerd, die aanslag niet voldoende kon rechtvaardigen dat er nog steeds een gevaar voor terroristische daden bestond.

108 Aangezien de situatie van rekwirante ingrijpend is gewijzigd in de zestien jaar na de arrestatie van Abdullah Öcalan – oprichter en leider van de PKK – in 1999, kan de aanval op een Turkse militaire voorpost die in weerwil van de vredesonderhandelingen werd aangelegd, niet worden gelijkgesteld aan het dreigen met aanslagen op Turkse toeristische voorzieningen in de jaren ‘90.

109 Wat betreft het incident van 23 oktober 2017, waarbij een aanslag werd gepleegd op een militair voertuig, betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 191 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet relevant is dat deze daad in het kader van het gewapend conflict tussen de PKK en de Republiek Turkije plaatsvond, terwijl uit het eerste middel duidelijk blijkt dat een noodzakelijke en evenredige militaire operatie niet kan worden geacht een terroristisch doel te hebben.

110 Door in de punten 198 tot en met 200 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat het voortzetten van het gewapend conflict de Raad in staat stelde te concluderen dat er nog steeds een gevaar voor terroristische daden bestond, gaat het Gerecht voorbij aan de rol van de Republiek Turkije, terwijl de PKK haar werkwijze aanzienlijk heeft veranderd.

111 De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie, is van mening dat het derde middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

112 Er zij aan herinnerd dat de Raad de betrokken persoon of entiteit krachtens artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 op een lijst van bevriezing van tegoeden mag handhaven indien hij tot de conclusie komt dat het gevaar van betrokkenheid van de persoon of entiteit in kwestie bij terroristische activiteiten dat de reden was voor de aanvankelijke plaatsing op de lijst nog steeds bestaat (arrest van 10 september 2020, Hamas/Raad,C‑386/19 P, EU:C:2020:691, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113 De enige relevante vraag bij de beoordeling of een dergelijke handhaving opportuun is, bestaat er in beginsel in te weten of de feitelijke toestand sinds de plaatsing op de lijst of sinds de vorige evaluatie in die mate is veranderd dat op basis daarvan niet meer dezelfde conclusie kan worden getrokken met betrekking tot dat risico (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE,C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 46).

114 Het voortbestaan van een dergelijk gevaar kan worden vastgesteld met name door te verwijzen naar de nationale beslissing die de aanvankelijke plaatsing rechtvaardigde, wanneer die beslissing onlangs is geëvalueerd en op grond daarvan is besloten dat de handhaving ervan gerechtvaardigd is wegens recente incidenten waaruit blijkt dat de betrokken persoon of organisatie nog steeds betrokken is bij terroristische activiteiten. Een dergelijke evaluatie heeft namelijk tot doel te verzekeren dat de Raad zijn beslissing baseert op toereikende feitelijke elementen, op basis waarvan deze instelling kan concluderen dat dat gevaar bestaat (arrest van 10 september 2020, Hamas/Raad,C‑386/19 P, EU:C:2020:691, punt 39).

115 Bij het onderzoek of het gevaar van betrokkenheid van de persoon, groepering of entiteit in kwestie bij terroristische activiteiten nog steeds bestaat, moet niet alleen rekening worden gehouden met het lot dat ten deel is gevallen aan de nationale beslissing die als grondslag voor de aanvankelijke plaatsing van die persoon, groepering of entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden heeft gediend, maar ook met de recentere feitelijke elementen die aantonen dat bedoeld gevaar nog steeds bestaat (arrest van 10 september 2020, Hamas/Raad,C‑122/19 P, EU:C:2020:690, punt 38).

116 In casu is het Gerecht niet afgeweken van deze rechtspraak.

117 In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat de argumenten waarmee rekwirante betwist dat de aanval op een terrein waar in mei 2014 een nieuwe Turkse militaire voorpost werd aangelegd en de aanslag op een militair voertuig op 23 oktober 2017 terroristische daden in de zin van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 zijn, niet ter zake dienend zijn in het kader van de evaluatie op grond van artikel 1, lid 6, van dat gemeenschappelijk standpunt, en deze argumenten op basis van de in punt 112 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moeten worden afgewezen. Om de plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden te handhaven, dient de Raad namelijk niet aan te tonen dat die persoon of entiteit een terroristische daad in de zin van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van dit gemeenschappelijk standpunt heeft gepleegd, maar dient hij alleen aan te tonen dat het gevaar dat die persoon of entiteit bij terroristische daden is betrokken nog steeds bestaat.

118 Vervolgens moet ook het betoog van rekwirante worden afgewezen dat de daden waarop de Raad zich heeft gebaseerd bij zijn evaluatie van het voortbestaan van het gevaar van terroristische betrokkenheid van de PKK, het bestaan van dat gevaar onvoldoende aantonen. Volgens rekwirante waren die daden namelijk wezenlijk verschillend van aard en was de situatie van de PKK ingrijpend gewijzigd, aangezien zij voortaan vreedzame oplossingen voorstond.

119 In dit verband zij opgemerkt dat, ten eerste, het argument dat de aanval op het terrein waar in mei 2014 een nieuwe Turkse militaire voorpost werd aangelegd gerechtvaardigd zou zijn, niet-ontvankelijk is. Door zich ertoe te beperken te verwijzen naar het bestaan van een gewapend conflict ter rechtvaardiging van de gepleegde daad, die volgens haar van een wezenlijk andere aard zou zijn dan de incidenten waarop de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001 is gebaseerd, en door aan te voeren dat deze daad een rechtstreekse reactie is op de schending van de vredesonderhandelingen door de Turkse regering, voert rekwirante niet aan dat het Gerecht blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar verzoekt zij het Hof om zijn eigen beoordeling van dit bewijselement in de plaats te stellen van die van het Gerecht.

120 Uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en dat het Gerecht dan ook bij uitsluiting bevoegd is om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de overgelegde bewijzen te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van het bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (beschikking van 27 januari 2022, FT e.a./Commissie,C‑518/21 P, EU:C:2022:70, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

121 Ten tweede moet rekwirantes argument dat het incident van 23 oktober 2017 als een duidelijk noodzakelijke en evenredige militaire operatie moet worden beschouwd, ongegrond worden verklaard.

122 Zoals blijkt uit punt 191 van het bestreden arrest, betwist rekwirante niet dat deze militaire aanslag is gepleegd en dat deze aan haar kan worden toegerekend, aangezien zij stelt dat deze deel uitmaakte van het gewapende conflict tussen haar en de Republiek Turkije.

123 In het kader van het derde middel van haar hogere voorziening, voert rekwirante dus geen argumenten aan die kunnen afdoen aan de juridische beoordeling van het Gerecht dat deze daden – waarvan niet wordt betwist dat zij zijn gepleegd – de Raad in staat hebben gesteld om zijn beoordeling van het gevaar van terroristische betrokkenheid van rekwirante op geldige wijze te actualiseren.

124 Bijgevolg moet het derde middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vierde middel

Argumenten van partijen

125 Met haar vierde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht in de punten 207 tot 215 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting bij de uitlegging van het evenredigheidsbeginsel.

126 In de eerste plaats verwijt rekwirante het Gerecht in de punten 211 tot en met 213 van het bestreden arrest een schending van het evenredigheidsbeginsel, dat vereist dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 22 januari 2013, Sky Österreich,C‑283/11, EU:C:2013:28, punt 50).

127 Daarnaast was het oordeel van het Gerecht dat een vreedzame en democratische oplossing van het conflict irrelevant is, in strijd met zijn vaststelling in punt 198 van het bestreden arrest dat de Raad zich terecht op het standpunt had gesteld dat in de loop van 2019 geen wijziging van de omstandigheden had plaatsgevonden. Indien bij de evaluatie op grond van artikel 1, lid 6, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 het nastreven van een vreedzame oplossing als relevant wordt beschouwd, moet dit volgens rekwirante ook gelden bij de toetsing van de evenredigheid, temeer omdat het einddoel van het gewapend conflict de zelfbeschikking van een volk is. Zelfs als dit argument niet zou worden aanvaard in het kader van het eerste middel, moet het wel in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van het vierde middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel.

128 Zoals blijkt uit punt 207 van het bestreden arrest, streven de litigieuze handelingen een doel van algemeen belang na, namelijk bijdragen tot de internationale vrede en veiligheid. De handhaving van de plaatsing van de PKK op de litigieuze lijsten belemmert in werkelijkheid het vredesproces, waardoor de met die handelingen opgelegde beperkende maatregelen als ongeschikt moeten worden beschouwd voor de nagestreefde doelstellingen.

129 In de tweede plaats heeft het Gerecht, door zich te beperken tot een restrictief onderzoek van het met de litigieuze handelingen nagestreefde doel, in de punten 206 tot en met 215 van het bestreden arrest zich niet naar behoren ervan vergewist of de veroorzaakte nadelen, inclusief de voorzienbare gevolgen (zie in die zin arrest van 12 maart 2019, Tjebbes e.a.,C‑221/17, EU:C:2019:189, punt 40), niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel. Het kan met name niet worden aanvaard dat bij de beoordeling of de nadelen van een handeling niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doeleinden, alleen deze doelstellingen in aanmerking worden genomen en niet de voorzienbare gevolgen van die handeling.

130 In dit verband herinnert rekwirante eraan dat de Raad weliswaar niet met elke mogelijke consequentie van een handeling rekening kan houden, maar dat hij in casu wel degelijk op de hoogte was van de gevolgen die de litigieuze handelingen hadden voor de Koerden, al was het maar door het beroep tot nietigverklaring dat op 1 mei 2014 in de zaak PKK/Raad (T‑316/14) was ingesteld, zodat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 212 en 213 van het bestreden arrest te verklaren dat deze gevolgen niet relevant zijn.

131 De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie, is van mening dat het vierde middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

132 Allereerst is het vierde middel niet-ontvankelijk voor zover rekwirante zich ertoe beperkt te verwijzen naar het uiteindelijke doel van de beperkende maatregelen, namelijk de handhaving van de vrede en de versterking van de internationale veiligheid in de zin van artikel 21, lid 2, onder c), VEU, en – onder verwijzing naar de in eerste aanleg aangevoerde argumenten – stelt dat de handhaving van de PKK op de litigieuze lijsten het vredesproces belemmert en gevolgen heeft voor de Koerden, aangezien het uiteindelijke doel van het gewapend conflict waarin de PKK is verwikkeld de zelfbeschikking van het Koerdische volk is. In dit opzicht beoogt de hogere voorziening in werkelijkheid namelijk dat het bij het Gerecht ingediende verzoek opnieuw wordt onderzocht, wat buiten de bevoegdheid van het Hof in het kader van een hogere voorziening valt.

133 Voorts onderbouwt de PKK haar grief dat het beginsel van zelfbeschikking relevant is in het kader van de beoordeling van de bij de litigieuze handelingen opgelegde beperkende maatregelen op geen enkele manier, zodat deze eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

134 Wat ten slotte de grief betreft dat het Gerecht het doel van de opgelegde beperkende maatregelen niet in overweging heeft genomen en de voorzienbare gevolgen ervan heeft genegeerd door niet na te gaan of de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel, moet – wat betreft de rechterlijke toetsing van de naleving van het evenredigheidsbeginsel – in herinnering worden gebracht dat een maatregel slechts onrechtmatig is wanneer hij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie in deze zin arrest van 25 juni 2020, Vnesheconombank/Raad,C‑731/18 P, EU:C:2020:500, punt 84).

135 Voorts hebben beperkende maatregelen per definitie negatieve gevolgen, met name voor de entiteiten waarop zij van toepassing zijn (zie in deze zin arrest van 25 juni 2020, Vnesheconombank/Raad,C‑731/18 P, EU:C:2020:500, punt 86).

136 Negatieve gevolgen kunnen echter worden gerechtvaardigd door het belang van de doelstelling die in overeenstemming met de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie met de litigieuze handelingen wordt nagestreefd, namelijk de strijd tegen het terrorisme, dat onderdeel is van het ruimere doel van handhaving van internationale vrede en veiligheid (zie naar analogie arrest van 25 juni 2020, Vnesheconombank/Raad,C‑731/18 P, EU:C:2020:500, punt 87).

137 Gelet op de in de punten 134 tot en met 136 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, heeft het Gerecht in punt 209 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat, voor zover het door de Raad bij de vaststelling van de litigieuze handelingen nagestreefde doel met name de strijd tegen het terrorisme was, deze handelingen op coherente wijze aan dat doel beantwoordden en in geen geval als kennelijk ongeschikt ten aanzien van dat doel konden worden beschouwd.

138 Aangezien rekwirante geen juridisch relevante argumenten aanvoert ter ondersteuning van deze grief, moet deze worden afgewezen.

139 Daaruit volgt dat het vierde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

140 Met haar vijfde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 221 tot en met 238 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan, hoewel – zoals aangegeven in de eerdere middelen van de onderhavige hogere voorziening – uit de motivering van de litigieuze handelingen niet duidelijk blijkt dat de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan tussen 2015 en 2019 en die waren aangevoerd in de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001, die beslissing daadwerkelijk ondersteunen.

141 Volgens rekwirante heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de Raad aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan. De Raad heeft namelijk geen rekening gehouden met het doel van zelfbeschikking en de context van het gewapend conflict. Hij heeft zich ten onrechte gebaseerd op de incidenten waarnaar wordt verwezen in de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001. De Raad heeft in het kader van zijn evaluatie de in de litigieuze handeling genoemde incidenten ten onrechte als terroristische daden aangemerkt, zonder voldoende te motiveren waarom een militaire operatie bewijst dat er nog steeds een gevaar van betrokkenheid bij terroristische activiteiten bestaat. Hij heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de litigieuze handelingen als evenredig moeten worden aangemerkt, hoewel hij op de hoogte was gesteld van de gevolgen die de plaatsing van de PKK op de litigieuze lijsten kon hebben voor de vrede en voor de situatie van de Koerden en hun aanhangers.

142 Bovendien is rekwirante van mening dat het Gerecht in de punten 232 tot en met 238 van het bestreden arrest ten onrechte heeft vastgesteld dat, aangezien zij betrekking hadden op de gegrondheid van de motivering, de argumenten moesten worden afgewezen die waren aangevoerd om aan te tonen dat de Raad zijn motiveringsplicht niet is nagekomen doordat hij heeft verzuimd te verifiëren of de door de nationale instanties onderzochte handelingen als terroristische daden in de zin van artikel 1, lid 3, eerste alinea, van gemeenschappelijk standpunt 2001/931 konden worden aangemerkt, en doordat hij niet heeft aangetoond dat de beslissingen van het Verenigd Koninkrijk relevant waren in het licht van artikel 1, leden 4 en 6, van dit gemeenschappelijk standpunt. Deze verificatie heeft niet alleen betrekking op de gegrondheid van de motivering, maar ook op de motiveringsplicht zelf.

143 De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie, is van mening dat het vijfde middel niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

144 Wat betreft de ontvankelijkheid van het vijfde middel, moet worden vastgesteld dat rekwirante, door haar grieven te richten tegen de punten 221 tot en met 238 van het bestreden arrest, noch duidelijk aangeeft welke passages volgens haar blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting – met uitzondering van de grieven die zijn gericht tegen de punten 232 tot en met 238 van dat arrest – noch welke juridische argumenten zij ter ondersteuning van haar standpunt aanvoert. Zij preciseert met name niet in welk opzicht de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie onjuist is. Aldus beogen de argumenten van rekwirante enkel de bij het Gerecht ingediende verzoekschriften te evalueren, zonder dat zij gericht zijn tegen het bestreden arrest, zodat het Hof zijn toetsing kan uitvoeren (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 48).

145 Enkele door rekwirante in het kader van dit middel aangevoerde argumenten zijn in werkelijkheid gericht tegen de beoordeling van het Gerecht, niet wat de motivering van de litigieuze handelingen betreft, maar wat de geschiktheid van de betrokken beperkende maatregelen voor hun doelstellingen betreft. Deze argumenten – die betrekking hebben op het doel van zelfbeschikking en de context van het gewapend conflict, de incidenten waarnaar wordt verwezen in de beslissing van het Verenigd Koninkrijk van 2001, de kwalificatie van de in de litigieuze handelingen genoemde incidenten als terroristische daden en de redenen waarom de litigieuze handelingen als evenredig moeten worden aangemerkt – hebben echter betrekking op andere middelen van de hogere voorziening waarnaar rekwirante overigens uitdrukkelijk verwijst, en zijn afgewezen. Zij treffen derhalve geen doel in het kader van het vijfde middel, dat is ontleend aan ontoereikende motivering.

146 Voorts zij eraan herinnerd dat, zoals het Gerecht terecht heeft aangegeven in punt 216 van het bestreden arrest, de motivering van een handeling van de Raad tot oplegging van een beperkende maatregel de specifieke en concrete redenen dient aan te geven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

147 Zoals het Gerecht in punt 217 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering evenwel beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van deze handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die door die handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen ervan, maar ook aan de hand van de context en het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arrest van 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

148 Wat meer in het bijzonder de handelingen tot handhaving van de plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst van bevriezing van tegoeden betreft, dient de Raad te onderzoeken of de feitelijke toestand sinds de aanvankelijke plaatsing of de vorige evaluatie niet in die mate is veranderd dat op basis daarvan niet meer dezelfde conclusie kan worden getrokken met betrekking tot de betrokkenheid van de betrokken persoon of entiteit bij terroristische activiteiten (zie in die zin arrest van 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

149 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Unierechter ten aanzien van dergelijke handelingen moet nagaan, ten eerste, of de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU is nagekomen en derhalve of de aangevoerde redenen voldoende nauwkeurig en concreet zijn – hetgeen het Gerecht overigens in punt 218 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht – en, ten tweede, of deze redenen zijn gestaafd, hetgeen betekent dat de Unierechter zich er bij de toetsing van de rechtmatigheid ten gronde van die redenen van vergewist dat de handelingen berusten op een voldoende solide feitelijke grondslag en de feiten controleert die zijn aangevoerd in de motivering waarop die handelingen steunen (arrest van 22 april 2021, Hamas/Raad, C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

150 Niettemin moet de motivering, een wezenlijk vormvoorschrift, worden onderscheiden van het bewijs van het gestelde gedrag, dat de rechtmatigheid ten gronde van de betrokken handeling betreft en impliceert dat moet worden onderzocht of de in deze handeling vermelde feiten juist zijn en op goede gronden zijn aangemerkt als factoren die de toepassing van de beperkende maatregelen ten aanzien van de betrokken persoon rechtvaardigen (arrest van 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken