HvJ EU 27 februari 2025, C-85/24, ECLI:EU:C:2025:112
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
27 februari 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen – Richtlijn 2014/17/EU – Artikel 13, lid 1, onder g) – Algemene informatie over woningkredietproducten – Verplichting om een ,representatief voorbeeld’ te geven – Richtlijn 2005/29/EG – Artikel 7 – Bankinstelling die verschillende vormen van krediet aanbiedt – Informatieblad met uitsluitend voorbeelden van kredietovereenkomsten met variabele rentevoet”
In zaak C‑85/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 23 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 2 februari 2024, in de procedure
Verein für Konsumenteninformation
tegen
BAWAG P.S.K. Bank für Arbeit und Wirtschaft und Österreichische Postsparkasse AG,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Kumin, I. Ziemele en S. Gervasoni (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Verein für Konsumenteninformation, vertegenwoordigd door S. Langer, Rechtsanwalt,
– BAWAG P.S.K. Bank für Arbeit und Wirtschaft und Österreichische Postsparkasse AG, vertegenwoordigd door M. Kellner en F. Liebel, Rechtsanwälte,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en P. Vanden Heede als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Verein für Konsumenteninformation, een Oostenrijkse vereniging voor consumentenbescherming (hierna: „VKI”), en BAWAG P.S.K. Bank für Arbeit und Wirtschaft und Österreichische Postsparkasse AG (hierna: „BAWAG”), een Oostenrijkse bank, over het feit dat in de algemene informatie die BAWAG aan consumenten heeft verstrekt, geen melding wordt gemaakt van representatieve voorbeelden van een kredietovereenkomst tegen een vaste rentevoet en van een kredietovereenkomst tegen afwisselend een vaste en een variabele rentevoet.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2014/17
3 De overwegingen 15, 20, 38 en 53 van richtlijn 2014/17 luiden als volgt: „(15) Deze richtlijn strekt ertoe ervoor te zorgen dat consumenten die kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerende goederen aangaan, een hoge mate van bescherming genieten. […] […] (20) Opdat consumenten over een consistent kader inzake krediet kunnen beschikken en de administratieve last voor kredietgevers en kredietbemiddelaars tot een minimum wordt beperkt, moet het kernkader van deze richtlijn indien mogelijk de structuur van [richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66)] volgen, met name wat betreft de beginselen dat in reclame opgenomen informatie betreffende kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen door middel van een representatief voorbeeld aan de consument wordt verstrekt, dat de consument gedetailleerde precontractuele informatie wordt gegeven door middel van een gestandaardiseerd informatieblad, dat de consument adequate toelichtingen krijgt alvorens de kredietovereenkomst te sluiten, dat een gemeenschappelijke basis wordt vastgesteld voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, exclusief notariskosten, en dat de kredietgevers de kredietwaardigheid van de consument beoordelen alvorens een krediet te verstrekken. […] […] (38) In reclame is doorgaans slechts sprake van een of meer specifieke producten, terwijl consumenten hun beslissingen moeten kunnen nemen met volle kennis van het aanbod aan kredietproducten. In dat verband is algemene voorlichting van groot belang om de consument te informeren over het hele assortiment aan producten en diensten dat wordt aangeboden, alsook over de belangrijkste kenmerken daarvan. Consumenten moeten daarom te allen tijde toegang hebben tot algemene voorlichting over de beschikbare kredietproducten. Hoewel dit voorschrift niet geldt voor niet-verbonden kredietbemiddelaars, doet dit geen afbreuk aan hun verplichting consumenten geïndividualiseerde precontractuele informatie te verstrekken. […] (53) Aangezien het jaarlijkse kostenpercentage in de reclamefase slechts aan de hand van een voorbeeld kan worden gegeven, moet dit voorbeeld representatief zijn. Daarom moet het bijvoorbeeld overeenkomen met de gemiddelde duur en het totale kredietbedrag die voor het soort kredietovereenkomst in kwestie worden verleend. Bij de keuze van het representatieve voorbeeld moet rekening worden gehouden met de prevalentie van bepaalde soorten kredietovereenkomsten in een specifieke markt. Het kan voor elke kredietgever verkieslijk zijn het representatieve voorbeeld te baseren op een kredietbedrag dat representatief is voor zijn eigen productassortiment en zijn verwachte afzetmarkt, aangezien die aanzienlijk per kredietgever kunnen verschillen. Met betrekking tot het in het [gestandaardiseerd Europees informatieblad (European Standardised Information Sheet; hierna: ,ESIS’)] bekendgemaakte jaarlijkse kostenpercentage dienen de door de consument kenbaar gemaakte voorkeuren en de door hem verstrekte informatie waar mogelijk in aanmerking te worden genomen en de kredietgever of de kredietbemiddelaar moet in dat geval duidelijk maken of de verstrekte informatie illustratief is, dan wel een weerspiegeling is van de geuite voorkeuren en verstrekte informatie. In elk geval mogen de representatieve voorbeelden niet strijdig zijn met de voorschriften van [richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (,richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22)]. […]”
4 Artikel 13 van deze richtlijn, met als opschrift „Algemene informatie”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat kredietgevers of, in voorkomend geval, verbonden kredietbemiddelaars dan wel hun aangestelde vertegenwoordigers de algemene informatie over kredietovereenkomsten te allen tijde op papier of een andere duurzame drager, of in elektronische vorm duidelijk en begrijpelijk beschikbaar stellen. Daarenboven, kunnen de lidstaten bepalen dat algemene informatie door niet-verbonden kredietbemiddelaars beschikbaar wordt gesteld. Die algemene informatie omvat ten minste het volgende: […] e) de beschikbare debetrentevoeten, met vermelding of die vast of variabel zijn, met een korte beschrijving van de kenmerken van een vaste en variabele rentevoet en de daaraan verbonden gevolgen voor de consument; […] g) een representatief voorbeeld van het totale kredietbedrag, de totale kosten van het krediet voor de consument, het totale door de consument te betalen bedrag en het jaarlijkse kostenpercentage; […]”
5 Artikel 14 van deze richtlijn, „Precontractuele informatie”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zien erop toe dat de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar of de aangestelde vertegenwoordiger aan de consument de op diens persoon toegesneden informatie verstrekt die hij nodig heeft om de op de markt beschikbare kredietproducten te kunnen vergelijken, de respectieve implicaties ervan te kunnen beoordelen en zo een geïnformeerd besluit over het sluiten van een kredietovereenkomst te kunnen nemen: a) onverwijld nadat de consument in overeenstemming met artikel 20 de nodige informatie over zijn behoeften, financiële situatie en voorkeuren heeft verstrekt; en b) ruimschoots voordat de consument door een kredietovereenkomst of -aanbod gebonden is.”
Richtlijn 2005/29
6 Artikel 7 van richtlijn 2005/29, „Misleidende omissies”, bepaalt in lid 1: „Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.”
Oostenrijks recht
7 § 7, punt 7, van het Bundesgesetz über Hypothekar- und Immobilienkreditverträge und sonstige Kreditierungen zu Gunsten von Verbrauchern (Hypothekar- und Immobilienkreditgesetz) [wet inzake overeenkomsten voor hypothecaire kredieten en kredieten voor onroerende goederen en andere kredieten ten behoeve van consumenten (wet inzake hypothecaire kredieten en kredieten voor onroerende goederen)] van 26 november 2015 (BGBl. I, 135/2015), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet inzake hypothecaire kredieten en kredieten voor onroerende goederen”), zet artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 in identieke bewoordingen om.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 BAWAG is een bankinstelling en biedt haar diensten in heel Oostenrijk aan. Deze bank verstrekt consumenten in een „informatieblad over krediet met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen” algemene informatie over de door haar aangeboden overeenkomsten voor hypothecaire kredieten en kredieten voor onroerende goederen.
9 De bladzijden twee tot en met vier van het informatieblad hebben betrekking op kredieten voor de bouw van een woning die niet door een hypotheek zijn gedekt, en eindigen met een „representatief voorbeeld”. De bladzijden vijf tot en met zeven van dit informatieblad hebben betrekking op kredietovereenkomsten voor de bouw van een woning die wel door een hypotheek worden gedekt, en eindigen eveneens met een representatief voorbeeld. Het representatieve voorbeeld dat wordt gegeven voor een kredietovereenkomst voor de bouw van een woning zonder hypotheek is een krediet van 35000 EUR, met een looptijd van 180 maanden en een variabele nominale rentevoet van 4,58 % per jaar. Als representatief voorbeeld van een kredietovereenkomst voor de bouw van een woning met hypotheek wordt een krediet genoemd van 200000 EUR, met een looptijd van 240 maanden en een variabele nominale rentevoet van 0,5 % per jaar. Beide voorbeelden vermelden het bedrag van de te betalen rente, de effectieve rentevoet en de totale kosten van het krediet.
10 Naast kredietovereenkomsten met uitsluitend een variabele rentevoet biedt BAWAG in haar productassortiment ook kredietovereenkomsten met uitsluitend een vaste rentevoet aan, alsmede kredietovereenkomsten met afwisselend een variabele en een vaste rentevoet.
11 VKI heeft een vordering ingesteld die ertoe strekt BAWAG te verbieden om in het in punt 8 van het onderhavige arrest vermelde informatieblad slechts een voorbeeld van een kredietovereenkomst met een variabele rentevoet op te nemen, zonder tevens een voorbeeld van een kredietovereenkomst met een vaste rentevoet en een voorbeeld van een kredietovereenkomst met een gemengde rentevoet te geven, aangezien zij deze drie soorten rentevoeten voor die kredietovereenkomsten aanbiedt.
12 Als verweer voerde BAWAG aan dat dit informatieblad niet diende om consumenten gedetailleerde precontractuele informatie te verstrekken die is afgestemd op specifieke gevallen en individuele klanten. Volgens haar kan niet worden verlangd dat elke denkbare vorm van een rentevoet met een voorbeeld wordt geïllustreerd.
13 De rechter in eerste aanleg oordeelde dat een voorbeeld van een krediet met een vaste rentevoet in datzelfde informatieblad had moeten worden opgenomen en heeft de vorderingen van VKI gedeeltelijk toegewezen.
14 De rechter in hoger beroep heeft daarentegen geoordeeld dat § 7, punt 7, van de wet inzake hypothecaire kredieten en kredieten voor onroerende goederen slechts één representatief voorbeeld vereiste ter ondersteuning van de in het informatieblad vermelde informatie en dat BAWAG dus niet verplicht was om in haar informatieblad ook een voorbeeld van een kredietovereenkomst met een vaste rentevoet te geven.
15 VKI heeft tegen het arrest van die rechter beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter.
16 De verwijzende rechter is van oordeel dat het vereiste om voor elk van de drie voorgestelde soorten kredietovereenkomsten representatieve voorbeelden te geven, verder gaat dan hetgeen in de algemene informatie moet zijn opgenomen, maar erkent dat deze uitlegging van artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 niet dwingend is.
17 In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn [2014/17] aldus worden uitgelegd dat er geen sprake is van schending van deze bepaling wanneer een kredietgever die zowel kredieten voor de bouw van een woning zonder als kredieten met hypotheek aanbiedt in meerdere varianten [te weten a) kredieten tegen alleen een vaste rentevoet, b) kredieten tegen een afwisselend variabele en een vaste rentevoet, en c) kredieten tegen alleen een variabele rentevoet], voor zowel een krediet voor de bouw van een woning zonder hypotheek als voor een dergelijk krediet met hypotheek één (enkel) representatief voorbeeld geeft, of vereist deze bepaling dat er in beide gevallen per type rentevoet een representatief voorbeeld wordt gegeven?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietgever die met het oog op de financiering van de bouw van een woning al dan niet door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomsten aanbiedt tegen een vaste rentevoet, tegen een variabele rentevoet en met afwisselende perioden tegen een vaste en een variabele rentevoet, een representatief voorbeeld moet geven voor elk van de drie voorgestelde soorten kredietovereenkomsten.
19 Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 2014/17, zoals blijkt uit artikel 1 ervan, tot doel heeft een gemeenschappelijk kader vast te stellen voor kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen.
20 Artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, met als opschrift „Algemene informatie”, somt de algemene informatie betreffende kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen op en bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat kredietgevers die informatie te allen tijde aan de consument beschikbaar stellen.
21 In deze algemene informatie moet de kredietgever volgens artikel 13, lid 1, onder g), met name „een representatief voorbeeld van het totale kredietbedrag, de totale kosten van het krediet voor de consument, het totale door de consument te betalen bedrag en het jaarlijkse kostenpercentage” geven.
22 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 14 maart 2024, VR Bank Ravensburg-Weingarten, C‑536/22, EU:C:2024:234, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 In de eerste plaats suggereren de bewoordingen van artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17, door het gebruik van het onbepaald lidwoord „een”, dat van kredietgevers alleen wordt verwacht dat zij in hun algemene informatie aan de consumenten een voorbeeld geven. Bovendien wordt gespecificeerd dat dit voorbeeld „representatief” moet zijn, niet voor de verschillende soorten kredietovereenkomsten die de kredietgever aanbiedt maar voor „het totale kredietbedrag, de totale kosten van het krediet voor de consument, het totale door de consument te betalen bedrag en het jaarlijkse kostenpercentage”.
24 Hieruit volgt dat de functie van het te geven representatieve voorbeeld niet lijkt te zijn om de diversiteit van de door de kredietgever aangeboden kredietovereenkomsten te illustreren, maar om consumenten ter algemene informatie de betekenis en de onderlinge samenhang van de verschillende begrippen met betrekking tot krediet te verduidelijken.
25 In de tweede plaats bevestigt de context van artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 deze letterlijke uitlegging.
26 Ten eerste vereist artikel 13, lid 1, onder e), van deze richtlijn weliswaar dat „algemene informatie” de „beschikbare debetrentevoeten, met vermelding of die vast of variabel zijn” bevat, maar punt g) van dat artikel 13, lid 1, bevat geen enkele aanwijzing dat voor elk aangeboden type kredietovereenkomst een representatief voorbeeld moet worden gegeven. Opgemerkt moet worden dat, als de Uniewetgever van kredietgevers had willen eisen dat zij een representatief voorbeeld geven voor alle soorten aangeboden rentevoeten, hij dit uitdrukkelijk zou hebben vermeld.
27 Ten tweede blijkt uit de lezing van richtlijn 2014/17 in haar geheel dat zij ten behoeve van consumenten een verplicht informatiesysteem invoert op twee niveaus.
28 Het eerste niveau bestaat uit de in artikel 13 van deze richtlijn genoemde „algemene informatie”. Volgens overweging 38 van die richtlijn moet deze informatie de consument in staat stellen met volle kennis van zaken beslissingen te nemen door hem „te informeren over het hele assortiment aan producten en diensten dat wordt aangeboden, alsook over de belangrijkste kenmerken daarvan. Consumenten moeten daarom te allen tijde toegang hebben tot algemene voorlichting over de beschikbare kredietproducten.”.
29 Het tweede niveau van informatie waarover de consument moet beschikken, wordt gevormd door de in artikel 14 van die richtlijn genoemde „precontractuele informatie”. Artikel 14, lid 1, preciseert dat het gaat om „op diens persoon toegesneden informatie […] die [de consument] nodig heeft om de op de markt beschikbare kredietproducten te kunnen vergelijken, de respectieve implicaties ervan te kunnen beoordelen en zo een geïnformeerd besluit over het sluiten van een kredietovereenkomst te kunnen nemen”.
30 Zoals BAWAG en de Europese Commissie in hun bij het Hof ingediende opmerkingen benadrukken, heeft de „algemene informatie” dus niet tot doel consumenten gedetailleerde verduidelijkingen te verstrekken die zijn toegesneden op elk type kredietovereenkomst dat de kredietgever aanbiedt en op elk specifiek geval, terwijl dergelijke verduidelijkingen wel moeten worden verstrekt als „precontractuele informatie”. Die algemene informatie heeft enkel tot doel de consument te informeren in een preliminaire fase van zijn zoektocht naar een krediet. Bijgevolg zou het niet passend zijn om artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 aldus uit te leggen dat deze algemene informatie exhaustief moet zijn. Een dergelijke uitlegging zou ook afbreuk doen aan het door de Uniewetgever gemaakte onderscheid tussen algemene en precontractuele informatie.
31 Wat in de derde plaats de doelstellingen van richtlijn 2014/17 betreft, zij eraan herinnerd dat deze richtlijn, zoals blijkt uit overweging 15 ervan, ertoe strekt ervoor te zorgen dat consumenten die geïnteresseerd zijn in het aangaan van kredietovereenkomsten voor onroerende goederen, een hoge mate van bescherming genieten.
32 In dit verband wordt in overweging 53 van richtlijn 2014/17 in het bijzonder benadrukt dat representatieve voorbeelden niet in strijd mogen zijn met de voorschriften van richtlijn 2005/29.
33 Laatstgenoemde richtlijn, die beoogt oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten te bestrijden, bepaalt in artikel 7, lid 1, dat „als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument er toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen”.
34 In casu lijkt aan de consument geen essentiële informatie in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29 te worden ontzegd doordat hem zowel voor kredietovereenkomsten die wel door een hypotheek worden gewaarborgd als voor kredietovereenkomsten die niet een hypotheek worden gewaarborgd een representatief voorbeeld wordt verstrekt van een krediet met een variabele rentevoet.
35 In dit verband moet worden opgemerkt dat de algemene informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen over een krediet met een vaste rentevoet, een krediet met een variabele rentevoet of een krediet met een gemengde rentevoet, niet gelegen is in de informatie die het representatieve voorbeeld moet bevatten, te weten het totale kredietbedrag, de totale kosten van het krediet voor de consument, het totale door de consument te betalen bedrag en het jaarlijkse kostenpercentage, maar in het feit dat deze informatie vaststaat in het geval van het eerste soort krediet en dat dit bij de twee andere soorten niet het geval is.
36 Deze wezenlijke kenmerken van kredietovereenkomsten met vaste en/of variabele rentevoeten moeten worden opgenomen in de algemene informatie overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder e), en niet overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder g), in het representatieve voorbeeld.
37 Het representatieve voorbeeld beoogt namelijk een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, in combinatie met, ten eerste, de andere in artikel 13, lid 1, van richtlijn 2014/17 opgesomde algemene informatie en, ten tweede, de op de persoonlijke situatie van elke consument toegesneden precontractuele informatie.
38 In die omstandigheden wordt de consument met het feit dat een kredietgever die kredietovereenkomsten met een vaste, een variabele en een gemengde rentevoet aanbiedt, in zijn algemene informatie slechts een representatief voorbeeld geeft van een door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomst met een variabele rentevoet en van een niet door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomst met een variabele rentevoet, geen essentiële informatie ontzegd en kan dit dus niet worden beschouwd als een aanwijzing voor een misleidende handelspraktijk van de kredietgever in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29. Het feit dat in de algemene informatie één representatief voorbeeld wordt gegeven is derhalve in overeenstemming met het doel van richtlijn 2014/17.
39 Ten slotte moet worden benadrukt dat het in artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 bedoelde voorbeeld, zoals in punt 23 van het onderhavige arrest is aangegeven, „representatief” moet zijn.
40 In dit verband staat in overweging 53 van richtlijn 2014/17 te lezen dat „[b]ij de keuze van het representatieve voorbeeld […] rekening [moet] worden gehouden met de prevalentie van bepaalde soorten kredietovereenkomsten in een specifieke markt. Het kan voor elke kredietgever verkieslijk zijn het representatieve voorbeeld te baseren op een kredietbedrag dat representatief is voor zijn eigen productassortiment en zijn verwachte afzetmarkt, aangezien die aanzienlijk per kredietgever kunnen verschillen.”
41 Uit deze overweging blijkt dus dat bij de beoordeling of het te verstrekken voorbeeld representatief is bepaalde elementen in aanmerking kunnen worden genomen, bijvoorbeeld de gemiddelde looptijd en het gemiddelde totale kredietbedrag voor het beoogde type kredietovereenkomst en de prevalentie van bepaalde soorten kredietovereenkomsten op een bepaalde markt. Met betrekking tot het in het gestandaardiseerde informatieblad bekendgemaakte jaarlijkse kostenpercentage dienen de door de consument kenbaar gemaakte voorkeuren en de door hem verstrekte informatie waar mogelijk in aanmerking te worden genomen, en de kredietgever of de kredietbemiddelaar moet in dat geval duidelijk maken of de verstrekte informatie illustratief is dan wel een weerspiegeling van de geuite voorkeuren en verstrekte informatie. Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is opgemerkt, mogen de representatieve voorbeelden in elk geval niet strijdig zijn met de voorschriften van richtlijn 2005/29.
42 Het staat aan de verwijzende rechter om met name in het licht van deze aanwijzingen te beoordelen of het voorbeeld dat BAWAG in haar algemene informatie overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 heeft gegeven, representatief is.
43 Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietgever die met het oog op de financiering van de bouw van een woning al dan niet door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomsten aanbiedt tegen een vaste rentevoet, tegen een variabele rentevoet en/of met afwisselende perioden tegen een vaste en een variabele rentevoet, in de algemene informatie slechts één voorbeeld van de door hem aangeboden kredieten hoeft te geven, mits dit representatief is.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 13, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010
moet aldus worden uitgelegd dat
een kredietgever die met het oog op de financiering van de bouw van een woning al dan niet door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomsten aanbiedt tegen een vaste rentevoet, tegen een variabele rentevoet en/of met afwisselende perioden tegen een vaste en een variabele rentevoet, in de algemene informatie slechts één voorbeeld van de door hem aangeboden kredieten hoeft te geven, mits dit representatief is.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.