HvJ EU 28 november 2024, C-398/23, ECLI:EU:C:2024:996

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

28 november 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Strafbare feiten en toepasselijke sancties op het gebied van illegale drugshandel en de strijd tegen georganiseerde criminaliteit – Kaderbesluit 2004/757/JBZ – Artikelen 4 en 5 – Kaderbesluit 2008/841/JBZ – Artikelen 3 en 4 – Nationale regeling die geen Unierecht ten uitvoer brengt – Artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op informatie in strafprocedures – Richtlijn 2012/13/EU – Artikelen 1 en 6 – Recht op informatie over de beschuldiging – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Artikel 47, eerste alinea, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten – Strafprocedure tegen meerdere personen – Door een van de verdachten met de openbaar aanklager getroffen schikking over de afhandeling van de zaak – Instemming van de andere verdachten”

In zaak C‑398/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 29 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 29 juni 2023, in de strafzaak tegen

PT

in tegenwoordigheid van:

Sofiyska gradska prokuratura,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen, president van de Negende kamer, waarnemend voor de president van de Achtste kamer, M. Gavalec en N. Piçarra (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, en artikel 5 van kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB 2004, L 335, blz. 8), artikel 4 van kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB 2008, L 300, blz. 42), artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), en artikel 20, artikel 47, eerste alinea, artikel 48, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen PT en andere personen, die worden vervolgd voor het leiden van en/of deelnemen aan de activiteiten van een georganiseerde criminele groepering.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Handvest

3 Artikel 47, eerste alinea, van het Handvest luidt: „Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.”

4 Artikel 52, lid 1, van het Handvest luidt: „Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de [Europese] Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

Kaderbesluit 2004/757

5 Artikel 4 van kaderbesluit 2004/757 heeft als opschrift „Sancties” en bepaalt in lid 1: „Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 2 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met een maximumstraf van ten minste 1 tot 3 jaar gevangenis.”

6 Artikel 5 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Bijzondere omstandigheden”, luidt: „Onverminderd artikel 4 kan iedere lidstaat de nodige maatregelen nemen om in de in artikel 4 bedoelde gevallen strafvermindering mogelijk te maken indien de dader: a) afziet van verdere criminele activiteiten op het gebied van de handel in drugs en precursoren en b) de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die zij niet anderszins hadden kunnen krijgen, en hen helpt om: i) de gevolgen van het strafbare feit te voorkomen of te verminderen, ii) de andere daders aan te wijzen of hen voor het gerecht te brengen, iii) bewijs te vergaren of iv) te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 2 en 3 worden gepleegd.”

Kaderbesluit 2008/841

7 Artikel 3 van kaderbesluit 2008/841, met als opschrift „Sancties”, bepaalt in lid 1, onder a): „Iedere lidstaat zorgt ervoor dat: a) het in artikel 2, onder a), bedoelde feit strafbaar wordt gesteld met een maximale vrijheidsstraf die ten minste tussen de twee en de vijf jaar bedraagt; […]”.

8 Artikel 4 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Bijzondere omstandigheden” en luidt: „Iedere lidstaat kan de nodige maatregelen nemen om de in artikel 3 bedoelde sancties te kunnen verminderen of om de dader te kunnen vrijstellen van sancties indien hij bijvoorbeeld: a) afziet van verdere criminele activiteiten, en b) de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die deze niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen, en die hen helpt om: i) de gevolgen van het strafbare feit te voorkomen, te beëindigen of te beperken; ii) de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen; iii) bewijs te vergaren; iv) de criminele organisatie illegale middelen of winsten uit criminele activiteiten te ontnemen, of v) te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten als bedoeld in artikel 2 worden gepleegd.”

Richtlijn 2012/13

9 In de overwegingen 14 en 41 van richtlijn 2012/13 staat het volgende te lezen: „(14) Deze richtlijn […] bevat gemeenschappelijke minimumnormen die – teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten – van toepassing zijn op het verstrekken van informatie over rechten en over de beschuldiging aan personen die worden verdacht of beschuldigd van een strafbaar feit. Deze richtlijn is geënt op de in het Handvest neergelegde rechten, in het bijzonder de artikelen 6, 47 en 48, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 [van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens. […] […] (41) Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en de in het Handvest vervatte beginselen. Zij beoogt met name het recht op vrijheid, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging te beschermen. Zij dient dan ook dienovereenkomstig ten uitvoer te worden gelegd.”

10 Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Onderwerp” en bepaalt: „Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. […]”

11 Artikel 6 van deze richtlijn heeft als opschrift „Recht op informatie over de beschuldiging” en bepaalt in de leden 1 en 3: „1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. […] 3. De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.”

Bulgaars recht

12 Artikel 381 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „NPK”), heeft als opschrift „Schikking over de afhandeling van de zaak in de voorbereidende fase” en bepaalt: „(1) Na afloop van het onderzoek kan op voorstel van de openbaar aanklager of de advocaat een schikking worden getroffen om de zaak af te handelen. […] […] (5) De schikking moet schriftelijk worden opgesteld en blijk geven van overeenstemming over de volgende kwesties: 1. Is er een feit gepleegd, is dit feit gepleegd door de verdachte, kan het hem worden toegerekend, is het een strafbaar feit en wat is de juridische kwalificatie van dit feit? 2. Wat moet de aard en de hoogte van de strafmaat zijn? […] (6) De schikking wordt ondertekend door de openbaar aanklager en de advocaat. De verdachte ondertekent de schikking indien hij deze aanvaardt, nadat hij heeft verklaard dat hij afstand doet van zijn recht op behandeling van zijn zaak volgens de gewone procedure. (7) Wanneer de procedure betrekking heeft op meerdere personen of meerdere strafbare feiten, kan de schikking worden getroffen door enkelen van hen of voor enkele van deze strafbare feiten. […]”

13 Artikel 383 NPK, met als opschrift „Gevolgen van de schikking over de afhandeling van de zaak”, bepaalt in lid 1: „De door het gerecht goedgekeurde schikking heeft de gevolgen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.”

14 Artikel 384 NPK, „Schikking over de afhandeling van de zaak in het kader van een gerechtelijke procedure”, luidt als volgt: „(1) Onder de voorwaarden en volgens de procedure van dit hoofdstuk kan de rechter in eerste aanleg een schikking goedkeuren die is bereikt nadat de gerechtelijke procedure is ingeleid, maar voordat de fase van het gerechtelijk onderzoek is afgesloten. […] (3) In die gevallen wordt de schikking over [de afhandeling van de zaak] pas goedgekeurd nadat alle partijen [in de procedure] hun instemming hebben verleend.”

15 Artikel 384a NPK draagt het opschrift „Beslissing over een schikking met sommige verdachten of voor een van de strafbare feiten” en bepaalt: „(1) Wanneer na de opening van de gerechtelijke procedure maar vóór de afronding van de fase van het gerechtelijk onderzoek een schikking is getroffen met een van de verdachten of voor een van de strafbare feiten, schorst de rechtbank de behandeling van de zaak. (2) […] [Een] andere kamer van de rechtbank [beslist] over de getroffen schikking. (3) De in lid 1 bedoelde kamer zet de behandeling van de zaak voort nadat een beslissing over de schikking is genomen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 Op 25 maart 2020 heeft de Spetsializirana prokuratura (gespecialiseerd openbaar ministerie, Bulgarije) bij de Spetsializiran nakazatelen sad (gespecialiseerde strafrechter, Bulgarije) tegen 41 personen, onder wie SD en PT, stafvervolging ingesteld wegens het leiden van en/of deelnemen aan de activiteiten van een georganiseerde criminele groepering met het doel zich te verrijken door de distributie van drugs. PT wordt op grond van de relevante bepalingen van de Nakazatelen kodeks (strafwetboek) ervan beschuldigd aan deze georganiseerde criminele groepering te hebben deelgenomen en in het bezit te zijn geweest van verdovende middelen met het oog op distributie.

17 Op 19 augustus 2020 is de zaak om procedurele redenen naar de Spetsializirana prokuratura terugverwezen met het oog op het herstel van gebreken in de tenlastelegging.

18 Op 26 augustus 2020 hebben de openbaar aanklager en de advocaat van SD tijdens de voorbereidende fase van de procedure een schikking getroffen waarbij SD schuld erkent met betrekking tot de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, waardoor hij een minder zware straf krijgt dan die waarin de wet voorziet. Deze schikking is op 1 september 2020 goedgekeurd door een andere kamer dan die waaraan de zaak aanvankelijk was voorgelegd.

19 Op 28 augustus 2020 heeft de Spetsializirana prokuratura een gecorrigeerde versie van de tenlastelegging ingediend en is de gerechtelijke fase van de procedure ingeleid.

20 Op 17 november 2020 is een schikking over de afhandeling van de zaak getroffen door de openbaar aanklager en de advocaat van PT, waarbij de verdachte schuld erkent met betrekking tot de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en hem een voorwaardelijke vrijheidsstraf van drie jaar wordt opgelegd, met een proeftijd van vijf jaar.

21 Op 21 januari 2021 heeft de kamer die krachtens artikel 384 a NPK is aangewezen om over deze schikking uitspraak te doen, geweigerd de schikking goed te keuren, omdat enkele verdachten daarmee niet hadden ingestemd, wat artikel 384, lid 3, NPK evenwel vereist.

22 Op 10 mei 2022 hebben de openbaar aanklager en de advocaat van PT een nieuwe schikking getroffen, met een identieke inhoud, en hebben zij de kamer waarbij de zaak aanhangig was gemaakt, verzocht om over deze schikking uitspraak te doen zonder de overige verdachten om instemming te verzoeken.

23 Op 18 mei 2022 heeft de overeenkomstig artikel 384a NPK aangewezen kamer geweigerd de in het vorige punt bedoelde schikking goed te keuren, omdat voor een dergelijke goedkeuring volgens artikel 384, lid 3, NPK de instemming van de overige 39 verdachten vereist was.

24 Na deze weigering hebben de openbaar aanklager, PT en diens advocaat diezelfde dag opnieuw laten weten dat zij wensten een schikking te treffen en dat de verwijzende rechter, aan wie alle bewijs was overgelegd, deze schikking zou goedkeuren zonder de overige verdachten om instemming te verzoeken.

25 Bij beslissing van 28 juni 2022 heeft de Spetsializiran nakazatelen sad, teneinde de verenigbaarheid met het Unierecht te beoordelen van niet alleen artikel 384, lid 3, maar ook artikel 384a NPK – aangezien dit artikel vereist dat een schikking wordt goedgekeurd door een ad-hoc-kamer –, het Hof prejudiciële vragen gesteld, die het voorwerp vormen van het arrest van heden, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit) (C‑432/22).

26 De Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) – rechtsopvolger van de Spetsializiran nakazatelen sad en verwijzende rechter in de onderhavige zaak – verduidelijkt om te beginnen dat hij wenst te vernemen of artikel 384, lid 3, NPK niet alleen verenigbaar is met artikel 4, lid 1, en artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841, maar ook met artikel 20 van het Handvest, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) (C‑700/21, EU:C:2023:444), en artikel 6, lid 3, van richtlijn 2012/13, aangezien artikel 384, lid 3, NPK toestemming van de medeverdachten vereist indien een schikking wordt getroffen in de gerechtelijke fase van een tegen meerdere personen ingeleide strafprocedure, maar niet wanneer die schikking wordt getroffen tijdens de voorbereidende fase van die procedure.

27 Bovendien is de verwijzende rechter van mening dat een schikking een „juridisch middel” is dat niet alleen de mogelijkheid biedt om een doeltreffende, evenredige en afschrikkende straf op te leggen en de criminele activiteiten van de verdachte die de schikking treft te beëindigen, maar ook om aan de met de zaak belaste rechter bewijsmateriaal over de criminele activiteiten van de medeverdachten te verstrekken. Volgens die rechter brengt de schikking dan ook de in het vorige punt genoemde bepalingen van kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 ten uitvoer in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, en is het Handvest daar bijgevolg op van toepassing.

28 In de eerste plaats volgt volgens de verwijzende rechter uit het arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) (C‑700/21, EU:C:2023:444, punt 43), dat de positie van de verdachte in de fase van het strafrechtelijk onderzoek vergelijkbaar is met die in de gerechtelijke fase van de strafprocedure, ook al wordt de beschuldiging in die laatste fase gedetailleerder geformuleerd. Hij is van oordeel dat de „ongunstige behandeling van de verdachte” die voortvloeit uit het feit dat de medeverdachten moeten instemmen wil de schikking gerechtelijk worden goedgekeurd, terwijl dit niet vereist is indien de schikking tijdens de voorbereidende fase van de procedure wordt getroffen, „zich niet verdraagt met het in artikel 20 van het Handvest neergelegde vereiste van gelijkheid”.

29 In de tweede plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat „alleen het Hof [kan] beoordelen of de schikking [over de afhandeling van de zaak], zoals die wordt geregeld in het Bulgaarse recht” onder het in artikel 48, lid 2, van het Handvest bedoelde recht van verdediging valt en, zo ja, of artikel 384, lid 3, NPK de doeltreffendheid van dit recht beperkt en of deze beperking „door een geldige reden [wordt] gerechtvaardigd” in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Hij voegt daaraan toe dat artikel 384, lid 3, NPK een verdachte als PT het recht ontneemt om de gegrondheid te laten onderzoeken van de schikking die hij heeft getroffen om een lichtere straf te verkrijgen, en dat de beperking die dat artikel vormt voor het sluiten van een dergelijke schikking „niet kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de belangen van de medeverdachten te beschermen”, maar enkel „door de noodzaak om de belangen van het slachtoffer te beschermen”.

30 In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 384, lid 3, NPK verenigbaar is met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13, voor zover die nationaalrechtelijke bepaling „de nuttige werking van dit artikel van deze richtlijn beperkt” door de verdachte die „zijn recht op inzage in de volledige tekst van de tenlastelegging krachtens artikel 6, lid 3, van [die] richtlijn” heeft uitgeoefend, te beletten om zonder toestemming van de medeverdachten een schikking te treffen. De rechter is van oordeel dat aangezien toegang tot gedetailleerde informatie over de beschuldiging slechts mogelijk is in de gerechtelijke fase van de strafprocedure, artikel 384, lid 3, NPK de verdachte die deze informatie heeft verkregen „afhankelijk [maakt] van de instemming van de medeverdachten en hun advocaten, wil [een schikking] ten gronde kunnen worden onderzocht […] en, in voorkomend geval, worden goedgekeurd”. Hij leidt daaruit af dat die bepaling PT in casu „het nuttige effect ontneemt van het recht om gedetailleerde informatie over de beschuldiging te verkrijgen”, welk recht artikel 6, lid 3, van richtlijn 2012/13 hem uitdrukkelijk verleent.

31 Derhalve heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is een nationale wet waarin is bepaald dat een schikking waarbij de strafprocedure wordt beëindigd tijdens de gerechtelijke fase van deze procedure, uitsluitend kan worden goedgekeurd wanneer alle medeverdachten en hun raadslieden met die schikking hebben ingestemd, terwijl deze instemming niet vereist is tijdens de voorbereidende fase van de strafprocedure, verenigbaar met artikel 4, lid 1, en artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 alsook met artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 juncto artikel 20 van het Handvest? 2) Is een nationale wet waarin de mogelijkheid van een verdachte om de inhoud van een door hem getroffen schikking (waarbij hem een lagere straf wordt opgelegd) door de rechter te laten toetsen wordt beperkt, waarbij de beperking erin bestaat dat de instemming van de medeverdachten moet worden verkregen, verenigbaar met artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2004/757 junctis artikel 48, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest? 3) Is een nationale wet waarin is bepaald dat die beperking ook geldt nadat aan de verdachte gedetailleerde informatie over de beschuldiging is verstrekt, verenigbaar met artikel 6, lid 3, junctis artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 alsook artikel 47, [eerste alinea], en artikel 52, lid 1, van het Handvest?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

32 Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, en artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841, gelezen in samenhang met artikel 20, artikel 48, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationaalrechtelijke bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten is ingeleid, een schikking die een van de verdachten tijdens de gerechtelijke fase van deze procedure met de openbaar aanklager treft, slechts kan worden goedgekeurd door de rechter indien de medeverdachten, die geen schuld hebben bekend, daarmee instemmen, terwijl die instemming niet vereist is wanneer een identieke schikking wordt getroffen tijdens de voorbereidende fase van die procedure.

33 Artikel 4, lid 1, eerste alinea, van kaderbesluit 2004/757 legt de lidstaten de verplichting op de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 van dit kaderbesluit bedoelde feiten strafbaar worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, en artikel 4, lid 1, tweede alinea, van dit kaderbesluit legt hen specifiek de verplichting op de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de in artikel 2 bedoelde feiten strafbaar worden gesteld met een maximumstraf van ten minste 1 tot 3 jaar gevangenis. Artikel 3, lid 1, onder a), van kaderbesluit 2008/841 bevat bepalingen die vergelijkbaar zijn met die van artikel 4, lid 1, tweede alinea, van kaderbesluit 2004/757.

34 Artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 bieden de lidstaten in essentie de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de straffen bedoeld in respectievelijk artikel 4 van het eerste kaderbesluit en artikel 3 van het tweede kaderbesluit kunnen worden verminderd en, in laatstgenoemd geval, dat de dader van het strafbare feit kan worden vrijgesteld van sancties.

35 Om te beginnen moet worden uitgemaakt of de Bulgaarse wetgeving die de schikking over de afhandeling van de zaak regelt, het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zoals de verwijzende rechter naar voren brengt, en of het Hof derhalve bevoegd is om de bepalingen van het Handvest uit te leggen die in de eerste en de tweede vraag worden genoemd.

36 In artikel 51, lid 1, van het Handvest staat te lezen dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Lid 2 van dit artikel verduidelijkt dat deze bepalingen de in de Verdragen omschreven bevoegdheden van de Unie geenszins uitbreiden.

37 Artikel 51, leden 1 en 2, bevestigt de rechtspraak van het Hof volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten. Bijgevolg kan het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden uitleggen (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Het begrip „ten uitvoer brengen van het Unierecht” in de zin van artikel 51 van het Handvest veronderstelt dat er een verband bestaat tussen de Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (zie in die zin arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 24, en 29 juli 2024, protectus, C‑185/23, EU:C:2024:657, punt 42).

39 Het Hof is al eens tot de slotsom gekomen dat de grondrechten van de Unie niet konden worden toegepast in verband met een nationale regeling vanwege het feit dat de Unievoorschriften op het betrokken gebied de lidstaten geen verplichting oplegden voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie (zie in die zin arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 26, en 10 juli 2014, Julián Hernández e.a., C‑198/13, EU:C:2014:2055, punt 35).

40 Tegen deze achtergrond moeten de bepalingen van de Uniehandelingen worden onderzocht in het licht waarvan de nationale rechter de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van nationaal recht wil beoordelen.

41 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2004/757 en artikel 3 van kaderbesluit 2008/841 voorkomen in handelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 31, lid 1, EU, waarvan de bepalingen zijn overgenomen in artikel 83, lid 1, eerste alinea, VWEU. De genoemde artikelen van die kaderbesluiten bevatten minimumvoorschriften voor de straffen die staan op strafbare feiten op de criminaliteitsgebieden die binnen de respectieve werkingssferen van die kaderbesluiten vallen, te weten illegale drugshandel en georganiseerde criminaliteit.

42 Zoals het Hof benadrukt in punt 39 van het arrest van heden, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit) (C‑432/22), impliceert de tenuitvoerbrenging van die artikelen dat de lidstaten wettelijke maatregelen vaststellen die onder het materiële strafrecht vallen. Op het gebied van strafprocesrecht, waaronder ook de Bulgaarse bepaling die de schikking over de afhandeling van de zaak regelt – te weten artikel 384, lid 3, NPK – in wezen valt, is er daarentegen geen enkele Uniewetgevingshandeling met betrekking tot dit soort schikkingen vastgesteld op grond van artikel 31 EU of artikel 82 VWEU, waarin de bevoegdheid van de Unie op het gebied van strafprocesrecht wordt omschreven.

43 Bijgevolg is de verhouding tussen de in punt 41 van het onderhavige arrest bedoelde bepalingen van materieel strafrecht van de Unie en de Bulgaarse bepalingen van strafprocesrecht die de schikking in het hoofdgeding regelen er een die niet verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van die bepalingen of de indirecte invloed van de eerstgenoemde op de laatstgenoemde bepalingen. Er kan tussen die bepalingen dus geen verband in de zin van de in punt 38 hierboven aangehaalde rechtspraak worden vastgesteld.

44 In de tweede plaats bepalen artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 – die beide het opschrift „Bijzondere omstandigheden” dragen – slechts dat de lidstaten de nodige maatregelen kunnen nemen om de in deze kaderbesluiten bedoelde sancties te kunnen verminderen indien de dader bijvoorbeeld afziet van verdere criminele activiteiten in de onder die kaderbesluiten vallende domeinen of de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die deze niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen en die hen bijvoorbeeld helpt om de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen of om bewijs te vergaren. Deze Unierechtelijke bepalingen vermelden niet op welke wijze en onder welke voorwaarden een schikking over de afhandeling van de zaak kan worden gesloten en verplichten de lidstaten evenmin om op dit gebied wetgeving vast te stellen, hetgeen de in punt 39 van dit arrest vermelde rechtspraak wel vereist wil er tussen die Unierechtelijke bepalingen en de bepalingen van Bulgaars recht die de schikking regelen een verband kunnen worden vastgesteld.

45 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de bepalingen van de NPK over de sluiting en goedkeuring van een schikking, en met name artikel 384, lid 3, NPK, de bepalingen van kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 niet „ten uitvoer brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

46 Het Hof is derhalve niet bevoegd om op de eerste en de tweede vraag te antwoorden.

Derde vraag

47 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van artikel 47, eerste alinea, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationaalrechtelijke bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten is ingeleid, de rechterlijke goedkeuring van de schikking die een van de verdachten met de openbaar aanklager treft alleen afhankelijk wordt gesteld van de instemming van de medeverdachten wanneer die schikking wordt getroffen tijdens de gerechtelijke fase van die procedure.

48 Zoals blijkt uit artikel 1 van richtlijn 2012/13, stelt deze richtlijn, die is vastgesteld op grond van artikel 82, lid 2, VWEU, gemeenschappelijke minimumnormen vast voor het informeren van personen die worden verdacht of beschuldigd van een strafbaar feit, over hun rechten en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. Zoals staat te lezen in de overwegingen 14 en 41 ervan is deze richtlijn onder meer geënt op de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten en beoogt zij deze rechten te beschermen.

49 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 verplicht de lidstaten om erop toe te zien dat verdachten of beklaagden onverwijld en zo gedetailleerd mogelijk informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Lid 3 van dit artikel verduidelijkt dat gedetailleerde informatie moet worden verstrekt over de beschuldiging, inclusief de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit en de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde, uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging.

50 Hoe dan ook moeten de verdachte en zijn advocaat, ongeacht het tijdstip waarop de gedetailleerde informatie over de beschuldiging wordt verstrekt, overeenkomstig artikel 6, lid 3, van richtlijn 2012/13 met name – met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van „equality of arms” – voldoende tijd krijgen om kennis te nemen van die informatie en in staat worden gesteld om het verweer doeltreffend voor te bereiden, hun eventuele opmerkingen in te dienen en, in voorkomend geval, de verzoeken te formuleren – en met name een verzoek tot een onderzoek – die zij op grond van het nationale recht zouden kunnen indienen [zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Kolev e.a., C‑612/15, EU:C:2018:392, punt 96, en 21 oktober 2021, ZX (Regularisatie van het geschrift dat de tenlastelegging bevat), C‑282/20, EU:C:2021:874, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

51 De onverwijlde mededeling aan de verdachte van gedetailleerde informatie over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, op een zodanig moment dat hij doeltreffend zijn verweer kan voorbereiden, is van essentieel belang om hem in staat te stellen te begrijpen waarvan hij wordt beschuldigd, zijn verdediging dienovereenkomstig te organiseren en in voorkomend geval zijn schuld te betwisten door aan te tonen dat een of meer bestanddelen van het vastgestelde strafbare feit ontbreken, dan wel ervoor te kiezen vrijwillig schuld te erkennen met volledige kennis van de hem ten laste gelegde feiten en van de rechtsgevolgen van deze keuze [zie naar analogie arrest van 9 november 2023, BK (Herkwalificatie van het strafbare feit), C‑175/22, EU:C:2023:844, punt 40].

52 De doeltreffendheid van het recht om tijdig en in detail te worden geïnformeerd over de beschuldiging, zoals gewaarborgd door artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13, komt evenwel niet in het gedrang indien de rechterlijke goedkeuring van de schikking die een van de verdachten met de openbaar aanklager treft, afhangt van de instemming van de medeverdachten, die geen schuld hebben bekend.

53 Zoals de verwijzende rechter opmerkt, is het juist dat het vereiste van die instemming tijdens de gerechtelijke fase van de strafprocedure een door de nationale wetgever gewilde consequentie is van het feit dat aan die verdachte gedetailleerde informatie over de hem ten laste gelegde feiten wordt verstrekt, gelet op de gevolgen die deze informatie – die gedetailleerder is dan de informatie die tijdens de voorbereidende fase van de procedure wordt verstrekt –, kan hebben voor de uitoefening van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging door de verdachten die geen schuld hebben erkend. Niettemin is niet aangetoond dat een dergelijk instemmingsvereiste afbreuk doet aan of een beletsel vormt voor de uitoefening door die verdachte van de rechten die gewaarborgd worden door artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van artikel 47, eerste alinea, en artikel 52, lid 1, van het Handvest.

54 Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van artikel 47, eerste alinea, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationaalrechtelijke bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten is ingeleid, de rechterlijke goedkeuring van de schikking die een van de verdachten met de openbaar aanklager treft, alleen afhankelijk wordt gesteld van de instemming van de medeverdachten wanneer die schikking wordt getroffen tijdens de gerechtelijke fase van die procedure.

Kosten

55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, gelezen in het licht van artikel 47, eerste alinea, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationaalrechtelijke bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten is ingeleid, de rechterlijke goedkeuring van de schikking die een van de verdachten met de openbaar aanklager treft, alleen afhankelijk wordt gesteld van de instemming van de medeverdachten wanneer die schikking wordt getroffen tijdens de gerechtelijke fase van die procedure.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken