HvJ EU 24 oktober 2024, C-339/23, ECLI:EU:C:2024:918
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
24 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Kredietovereenkomsten voor consumenten – Richtlijn 2008/48/EG – Risico van een te hoge schuldenlast – Artikel 8 – Verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument na te gaan – Artikel 10 – Informatie die in de kredietovereenkomst moet worden vermeld – Artikel 23 – Sanctie in geval van niet-nakoming van deze verplichting – Gelijkwaardige sancties – Doeltreffend, evenredig en afschrikkend karakter van de opgelegde sanctie”
In zaak C‑339/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich (rechter in eerste aanleg Siemianowice Śląskie, Polen) bij beslissing van 28 april 2023, ingekomen bij het Hof op 30 mei 2023, in de procedure
Horyzont Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty
tegen
LC,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, en Z. Csehi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 8, 10 en 23 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Horyzont Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty (hierna: „Horyzont”), cessionaris van Nest Bank S.A., en LC, een natuurlijke persoon, over de betaling van een schuldvordering die voortvloeit uit een consumentenkredietovereenkomst (hierna: „consumentenkredietovereenkomst”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In de overwegingen 26 en 47 van richtlijn 2008/48 staat te lezen: „(26) […] In de zich uitbreidende kredietmarkt is het met name belangrijk dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoordelijke leningpraktijken of kredieten toestaan zonder de kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeeld, en de lidstaten moeten het nodige toezicht uitvoeren om dergelijk gedrag te vermijden en de noodzakelijke middelen bepalen om de kredietgever te sanctioneren wanneer dat toch het geval is. […] [K]redietgevers [moeten] de verantwoordelijkheid hebben om de kredietwaardigheid van elke consument te beoordelen. Daartoe zouden zij de mogelijkheid moeten hebben om gebruik te maken van informatie die door de consument is verstrekt, niet alleen bij de voorbereiding van de betrokken kredietovereenkomst, maar ook in de loop van een reeds lang bestaande commerciële relatie. De autoriteiten van de lidstaten zouden kredietgevers ook goede aanwijzingen en richtsnoeren kunnen geven. Consumenten moeten ook bedachtzaam te werk gaan en hun contractuele verplichtingen nakomen. […] (47) De lidstaten moeten vaststellen welke sancties gelden voor overtredingen van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en erop toezien dat deze worden toegepast. Hoewel de keuze van de sancties bij de lidstaten blijft berusten, moeten de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”
4 Artikel 8 („Verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument voor het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand. Lidstaten van wie de wetgeving van kredietgevers vereist dat zij de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand beoordelen, kunnen dit vereiste behouden.”
5 Artikel 10 („In de kredietovereenkomst te vermelden informatie”) van deze richtlijn geeft een opsomming van de gegevens die in kredietovereenkomsten moeten worden opgenomen.
6 Artikel 23 („Sancties”) van die richtlijn luidt: „De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”
Pools recht
Wet op het consumentenkrediet
7 Richtlijn 2008/48 is in de Poolse rechtsorde omgezet bij de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (Dz. U. nr. 126, volgnr. 715), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet op het consumentenkrediet”).
8 Artikel 9 van de wet op het consumentenkrediet is verwoord als volgt: „1. Alvorens een kredietovereenkomst te sluiten beoordeelt de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument. […] 2. De kredietwaardigheid wordt beoordeeld op basis van de door de consument verstrekte gegevens of op basis van de informatie uit relevante gegevensbanken of gegevensverzamelingen van de kredietgever. 3. Op verzoek van de kredietgever verstrekt de consument de documenten en informatie die nodig zijn voor de beoordeling van zijn kredietwaardigheid. 4. Indien de kredietgever een bank is of een andere instelling die wettelijk bevoegd is om kredieten te verstrekken, wordt de kredietwaardigheid beoordeeld overeenkomstig artikel 70 van de ustawa – Prawo bankowe (bankwet) van 29 augustus 1997 (Dz. U. nr. 140, volgnr. 939) en de andere voor dergelijke marktdeelnemers geldende regelingen, met inaanmerkingneming van de leden 1 tot en met 3.”
9 Artikel 45, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet bepaalt dat wanneer de kredietgever inbreuk maakt op een aantal bepalingen die hem verschillende verplichtingen waaronder de informatieverplichting opleggen, de consument, nadat hij daartoe ten aanzien van de kredietgever een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, het krediet zonder rente of andere aan de kredietgever verschuldigde kredietkosten aflost binnen de termijnen en op de wijze die in de overeenkomst zijn vastgesteld.
Wet houdende het burgerlijk wetboek
10 Artikel 58 van de ustawa – Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt als volgt: „1. Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of bedoeld is om de wet te omzeilen is nietig, behoudens een andersluidende relevante bepaling, met name indien daarin wordt vastgesteld dat de ongeldige bepalingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet. 2. Een rechtshandeling die in strijd is met de goede zeden, is nietig. 3. Indien slechts een deel van de rechtshandeling nietig is, blijft de handeling voor het overige van kracht, tenzij uit de omstandigheden van de zaak volgt dat die handeling zonder de nietige bedingen niet zou zijn verricht.”
Wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
11 Artikel 5054, lid 1, van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego (wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „De wijziging van de vordering is niet toegestaan. De artikelen 75 tot en met 85, de artikelen 194 tot en met 196 en artikel 198 zijn niet van toepassing.”
Bankwet
12 Artikel 70 van de bankwet, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt als volgt: „1. De bank kent enkel een krediet toe indien de kredietnemer kredietwaardig is. Onder kredietwaardigheid wordt verstaan het vermogen om de opgenomen lening plus rente terug te betalen op de data die in de overeenkomst zijn vastgelegd. Op verzoek van de bank legt de kredietnemer de documenten en informatie voor die nodig zijn om dit vermogen te beoordelen. 2. De bank kan een natuurlijke persoon […] die niet kredietwaardig is een krediet toekennen op voorwaarde dat: 1) er wordt voorzien in een bijzondere regeling om de aflossing van het krediet te garanderen; […] 3. De kredietnemer staat de bank toe om zijn financiële en economische situatie te beoordelen en toezicht te houden op het gebruik en de aflossing van het krediet.”
13 Artikel 78a van deze wet, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, is geformuleerd als volgt: „De bepalingen van de wet zijn van toepassing op krediet‑ en geldleningsovereenkomsten die door de bank zijn aangegaan in overeenstemming met de bepalingen van de [wet op het consumentenkrediet], voor zover die overeenkomsten niet onder die wet vallen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14 Op 28 september 2017 hebben LC en Nest Bank, gevestigd te Warschau (Polen), een consumentenkredietovereenkomst gesloten. Het bedrag van het consumentenkrediet dat LC aldus is aangegaan, was 49148,06 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 10457 EUR) en het totale terug te betalen bedrag was 62573,16 PLN (ongeveer 13313,44 EUR). Dit bedrag bestond uit het geleende kapitaal, de rente over de gehele looptijd van de overeenkomst en een zogenoemde „afsluitprovisie” van 7323,06 PLN (ongeveer 1558 EUR). Het consumentenkrediet moest uiterlijk op 3 oktober 2022 worden afgelost in 60 maandelijkse termijnen van 1042 PLN (ongeveer 221 EUR).
15 In de consumentenkredietovereenkomst verklaarde LC dat haar gemiddelde nettomaandinkomen 1755,62 PLN (ongeveer 373 EUR) bedroeg. De overeenkomst verwees ook naar een andere schuld die LC was aangegaan, namelijk een lening met maandelijkse aflossingen van 320 PLN (ongeveer 68 EUR).
16 De schuldvordering uit hoofde van de consumentenkredietovereenkomst is door Nestbank overgedragen aan Horyzont, eveneens gevestigd te Warschau.
17 Aangezien LC het geleende bedrag niet binnen de gestelde termijn had terugbetaald, stelde Horyzont een vordering tot betaling in bij de Sąd Rejonowy Lublin Zachód w Lublinie (rechter in eerste aanleg Lublin West, Polen). Deze rechter heeft de vordering toegewezen en een betalingsbevel tegen LC uitgevaardigd. LC heeft tegen dit betalingsbevel verzet aangetekend bij de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich (rechter in eerste aanleg Siemianowice Śląskie, Polen), de verwijzende rechter. In dat verzet stelt LC dat Nest Bank haar kredietwaardigheid niet heeft beoordeeld toen de consumentenkredietovereenkomst werd gesloten.
18 In het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat Nest Bank het betrokken consumentenkrediet had toegekend in strijd met de bepalingen waarbij de verplichting van de kredietgever om overeenkomstig artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 de kredietwaardigheid van de kredietnemer te beoordelen, in Pools recht is omgezet. Deze rechter vraagt zich dan ook af welke gevolgen aan deze inbreuk moeten worden verbonden.
19 Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat het nationale recht weliswaar een groot aantal sancties kent, maar dat de Poolse wetgever bij de omzetting van richtlijn 2008/48 niet heeft voorzien in een specifieke sanctie in geval van niet-nakoming van de verplichting om de kredietwaardigheid te beoordelen van een consument die een consumentenkrediet wenst te verkrijgen.
20 De verwijzende rechter preciseert dat artikel 45 van de wet op het consumentenkrediet in een zogenoemde sanctie van „kosteloze kredietverstrekking” voorziet. Dit is een van de sancties die enkel van toepassing zijn op de in die bepaling opgesomde inbreuken. Niet-nakoming van de in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 genoemde verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen maakt daarvan geen deel uit. Deze rechter herinnert er ook aan dat artikel 58 van de wet houdende het burgerlijk wetboek kan worden toegepast, op grond waarvan een sanctie kan worden opgelegd die bestaat in de nietigheid van de betrokken rechtshandeling. Hij voegt daaraan toe dat hij het Hof niet vraagt welke bepaling van het nationaal recht in het hoofdgeding moet worden toegepast, maar wel welke uitlegging moet worden gegeven aan de relevante bepalingen van het Unierecht, voor zover de veelheid van sancties waarin het nationale recht voorziet ook een verschil uitmaakt wat de evenredigheid van de sanctie voor niet-nakoming van de uit richtlijn 2008/48 voortvloeiende verplichtingen betreft.
21 De verwijzende rechter onderstreept dat het Hof in het arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg) (C‑303/20, EU:C:2021:479), heeft gewezen op de beoordelingsmarge van de nationale rechter bij de toepassing en met name bij de keuze van een maatregel die evenredig is aan de ernst van de vastgestelde niet-nakoming. Hij vraagt zich af of dit betekent dat de gekozen maatregel gelijkwaardig moet zijn aan de sancties waarin is voorzien in geval van niet-nakoming van de andere verplichtingen die voortvloeien uit de bepalingen ter omzetting van richtlijn 2008/48.
22 In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat zowel de verplichting van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 als de uit deze richtlijn voortvloeiende informatieverplichting van wezenlijk belang zijn voor de consument. Bijgevolg vraagt hij zich af of een differentiatie van de in artikel 23 van richtlijn 2008/48 bedoelde sancties naar nationaal recht toelaatbaar is, nu de in de artikelen 8 en 10 van richtlijn 2008/48 aan de kredietgever opgelegde verplichtingen als gelijkwaardig moeten worden beschouwd, dat wil zeggen dat zij dezelfde rang hebben en dezelfde doelstellingen nastreven.
23 Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 8 van [richtlijn 2008/48] aldus worden uitgelegd dat de daarin neergelegde verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument (kredietnemer) te beoordelen gelijkwaardig is aan de andere in deze richtlijn neergelegde verplichtingen (in het bijzonder de informatieverplichtingen van artikel 10 en volgende), zodat de in artikel 23 van die richtlijn bedoelde sancties niet anders kunnen zijn, dat wil zeggen dat zij geen uiteenlopende rechtsgevolgen kunnen hebben naargelang welke van deze verplichtingen niet wordt nagekomen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
24 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 23 van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de sanctie voor niet-nakoming van de in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn genoemde verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, verschilt van de sanctie voor niet-nakoming van andere, eventueel gelijkwaardige verplichtingen waarin die richtlijn voorziet, met name de in artikel 10, lid 2, genoemde verplichting betreffende de in de consumentenkredietovereenkomst te vermelden informatie.
25 Er zij aan herinnerd dat de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2008/48 de regels moeten vaststellen inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
26 Uit de bewoordingen van artikel 23 van die richtlijn volgt dat de sanctieregeling voor niet-nakoming van de verplichtingen die uit deze richtlijn voortvloeien op zodanige wijze moet worden opgezet dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, en dat de lidstaten alle maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. Zoals in overweging 47 van die richtlijn staat te lezen, berust de keuze van de sancties binnen deze grenzen bij de lidstaten (arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais,C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 43).
27 In dit verband moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak volgt dat ter bereiking van de doelstelling van artikel 23 van richtlijn 2008/48, namelijk ervoor zorgen dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, niet enkel de nationale wetgever maar ook de nationale rechterlijke instanties, binnen de grenzen zoals bepaald door het voorwerp van het bij hen aanhangige geding, moeten beschikken over een beoordelingsmarge die hen in staat stelt om, naargelang van de omstandigheden van het geval, de maatregel te kiezen die evenredig is met de ernst van de vastgestelde niet-nakoming. Die rechterlijke instanties moeten dus rekening houden met alle regels van nationaal recht en deze zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn, teneinde een resultaat te bereiken dat verenigbaar is met de doelstellingen ervan [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg),C‑303/20, EU:C:2021:479, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 Voor zover de door een lidstaat ingevoerde sanctieregeling voor niet-nakoming van de uit richtlijn 2008/48 voortvloeiende verplichtingen voldoet aan de vereisten van de in de punten 26 en 27 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, verzet artikel 23 van deze richtlijn zich er dus niet tegen dat op de niet-nakoming van verschillende verplichtingen verschillende sancties worden gesteld.
29 In dit verband moet erop worden gewezen dat richtlijn 2008/48 verschillende verplichtingen vastlegt die verschillende doelstellingen nastreven.
30 Zoals uitdrukkelijk in overweging 26 van deze richtlijn is vermeld, heeft de in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 genoemde verplichting om vóór het sluiten van een kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen immers tot doel om de kredietgevers op hun verantwoordelijkheid te wijzen en consumenten te beschermen door ervoor te zorgen dat kredietgevers niet op een onverantwoorde manier leningen toestaan zonder eerst de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen (zie in die zin arrest van 11 januari 2024, Nárokuj,C‑755/22, EU:C:2024:10, punten 34 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Voor zover die verplichting ertoe strekt de consument te beschermen tegen de risico’s van een te hoge schuldenlast en insolvabiliteit, is zij voor hen van wezenlijk belang [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg),C‑303/20, EU:C:2021:479, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32 Daarnaast stelt de mededeling, vóór en bij de sluiting van een overeenkomst, van de contractvoorwaarden en de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden, met name de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 opgesomde informatie, de consument in staat om te beslissen of hij gebonden wenst te zijn door de voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd. Deze informatie is dus ook voor de consument van wezenlijk belang (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Hoewel uit de rechtspraak volgt dat zowel de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen alvorens een kredietovereenkomst te sluiten, in de zin van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48, als de verplichting om informatie te verstrekken, waarin met name artikel 10, lid 2, van deze richtlijn voorziet, van wezenlijk belang is, moet worden vastgesteld dat die verplichtingen verschillende doelstellingen nastreven en dat de niet-nakoming ervan geen soortgelijke gevolgen heeft, noch uit het oogpunt van het door de betrokken bepaling beschermde wettelijk belang, noch uit het oogpunt van de partijen bij de kredietovereenkomst.
34 Zo kan niet-nakoming van de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te controleren ertoe leiden dat de consument een kredietovereenkomst sluit die hem blootstelt aan een te hoge schuldenlast en insolvabiliteit. Anderzijds kunnen de gevolgen van niet-nakoming van de informatieverplichtingen sterk variëren naargelang de specifieke verplichting in kwestie, waarbij de ernst van de niet-nakoming in de praktijk bovendien afhangt van het aantal en het belang van de elementen die in de kredietovereenkomst ontbreken. Dergelijke inbreuken kunnen het voor de consument bijvoorbeeld moeilijk maken om kredietaanbiedingen te vergelijken of om de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende rechten uit te oefenen.
35 Hieruit volgt dat de niet-nakoming van twee verplichtingen van wezenlijk belang verschillende gevolgen kan hebben voor de consument, en dat de toegepaste sancties – hoewel niet noodzakelijk dezelfde – in beide gevallen evenredig moeten zijn, rekening houdend met zowel de ernst van iedere inbreuk als de verschillende gevolgen voor de consument.
36 Gelet op voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 23 van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de sanctie voor niet-nakoming van de in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn genoemde verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, verschilt van de sanctie voor niet-nakoming van andere, eventueel gelijkwaardige verplichtingen waarin die richtlijn voorziet, met name de in artikel 10, lid 2, ervan genoemde verplichting betreffende de in een kredietovereenkomst te vermelden informatie, mits aan de voorwaarden van artikel 23 van die richtlijn is voldaan.
Kosten
37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 23 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat de sanctie voor niet-nakoming van de in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn genoemde verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, verschilt van de sanctie voor niet-nakoming van andere, eventueel gelijkwaardige verplichtingen waarin die richtlijn voorziet, met name de in artikel 10, lid 2, ervan genoemde verplichting betreffende de in een kredietovereenkomst te vermelden informatie, mits aan de voorwaarden van artikel 23 van die richtlijn is voldaan.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.