HvJ EU 17 oktober 2024, C-112/23, ECLI:EU:C:2024:899

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

17 oktober 2024 ( *1 )

„Hogere voorziening – Subsidies – Invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië – Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 – Definitief compenserend recht – Verordening (EU) 2016/1037 – Artikel 7 – Berekening van het bedrag van het voordeel – Artikel 8, leden 1 en 2 – Prijsonderbieding – Prijsdruk”

In zaak C‑112/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 februari 2023,

PT Pelita Agung Agrindustri, gevestigd te Medan (Indonesië),

PT Permata Hijau Palm Oleo, gevestigd te Medan,

vertegenwoordigd door J. Cornelis en F. Graafsma, advocaten,

rekwirantes,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel, G. Luengo en P. Němečková als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

European Biodiesel Board (EBB), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door M.‑S. Dibling, avocate,

interveniënt in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van Zevende kamer, M. L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer (rapporteur), rechter,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening vorderen PT Pelita Agung Agrindustri en PT Permata Hijau Palm Oleo vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 december 2022, PT Pelita Agung Agrindustri en PT Permata Hijau Palm Oleo/Commissie (T‑143/20, EU:T:2022:811; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het beroep is verworpen dat zij hadden ingesteld tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 van de Commissie van 28 november 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB 2019, L 317, blz. 42; hierna: „litigieuze verordening”), voor zover deze verordening op hen betrekking heeft.

Toepasselijke bepalingen

2 Artikel 7 van verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 55) heeft als opschrift „Algemene bepalingen inzake de berekening” en bepaalt: „1. De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wordt vastgesteld per eenheid van het naar de [Europese] Unie uitgevoerde, gesubsidieerde product. Bij de vaststelling van die hoogte van de subsidie mogen de volgende elementen van de totale subsidie worden afgetrokken: a) kosten van de aanvraag of andere kosten die noodzakelijk waren om voor de subsidie in aanmerking te komen of om deze te verkrijgen; b) uitvoerbelastingen, rechten of andere heffingen op de uitvoer van het product naar de Unie die specifiek ten doel hebben de subsidie te compenseren. Wanneer een belanghebbende aftrek van kosten aanvraagt, moet hij bewijzen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. 2. Wanneer de subsidie niet wordt verleend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden, wordt de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, vastgesteld door de waarde van de totale subsidie om te slaan, naargelang van het geval, over het niveau van de productie, de afzet of de uitvoer van de betrokken producten in het onderzoektijdvak voor subsidiëring. […]”

3 Artikel 8 („Schadevaststelling”) van die verordening luidt: „1. De schadevaststelling dient op positief bewijsmateriaal te berusten en houdt een objectief onderzoek in van zowel: a) de omvang van de invoer van gesubsidieerde producten en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortelijke producten in de Unie, als b) de uit deze invoer voortvloeiende neerslag op de bedrijfstak van de Unie. 2. Wat het volume van de gesubsidieerde invoer betreft, wordt nagegaan of deze in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of tot het verbruik in de Unie aanzienlijk is toegenomen. Wat de gevolgen van de gesubsidieerde invoer op de prijzen betreft, wordt nagegaan of er door de invoer met subsidie aanzienlijke prijsonderbieding is ten opzichte van de prijzen van een soortgelijk product van de bedrijfstak van de Unie, dan wel of deze invoer op enige andere wijze sterke druk op de prijzen uitoefent of een belemmering voor prijsverhogingen vormt die zonder deze invoer zouden zijn opgetreden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch een aantal van deze factoren tezamen, noodzakelijk doorslaggevend is. […]”

Voorgeschiedenis van het geding

4 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 2 tot en met 18 van het bestreden arrest uiteengezet en kan in het kader van de onderhavige hogere voorziening als volgt worden samengevat.

5 Rekwirantes zijn Indonesische ondernemingen die biodiesel produceren en naar de Unie uitvoeren.

6 Op 19 november 2013 heeft de Raad van de Europese Unie uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB 2013, L 315, blz. 2) vastgesteld, waarbij rekwirantes een definitief antidumpingrecht is opgelegd.

7 Bij arrest van 15 september 2016, PT Pelita Agung Agrindustri/Raad (T‑121/14, EU:T:2016:500), heeft het Gerecht de artikelen 1 en 2 van die verordening nietig verklaard voor zover zij betrekking hadden op de eerste rekwirante in hogere voorziening.

8 Op 25 januari 2018 heeft het panel van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), in het rapport „European Union – Anti-Dumping Measures on Biodiesel from Indonesia” (Europese Unie – Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Indonesië) [WT/DS 480/R; hierna: „rapport van het panel ‚EU-Biodiesel (Indonesië)’”] bovendien geconcludeerd dat de Unie in strijd had gehandeld met verschillende bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) van 1994 en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (PB 1994, L 336, blz. 3).

9 Naar aanleiding van een klacht van de European Biodiesel Board (EBB) heeft de Europese Commissie bij bericht van 6 december 2018 in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2018, C 439, blz. 16) een antisubsidieprocedure betreffende de invoer van biodiesel uit Indonesië ingeleid.

10 Het onderzochte product bestaat in „door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als ‚biodiesel’, in zuivere vorm of in mengsels” (hierna: „betrokken product”).

11 De in Indonesië geproduceerde biodiesel is voornamelijk palmoliemethylester (hierna: „PME”), een derivaat van ruwe palmolie (hierna: „CPO”). In de Unie geproduceerde biodiesel daarentegen is voornamelijk koolzaadmethylester (hierna: „RME”), maar wordt ook van andere grondstoffen gemaakt, waaronder CPO.

12 PME en RME behoren beide tot de categorie monoalkylesters van vetzuren. De term „ester” verwijst naar de omestering van plantaardige olie, namelijk het vermengen van de olie met alcohol, waardoor biodiesel en als nevenproduct glycerine ontstaan. De term „methyl” verwijst naar methanol, de meest gebruikte alcohol in het proces. Monoalkylesters van vetzuren zijn ook bekend als methylesters van vetzuren (fatty-acid methyl esters; hierna: „FAME”). PME en RME zijn weliswaar beide FAME, maar hebben deels verschillende fysische en chemische eigenschappen en met name een verschillend troebelingspunt (cold filter plugging point; hierna: „CFPP”). Het CFPP is de temperatuur waarbij een brandstof verstopping van een brandstoffilter veroorzaakt door kristallisatie of gelatinering van bepaalde brandstofcomponenten. Voor RME kan het CFPP – 14 graden Celsius (°C) zijn en voor PME circa 13 °C. Op de markt wordt biodiesel met een bepaald CFPP vaak aangeduid met de afkorting FAME X, bijvoorbeeld FAME 0 voor biodiesel met een CFPP van 0 °C of FAME 5 voor biodiesel met een CFPP van 5 °C.

13 Het onderzoek naar de subsidiëring en de schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2018 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2015 tot het einde van het onderzoektijdvak. In voorkomend geval heeft de Commissie ook gegevens van na het onderzoektijdvak onderzocht.

14 Op respectievelijk 12 augustus 2019 en 28 november 2019 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB 2019, L 212, blz. 1; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld, en vervolgens de litigieuze verordening.

15 Zij was van oordeel dat de Indonesische overheid de biodieselindustrie had gesteund met subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening 2016/1037. Volgens de Commissie was deze steun verleend door middel van bepaalde programma’s. Hoofdpunt was dat het palmolieplantagefonds (hierna: „Fonds”), een overheidsinstantie, aan de biodieselproducenten die biodiesel hadden geleverd aan ondernemingen die als „Petrofuel-entiteiten” waren aangewezen, het verschil betaalde tussen de door deze entiteiten betaalde referentieprijs voor minerale diesel en de door de minister van Energie en Minerale Hulpbronnen vastgestelde referentieprijs voor biodiesel. De Commissie heeft ook vastgesteld dat de Indonesische overheid de producenten van CPO – een grondstof die de biodieselproducenten kochten om deze tot biodiesel te verwerken – ermee had belast, of hen had bevolen om, deze grondstof, met name door middel van uitvoerbeperkingen en prijscontrole, via de groep overheidsondernemingen PT Perkebunan Nusantara tegen een lagere dan toereikende beloning te leveren.

16 Het definitieve compenserend recht dat op rekwirantes van toepassing was, bedroeg 18 %.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 maart 2020, hebben rekwirantes een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld voor zover deze op hen betrekking had.

18 Ter ondersteuning van hun beroep hebben rekwirantes zeven middelen aangevoerd. Alleen het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 8, leden 1 en 2, van verordening 2016/1037 bij de vaststelling van de prijsonderbieding, en het tweede onderdeel van het vijfde middel, ontleend aan een kennelijke fout van de Commissie door het bedrag van de door het Fonds ontvangen betalingen om te slaan over de totale omzet van hun verkopen van biodiesel, zijn relevant voor de beoordeling van de in de hogere voorziening aangevoerde middelen.

19 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen.

20 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, ontleend aan het feit dat bij de vaststelling van de prijsonderbieding niet alle relevante gegevens in aanmerking zijn genomen, heeft het Gerecht de argumenten van rekwirantes verworpen met betrekking tot zowel de eerste methode voor de berekening van de prijsonderbieding, die erin bestond de invoer van PME uit Indonesië te vergelijken met de verkopen van in de Unie geproduceerde PME en die ongeveer 20 % van alle verkopen van de in de steekproef opgenomen biodieselproducenten in de Unie omvatte (punten 33-41 van het bestreden arrest), als de tweede berekeningsmethode, waarbij de verkoop van in de Unie geproduceerde biodiesel vergeleken met de invoer uit Indonesië werd uitgebreid met de verkoop van FAME 0 door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en die 55 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie dekte (punten 42-52 van het bestreden arrest), als de derde berekeningsmethode, die erin bestond de invoer van biodiesel uit geheel Indonesië te vergelijken met alle verkopen van biodiesel van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (punten 53-70 van het bestreden arrest). Het Gerecht heeft ook het tweede onderdeel van het eerste middel afgewezen, waarmee werd aangevoerd dat de prijsonderbieding voor het product van de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel niet was vastgesteld (punten 72‑81 van het bestreden arrest) en dat ten onrechte was uitgegaan van druk op de prijzen (punten 83‑88 van het bestreden arrest).

21 Wat het tweede onderdeel van het vijfde middel betreft, heeft het Gerecht in punt 226 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie, door de subsidies niet alleen om te slaan over de verkopen op de Indonesische markt, maar ook over de uitvoerverkopen, heeft gehandeld overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037 en haar mededeling „Berekening van de omvang van de subsidie bij antisubsidieonderzoeken” (PB 1998, C 394, blz. 6), aangezien deze subsidies niet worden toegekend op basis van gefabriceerde, geproduceerde en uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden en geen uitvoersubsidies zijn. Voorts heeft het Gerecht in punt 234 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie haar motiveringsplicht niet had geschonden met betrekking tot het argument dat een van de rekwirantes tijdens de administratieve procedure subsidiair had aangevoerd en op grond waarvan het bedrag van de subsidies moest worden omgeslagen over haar totale omzet, die zowel biodiesel als de andere producten omvatte.

Conclusies van partijen voor het Hof

22 Rekwirantes verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, de litigieuze verordening nietig te verklaren en de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening, of – subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening aan te houden.

23 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirantes te verwijzen in de kosten van de procedure.

24 De EBB schaart zich achter het verzoek van de Commissie.

Hogere voorziening

25 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes zes middelen aan, waarvan de eerste vier zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht bij de uitlegging van artikel 8, leden 1 en 2, van verordening 2016/1037 en aan een onjuiste opvatting van de in dat verband voorgelegde bewijzen, het vijfde aan een onjuiste opvatting van het Gerecht van de bewijzen die in het kader van de toepassing van artikel 7, lid 2, van die verordening zijn overgelegd, en het zesde aan een onjuiste uitlegging van hun grief inzake schending door de Commissie van haar motiveringsplicht en aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van dat artikel 7, lid 2.

Eerste drie middelen

Argumenten van partijen

26 In het kader van het eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 85 tot en met 87 van het bestreden arrest, ten eerste, artikel 8, lid 2, van verordening 2016/1037 onjuist heeft uitgelegd en, ten tweede, de overgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat. In de eerste plaats heeft het Gerecht enkel onderzocht of er sprake was van prijsdruk, in plaats van na te gaan of de door de Commissie vastgestelde druk op de prijzen „aanzienlijk” was. Volgens rekwirantes kan een verschil van 0,21 procentpunten tussen de daling van de productiekosten met 4,35 % en de daling van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met 4,56 %, waarop het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest heeft gewezen, geen aanzienlijke druk op de prijzen vormen. Ten tweede is het Gerecht voorbijgegaan aan het feit dat er tussen het onderzoektijdvak en de periode daarna geen druk op de prijzen was geweest, zoals blijkt uit de tabel in punt 85 van het bestreden arrest.

27 Ter ondersteuning van hun tweede middel stellen rekwirantes dat het Gerecht, door in de punten 48 tot en met 51 van het bestreden arrest de tweede methode voor de berekening van de prijsonderbieding te bevestigen, de conclusies van het rapport van het panel „EU-Biodiesel (Indonesië)”, waarmee de Unierechter volgens de rechtspraak rekening moet houden bij de uitlegging en de toepassing van de antidumpingovereenkomst, onjuist heeft uitgelegd of buiten beschouwing heeft gelaten. Deze conclusies hadden betrekking op een correctie die identiek was aan die in de litigieuze verordening, met als enig verschil dat in het kader van het onderzoek dat tot dat rapport heeft geleid, de prijs van de invoer uit Indonesië naar boven was bijgesteld, terwijl in die verordening de verkoopprijs van FAME 0 van de bedrijfstak van de Unie naar beneden was bijgesteld. Voor zover het Gerecht deze bevindingen van het panel van de hand heeft gewezen met de vaststelling dat de marktsituatie is geëvolueerd ten opzichte van die waarop die conclusies waren gebaseerd, aangezien de bedrijfstak van de Unie thans ook PME produceert, merken rekwirantes ten eerste op dat het aandeel van de productie van PME in de verkopen die in het kader van de tweede berekeningsmethode in aanmerking worden genomen, slechts 20 % bedraagt, en ten tweede dat de marktsituatie, met name voor zover deze betrekking heeft op het aandeel van de verkoop van FAME 0 van de bedrijfstak van de Unie, niet is gewijzigd. Bijgevolg heeft het Gerecht de bevindingen van het panel onjuist opgevat of, subsidiair, niet aangegeven waarom het deze buiten beschouwing heeft gelaten.

28 In het kader van hun derde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht de conclusies van het rapport van het WTO-panel van 25 september 2013, met als opschrift „China – Anti-dumping and countervailing duty measures on broiler products from the United States” (China – Antidumping- en compenserende maatregelen tegen vleeskippen uit de Verenigde Staten) (WT/DS 427/R), en andere relevante beslissingen van de WTO alsook bepaalde uitspraken van de rechterlijke instanties van de Unie onjuist heeft opgevat, toen het in punt 62 van het bestreden arrest de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding bevestigde en rekwirantes in punt 63 van dat arrest de verplichting opgelegde om aan te tonen dat een prijscorrectie noodzakelijk was. Uit die beslissingen en uitspraken blijkt namelijk dat de verplichting van de met het onderzoek belaste autoriteit om ervoor te zorgen dat de vergeleken producten soortgelijk zijn met het oog op de berekening van de prijsonderbieding, absoluut is en niet is onderworpen aan enig voorbehoud, en dat er geen aanvullende bewijsvereisten zijn voor rekwirantes teneinde aan te tonen welke correcties nodig zijn om een billijke vergelijking te waarborgen.

29 De Commissie en de EBB concluderen tot afwijzing van deze middelen.

Beoordeling door het Hof

30 Artikel 8, lid 1, van verordening 2016/1037 bepaalt dat de schadevaststelling op positief bewijsmateriaal dient te berusten en een objectief onderzoek inhoudt van ten eerste de omvang van de invoer van gesubsidieerde producten en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortelijke producten in de Unie, en ten tweede de uit deze invoer voortvloeiende neerslag op de bedrijfstak van de Unie.

31 Wat de gevolgen van de gesubsidieerde invoer op de prijzen betreft, bepaalt lid 2 van dit artikel dat wordt nagegaan of er door de invoer met subsidie aanzienlijke prijsonderbieding is ten opzichte van de prijzen van een soortgelijk product van de bedrijfstak van de Unie, dan wel of deze invoer op enige andere wijze sterke druk op de prijzen uitoefent of een belemmering voor prijsverhogingen vormt die zonder deze invoer zouden zijn opgetreden.

32 In dat verband dient vooraf te worden opgemerkt dat het vaste rechtspraak is dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek – en meer in het bijzonder op het gebied van handelsbeschermingsmaatregelen – over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die zij moeten onderzoeken, zodat bij het rechterlijke toezicht op een dergelijke beoordeling alleen mag worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Aangezien het onderzoek naar het bestaan van onderbieding van prijzen en de druk daarop een economisch complex vraagstuk is waarvoor verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21) geen specifieke methode voorschrijft, beschikt de Commissie voor dat onderzoek dus over een ruime beoordelingsbevoegdheid (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 99).

34 In casu volgt uit de overwegingen 292 tot en met 300 van de voorlopige verordening en de overwegingen 234 tot en met 271 van de litigieuze verordening dat de Commissie de drie in punt 20 van het onderhavige arrest genoemde methoden heeft gebruikt om vast te stellen dat er in het onderzoektijdvak sprake was van een aanzienlijke prijsonderbieding van de prijzen van de Unie door de invoer van biodiesel uit Indonesië.

35 In de overwegingen 301 en 325 tot en met 329 van de voorlopige verordening en in de overwegingen 342 tot en met 351 van de litigieuze verordening is de Commissie ook nagegaan of door de invoer met subsidiëring druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie werd uitgeoefend. In dit verband heeft zij zich met name op het standpunt gesteld dat de markt voor biodiesel een prijsgevoelige grondstoffenmarkt was en dat op een dergelijke markt een prijsonderbieding van circa 10 % voor een aanzienlijke neerwaartse druk op de prijzen zorgde. Zij voegde daaraan toe dat de bedrijfstak van de Unie door deze prijsdruk niet kon profiteren van de dalende kosten in het onderzoektijdvak, omdat zij deze kostendaling volledig moest doorgeven aan haar afnemers, om te voorkomen dat een nog groter marktaandeel verloren zou gaan en dat de bedrijfstak van de Unie zijn ontoereikende winstmarge dan ook niet kon verbeteren vanwege de prijsdruk die werd uitgeoefend door de laaggeprijsde invoer met subsidiëring van aanzienlijke hoeveelheden in een verder gunstige marktsituatie.

36 Wat in de eerste plaats de tweede methode voor de berekening van de prijsonderbieding betreft, betogen rekwirantes dat het Gerecht in het bestreden arrest het rapport van het panel „EU-Biodiesel (Indonesië)” onjuist heeft opgevat of niet heeft aangegeven waarom het dat rapport buiten beschouwing heeft gelaten.

37 In dat rapport, dat betrekking had op het bij uitvoeringsverordening nr. 1194/2013 ingestelde antidumpingrecht, waarnaar in punt 6 van dit arrest wordt verwezen, overwoog het WTO-panel met name in punt 7.157, dat „[z]elfs als PME uit Indonesië en mengingen van biodiesel met CFPP [van 0 °C] zouden kunnen concurreren wat betreft verkoop aan de ondernemingen die biodiesel met minerale diesel vermengen, dan neemt dit punt echter niet weg dat de EU-autoriteiten niet hebben uitgelegd of de vergelijking tussen de verkopen van PME en die van biodieselmengsels met CFPP [van 0 °C] op een deugdelijke vergelijkingsschaal werd gemaakt, aangezien PME een input voor de mengsels is, met inbegrip van biodiesel met CFPP [van 0 °C]”. Het panel heeft daar in punt 7.158 van dat rapport aan toegevoegd dat „[d]e autoriteiten van de [Unie] weliswaar een correctie op de prijs van Indonesische PME [hebben] toegepast om rekening te houden met de verschillende CFPP-niveaus voor Indonesische biodiesel en biodiesel uit de [Unie], maar wij zijn van mening dat deze correctie niet volstaat om rekening te houden met de complexiteit van de concurrentieverhoudingen tussen PME en gemengde biodiesel met CFPP 0 [°C], aangezien de Indonesische PME een productiemiddel voor gemengde biodiesel is, met inbegrip van de gemengde biodiesel met CFPP 0 [°C]”.

38 In dit verband blijkt zonder meer uit de rechtspraak van het Hof dat de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten van hogere rang zijn dan de bepalingen van afgeleid Unierecht, zodat deze bepalingen zo veel mogelijk moeten worden uitgelegd in overeenstemming met die overeenkomsten (arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat het algemene internationaalrechtelijke beginsel van de naleving van verdragsrechtelijke verplichtingen (pacta sunt servanda) – dat is neergelegd in artikel 26 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331) – impliceert dat de Unierechter bij de uitlegging en de toepassing van de antidumpingovereenkomst rekening moet houden met de uitlegging die het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO heeft gegeven aan de verschillende bepalingen van die overeenkomst (arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 In casu had het rapport van het panel „EU-Biodiesel (Indonesië)” weliswaar betrekking op een ander onderzoektijdvak en op een andere handeling van de bevoegde autoriteiten met een eigen motivering, zodat de conclusies in dat rapport niet als zodanig op de onderhavige zaak kunnen worden toegepast, maar dit rapport had wel betrekking op hetzelfde product uit hetzelfde derde land. Bijgevolg kunnen deze conclusies relevant zijn in het kader van het onderzoek van de litigieuze verordening.

41 Het Gerecht heeft evenwel in de punten 42 tot en met 52 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting rekening gehouden met het rapport van het panel „EU-Biodiesel (Indonesië)” door in het bijzonder ten eerste vast te stellen dat de Commissie in de overwegingen 251 en 252 van de litigieuze verordening terecht had benadrukt dat de structuur van de bedrijfstak van de Unie, die nu ook PME produceert, was veranderd en dat de marktsituatie dus was gewijzigd ten opzichte van die waarop de analyse in dat verslag was gebaseerd, en ten tweede vast te stellen dat uit de overwegingen 254 en 297 van de litigieuze verordening duidelijk bleek dat de Commissie in haar analyse naar behoren rekening had gehouden met zowel het gebruik van PME en FAME 0 als de concurrentieverhouding tussen die twee producten.

42 Hoewel rekwirantes terecht opmerken dat de tweede methode voor de berekening van de prijsonderbieding niet enkel betrekking had op een vergelijking van de uit Indonesië ingevoerde PME met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde PME, waarbij die bovendien reeds in de eerste berekeningsmethode was opgenomen, blijkt het ten eerste niet kennelijk onjuist te oordelen dat het door het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest genoemde feit dat de bedrijfstak van de Unie nu ook PME produceert, een relevante factor vormde, zelfs in het kader van de analyse van de concurrentieverhouding tussen het door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde FAME 0 en de ingevoerde PME, met name gelet op het feit dat FAME 0 vaak tot 20 % PME bevat, zoals volgt uit overweging 297 van de voorlopige verordening, waarvan de inhoud in punt 50 van het bestreden arrest in herinnering is gebracht.

43 Ten tweede heeft de Commissie, zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, in de voorlopige en de litigieuze verordening uiteengezet waarom zij de vergelijking tussen de verkopen van PME en die van FAME 0 passend achtte. Rekwirantes betwisten deze uitleg niet, maar verwijzen enkel naar het rapport van het panel „EU-Biodiesel (Indonesië)” waarin dit panel kritiek heeft geuit op het feit dat een dergelijke uitleg ontbreekt in het onderzoek dat tot dat rapport heeft geleid.

44 Wat in de tweede plaats de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding betreft, waarbij de Commissie de totale invoer van het betrokken product van de Indonesische producenten-exporteurs heeft vergeleken met alle verkopen van biodiesel van de producenten in de Unie zonder prijscorrectie, moet worden opgemerkt dat noch artikel 8, lid 1, onder a), en lid 2, van verordening 2016/1037, noch enige andere bepaling van deze verordening aangeeft dat de Commissie dergelijke correcties moet toepassen om de schade vast te stellen.

45 Het is juist dat volgens artikel 8, lid 1, van verordening 2016/1037 de schadevaststelling een objectief onderzoek moet inhouden.

46 In dit verband moet evenwel worden vastgesteld dat rekwirantes niet aantonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 62 van het bestreden arrest te oordelen – na in punt 57 van het bestreden arrest te hebben herinnerd aan het in punt 28 van het onderhavige arrest bedoelde rapport van het WTO-panel – dat het besluit van de Commissie om in het kader van de derde berekeningsmethode geen prijscorrecties door te voeren, was gebaseerd op objectieve gegevens, te weten de complexiteit van de concurrentieverhouding tussen biodiesels op verschillende CFPP-niveaus, het verschil in marktvoorwaarden voor biodiesels op verschillende CFPP-niveaus en het ontbreken van een directe correlatie tussen het CFPP-niveau en de prijs.

47 In het licht van deze factoren, waarvan – zoals de Commissie opmerkt – de waarheidsgetrouwheid niet door rekwirantes wordt betwist, blijkt de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding, die alle invoer van het betrokken product vergelijkt met alle verkopen van biodiesel in de Unie zonder correctie en die bovendien deel uitmaakt van een complexe berekening die twee andere berekeningsmethoden omvat, niet kennelijk in strijd met het vereiste van een objectief onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 1, van verordening 2016/1037.

48 In die omstandigheden kan het Gerecht bovendien niet worden verweten, zoals rekwirantes in het kader van de onderhavige hogere voorziening doen, dat het in punt 63 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het in die context aan rekwirantes stond om aan te tonen dat de door hen gevraagde correcties in casu noodzakelijk waren.

49 Wat in de derde plaats rekwirantes’ argumenten betreft met betrekking tot het onderzoek door de Commissie en vervolgens door het Gerecht van de vraag of de invoer met subsidiëring tot gevolg heeft gehad dat er druk werd uitgeoefend op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen zelf van artikel 8, lid 2, van verordening 2016/1037 volgt dat een aanzienlijke prijsonderbieding wordt geacht deze gevolgen te hebben.

50 Volgens deze bepaling moet de Commissie voor de vaststelling van de schade immers met betrekking tot de gevolgen voor de prijzen onderzoeken „of er door de invoer met subsidie aanzienlijke prijsonderbieding is ten opzichte van de prijzen van een soortgelijk product van de bedrijfstak van de Unie, dan wel of deze invoer op enige andere wijze sterke druk op de prijzen uitoefent of een belemmering voor prijsverhogingen vormt die zonder deze invoer zouden zijn opgetreden”.

51 Hieruit volgt dat wanneer een aanzienlijke prijsonderbieding wordt vastgesteld, dit volstaat om te concluderen dat de invoer van het betrokken product sterke druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie uitoefent of een belemmering voor prijsverhogingen vormt die zonder deze invoer zouden zijn opgetreden.

52 Voor zover het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 36 tot en met 48 van het onderhavige arrest, bijgevolg geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het onderzoek van de tweede en de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding, zodat de conclusie van de Commissie in overweging 271 van de litigieuze verordening dat de invoer uit Indonesië in het onderzoektijdvak de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in aanzienlijke mate onderbood, als geldig moet worden beschouwd, kunnen rekwirantes’ argumenten betreffende het onderzoek van de Commissie en vervolgens van het Gerecht naar de vraag of de invoer met subsidiëring druk uitoefende op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, derhalve niet slagen.

53 Hoe dan ook is het Gerecht, anders dan rekwirantes stellen, ten eerste niet voorbijgegaan aan de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van verordening 2016/1037, die het getrouw heeft weergegeven in punt 27 van het bestreden arrest, waarbij het in de punten 84 en 308 van dat arrest verwijst naar „een aanzienlijke neerwaartse druk op de prijzen”.

54 Ten tweede kan de primair door rekwirantes aangevoerde omstandigheid dat tussen 2017 en het onderzoektijdvak het verschil tussen de daling van de productiekosten (met 4,35 %) en de daling van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie (met 4,56 %) tot 0,21 procentpunten beperkt was, niet duidelijk aantonen dat het Gerecht de overgelegde gegevens onjuist heeft opgevat.

55 Zoals de Commissie en de EBB opmerken, volgt met name uit de tabellen 9 en 14 van de voorlopige verordening ten eerste dat het marktaandeel van de producenten in de Unie is gestegen van 91,6 % in 2017 tot 81,5 % tijdens het onderzoektijdvak, hetgeen samenviel met de plotselinge stijging van de invoer met subsidiëring in die periode, en ten tweede dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in 2017 en in die periode 0,8 % van de omzet bedroeg.

56 Gelet op een en ander is het niet kennelijk onjuist om aan te nemen dat de invoer van het betrokken product tot gevolg had dat sterke druk op de prijzen werd uitgeoefend of dat prijsverhogingen die zonder deze invoer zouden zijn opgetreden, aanzienlijk werden belemmerd.

57 Bijgevolg moeten de eerste drie middelen worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

58 Voor zover volgens rekwirantes uit de eerste drie middelen van de onderhavige hogere voorziening blijkt dat het Gerecht de gegrondheid van de tweede en de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding ten onrechte heeft bevestigd, stellen zij dat de conclusie in punt 80 van het bestreden arrest dat de Commissie geen fout had begaan door „de prijsonderbieding eerst voor 20 % van de verkopen van de producenten in de Unie, vervolgens voor 55 % daarvan en uiteindelijk voor al die verkopen” te berekenen en dat zij dus geen extrapolatie had verricht op basis van de vaststellingen die waren gedaan naar aanleiding van 20 % van de verkopen in de Unie, moet worden afgewezen. Zelfs indien het Hof de tweede berekeningsmethode zou bevestigen, heeft het Gerecht volgens rekwirantes bovendien artikel 8, lid 1, van verordening 2016/1037 onjuist uitgelegd door in punt 81 van het bestreden arrest te verklaren dat „[g]esteld dat de Commissie zich ten onrechte heeft gebaseerd op de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding, [rekwirantes’] betoog evenmin [kan] slagen”, aangezien „[h]et gebruik van twee andere methoden […] de Commissie immers in staat [heeft] gesteld het belang van de prijsonderbieding voor 55 % van de verkopen van de producenten in de Unie te beoordelen, dat wil zeggen een meerderheid van de verkopen, die representatief is voor de situatie op de gehele markt”. Uit de rechtspraak van het Hof en, naar analogie, uit artikel 2, lid 4, van verordening 2016/1036 volgt namelijk dat een prijsonderbieding van slechts 7,4 % die is vastgesteld voor de ene helft van de verkopen van de bedrijfstak van de Unie, terwijl de andere helft van die verkoop buiten beschouwing is gelaten, geen objectieve grondslag vormt die met positief bewijsmateriaal is onderbouwd om een globale prijsonderbieding of algemene gevolgen voor de prijzen vast te stellen.

59 De Commissie en de EBB betwisten dit betoog.

Beoordeling door het Hof

60 Zoals volgt uit punt 58 van het onderhavige arrest, hangt het vierde middel volledig af van de gegrondheid van het tweede en het derde middel. Het berust namelijk op de door rekwirantes in het kader van hun tweede en derde middel aangevoerde hypothese dat het Gerecht de gegrondheid van de tweede en de derde methode voor de berekening van de prijsonderbieding ten onrechte heeft bevestigd.

61 Aangezien het tweede en het derde middel moeten worden afgewezen, moet het vierde middel dus ook worden afgewezen.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

62 Rekwirantes betogen dat het Gerecht de overgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat door in punt 226 van het bestreden arrest te verklaren dat „de subsidies evenwel niet werden toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden”, wat het ten onrechte tot de conclusie heeft gebracht dat het gebruik van de omslagmethode van artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037 juridisch juist was. Uit de punten 189 en 220 van het bestreden arrest blijkt namelijk dat het Gerecht beschikte over bewijzen waaruit bleek dat de betalingen in het kader van de regeling van het Fonds waren toegekend op basis van de door rekwirantes vervoerde of geleverde hoeveelheden.

63 Rekwirantes voegen daaraan toe dat het feit dat de mededeling van de Commissie met als opschrift „Berekening van de omvang van de subsidie bij antisubsidieonderzoeken” bepaalt dat „[v]oor andere dan uitvoersubsidies […] normaliter de totale verkoop (binnenland plus uitvoer) tot grondslag [wordt] genomen, aangezien dergelijke subsidies zowel de verkoop op de binnenlandse markt als de uitvoer ten goede komen”, er niets aan afdoet dat een omslag over „het niveau van de productie, de afzet of de uitvoer van de betrokken producten” onmogelijk is, aangezien de Commissie in deze context niet mag afwijken van de tekst van hogere rang, in casu artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037.

64 De Commissie en de EBB concluderen tot afwijzing van dit middel.

Beoordeling door het Hof

65 Artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037 bepaalt dat, wanneer de subsidie niet wordt verleend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden, de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, wordt vastgesteld door de waarde van de totale subsidie om te slaan, naargelang van het geval, over het niveau van de productie, de afzet of de uitvoer van de betrokken producten in het onderzoektijdvak voor subsidiëring.

66 Met hun betoog betwisten rekwirantes de bevestiging door het Gerecht dat het geval dat ten grondslag ligt aan deze bepaling, zich in casu voordoet.

67 Dienaangaande zij er evenwel aan herinnerd dat wanneer een partij een middel en argumenten die zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, zij evenwel volgens vaste rechtspraak in feite bij het Hof, dat een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening heeft, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof echter enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd (arrest van 8 november 2016, BSH/EUIPO, C‑43/15 P, EU:C:2016:837, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Vastgesteld moet worden dat rekwirantes voor het Gerecht geen enkel argument hebben aangevoerd waarmee duidelijk en nauwkeurig werd beoogd te betwisten dat het geval dat aan artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037 ten grondslag ligt, zich voordeed, terwijl de Commissie in de overwegingen 194 tot en met 196 van de litigieuze verordening uitdrukkelijk melding had gemaakt van het bestaan van dat geval, in antwoord op een argument van een andere belanghebbende.

69 In de punten 132 tot en met 135 van hun verzoekschrift in eerste aanleg hebben rekwirantes daarentegen enkel aangevoerd dat de Commissie een kennelijke fout had gemaakt door de betalingen uit het Fonds om te slaan over hun totale biodieselomzet, aangezien zij van mening waren dat de Commissie was voorbijgegaan aan hun argument dat die betalingen slechts konden worden omgeslagen over de verkoop op de nationale markt en niet over de uitvoer naar de Unie, aangezien alleen die verkopen die betalingen hadden gerechtvaardigd.

70 In die omstandigheden kunnen rekwirantes het Gerecht niet verwijten dat het zijn onderzoek van het vijfde middel dat zij in eerste aanleg hadden aangevoerd, erop heeft gebaseerd dat in casu het in punt 66 van het onderhavige arrest genoemde geval zich voordeed, en kunnen zij evenmin voor het eerst voor het Hof argumenten aanvoeren dat dit geval niet aan de orde is.

71 Het vijfde middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Zesde middel

Argumenten van partijen

72 Rekwirantes betogen dat het Gerecht hun verzoekschrift in eerste aanleg onjuist heeft uitgelegd door in punt 228 van het bestreden arrest te verklaren dat zij hadden gesteld dat „de Commissie haar motiveringsplicht [had] geschonden door in de [litigieuze] verordening niet te antwoorden op hun argument dat het subsidiebedrag over hun totale omzet had moeten worden omgeslagen”. Zoals blijkt uit punt 134 van dit verzoekschrift, had de grief van rekwirantes inzake schending van de motiveringsplicht in werkelijkheid betrekking op het feit dat de betalingen uit het Fonds waren omgeslagen over de verkopen naar de Unie en niet op de omstandigheid dat zij niet over de totale omzet waren omgeslagen.

73 Voorts is het argument van rekwirantes, dat erin bestaat subsidiair aan te voeren dat de betalingen die ontvangen werden voor enkel de verkoop van biodiesel op de binnenlandse Indonesische markt, indien die kunnen worden omgeslagen over de biodieselverkopen voor uitvoer „omdat geld fungibel is”, dan moeten worden omgeslagen over alle verkopen, niet alleen een procedureel argument, maar een materieel argument. In dit verband heeft het Gerecht, gelet op de woorden „naargelang van het geval” in de tekst van artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037, dat artikel onjuist uitgelegd en toegepast door in punt 227 van het bestreden arrest te concluderen dat „de benadering waarbij rekening wordt gehouden met de totale omzet van biodiesel passend en derhalve niet kennelijk onjuist [was]”, zonder zelfs maar te onderzoeken of en waarom dit zo was.

74 De Commissie en de EBB betwisten deze argumenten.

Beoordeling door het Hof

75 Zoals rekwirantes in het kader van het in punt 72 van het onderhavige arrest samengevatte eerste onderdeel van het onderhavige middel opmerken, volgt uit punt 134 van het verzoekschrift in eerste aanleg dat rekwirantes’ grief inzake schending door de Commissie van de motiveringsplicht in feite erop betrekking had dat de betalingen uit het Fonds waren omgeslagen over de verkopen naar de Unie en niet op de omstandigheid dat zij niet waren omgeslagen over de totale omzet, waaronder zowel biodiesel als andere producten.

76 Nochtans heeft het Gerecht met betrekking tot dit laatste aspect in de punten 228 tot en met 234 van het bestreden arrest de grief inzake schending van de motiveringsplicht onderzocht en vervolgens afgewezen.

77 Evenwel zij eraan herinnerd dat de hogere voorziening moet worden afgewezen wanneer de motivering van een arrest van het Gerecht weliswaar blijk geeft van een schending van het Unierecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt (arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie, C‑594/18 P, EU:C:2020:742, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Ondanks de in punt 76 van het onderhavige arrest vastgestelde vergissing heeft het Gerecht de twee aan het onderhavige middel ten grondslag liggende argumenten inhoudelijk afdoende en correct beantwoord. Ten eerste heeft het Gerecht in punt 226 van het bestreden arrest namelijk terecht geoordeeld dat, aangezien de subsidies niet werden toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden, de Commissie heeft voldaan aan artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037 door de bedragen van deze subsidies om te slaan over de totale omzet tijdens het onderzoektijdvak uit de verkopen van het betrokken product, te weten biodiesel. Bovendien heeft het Gerecht ten tweede in punt 231 van het bestreden arrest eveneens terecht opgemerkt dat uit de lezing van overweging 81 van de voorlopige verordening, waarvan de analyse door de litigieuze verordening is bevestigd, duidelijk blijkt dat de omslag had plaatsgevonden overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037, waarin wordt bepaald dat de waarde van de totale subsidie moet worden omgeslagen over het niveau van de productie, de afzet of de uitvoer van de „betrokken producten”, in casu dus biodiesel.

79 Uit de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van verordening 2016/1037 volgt immers dat in het in deze bepaling bedoelde geval de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, moet worden vastgesteld door de waarde van de totale subsidie om te slaan over het niveau van de productie, de afzet of de uitvoer van de „betrokken producten”, en dus met uitsluiting van andere producten die eventueel door de betrokken ondernemingen worden verkocht. Bovendien blijkt het niet kennelijk onjuist om te oordelen, zoals het Gerecht in punt 226 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat de gevolgen van de betalingen uit het Fonds niet beperkt bleven tot de Indonesische binnenlandse markt, maar dat die betalingen steun vormden voor de biodieselproducenten en hun ook een voordeel bij de uitvoer konden verschaffen.

80 In die omstandigheden moet ook het zesde middel, en dus de hogere voorziening in haar geheel, worden afgewezen.

Kosten

81 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

82 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

83 Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en de EBB te worden verwezen in hun eigen kosten en in de kosten van de Commissie en de EBB.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) PT Pelita Agung Agrindustri en PT Permata Hijau Palm Oleo dragen hun eigen kosten alsmede de kosten van de Europese Commissie en de European Biodiesel Board.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in