HvJ EU 17 oktober 2024, C-76/22, ECLI:EU:C:2024:890

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

17 oktober 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 2014/17/EU – Kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen – Artikel 25, lid 1 – Vervroegde aflossing – Recht van de consument op een vermindering van de totale kredietkosten – Artikel 4, punt 13 – Begrip ‚totale kredietkosten voor de consument’ – Kosten die afhankelijk zijn van de duur van de overeenkomst – Commissieloon voor het verstrekken van het krediet dat moet worden betaald bij het sluiten van de overeenkomst – Methode voor de berekening van de vermindering”

In zaak C‑76/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warszawa-Wola, Warschau, Polen) bij beslissing van 5 februari 2022, ingekomen bij het Hof op 5 februari 2022, in de procedure

QI

tegen

Santander Bank Polska S.A.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen (rapporteur), M. Gavalec en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– QI, vertegenwoordigd door M. Żmuda Trzebiatowski, adwokat,

– Santander Bank Polska S.A., vertegenwoordigd door M. Wojcieszak, adwokat,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, S. Šindelková en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Rocchitta, avvocato dello Stato,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, A. Cunha en L. Medeiros als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, U. Małecka en P. Ondrůšek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen QI, als consument, en Santander Bank Polska S.A. over de omvang van de vermindering van de totale kredietkosten van een woningkrediet na de vervroegde aflossing ervan door QI.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2008/48

3 Artikel 3 („Definities”) van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66) bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […] g) ‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen; […]”

4 In artikel 16 („Vervroegde aflossing”) van richtlijn 2008/48 staat te lezen: „1. De consument heeft het recht om zich te allen tijde volledig of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van een kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst. 2. De kredietgever heeft in geval van een vervroegde aflossing recht op een billijke en objectief gegronde vergoeding voor eventuele kosten die rechtstreeks verband houden met de vervroegde aflossing, mits de vervroegde aflossing valt in een termijn waarvoor een vaste debetrentevoet geldt. Dergelijke vergoeding mag niet hoger zijn dan 1 % van het vervroegd afgeloste kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen einde van de kredietovereenkomst meer bedraagt dan één jaar. Indien de termijn niet meer bedraagt dan één jaar, mag de vergoeding ten hoogste 0,5 % van het vervroegd afgeloste kredietbedrag bedragen. […] 4. De lidstaten kunnen bepalen dat: a) de kredietgever deze vergoeding alleen mag aanrekenen indien het bedrag van de vervroegde aflossing een in de nationale wetgeving vastgestelde drempel overschrijdt. Deze drempel bedraagt maximaal 10000 EUR over een periode van twaalf maanden; b) de kredietgever uitzonderlijk een hogere vergoeding kan vorderen indien hij kan bewijzen dat het door de vervroegde aflossing geleden verlies hoger is dan het krachtens lid 2 bepaalde bedrag. Indien de door de kredietgever gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geleden verlies, kan de consument een overeenkomstige vermindering vorderen. In dat geval bestaat het verlies in het verschil tussen de oorspronkelijk overeengekomen rentevoet en de rentevoet waaraan de kredietgever een lening kan verstrekken ten belope van het vervroegd afgeloste bedrag op de markt op het ogenblik van de vervroegde aflossing; bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten ten gevolge van de vervroegde aflossing. […]”

Richtlijn 2014/17

5 De overwegingen 15, 50 en 66 van richtlijn 2014/17 luiden als volgt: „(15) Deze richtlijn strekt ertoe ervoor te zorgen dat consumenten die kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerende goederen aangaan, een hoge mate van bescherming genieten. […] […] (50) De totale kosten van het krediet voor de consument dienen alle kosten te omvatten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn. Zij moeten dus de rente, commissielonen, belastingen, vergoedingen voor kredietbemiddelaars, de kosten van de waardebepaling van onroerende goederen ten behoeve van een hypotheek en alle andere vergoedingen, met uitzondering van notarisvergoedingen, omvatten, die nodig zijn om het krediet te verkrijgen, bijvoorbeeld een levensverzekering, of om het te verkrijgen tegen de aangeboden voorwaarden, bijvoorbeeld een brandverzekering. […] De totale kosten van het krediet voor de consument mogen niet de kosten bevatten die de consument in verband met de aankoop van het vastgoed of de grond betaalt, zoals de kosten die aan de aankoop verbonden zijn en de notariskosten of de kosten voor grondregistratie. […] […] (66) Het vermogen van een consument om het krediet vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst af te lossen, kan van groot belang zijn voor het bevorderen van de concurrentie in de interne markt en het vrije verkeer van burgers van de [Europese] Unie, alsmede voor het helpen voorzien in de flexibiliteit van de kredietovereenkomst die nodig is om conform de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit, de financiële stabiliteit te bevorderen. De beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben, verschillen echter aanzienlijk naargelang van de lidstaat. Hoewel de diversiteit aan hypothecaire financieringsmechanismen en aan beschikbare producten moet worden erkend, is het van essentieel belang dat op Unieniveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien. De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen, hetzij door wetgeving, hetzij met andere middelen, zoals contractuele bepalingen, dat consumenten een recht op vervroegde aflossing hebben. De lidstaten moeten evenwel de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. […] De lidstaten kunnen ook bepalen dat de kredietgever recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet. In het geval dat de lidstaten bepalen dat de kredietgever recht heeft op vergoeding dient het te gaan om een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet, zulks in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake vergoeding. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies.”

6 Artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn stelt een gemeenschappelijk kader vast voor bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake overeenkomsten die betrekking hebben op door een hypotheek of op andere wijze gedekt krediet bestemd voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, met inbegrip van een verplichting om een beoordeling van de kredietwaardigheid uit te voeren alvorens een krediet toe te kennen, als basis voor de ontwikkeling van doeltreffende overnemingsnormen met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen in de lidstaten, en voor bepaalde prudentiële- en toezichtvoorschriften, waaronder voor het oprichten van en toezicht op kredietbemiddelaars, aangestelde vertegenwoordigers en niet-kredietinstellingen.”

7 Artikel 4 („Definities”) van die richtlijn is als volgt verwoord: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 13. ‚totale kosten van het aan de consument verleende krediet’: de totale kosten van het aan de consument verleende krediet als omschreven in artikel 3, onder g), van richtlijn [2008/48], met inbegrip van de kosten voor de waardebepaling van het onroerend goed, waar die waardebepaling nodig is om het krediet te verkrijgen, maar met uitzondering van de registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed. Het omvat niet door de consument te betalen kosten voor de niet-nakoming van de in de kredietovereenkomst vastgestelde verplichtingen; […]”

8 In artikel 14 („Precontractuele informatie”) van richtlijn 2014/17 is bepaald: „1. De lidstaten zien erop toe dat de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar of de aangestelde vertegenwoordiger aan de consument de op diens persoon toegesneden informatie verstrekt die hij nodig heeft om de op de markt beschikbare kredietproducten te kunnen vergelijken, de respectieve implicaties ervan te kunnen beoordelen en zo een geïnformeerd besluit over het sluiten van een kredietovereenkomst te kunnen nemen: a) onverwijld nadat de consument in overeenstemming met artikel 20 de nodige informatie over zijn behoeften, financiële situatie en voorkeuren heeft verstrekt; en b) ruimschoots voordat de consument door een kredietovereenkomst of -aanbod gebonden is. 2. De gepersonaliseerde informatie als bedoeld in lid 1, wordt op papier of op een andere duurzame drager verstrekt door middel van het in bijlage II opgenomen [Europees gestandaardiseerd informatieblad (European Standardised Information Sheet; hierna: „ESIS”)]. […]”

9 Artikel 25 („Vervroegde aflossing”) van deze richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten zien erop toe dat de consument het recht heeft zich vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst volledig of gedeeltelijk van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwijten. In dat geval heeft de consument recht op een vermindering van de totale kredietkosten die gelijk is aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst. 2. De lidstaten kunnen bepalen dat aan de uitoefening van het in lid 1 bedoelde recht bepaalde voorwaarden worden verbonden. Onder meer kan voor de uitoefening van het recht een termijn worden gesteld, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet of het tijdstip waarop de consument het recht uitoefent, of kunnen beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend. 3. De lidstaten kunnen voorschrijven dat de kredietgever in voorkomend geval recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks aan vervroegde aflossing verbonden zijn; de consument kan evenwel geen boete worden opgelegd. De vergoeding overschrijdt in dit opzicht nooit het door de kredietgever geleden financiële nadeel. De lidstaten kunnen behoudens deze voorwaarden voorschrijven dat de vergoeding een bepaald maximum niet overschrijdt of slechts voor een bepaalde tijd wordt toegekend. 4. Indien een consument vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen wenst te voldoen, deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of via een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie bevat ten minste een berekening van de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen. Elke aangewende hypothese moet redelijk en verdedigbaar zijn. 5. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kunnen de lidstaten de uitoefening van het in lid 1 genoemde recht afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de consument hierbij een rechtmatig belang heeft.”

Pools recht

10 Artikel 29, lid 1, punt 1, van de ustawa o kredycie hipotecznym oraz o nadzorze nad pośrednikami kredytu hipotecznego i agentami (wet op het hypothecaire krediet en het toezicht op hypotheekkredietbemiddelaars en hypotheekverstrekkers) van 23 maart 2017 (Dz. U. van 2017, volgnr. 819) bepaalt het volgende: „De hypothecaire kredietovereenkomst bevat de elementen […], alsmede […] de vergoedingen en andere kosten die verband houden met het verstrekken van het hypothecaire krediet, daaronder begrepen de vergoeding voor de behandeling van de kredietaanvraag, de voorbereiding en de sluiting van de hypothecaire kredietovereenkomst, en de voorwaarden voor de wijziging ervan”.

11 Artikel 39, lid 1, van deze wet bepaalt: „In het geval van een volledige aflossing van het hypothecaire krediet vóór de in de hypothecaire kredietovereenkomst vastgestelde einddatum worden de totale kosten van het hypothecaire krediet verminderd met de rente en andere kosten van het hypothecaire krediet voor de periode waarmee de looptijd van die overeenkomst is ingekort, ook wanneer de consument deze kosten vóór de aflossing heeft betaald.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Op 15 september 2017 heeft QI met de rechtsvoorganger van Santander Bank Polska een woningkredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van 106600 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 24600 EUR).

13 Dit krediet werd toegekend voor een periode van 360 maanden en werd op 26 september 2017 vrijgegeven. De overeenkomst voorzag in een commissieloon voor het verstrekken van dat krediet, dat bij de sluiting van die overeenkomst moest worden betaald en gelijk was aan 2,50 % van datzelfde kredietbedrag, namelijk 2600 PLN (ongeveer 600 EUR), dat werd vermeld als een element van de totale woningkredietkosten.

14 Op 4 april 2019, te weten 19 maanden na de ondertekening van die overeenkomst, heeft QI het krediet volledig afgelost. Zij was dus van mening dat Santander Bank Polska haar het commissieloon voor het verstrekken van dat krediet moest terugbetalen ten bedrage van 2462,78 PLN (ongeveer 570 EUR), hetgeen overeenkwam met de resterende duur van datzelfde krediet, te weten 341 maanden.

15 Daartoe heeft QI een verzoek ingediend bij Santander Bank Polska. Bij brief van 20 juli 2020 heeft de bank dit verzoek afgewezen en geweigerd het betrokken commissieloon terug te betalen.

16 QI heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warszawa-Wola, Warschau, Polen), de verwijzende rechter. Voor deze rechter stelt Santander Bank Polska dat het aan de hypothecaire kredietverlening verbonden commissieloon bestond uit een eenmalige betaling en dus was uitgesloten van de verplichting tot een teruggave die evenredig is aan de resterende duur van de kredietovereenkomst. Indien dit commissieloon gedeeltelijk zou moeten worden terugbetaald, is Santander Bank Polska van mening dat deze terugbetaling niet evenredig dient te zijn aan de periode die door de vervroegde aflossing wordt bestreken in verhouding tot de oorspronkelijk overeengekomen duur van de aflossing, maar evenredig moet zijn aan het voordeel dat de kredietgever mocht verwachten voor het gebruik van de financiering door de consument.

17 De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of in het licht van met name de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 moet worden geoordeeld dat het recht van de consument om in geval van vervroegde aflossing van een hypothecair krediet een vermindering van de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde totale kredietkosten te verkrijgen, eveneens betrekking heeft op een commissieloon voor het verstrekken van het betrokken krediet.

18 Ten tweede vraagt deze rechter zich af welke berekeningsmethode moet worden gebruikt om het bedrag van de vermindering van de totale kosten van dit krediet te bepalen. Hij merkt op dat noch de bovengenoemde richtlijnen, noch de rechtspraak van het Hof duidelijk aangeven hoe het bedrag van deze vermindering moet worden berekend. Met name gelet op het feit dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 verwijst naar de „resterende duur van de overeenkomst”, moet volgens hem echter een aflossing worden toegestaan die evenredig is aan de verhouding van de periode waarin de hypothecaire kredietovereenkomst wegens de vervroegde aflossing van het krediet niet zal worden uitgevoerd, tot de oorspronkelijk overeengekomen periode waarin die overeenkomst van toepassing zou zijn.

19 Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 25, lid 1, van richtlijn [2014/17] op dezelfde wijze worden uitgelegd als artikel 16, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat wil zeggen aldus dat het recht van de consument op vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet in geval van een vervroegde aflossing van het krediet zich uitstrekt tot alle aan de consument in rekening gebrachte kosten, daaronder begrepen het commissieloon voor het verstrekken van het krediet? 2) Moet de in artikel 25, lid 1, van richtlijn [2014/17] neergelegde verplichting om de totale kosten van het hypothecaire krediet in geval van een vervroegde aflossing van het krediet te verminderen aldus worden uitgelegd dat de totale kosten van het hypothecaire krediet moeten worden verminderd naar evenredigheid van de verhouding van de duur van de periode tussen de vervroegde aflossing van het krediet en de datum die oorspronkelijk was overeengekomen als datum van aflossing van het krediet, tot de oorspronkelijk overeengekomen duur van de periode tussen de datum van uitbetaling en de datum van volledige aflossing van het krediet, dan wel aldus dat de vermindering van de totale kredietkosten evenredig behoort te zijn aan de derving van de door de kredietgever verwachte winst, dat wil zeggen aan de verhouding van de rente die na de eerdere aflossingen van het krediet nog verschuldigd was (die verschuldigd was voor de periode vanaf de datum van volledige aflossing tot de datum van de oorspronkelijk overeengekomen datum van volledige aflossing) tot de rente die verschuldigd was voor de volledige oorspronkelijk overeengekomen duur van de kredietovereenkomst (vanaf de datum van uitbetaling van het krediet tot de overeengekomen datum van volledige aflossing van het krediet)?”

Procedure bij het Hof

20 Bij beslissing van de president van het Hof van 24 maart 2022 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst tot de eindbeslissing in de zaak UniCredit Bank Austria (C‑555/21).

21 Bij beslissing van 10 februari 2023 is het arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C‑555/21, EU:C:2023:78), ter kennis gebracht van de verwijzende rechter, die, gelet op dit arrest, werd verzocht aan het Hof mee te delen of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.

22 Bij brief van 13 maart 2023, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 maart 2023, heeft de verwijzende rechter aangegeven dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

23 Wat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 betreft, heeft het Hof geoordeeld dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat het recht van de consument op verlaging van de totale kredietkosten in geval van een binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende vervroegde aflossing van het consumentenkrediet alle de consument aangerekende kosten omvat (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 36).

24 In zijn arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C‑555/21, EU:C:2023:78, punten 27, 28 en 31), heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat, rekening houdend met name met de specifieke kenmerken van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en niettegenstaande het feit dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 en artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 nagenoeg identiek zijn geformuleerd, het in laatstgenoemde bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten niet de kosten omvat die, ongeacht de duur van de overeenkomst, ten gunste van de kredietgever of van derden aan de consument in rekening worden gebracht voor diensten die op het tijdstip van de vervroegde aflossing reeds volledig zijn verricht.

25 In casu vraagt de verwijzende rechter zich in de context van een hypothecaire kredietovereenkomst waarop richtlijn 2014/17 van toepassing is af of een commissieloon dat bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst in rekening is gebracht, zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden geacht onder die laatstgenoemde categorie van kosten te vallen.

26 In dat verband brengt deze rechter in herinnering dat, overeenkomstig het arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C‑555/21, EU:C:2023:78, punten 34 en 35), de kredietgever moet aantonen of de betrokken kosten al dan niet periodiek zijn. In het hoofdgeding heeft Santander Bank Polska evenwel geen uitsplitsing van de kosten van het hypothecaire krediet overgelegd waaruit blijkt of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kosten objectief gezien verbonden zijn aan de duur van de kredietovereenkomst. Aangezien die rechter, wanneer dergelijke informatie ontbreekt, voornemens is ervan uit te gaan dat de betrokken kosten periodiek zijn, vraagt hij zich bijgevolg af op welke manier hij moet bepalen of deze kosten worden gedekt door het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet.

27 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer de kredietgever geen informatie heeft verstrekt op grond waarvan die rechter kan nagaan of een commissieloon dat bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst in rekening is gebracht, behoort tot de categorie van kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze overeenkomst, moet oordelen dat een dergelijk commissieloon onder het in deze bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten valt.

28 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Uniewetgever ervoor gekozen heeft een ruime definitie van het begrip „totale kosten van het aan de consument verleende krediet” te hanteren voor de kosten die daaronder kunnen vallen (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C‑555/21, EU:C:2023:78, punt 23).

29 Uit artikel 4, punt 13, van richtlijn 2014/17, gelezen in samenhang met artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, volgt namelijk dat het begrip „totale kosten van het aan de consument verleende krediet” in de zin van dat artikel 4 alle kosten omvat die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met inbegrip van de commissielonen. Zoals in overweging 50 van richtlijn 2014/17 is bevestigd, zijn slechts uitdrukkelijk hiervan uitgezonderd: de notarisvergoedingen, de registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed, zoals de kosten voor grondregistratie en de kosten die aan deze overdracht verbonden zijn, alsmede de door de consument te betalen kosten voor de niet-nakoming van de in de kredietovereenkomst vastgestelde verplichtingen (arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C‑555/21, EU:C:2023:78, punt 24).

30 Zoals in punt 24 van het onderhavige arrest is aangegeven heeft het Hof evenwel verduidelijkt, door zich te baseren op met name de specifieke kenmerken van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, dat het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten niet de kosten omvat die, ongeacht de duur van de overeenkomst, ten gunste van de kredietgever of van derden aan de consument in rekening worden gebracht voor diensten die op het tijdstip van de vervroegde aflossing reeds volledig zijn verricht.

31 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat richtlijn 2014/17, krachtens artikel 1 en gelezen tegen de achtergrond van overweging 15 ervan, een gemeenschappelijk kader vaststelt voor bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake overeenkomsten die betrekking hebben op een door een hypotheek of op andere wijze gedekt krediet voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, teneinde deze consumenten een hoge mate van bescherming te garanderen (arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C‑555/21, EU:C:2023:78, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 De uitlegging die het Hof in het arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C‑555/21, EU:C:2023:78), aan artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 heeft gegeven, heeft niet tot gevolg dat de consumenten deze bescherming wordt ontzegd.

33 Om deze bescherming te kunnen garanderen, staat het aan de nationale rechters om ervoor te zorgen dat de kosten die, ongeacht de duur van de kredietovereenkomst, aan de consument worden opgelegd objectief gezien geen vergoeding ten gunste van de kredietgever vormen voor het tijdelijke gebruik van het kapitaal waarop deze overeenkomst betrekking heeft, of voor prestaties die, op het tijdstip van de vervroegde aflossing, nog moeten worden verricht ten gunste van de consument (arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C‑555/21, EU:C:2023:78, punt 38).

34 Bijgevolg kan een nationale rechter niet op grond van het enkele feit dat de consument bij het sluiten van de hypothecaire kredietovereenkomst in één keer bepaalde kosten heeft betaald, aannemen dat deze kosten behoren tot de kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van de overeenkomst, welke niet kunnen leiden tot vermindering van de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde totale kredietkosten.

35 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de kredietgever, of in voorkomend geval de kredietbemiddelaar of de aangestelde vertegenwoordiger, volgens artikel 14, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/17 aan de consument, door middel van het ESIS, precontractuele informatie dient te verstrekken over uitsplitsing van de door deze laatste te betalen kosten, naargelang deze al dan niet periodiek zijn. Het staat dus aan de kredietgever om aan te tonen of de betrokken kosten al dan niet periodiek zijn (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C‑555/21, EU:C:2023:78, punten 34 en 38).

36 In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat Santander Bank Polska geen uitsplitsing van de kosten van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire krediet heeft overgelegd op basis waarvan deze rechter kan bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kosten objectief verband houden met de duur van de overeenkomst dan wel onafhankelijk zijn van die duur.

37 Om te kunnen garanderen dat de consument niet wordt benadeeld door het achterwege blijven van die informatie, moet worden geoordeeld dat de nationale rechter in een dergelijke situatie moet vaststellen dat de betrokken kosten wel afhankelijk zijn van de duur van de overeenkomst en bijgevolg vallen onder het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten.

38 Hieruit volgt dat wanneer de kredietgever niet de nodige informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan de nationale rechter kan nagaan of de betrokken kosten geen vergoeding van de kredietgever vormen voor het tijdelijke gebruik van het kapitaal waarop de hypothecaire kredietovereenkomst betrekking heeft, of een vergoeding voor een dienst die op het tijdstip van de vervroegde aflossing niet volledig was verleend, deze rechter, teneinde een hoge mate van consumentenbescherming te garanderen, moet oordelen dat het gaat om kosten die verband houden met de duur van die overeenkomst, die vallen onder het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering, zelfs indien die kosten in één keer zijn betaald bij het sluiten van die overeenkomst.

39 Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer de kredietgever geen informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan hij kan nagaan of een commissieloon dat bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst in rekening is gebracht behoort tot de categorie van kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze overeenkomst, moet oordelen dat een dergelijk commissieloon onder het in deze bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten valt.

Tweede vraag

40 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat uit deze bepaling een specifieke berekeningsmethode voortvloeit aan de hand waarvan het bedrag van de in deze bepaling bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald.

41 In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat niets in de bewoordingen van artikel 25 van richtlijn 2014/17 in het algemeen, of van lid 1 ervan in het bijzonder, erop wijst dat de Uniewetgever heeft willen voorzien in een specifieke berekeningsmethode aan de hand waarvan het bedrag van de vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet als bedoeld in artikel 25, lid 1, van deze richtlijn kan worden bepaald.

42 Deze bepaling blijft ertoe beperkt voor te schrijven dat, ten eerste, de lidstaten erop toezien dat de consument het recht heeft zich vóór het verstrijken van de hypothecaire kredietovereenkomst volledig of gedeeltelijk van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwijten. Ten tweede geeft deze bepaling aan dat in het geval van vervroegde aflossing de consument recht heeft op een vermindering van de totale kredietkosten die gelijk is aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst.

43 Uit de verwijzing naar de „resterende duur van de overeenkomst” kan niet worden afgeleid dat het bedrag van de vermindering van de totale kredietkosten te allen tijde moet worden bepaald aan de hand van een methode die erin bestaat een aflossing toe te passen die evenredig is aan de verhouding tussen de periode waarin de hypothecaire kredietovereenkomst wegens de vervroegde aflossing niet zal worden uitgevoerd en de oorspronkelijk overeengekomen duur van de uitvoering van die overeenkomst.

44 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft de verwijzing naar de resterende duur van de overeenkomst namelijk uitsluitend tot doel de kostenposten waarop de vermindering van de totale kredietkosten betrekking heeft, in de tijd af te bakenen.

45 Een specifieke berekeningsmethode aan de hand waarvan het bedrag van de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald, kan evenmin worden afgeleid uit de leden 2 tot en met 5 van dat artikel, omdat laatstgenoemde leden geen enkel criterium voor de berekening van die vermindering bevatten.

46 Hoewel in dit verband artikel 25, leden 2 en 5, van richtlijn 2014/17 preciseert hoe de lidstaten de uitoefening van het recht op vervroegde aflossing kunnen afbakenen, biedt artikel 25, lid 3, van deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid voor te schrijven dat de kredietgever in geval van vervroegde aflossing van het hypothecaire krediet recht heeft op een vergoeding. In artikel 25, lid 4, van die richtlijn wordt verduidelijkt welke informatie de kredietgever aan de consument moet meedelen opdat deze de mogelijkheid van een vervroegde aflossing van het krediet kan beoordelen.

47 Deze lezing van artikel 25 van richtlijn 2014/17 wordt bevestigd door overweging 66, die de lidstaten een ruime discretionaire bevoegdheid laat wat betreft de manier waarop zij het recht op vervroegde aflossing van het hypothecaire krediet garanderen.

48 Meer in het bijzonder volgt uit deze overweging dat de Uniewetgever het weliswaar opportuun heeft geacht, wegens het bestaan van verschillen tussen de beginselen en voorwaarden voor de aflossing van het krediet in de lidstaten, om op het niveau van de Unie bepaalde normen vast te stellen voor de vervroegde aflossing van het hypothecaire krediet, met name de voorwaarden waaronder deze aflossing kan plaatsvinden, maar dat hij niettemin van mening was dat deze lidstaten de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op een dergelijke aflossing moeten kunnen bepalen. Die overweging geeft in dat verband aan dat middels die voorwaarden onder meer de uitoefening van het recht in de tijd kan worden beperkt, een verschillende regeling kan gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, kunnen worden beperkt.

49 Hoewel de methode voor de berekening van de vermindering van de totale kredietkosten bij vervroegde aflossing niet een van de in overweging 66 van richtlijn 2014/17 uitdrukkelijk vermelde elementen is die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, dient evenwel te worden geoordeeld, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie opmerkt, dat de methode voor de berekening van het bedrag van de vermindering wel tot deze elementen behoort, zoals blijkt uit het opschrift ervan in het merendeel van de taalversies, aangezien de opsomming van die elementen in deze overweging slechts niet-exhaustief is.

50 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 weliswaar geen specifieke berekeningsmethode voorschrijft aan de hand waarvan het bedrag van de in die bepaling bedoelde vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet kan worden bepaald, maar dat dit niet wegneemt dat de gebruikte methode geschikt moet zijn om de verwezenlijking van de doelstelling van deze richtlijn te waarborgen, die blijkt uit overweging 15 en die in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, namelijk het garanderen van een hoge mate van consumentenbescherming bij kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerende goederen.

51 In casu bevat de Poolse wetgeving volgens de informatie waarover het Hof beschikt geen enkele bepaling betreffende die berekening en geeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire kredietovereenkomst evenmin aan hoe het bedrag van de vermindering van de totale kredietkosten moet worden berekend.

52 In een dergelijke situatie staat het aan de nationale rechter om zich uit te spreken over de geschikte methode aan de hand waarvan het bedrag van de vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet als bedoeld in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 kan worden bepaald, op voorwaarde dat deze methode geschikt is om te waarborgen dat de doelstelling van deze richtlijn, die erin bestaat een hoge mate van consumentenbescherming te garanderen, wordt verwezenlijkt.

53 Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat uit deze bepaling geen enkele specifieke berekeningsmethode voortvloeit aan de hand waarvan het bedrag van de in deze bepaling bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald.

Kosten

54 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer de kredietgever geen informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan hij kan nagaan of een commissieloon dat bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst in rekening is gebracht behoort tot de categorie van kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze overeenkomst, moet oordelen dat een dergelijk commissieloon onder het in deze bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten valt.

2) Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 moet aldus worden uitgelegd dat uit deze bepaling geen enkele specifieke berekeningsmethode voortvloeit aan de hand waarvan het bedrag van de in deze bepaling bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken