HvJ EU 4 oktober 2024, C-175/23, ECLI:EU:C:2024:853
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Eigen middelen van de Europese Unie – Bescherming van de financiële belangen van de Unie – Verordening (EU) nr. 1303/2013 – Artikel 2, punt 36 – Begrip ‚onregelmatigheid’ – Artikel 143, lid 2 – Benadeling van de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave – Bepaling van het toepasselijke financiële correctiepercentage – Schaal van forfaitaire correctiepercentages – Evenredigheidsbeginsel”
In zaak C‑175/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije) bij beslissing van 8 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 21 maart 2023, in de procedure
Obshtina Svishtov
tegen
Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: N. Piçarra (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Kriisa als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Drambozova en J. Hradil als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 36, en artikel 143, lid 2, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320, met rectificatie in PB 2016, L 200, blz. 140).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Obshtina Svishtov (gemeente Svishtov, Bulgarije) en de Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020 (hoofd van de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in ontwikkeling” 2014‑2020) (hierna: „managementautoriteit”) over het besluit waarbij deze autoriteit de Obshtina Svishtov een financiële correctie heeft opgelegd wegens schending van de regels voor de aanwijzing van een inschrijver bij de gunning van een overheidsopdracht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1303/2013
3 In overweging 120 van verordening nr. 1303/2013 staat te lezen dat „[o]m de lidstaten rechtszekerheid te bieden, […] er specifieke regelingen en procedures voor financiële correcties door de lidstaten en door de [Europese] Commissie met betrekking tot de Fondsen […] [moeten] worden vastgesteld, met eerbiediging van het proportionaliteitsbeginsel”.
4 Artikel 2 („Definities”) van deze verordening bepaalt in de punten 36 en 37: „Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing: […] 36) ‚onregelmatigheid’: elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de [Fondsen] betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld. 37) ‚economisch subject’: elke natuurlijke of rechtspersoon of andere instantie die betrokken is bij de uitvoering van bijstand uit de [Fondsen], met uitzondering van de lidstaten in de uitoefening van hun prerogatieven van openbaar gezag”.
5 In artikel 143 („Financiële correcties door de lidstaten”) van die verordening, leden 1 en 2, is bepaald: „1. De lidstaten zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het onderzoeken van onregelmatigheden, voor het toepassen van de vereiste financiële correcties en voor het doen van terugvorderingen. Bij een systemische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle concrete acties die daarbij betrokken kunnen zijn. 2. De lidstaten passen de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met individuele of systemische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd. Financiële correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan een concrete actie of operationeel programma. De lidstaten houden rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de Fondsen […] en passen een evenredige correctie toe. […]”
6 Artikel 144 („Criteria voor financiële correcties”) van deze verordening bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De Commissie past financiële correcties toe door de bijdrage van de Unie aan een operationeel programma door middel van uitvoeringshandelingen volledig of gedeeltelijk in te trekken […] als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie komt dat: […] b) de lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 143 heeft voldaan voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid; […] De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde individuele onregelmatigheden en houdt er rekening mee of de onregelmatigheid systemisch is. Wanneer het bedrag van de onregelmatige uitgaven die aan de Fondsen […] in rekening zijn gebracht niet precies kan worden bepaald, past de Commissie een vast percentage of een geëxtrapoleerde financiële correctie toe. 2. De Commissie neemt bij haar besluit over een correctie overeenkomstig lid 1 het proportionaliteitsbeginsel in acht door rekening te houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid, en met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen in beheers- en controlesystemen die in het betrokken operationele programma zijn geconstateerd.”
Richtsnoeren van de Commissie van 2019
7 Overeenkomstig punt 1.4 („Criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van een evenredig correctiepercentage”) van besluit C(2019) 3452 final van de Commissie van 14 mei 2019 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het bepalen van de financiële correcties die moeten worden verricht op de door de Unie gefinancierde uitgaven in geval van niet-naleving van de toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten (hierna: „richtsnoeren van de Commissie van 2019”) „kan de Commissie, wanneer het vanwege de aard van de onregelmatigheid niet mogelijk is de financiële gevolgen nauwkeurig te kwantificeren, maar de onregelmatigheid als zodanig wel gevolgen voor de begroting kan hebben, het bedrag van de toe te passen correctie berekenen aan de hand van drie criteria, namelijk de aard van de geconstateerde onregelmatigheden, de ernst ervan […] en het financiële verlies dat daaruit voor het betrokken fonds is voortgevloeid. Dit impliceert dat de financiële correcties die zijn verricht op basis van een schaal van forfaitaire percentages als vermeld in afdeling 2 van deze richtsnoeren (5 %, 10 %, 25 % en 100 %), in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Dit laat onverlet dat bij de berekening van het definitieve bedrag van de toe te passen correctie rekening moet worden gehouden met alle kenmerken van de aangetroffen onregelmatigheid in relatie tot de elementen die voor het vaststellen van dat forfaitaire percentage in aanmerking worden genomen […]”.
Bulgaars recht
8 Volgens artikel 70, lid 1, punt 9, van de Zakon za upravlenie na sredstvata ot evropeyskite fondove pri spodeleno upravlenie (wet betreffende het beheer van middelen uit de Europese fondsen onder gedeeld beheer, DV nr. 101 van 22 december 2015, gewijzigd opschrift – DV nr. 51 van 1 juli 2022), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (DV nr. 52 van 9 juni 2020) (hierna: „ZUSEFSU”), kan „[d]e financiële steun uit de [Europese structuur- en investeringsfondsen] geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken middels een financiële correctie wegens een onregelmatigheid die een schending oplevert van de in hoofdstuk vier bedoelde regels voor de aanwijzing van een opdrachtnemer, als gevolg van een handeling of een nalatigheid van de begunstigde waardoor de middelen van de [Europese structuur- en investeringsfondsen] worden of zouden kunnen worden benadeeld”. Artikel 70, lid 2, van de ZUSEFSU bepaalt dat „[d]e gevallen van onregelmatigheid die aanleiding geven tot financiële correcties overeenkomstig lid 1, punt 9, worden omschreven in een wetgevingshandeling van de ministerraad”.
9 Artikel 1, punt 1, van de Naredba za posochvane na nerednosti, predstavlyavashti osnovania za izvarshvane na finansovi korektsii, i protsentnite pokazateli za opredelyane razmera na finansovite korektsii po reda na Zakona za upravlenie na sredstvata ot Evropeyskite strukturni i investitsionni fondove (besluit betreffende de vaststelling van onregelmatigheden die de toepassing van financiële correcties rechtvaardigen, en van de percentages ter bepaling van het bedrag van de financiële correcties op grond van de wet betreffende het beheer van middelen uit de Europese fondsen onder gedeeld beheer (DV nr. 27 van 31 maart 2017), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „besluit”), omschrijft de „onregelmatigheden die schendingen vormen van de in hoofdstuk vier van de [ZUSEFSU] vastgestelde regels voor de aanwijzing van een contractant, als gevolg van een handeling of een nalatigheid van de begunstigde waardoor de middelen van de Europese structuur- en investeringsfondsen […] worden of zouden kunnen worden benadeeld, en die aanleiding geven tot een financiële correctie op grond van artikel 70, lid 1, punt 9, van de [ZUSEFSU]”.
10 Krachtens artikel 2, leden 1 en 2, van het besluit worden de in artikel 1, punt 1, bedoelde onregelmatigheden en de daarop toepasselijke financiële correctiepercentages vermeld in bijlage nr. 1 bij dat besluit, met inbegrip van die welke zijn begaan vóór de inwerkingtreding van de wet betreffende overheidsopdrachten.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 De gemeente Svishtov heeft op grond van een overeenkomst met de managementautoriteit een subsidie ontvangen voor een project in het kader van het operationele programma „Regio’s in ontwikkeling” 2014‑2020, dat gedeeltelijk werd gefinancierd door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO).
12 De gemeente Svishtov, handelend als aanbestedende dienst, heeft op grond van de nationale wet betreffende overheidsopdrachten een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor twee percelen om dit project uit te voeren. Na afloop van deze procedure zijn twee overeenkomsten gesloten met de twee economische subjecten aan wie elk een van deze percelen werd gegund.
13 Bij een controle naar aanleiding van een melding heeft de managementautoriteit een onregelmatigheid in die procedure vastgesteld. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft deze autoriteit deze gemeente dan ook een financiële correctie opgelegd van 10 % van het bedrag van de toegekende subsidie.
14 Bij vonnis van 28 april 2022 heeft de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije), bij wie de gemeente Svishtov beroep had ingesteld, dat besluit nietig verklaard op grond dat geen enkele bepaling van de nationale wet betreffende overheidsopdrachten was geschonden, waardoor de procedure voor het plaatsen van de overheidsopdracht voor werken niet onregelmatig was.
15 De managementautoriteit heeft tegen dit vonnis cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije), die, zonder dat vonnis te vernietigen, heeft geoordeeld dat de litigieuze feiten een andere onregelmatigheid opleverden die voortvloeide uit een schending van bijlage nr. 1 bij het besluit, waarvoor in een ander financieel correctiepercentage was voorzien.
16 Naar aanleiding van een nieuwe melding heeft de managementautoriteit het beheer van het project opnieuw gecontroleerd en daarbij een onregelmatigheid vastgesteld die voortvloeide uit de schending van de regels betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten. Bij besluit van 14 november 2022 heeft zij de gemeente Svishtov een financiële correctie opgelegd ten bedrage van 5 % van de subsidiabele kosten van de twee met de economische subjecten gesloten overeenkomsten.
17 Deze gemeente heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Administrativen sad Veliko Tarnovo, de verwijzende rechter.
18 Deze rechter merkt op dat de managementautoriteit een onregelmatigheid in de zin van bijlage nr. 1 bij het besluit heeft vastgesteld en het overeenkomstige in die bijlage vastgestelde financiële correctiepercentage heeft toegepast, zonder te onderzoeken of de begroting van de Unie verlies had geleden of kon lijden en zonder rekening te houden met de ernst van de betrokken inbreuk.
19 Volgens de verwijzende rechter is artikel 70, lid 1, punt 9, van de ZUSEFSU, wat de definitie van het begrip „onregelmatigheid” betreft, weliswaar in overeenstemming met artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013, maar stellen artikel 70, lid 2, van de ZUSEFSU en artikel 2 van het besluit „in de praktijk een onweerlegbaar vermoeden in dat de in [dit besluit] opgesomde schendingen van de nationale wet (met inbegrip van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten) a priori worden beschouwd als onregelmatigheden [in de zin van artikel 2, punt 36, van deze verordening], hetgeen ook het vermoeden inhoudt dat er sprake is van reële of waarschijnlijke schade in verband met het plegen van die schendingen, alsmede het vermoeden van een causaal verband tussen de schending en de schade of het risico van schade”.
20 Aangezien volgens deze rechter de toepasselijke nationale regeling de managementautoriteit verplicht om het bedrag van de verschuldigde financiële correctie uitsluitend op basis van het in bovengenoemde bijlage vastgestelde forfaitaire percentage vast te stellen, vraagt hij zich af of een dergelijke regeling de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, zoals dat voortvloeit uit artikel 143, lid 2, van verordening nr. 1303/2013, ten volle waarborgt.
21 Tegen deze achtergrond heeft de Administrativen sad Veliko Tarnovo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is, gelet op de logische en teleologische uitlegging van artikel 2, punt 36, en artikel 143, lid 2, van [verordening nr. 1303/2013], een nationale regeling als die van artikel 70, lid 2, van de [ZUSEFSU], gelezen in samenhang met artikel 2, leden 1 en 2, van [het besluit], die in geval van schending van de in een normatieve lijst opgenomen regels voor de gunning van overheidsopdrachten altijd het bestaan van een onregelmatigheid vermoedt, verenigbaar [met het Unierecht]? 2) Strookt de nationale regeling van artikel 70, lid 2, van de ZUSEFSU, gelezen in samenhang met artikel 2, leden 1 en 2, van [het besluit], gelet op de noodzaak om elke concrete en specifieke schending van een regel op het gebied van overheidsopdrachten te individualiseren, met het evenredigheidsbeginsel dat wordt genoemd in artikel 143, lid 2, [derde] volzin, van [verordening nr. 1303/2013]?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
22 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 143, lid 2, van verordening nr. 1303/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan elke inbreuk op de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten een „onregelmatigheid” in de zin van artikel 2, punt 36, van deze verordening vormt, die automatisch leidt tot de toepassing van een financiële correctie waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een vooraf vastgestelde schaal van forfaitaire correctiepercentages.
23 In de eerste plaats wordt het begrip „onregelmatigheid” in artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013 gedefinieerd als elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld. Het bestaan van een dergelijke onregelmatigheid veronderstelt dus dat aan drie voorwaarden is voldaan, namelijk het bestaan van een inbreuk op het toepasselijke recht, het feit dat deze inbreuk het gevolg is van een handeling of nalatigheid van een economisch subject, en het bestaan van een daadwerkelijke of mogelijke benadeling van de begroting van de Unie (zie naar analogie arresten van 1 oktober 2020, Elme Messer Metalurgs, C‑743/18, EU:C:2020:767, punten 50 en 51, en 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punten 27 en 29).
24 De eerste voorwaarde heeft niet alleen betrekking op inbreuken op het Unierecht als zodanig, maar ook op inbreuken op de bepalingen van nationaal recht die van toepassing zijn op acties die door de structuurfondsen worden gesteund, en aldus bijdragen tot het verzekeren van de toepassing van het Unierecht inzake het beheer van de door die fondsen gefinancierde projecten (arresten van 1 oktober 2020, Elme Messer Metalurgs, C‑743/18, EU:C:2020:767, punt 52, en 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punt 30).
25 Wat de tweede voorwaarde betreft, namelijk dat een dergelijke onregelmatigheid het gevolg is van een handeling of nalatigheid van een economisch subject, definieert artikel 2, punt 37, van verordening nr. 1303/2013 een „economisch subject” als elke natuurlijke of rechtspersoon of andere instantie die betrokken is bij de uitvoering van de bijstand uit de fondsen, met uitzondering van de lidstaten in de uitoefening van hun prerogatieven van openbaar gezag.
26 De derde voorwaarde vereist dat de begroting van de Unie „wordt of zou kunnen worden” benadeeld door de inbreuk op het toepasselijke recht door een economisch subject. Uit de bewoordingen zelf van artikel 2, punt 36, van die verordening, in het bijzonder uit de uitdrukking „waarbij […] wordt of zou kunnen worden”, volgt dat voor een „onregelmatigheid” in de zin van die bepaling weliswaar geen bewijs van een specifieke financiële weerslag op de begroting van de Unie vereist is, maar dat een niet-naleving van de toepasselijke regels een „onregelmatigheid” vormt voor zover niet kan worden uitgesloten dat deze inbreuk een weerslag heeft gehad op de begroting van het betrokken fonds (arresten van 6 december 2017, Compania Naţională de Administrare a Infrastructurii Rutiere, C‑408/16, EU:C:2017:940, punten 60 en 61, en 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punt 38).
27 Uit het voorgaande volgt dat alleen een inbreuk waardoor de begroting van de Unie „wordt of zou kunnen worden” benadeeld, kan worden aangemerkt als een „onregelmatigheid” in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013. Deze bepaling verzet zich er bijgevolg tegen dat elke inbreuk op het Unierecht of het nationale recht dat van toepassing is op concrete acties die door de structuurfondsen van de Unie worden gesteund, automatisch wordt geacht de begroting van de Unie te benadelen of altijd te kunnen benadelen, los van de gevolgen van een dergelijke inbreuk voor die begroting.
28 Wat in de tweede plaats de vaststelling van het bedrag van de financiële correctie betreft, blijkt uit artikel 143, leden 1 en 2, van verordening nr. 1303/2013 dat het bij voorrang aan de lidstaten staat om individuele en systemische onregelmatigheden te onderzoeken en evenredige financiële correcties toe te passen in verband met de onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd. Deze correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma, waarbij criteria worden toegepast die verband houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor het betrokken fonds.
29 Voorts volgt uit artikel 144, leden 1 en 2, van verordening nr. 1303/2013 dat de Commissie, indien zij tot de conclusie komt dat een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 143 van deze verordening heeft voldaan, financiële correcties moet toepassen en de bijdrage van de Unie voor het betrokken operationele programma geheel of gedeeltelijk moet intrekken op basis van geconstateerde individuele onregelmatigheden en rekening houdend met de al dan niet systematische aard ervan. Wanneer het bedrag van de onregelmatige uitgaven die aan de Fondsen in rekening zijn gebracht niet precies kan worden bepaald, past de Commissie een vast percentage of een geëxtrapoleerde financiële correctie toe, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, waarbij met name rekening wordt gehouden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid. Daartoe kan de Commissie een schaal van forfaitaire correctiepercentages vaststellen die van toepassing zijn op inbreuken op het Unierecht of het nationale recht die als „onregelmatigheden” in de zin van artikel 2, punt 36, van die verordening moeten worden aangemerkt.
30 Het staat ook de lidstaten vrij om een dergelijke schaal van forfaitaire correctiepercentages vast te stellen op basis van artikel 143 van verordening nr. 1303/2013, gelezen in het licht van overweging 120 ervan, teneinde „met eerbiediging van het proportionaliteitsbeginsel” rechtszekerheid te bieden.
31 Om de criteria voor financiële correcties op basis van een schaal van forfaitaire correctiepercentages te concretiseren, kunnen de lidstaten rekening houden met een document zoals de richtsnoeren van de Commissie van 2019, ook al zijn deze richtsnoeren voor hen niet bindend. In punt 1.1 van deze richtsnoeren wordt de lidstaten aanbevolen „de in deze richtsnoeren beschreven criteria en percentages van de financiële correcties toe te passen, wanneer zij onregelmatigheden corrigeren die door hun eigen diensten zijn geconstateerd” (zie naar analogie arrest van 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punt 45).
32 Uit punt 1.4 van die richtsnoeren volgt dat wanneer de financiële gevolgen voor de betrokken markt niet nauwkeurig kunnen worden gekwantificeerd, bij de toepassing van de in artikel 144, lid 1, van verordening nr. 1303/2013 bedoelde forfaitaire financiële correctie van 5 %, 10 %, 25 % of 100 % niettemin rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid en met het financiële verlies voor het Fonds, zodat de toepassing van een dergelijk percentage in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel (zie naar analogie arrest van 8 juni 2023, ANAS, C‑545/21, EU:C:2023:451, punt 46).
33 Voorts staat het de Commissie en de lidstaten weliswaar vrij om zich te baseren op een schaal van forfaitaire correctiepercentages, maar dit neemt niet weg dat de vaststelling van het definitieve bedrag van de toe te passen correctie noodzakelijkerwijs impliceert dat er een geïndividualiseerd en uitvoerig onderzoek wordt gevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met alle bijzonderheden van de geconstateerde onregelmatigheid in het licht van de aspecten die zijn meegewogen bij het opstellen van die schaal en die een hogere of juist lagere correctie kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 14 juli 2016, Wrocław – Miasto na prawach powiatu, C‑406/14, EU:C:2016:562, punten 48 en 49).
34 Uit het voorgaande volgt dat het bedrag van een financiële correctie in beginsel niet automatisch en uitsluitend op basis van een vooraf vastgestelde schaal van forfaitaire correctiepercentages hoeft te worden bepaald.
35 In de derde plaats, voor zover de verwijzende rechter van oordeel is dat de toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling er in de praktijk op neerkomt dat elke schending van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten een „onregelmatigheid” vormt in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013, die moet worden bestraft met de automatische toepassing van een vooraf vastgestelde forfaitaire correctie, zij eraan herinnerd dat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht met name de nationale rechter verplicht om het gehele interne recht in aanmerking te nemen en de daarin erkende uitleggingsmethoden toe te passen, teneinde de volle werking van het Unierecht te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie in die zin arresten van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, EU:C:2012:33, punt 27, en 11 november 2015, Klausner Holz Niedersachsen, C‑505/14, EU:C:2015:742, punt 34).
36 Een nationale rechter kan niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen enkel en alleen omdat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met dit recht of op zodanige wijze door de bevoegde nationale autoriteiten wordt toegepast (zie in die zin arresten van 19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punt 34, en 4 maart 2020, Telecom Italia, C‑34/19, EU:C:2020:148, punt 61).
37 Deze verplichting van Unierechtconforme uitlegging wordt evenwel begrensd door de algemene rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, en kan niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (zie met name arresten van 14 januari 2014, Association de médiation sociale, C‑176/12, EU:C:2014:2, punt 39, en 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punt 62).
38 Het staat dus aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aldus kan worden uitgelegd dat alleen inbreuken op het Unierecht of het nationale recht die de begroting van de Unie benadelen of kunnen benadelen, als „onregelmatigheden” in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013 kunnen worden aangemerkt. Verder moet de verwijzende rechter bepalen of deze regeling het mogelijk maakt om met name rekening te houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid en om een „evenredige correctie” in de zin van artikel 143, lid 2, van die verordening toe te passen.
39 Voor het geval dat een dergelijke Unierechtconforme uitlegging niet mogelijk blijkt, zij er voorts aan herinnerd dat elke rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, VEU vastgelegde samenwerkingsbeginsel verplicht is om elke bepaling van nationaal recht die in strijd is met het rechtstreeks toepasselijke Unierecht, zoals de bepalingen van een verordening, buiten toepassing te laten, en aldus de door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen (zie in die zin arresten van 8 september 2010, Winner Wetten, C‑409/06, EU:C:2010:503, punt 55, en 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punten 31 en 63).
40 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 143, lid 2, van verordening nr. 1303/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan elke inbreuk op de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten een „onregelmatigheid” in de zin van artikel 2, punt 36, van deze verordening vormt, die automatisch leidt tot de toepassing van een financiële correctie waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een vooraf vastgestelde schaal van forfaitaire correctiepercentages.
Kosten
41 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 143, lid 2, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan elke inbreuk op de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten een „onregelmatigheid” in de zin van artikel 2, punt 36, van deze verordening vormt, die automatisch leidt tot de toepassing van een financiële correctie waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een vooraf vastgestelde schaal van forfaitaire correctiepercentages.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 8 juni 2023, C-545/21, ECLI:EU:C:2023:451
- HvJ EU 21 januari 2021, C-308/19, ECLI:EU:C:2021:47
- HvJ EU 1 oktober 2020, C-743/18, ECLI:EU:C:2020:767
- HvJ EU 4 maart 2020, C-34/19, ECLI:EU:C:2020:148
- HvJ EU 6 december 2017, C-408/16, ECLI:EU:C:2017:940
- HvJ EU 14 juli 2016, C-406/14, ECLI:EU:C:2016:562
- HvJ EU 19 april 2016, C-441/14, ECLI:EU:C:2016:278
- HvJ EU 11 november 2015, C-505/14, ECLI:EU:C:2015:742
- HvJ EU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2
- HvJ EU 24 januari 2012, C-282/10, ECLI:EU:C:2012:33
- HvJ EU 8 september 2010, C-409/06, ECLI:EU:C:2010:503