HvJ EU 26 september 2024, C-368/23, ECLI:EU:C:2024:789

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

26 september 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Begrip ‚rechterlijke instantie’ – Structurele en functionele criteria – Uitoefening van rechtsprekende of administratieve functies – Onafhankelijke overheidsinstantie belast met de regelgeving betreffende en/of het toezicht op wettelijke auditors – Interne organisatie – Bevoegdheid om ambtshalve procedures in te leiden – Sanctiebevoegdheid – Beslissingen vatbaar voor beroep in rechte – Geen hoedanigheid van ‚derde’ ten opzichte van de autoriteit die de in rechte aangevochten beslissing heeft genomen – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak C‑368/23 [Fautromb] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de formation restreinte du Haut Conseil du commissariat aux comptes (beperkte formatie van de hoge raad voor het externe-accountantswezen, Frankrijk) bij beslissing van 25 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 12 juni 2023, in de procedure

Haut Conseil du commissariat aux comptes,

tegen

MO,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, T. von Danwitz, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 april 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– MO, vertegenwoordigd door H. Carrasco, F. Molinié en M. Nguyen Chanh, avocats,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en M. Guiresse als gemachtigden,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. De Brouwer en L. Van den Broeck als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, G. Goddin, M. Mataija en G. von Rintelen als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 25 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36), gelezen in samenhang met richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB 2006, L 157, blz. 87), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014, L 158, blz. 196) (hierna: „richtlijn 2006/43”), alsmede met verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van besluit 2005/909/EG van de Commissie (PB 2014, L 158, blz. 77).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Haut Conseil du commissariat aux comptes (hoge raad voor het externe-accountantswezen, Frankrijk; hierna: „H3C”) en MO, een extern accountant, over de gezamenlijke uitoefening door laatstgenoemde van de activiteit van extern accountant en bepaalde commerciële activiteiten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2006/43

3 Artikel 2, punt 10, van richtlijn 2006/43 luidt: „In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 10. ‚bevoegde autoriteiten’: bij wet aangewezen instanties of organisaties die belast zijn met de regelgeving betreffende en/of het toezicht op wettelijke auditors en auditkantoren of specifieke aspecten daarvan; […]”.

4 Artikel 30 („Onderzoeks- en sanctieregelingen”) van deze richtlijn bepaalde in lid 1: „De lidstaten zien erop toe dat er doeltreffende onderzoeks- en sanctieregelingen bestaan om inadequaat uitgevoerde wettelijke controles van jaarrekeningen op te sporen, te bestraffen en te voorkomen.”

5 Artikel 30 bis („Sanctiebevoegdheden”) van die richtlijn bepaalde in lid 1: „De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om ten minste de volgende administratieve maatregelen en sancties te nemen en/of op te leggen […]: […]”

6 Artikel 32, leden 1 en 4, van die richtlijn bepaalde: „1. De lidstaten zetten een doeltreffend stelsel van publiek toezicht op voor wettelijke auditors en auditkantoren op basis van de in de leden 2 tot en met 7 vastgelegde beginselen, en zij wijzen een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor dat toezicht. […] 4. Op de bevoegde autoriteit rust de eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op: a) de toelating en registerinschrijving van wettelijke auditors en auditkantoren; b) de aanneming van standaarden op het gebied van beroepsethiek en interne kwaliteitsbewaking van auditkantoren, alsook van controlestandaarden, behalve wanneer deze standaarden worden vastgesteld of goedgekeurd door andere autoriteiten van de lidstaat; c) permanente scholing; d) kwaliteitsborgingsstelsels; e) onderzoeks- en sanctiestelsels.”

Richtlijn 2006/123

7 Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2006/123 luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat op dienstverrichters geen eisen van toepassing zijn die hen ertoe verplichten uitsluitend een bepaalde specifieke activiteit uit te oefenen of die het gezamenlijk of in partnerschap uitoefenen van verschillende activiteiten beperken. Dergelijke eisen kunnen echter wel aan de volgende dienstverrichters worden opgelegd: a) beoefenaren van gereglementeerde beroepen, voor zover dergelijke eisen gerechtvaardigd zijn om naleving van de beroeps- en gedragsregels, die naar gelang van de specifieke kenmerken van elk beroep verschillen, te waarborgen, en voor zover zij nodig zijn om hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen; b) dienstverrichters wier diensten bestaan uit certificering, accreditatie, technische controle, tests of proeven, voor zover dergelijke eisen gerechtvaardigd zijn om hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen.”

Frans recht

Code de commerce

8 Artikel L. 822‑10 van de code de commerce (wetboek van koophandel), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „code de commerce”), bepaalde: „De functie van extern accountant is onverenigbaar: […] 3° met elke commerciële activiteit, ongeacht of deze rechtstreeks wordt uitgeoefend dan wel via een tussenpersoon […]”.

9 Artikel L. 824‑1 van deze code bepaalde onder meer dat iedere niet-nakoming van de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van extern accountant een tuchtrechtelijke inbreuk vormde.

10 De beperkte formatie van de H3C is opgericht bij artikel L. 821‑2, II, van de genoemde code, op grond waarvan de beperkte formatie bevoegd was om sancties op te leggen aan extern accountants wegens tuchtrechtelijke inbreuken.

11 In hun hoedanigheid van leden van het college van de H3C waren de leden van de beperkte formatie van de H3C onderworpen aan de bepalingen van loi no 2017‑55, du 20 janvier 2017, portant statut général des autorités administratives indépendantes et des autorités publiques indépendantes (wet nr. 2017‑55 van 20 januari 2017 houdende het algemeen statuut van de onafhankelijke administratieve overheden en de onafhankelijke overheidsinstanties (JORF van 21 januari 2017, tekst nr. 2). Dit betekende onder meer dat hun mandaat onherroepelijk was en dat zij onderworpen waren aan beroeps- en gedragsregels die voorzagen in verschillende onverenigbaarheden en hen verplichtten hun taken uit te voeren met waardigheid, eerlijkheid en integriteit, onmiddellijk een einde te maken aan elk belangenconflict en geen instructies te ontvangen of te vragen van enige autoriteit bij de uitvoering van hun taken.

12 Artikel L. 824‑13 van de code de commerce luidde: „Het besluit van de [H3C] wordt op zijn website gepubliceerd. In voorkomend geval wordt het ook gepubliceerd in de publicaties, kranten of media die de [H3C] aanwijst, in een vorm die in verhouding staat tot het begane wangedrag of de tekortkoming en de opgelegde sanctie. De kosten worden gedragen door de gesanctioneerde personen. […]”

13 Artikel L. 824‑14 van deze code bepaalde: „De gesanctioneerde persoon of de voorzitter van het college van de [H3C] kan, met instemming van de [H3C], een beroep in volle omvang instellen bij de Conseil d’État [(hoogste bestuursrechter, Frankrijk)].”

Code de justice administrative

14 Artikel L. 311‑4 van de code de justice administrative (wetboek bestuursprocesrecht; hierna: „code de justice administrative”), zoals gewijzigd bij artikel 33 van loi no 2021‑1382, du 25 octobre 2021 (wet nr. 2021‑1382 van 25 oktober 2021) (JORF van 26 oktober 2021, tekst nr. 2), bepaalde: „De Conseil d’État neemt in eerste en laatste aanleg kennis van beroepen in volle omvang die hem zijn toegewezen krachtens: […] 4° artikel L. 824‑14 van de code de commerce; […]”

Ordonnance no 2023‑1142

15 Ordonnance no 2023‑1142, du 6 décembre 2023 relative à la publication et à la certification d’informations en matière de durabilité et aux obligations environnementales, sociales et de gouvernement d’entreprise des sociétés commerciales (besluit nr. 2023‑1142 van 6 december 2023 betreffende de publicatie en certificering van duurzaamheidsinformatie en betreffende de verplichtingen van handelsvennootschappen op het gebied van milieu, sociale zaken en corporate governance) (JORF van 7 december 2023, tekst nr. 19) bevat de bepalingen waarbij de H3C is vervangen door de Haute autorité de l’audit (hoge auditautoriteit, Frankrijk).

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 MO staat sinds 1967 ingeschreven op het tableau van de orde van accountants en op de lijst van externe accountants.

17 MO bezit direct of indirect via Fiducial International SA 99,9 % van het kapitaal van Fiducial SC, waarvan hij bestuurder is. Fiducial SC is de moedermaatschappij van de multidisciplinaire groep Fiducial, die in 1970 door MO werd opgericht en een uitgebreide reeks zakelijke diensten aanbiedt.

18 Binnen deze groep oefent Fidexpertise SA, société fiduciaire nationale d’expertise comptable, waarin MO direct of indirect 98,69 % van het kapitaal bezit en waarvan hij bestuursvoorzitter en algemeen directeur is, samen met haar dochterondernemingen de accountants- en boekhoudwerkzaamheden uit. Fidaudit SA, société fiduciaire nationale de révision comptable, waarin MO direct of indirect 98 % van het kapitaal bezit en waarvan hij eveneens bestuursvoorzitter en algemeen directeur is, oefent samen met haar dochterondernemingen de activiteit van extern accountant uit.

19 Daarnaast biedt de bovengenoemde groep verschillende andere zakelijke diensten aan via dochterondernemingen van Fiducial SC op het gebied van beveiliging, de verkoop van kantoorbenodigdheden en -meubilair, de levering van informaticadiensten, de makelaardij, het beheer van vastgoedbeleggingsmaatschappijen of het bankwezen. Voorts exploiteert deze groep nog een nationaal radiostation en regionale media.

20 Op 3 januari 2022 heeft de voorzitter van de H3C de aandacht van de algemeen rapporteur van de H3C gevestigd op aan MO verweten feiten die zouden doen vermoeden dat MO commerciële activiteiten uitoefent die onverenigbaar zijn met de functie van extern accountant.

21 Na een onderzoek door de algemeen rapporteur van de H3C naar de naleving door MO van de verplichtingen met betrekking tot de uitvoering van zijn taken als extern accountant, besloot de formatie van de H3C die uitspraak doet in individuele gevallen, op 13 oktober 2022 om een sanctieprocedure tegen MO in te leiden.

22 Volgens de door deze formatie in aanmerking genomen klacht zou MO sinds 3 januari 2016 artikel L. 822‑10 van de code de commerce hebben geschonden door zich direct of indirect, via Fiducial SC en Fiducial International, bezig te houden met commerciële activiteiten die niet als „bijkomstig ten opzichte van het accountantsberoep” kunnen worden aangemerkt en daarom onverenigbaar zijn met de functie van extern accountant.

23 Op 3 januari 2023 heeft de algemeen rapporteur van de H3C een kopie van de kennisgeving van deze klacht, voorzien van een kopie van het onderzoeksrapport en het onderzoeksdossier, aan de voorzitter van de beperkte formatie van de H3C doen toekomen en op 19 januari 2023 heeft hij de voorzitter zijn eindrapport toegestuurd.

24 Tijdens de zitting van 13 april 2023, waarvoor MO was opgeroepen, heeft de algemeen rapporteur van de H3C verzocht MO van de lijst van extern accountants te schrappen, hem een boete op te leggen en het besluit op kosten van de betrokkene in een finacieel-economische krant bekend te maken.

25 Het is in de context van deze tuchtprocedure dat de beperkte formatie van de H3C het nodig acht het Hof te vragen naar de uitlegging van artikel 25 van richtlijn 2006/123, gelezen in samenhang met de bepalingen van richtlijn 2006/43 en verordening nr. 537/2014.

26 In het verzoek om een prejudiciële beslissing benadrukt de beperkte formatie van de H3C dat zij een „rechterlijke instantie” is in de zin van artikel 267 VWEU.

27 In dat verband merkt de beperkte formatie van de H3C op dat zij is opgericht bij artikel L. 821‑2, II, van de code de commerce, op grond waarvan zij bevoegd was sancties op te leggen aan onder andere extern accountants wegens tuchtrechtelijke inbreuken en plichtsverzuim.

28 In hun hoedanigheid van leden van het college van de H3C hebben de leden van de beperkte formatie van de H3C een onherroepelijk mandaat. Zij zijn tevens onderworpen aan beroeps- en gedragsregels die voorzagen in verschillende onverenigbaarheden en hen verplichtten hun taken uit te voeren met waardigheid, eerlijkheid en integriteit, onmiddellijk een einde te maken aan elk belangenconflict en geen instructies te ontvangen of te vragen van enige autoriteit bij de uitvoering van hun taken.

29 Met betreking tot de sanctieprocedure tegen een extern accountant wijst de verwijzende instantie erop dat zij niet op eigen initiatief een procedure kan starten en dat een procedure alleen kan worden ingeleid na verwijzing door de algemeen rapporteur van de H3C. Deze rapporteur is verantwoordelijk voor het uitvoeren van een onderzoek en aan het eind daarvan, na de betrokkene te hebben gehoord, stuurt hij een rapport naar de H3C. Het college van de H3C beraadslaagt in afwezigheid van de leden van de verwijzende instantie en stelt in voorkomend geval de klacht of klachten vast die door de algemeen rapporteur ter kennis worden gebracht van de betrokkene, die vervolgens wordt doorverwezen naar de beperkte formatie van de H3C.

30 Na de betrokkene op een openbare terechtzitting te hebben gehoord, die zo nodig kan verzoeken om wraking van een van de leden van beperkte formatie waarnaar de zaak is verwezen, beraadslaagt de beperkte formatie in afwezigheid van de gewraakte persoon en de algemeen rapporteur van de H3C, waarna zij een met redenen omklede beslissing geeft.

31 Daarbij kan de beperkte formatie van de H3C onder andere sancties opleggen.

32 De beslissingen van de beperkte formatie van de H3C kunnen door de gesanctioneerde persoon of door de voorzitter van de H3C, met instemming van het college van de H3C, worden aangevochten in een beroep in volle omvang bij de Conseil d’État.

33 Tegen deze achtergrond heeft de beperkte formatie van de H3C de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 25 van richtlijn [2006/123], met name gelet op de bepalingen van richtlijn [2006/43] en van verordening [nr. 537/2014], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke wettelijke auditors en auditkantoren geen enkele commerciële activiteit mogen uitoefenen, noch rechtstreeks, noch via een tussenpersoon? 2) Zo ja, is dit dan ook het geval indien volgens de betrokken wettelijke regeling twee soorten commerciële activiteiten van dat verbod zijn uitgezonderd, te weten ten eerste commerciële activiteiten die bijkomstig zijn ten opzichte van het accountantsberoep en worden uitgeoefend met inachtneming van de voor externe accountants geldende beroeps- en gedragsregels en regels inzake onafhankelijkheid, en onder de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 22, derde alinea, van ordonnance no 45‑2138[,] du 19 septembre 1945[, portant institution de l’ordre des experts-comptables et réglementant le titre et la profession d’expert-comptable (besluit nr. 45‑2138 van 19 september 1945 tot instelling van de orde van accountants en houdende regeling van de titel en het beroep van accountant) (JORF van 21 september 1945, blz. 5938)] en ten tweede bijkomstige commerciële activiteiten die worden uitgeoefend door een multidisciplinaire vennootschap onder de voorwaarden van artikel 31‑5 van loi no 90‑1258[,] du 31 décembre 1990[, relative à l’exercice sous forme de sociétés des professions libérales soumises à un statut législatif ou réglementaire ou dont le titre est protégé et aux sociétés de participations financières de professions libérales (wet nr. 90‑1258 van 31 december 1990 betreffende het in vennootschapsverband uitoefenen van vrije beroepen met een wettelijk of bestuursrechtelijk statuut of waarvan de titel beschermd is, en betreffende holdingmaatschappijen van vrije beroepen) (JORF van 5 januari 1991, blz. 216)]?”

De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

34 In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Franse regering dat de beperkte formatie van de H3C geen „rechterlijke instantie” is in de zin van artikel 267 VWEU. Zij voert in het bijzonder aan dat de door die beperkte formatie te geven beslissing geen beslissing van rechterlijke aard zal zijn. Bovendien combineert de H3C volgens de Franse regering regelgevende, sectorale toezichthoudende en sanctionerende taken die de H3C ambtshalve kan uitoefenen, waardoor het administratieve karakter van zijn taken wordt bevestigd. De interne organisatie van de H3C, die onder andere voortvloeit uit Franse grondwettelijke eisen, verandert daar volgens haar niets aan.

35 Volgens vaste rechtspraak van het Hof houdt het Hof bij de beoordeling of de betreffende verwijzende instantie een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU is, wat uitsluitend een vraag van Unierecht is, rekening met een geheel van factoren, zoals onder meer de wettelijke grondslag van deze instantie, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak, de toepassing van de rechtsregels door de betrokken instantie en de onafhankelijkheid van de instantie (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt tevens dat de nationale rechter enkel bevoegd is tot verwijzing naar het Hof indien bij hem een geding aanhangig is gemaakt en hij uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet leiden tot een rechterlijke beslissing (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 De bevoegdheid van een instantie om zich tot het Hof te wenden moet dus zowel aan structurele als aan functionele criteria worden getoetst. Een nationale instantie kan in dit verband als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU worden aangemerkt wanneer zij een rechtsprekende functie uitoefent. Die kwalificatie is echter niet mogelijk, in zoverre zij andere, met name administratieve taken uitoefent (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Om vast te stellen of een nationale instantie, die krachtens de wet taken van verschillende aard uitoefent, als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU moet worden aangemerkt, dient derhalve te worden nagegaan wat de specifieke aard is van de functie die zij uitoefent in de bijzondere normatieve context waarin zij zich tot het Hof wendt (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Het Hof heeft er ook op gewezen dat deze toetsing van bijzonder belang is bij administratieve instanties waarvan de onafhankelijkheid een rechtstreeks gevolg is van de vereisten die voortvloeien uit het Unierecht, dat hun bevoegdheden inzake sectoraal toezicht en markttoezicht verleent. Hoewel deze instanties kunnen voldoen aan de in punt 35 van het onderhavige arrest genoemde criteria, zijn het sectoraal toezicht en het markttoezicht in wezen van administratieve aard, aangezien zij de uitoefening van bevoegdheden omvatten die losstaan van die welke aan de rechterlijke instanties zijn toegekend (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 45).

40 Zo kan een nationale instantie, hoewel haar wettelijke grondslag, permanent karakter, het tegensprekelijk karakter van de procedure, de toepassing door deze instantie van de rechtsregels en haar onafhankelijkheid buiten kijf staan, het Hof slechts om een prejudiciële beslissing verzoeken indien zij in het kader van de bij haar aanhangige zaak rechtsprekende functies uitoefent (zie in die zin het arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 46).

41 Daarnaast vormen de bevoegdheid om ambtshalve procedures in te leiden en de bevoegdheid om, eveneens ambtshalve, sancties op te leggen in de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, aanwijzingen dat de betrokken instantie geen rechtsprekende, maar administratieve taken uitoefent (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 48).

42 Voor de beoordeling van de aard van de taken van een instantie moet ook rekening worden gehouden met haar rol en haar plaats in de nationale rechtsorde. Zo dient de activiteit van instanties die tot taak hebben om voor het eerst een standpunt in te nemen over klachten en wier besluiten vatbaar zijn voor beroep in rechte, maar die niet tot taak hebben om de wettigheid van een besluit te toetsen, als „administratief” te worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Het Hof heeft tevens in herinnering gebracht dat het begrip „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU per definitie slechts betrekking kan hebben op een instantie die de hoedanigheid van derde heeft ten opzichte van de instantie die de aangevochten beslissing heeft genomen (arrest van 3 mei 2022, CityRail,C‑453/20, EU:C:2022:341, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Tot slot heeft het Hof overwogen dat een beslissing kan worden gelijkgesteld met een administratieve beslissing wanneer zij niet de kenmerken van een rechterlijke uitspraak, met name gezag van gewijsde, vertoont (zie in die zin arrest van 16 september 2020, Anesco e.a.,C‑462/19, EU:C:2020:715, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Gelet op het voorgaande dient in casu de aard en de functie van de H3C te worden onderzocht in het stelsel van het publiek toezicht op wettelijke auditors waarin richtlijn 2006/43 voorziet.

46 In dat verband moet worden opgemerkt dat artikel 32, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten een doeltreffend stelsel van publiek toezicht opstellen voor wettelijke auditors en auditkantoren en een bevoegde autoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor dat toezicht.

47 Overeenkomstig artikel 32, lid 4, van genoemde richtlijn is die autoriteit eindverantwoordelijk voor het toezicht op de toelating en registerinschrijving van wettelijke auditors en auditkantoren, de aanneming van standaarden op het gebied van beroepsethiek en interne kwaliteitsbewaking van auditkantoren, alsook van controlestandaarden, permanente scholing, kwaliteitsborging en onderzoeks- en sanctiestelsels.

48 Het publiek toezicht wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die in artikel 2, punt 10, van richtlijn 2006/43 worden omschreven als bij wet aangewezen instanties of organisaties die belast zijn met de regelgeving betreffende en/of het toezicht op wettelijke auditors en auditkantoren.

49 Bovendien moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 30, lid 1, van die richtlijn de lidstaten erop toezien dat er doeltreffende onderzoeks- en sanctieregelingen bestaan om inadequaat uitgevoerde wettelijke controles van financiële overzichten op te sporen, te bestraffen en te voorkomen en dat krachtens artikel 30 bis, lid 1, van die richtlijn de lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om ten minste de in dat artikel genoemde administratieve maatregelen en sancties te nemen en/of op te leggen.

50 Gelet op haar toezichts- en sanctiebevoegdheden krachtens het Unierecht, oefent een door een lidstaat met name op grond van artikel 32, lid 1, van richtlijn 2006/43 aangewezen bevoegde autoriteit in beginsel administratieve taken uit.

51 Zoals blijkt uit de in punt 38 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak dient in deze omstandigheden te worden uitgemaakt of die autoriteit, ondanks het in beginsel administratieve karakter van haar taken, in de specifieke context van de taken die zij in het hoofdgeding uitoefent, moet worden aangemerkt als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU.

52 In dit verband moet ten eerste worden vermeld, zoals de advocaat-generaal doet in punt 42 van zijn conclusie, dat de H3C de mogelijkheid heeft om ambtshalve uitspraak te doen. Uit de verwijzende belissing blijkt trouwens ook dat in het hoofdgeding de tuchtprocedure is ingeleid zonder voorafgaande klacht bij de H3C.

53 Vervolgens moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit artikel L. 824‑14 van de code de commerce, tegen een beslissing tot het opleggen van een sanctie in het kader van een tuchtprocedure zoals in het hoofdgeding, beroep kan worden ingesteld bij de Conseil d’État.

54 Daarbij dient te worden aangetekend dat de H3C bij de instelling van een dergelijk beroep de hoedanigheid van verwerende partij heeft. Het feit dat de H3C partij is bij een beroepsprocedure tegen zijn eigen beslissing, wijst erop dat de H3C, wanneer hij deze beslissing neemt, niet de hoedanigheid van derde in de zin van punt 43 van dit arrest heeft.

55 Tot slot, zoals de Franse regering heeft benadrukt in haar schriftelijke opmerkingen, beslist de Conseil d’État in eerste en laatste aanleg over beroepen in volle omvang tegen een dergelijke sanctiebeslissing, overeenkomstig artikel L. 311‑4 van de code de justice administrative en artikel L. 824‑14 van de code de commerce. Uit de gegevens waarover het Hof beschikt blijkt dat deze omstandigheid naar Frans recht impliceert dat deze sanctiebeslissing niet wordt geacht gezag van gewijsde te hebben.

56 Het is juist, zoals MO heeft betoogd, dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof wordt ingediend door een specifieke formatie van de H3C, namelijk haar beperkte formatie. In dat verband stelt MO, samengevat, dat het optreden van de beperkte formatie los moet worden gezien van dat van de H3C zowel wat de inleiding van de procedure als wat de status van deze beperkte formatie bij de Conseil d’Etat in het kader van de bij hem ingestelde beroepen betreft.

57 Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, moet de H3C in het kader van de procedures die de aanleiding vormden voor het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, evenwel in zijn geheel worden gezien als een toezichthoudende instantie, ook al treedt hij op via verschillende eenheden van zijn organisatiestructuur.

58 In dit verband moet worden opgemerkt dat in richtlijn 2006/43 immers slechts wordt gesproken over „bevoegde autoriteiten”, zonder dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen deze autoriteiten en hun verschillende onderdelen. Bijgevolg kan de omstandigheid dat een lidstaat bij de vaststelling van de organisatie van een dergelijke autoriteit heeft besloten een interne procedure in te stellen waarbij verschillende onderdelen van deze autoriteit achtereenvolgens optreden, teneinde de functies van handhaving en onderzoek te scheiden van die van het opleggen van een sanctie, niet tot de conclusie leiden dat de beslissing die deze autoriteit in het kader van deze interne procedure neemt, niet van administratieve aard is.

59 In het bijzonder kan hieruit niet worden afgeleid dat de interne organisatie van de H3C het mogelijk maakt aan te nemen dat zijn beperkte formatie ten opzichte van de H3C zelf, de hoedanigheid van „derde” heeft in de zin van punt 43 van dit arrest.

60 Zoals door de Franse regering is aangegeven in haar schriftelijke opmerkingen, blijkt voorts uit het toepasselijke nationale recht dat artikel L. 824‑13 van de code de commerce uitdrukkelijk naar het tuchtrechtelijke besluit van de beperkte formatie van de H3C verwijst als zijnde een „besluit van de [H3C]” en niet als een besluit van die beperkte formatie.

61 Gezien bovenstaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de beperkte formatie van de H3C, in de bijzondere wetgevingscontext waarin zij wordt verzocht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen, geen rechtsprekende functie uitoefent, maar wel een administratieve. Zij kan derhalve niet worden aangemerkt als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU, zodat het door haar ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.

Kosten

62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Het verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de formation restreinte du Haut Conseil du commissariat aux comptes (beperkte formatie van de hoge raad voor het externe-accountantswezen, Frankrijk) bij beslissing van 25 mei 2023, is niet-ontvankelijk.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken