HvJ EU 19 september 2024, C-391/21, ECLI:EU:C:2024:769
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
19 september 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Eén statuut voor de leden van het Europees Parlement – In Italiaanse kiesdistricten verkozen leden van het Europees Parlement – Vaststelling door de Italiaanse kamer van afgevaardigden van een besluit inzake pensioenen – Aanpassing van het pensioenbedrag van de leden van het Italiaanse parlement – Overeenkomstige aanpassing door het Europees Parlement van het pensioenbedrag van een in Italië verkozen voormalig lid van het Europees Parlement – Intrekking en vervanging van de besluiten van het Parlement – Voortbestaan van het belang om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie te vorderen”
In zaak C‑391/21 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 juni 2021,
Enrico Falqui, wonende te Florence (Italië), vertegenwoordigd door F. Sorrentino en A. Sandulli, avvocati,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Alves en S. Seyr als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, J.‑C. Bonichot, S. Rodin (rapporteur) en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Enrico Falqui om vernietiging van het arrest van 5 mei 2021, Falqui/Parlement (T‑695/19, EU:T:2021:242; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht zijn beroep heeft verworpen dat strekte tot nietigverklaring, ten eerste, van de door het Europees Parlement opgestelde nota van 8 juli 2019 (hierna: „litigieus besluit”) die betrekking heeft op de aanpassing van het bedrag van het pensioen dat rekwirant geniet, na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van de Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau voor het voorzitterschap van de kamer van afgevaardigden, Italië) van 12 juli 2018 (hierna: „besluit nr. 14/2018”), ten tweede, van de nota van 11 april 2019 die was opgesteld door het hoofd van de eenheid „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het directoraat-generaal Financiën van het Parlement (hierna: „hoofd van de eenheid”) en die betrekking heeft op de aanpassing van het pensioen dat hij geniet, na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018, en ten derde, van advies nr. SJ‑0836/18 van de juridische dienst van het Parlement van 11 januari 2019 (hierna: „advies van de juridische dienst”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Regeling KVL
2 Artikel 1 van bijlage III bij de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement, in de tot 14 juli 2009 geldende versie (hierna: „regeling KVL”), bepaalde: „1. Alle leden van het Europees Parlement hebben recht op een ouderdomspensioen. 2. In afwachting van een definitieve communautaire pensioenregeling voor alle leden van het Europees Parlement en ingeval de nationale pensioenregeling niet in een pensioen voorziet of ingeval de hoogte en/of de berekeningswijze van het pensioen niet dezelfde zijn als die welke gelden voor de leden van het nationale parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement verkozen is, wordt op verzoek van het betrokken lid een voorlopig ouderdomspensioen betaald uit de begroting van de Europese Unie, afdeling Parlement.”
3 Artikel 2 van bijlage III bij de regeling KVL bepaalde: „1. De hoogte en de berekeningswijze van het voorlopige pensioen zijn gelijk aan die van het pensioen van de leden van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement verkozen is. 2. Een lid op wie artikel 1, lid 2, van toepassing is, is gehouden om bij toetreding tot deze regeling een bijdrage in de begroting van de Europese Unie te storten die op zodanige wijze wordt berekend dat hij of zij in totaal dezelfde premie betaalt als een lid van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waar hij of zij verkozen is.
4 Artikel 3, leden 1 en 2, van bijlage III bij de regeling KVL luidde als volgt: „1. Het verzoek om toetreding tot deze voorlopige pensioenregeling moet worden ingediend binnen twaalf maanden na de aanvang van het ambt van de betrokkene. Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van toetreding tot de pensioenregeling vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag. 2. Het verzoek tot betaalbaarstelling van het pensioen moet binnen zes maanden na het ontstaan van het recht worden ingediend. Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van uitkering van het pensioen vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag.”
Statuut van de leden
5 Artikel 25, leden 1 en 2, van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2005, L 262, blz. 1; hierna: „Statuut van de leden”), dat in werking is getreden op 14 juli 2009, luidt als volgt: „1. Leden die vóór de inwerkingtreding van het Statuut reeds in het Parlement zitting hadden en herkozen zijn, kunnen, wat bezoldiging, overbruggingstoelage, ouderdomspensioen en overlevingspensioen betreft, voor de gehele duur van hun mandaat voor de tot dan toe bestaande nationale regeling kiezen. 2. Deze betalingen worden ten laste van de begroting van de lidstaat verricht.”
6 Artikel 28, lid 1, van het Statuut van de leden luidt: „Een aanspraak op pensioen die een lid op het tijdstip van de toepassing van dit Statuut overeenkomstig nationale regelingen heeft verworven, blijft ten volle gehandhaafd.”
Uitvoeringsbepalingen
7 Overweging 7 van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden (PB 2009, C 159, blz. 1), zoals gewijzigd bij het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 13 december 2010 (PB 2010, C 340, blz. 6) (hierna: „uitvoeringsbepalingen”), luidt als volgt: „[I]n de overgangsbepalingen [dient] te worden vermeld dat het beginsel van [bescherming van het] gewettigd vertrouwen gebiedt dat degenen die een bepaalde uitkering uit hoofde van de regeling KVL genieten, ook na de intrekking van de regeling KVL recht houden op die uitkering. Evenzo blijven uit hoofde van de regeling KVL vóór de inwerkingtreding van het [Statuut van de leden] opgebouwde pensioenrechten onverlet.”
8 Artikel 49, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen luidt: „Leden die gedurende ten minste een volledig jaar hun mandaat hebben uitgeoefend, hebben na beëindiging van het mandaat recht op een ouderdomspensioen tot aan hun overlijden, vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 63 jaar bereiken. Voormalige leden of hun wettelijke vertegenwoordiger dienen het verzoek om uitkering van het ouderdomspensioen binnen zes maanden na het ontstaan van het recht in, uitgezonderd in gevallen van overmacht. Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van uitkering van het ouderdomspensioen vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag.”
9 Overeenkomstig artikel 73 van de uitvoeringsbepalingen zijn deze in werking getreden op de dag van inwerkingtreding van het Statuut van de leden, te weten op 14 juli 2009.
10 Artikel 74 van de uitvoeringsbepalingen bepaalt dat, onder voorbehoud van de overgangsbepalingen van titel IV ervan, waaronder artikel 75, de regeling KVL wordt ingetrokken op de dag dat het Statuut van de leden in werking treedt.
11 Artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen luidt: „1. De uitkering van overlevingspensioenen (nabestaandenpensioenen), invaliditeitspensioenen, aanvullende invaliditeitspensioenen voor kinderen ten laste en ouderdomspensioenen die uit hoofde van de bijlagen I, II en III van de regeling KVL zijn toegekend en die de rechthebbenden vóór de datum van inwerkingtreding van het [Statuut van de leden] reeds genoten, wordt overeenkomstig deze bijlagen voortgezet. Wanneer een voormalig lid dat een invaliditeitspensioen ontvangt, overlijdt na 14 juli 2009, wordt het overlevingspensioen uitgekeerd aan de echtgenoot, de ongehuwde partner of ten laste komende kinderen, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in bijlage I bij de regeling [KVL]. 2. De pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het [Statuut van de leden] overeenkomstig bovengenoemde bijlage III zijn opgebouwd, blijven in stand. Aan degenen die dergelijke pensioenrechten hebben opgebouwd, wordt een pensioen uitgekeerd dat overeenkomstig bovengenoemde bijlage III op basis van de opgebouwde rechten wordt berekend, zodra zij overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en een verzoek als bedoeld in artikel 3, lid 2, van bovengenoemde bijlage III hebben ingediend.”
Italiaans recht
12 Artikel 1, leden 1 tot en met 3, van besluit nr. 14/2018 bepaalt: „1. Met ingang van 1 januari 2019 worden de bedragen van de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkeringen, waarvan de rechten zijn verworven op basis van de op 31 december 2011 geldende regelgeving, berekend overeenkomstig de nieuwe regels van dit besluit. 2. De in het vorige lid bedoelde herberekening bestaat erin dat het bedrag van de individuele bijdrage wordt vermenigvuldigd met de omzettingscoëfficiënt voor de leeftijd van het lid op de datum waarop dit lid recht kreeg op de pro rata levenslange toelage of pensioenuitkering. 3. De in tabel 1 bij dit besluit vermelde omzettingscoëfficiënten zijn van toepassing.”
Voorgeschiedenis van het geding
13 De voorgeschiedenis van het geding is weergegeven in de punten 13 tot en met 23 van het bestreden arrest. Deze kan in het kader van de onderhavige hogere voorziening als volgt worden samengevat.
14 Rekwirant is voormalig lid van het Europees Parlement, dat in Italië verkozen was. Hij geniet een ouderdomspensioen.
15 Middels een toelichting die als bijlage bij zijn pensioenafrekening van de maand januari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement rekwirant ervan in kennis gesteld dat het bedrag van zijn ouderdomspensioen overeenkomstig besluit nr. 14/2018 zou kunnen worden herzien en dat deze herberekening eventueel zou kunnen leiden tot terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde bedragen.
16 Het Parlement heeft, door dit besluit krachtens artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL toe te passen, het bedrag van het ouderdomspensioen van rekwirant vanaf 1 januari 2019 verlaagd.
17 Bij een niet-gedateerde nota van het hoofd van de eenheid, die bij de pensioenafrekening van rekwirant van de maand februari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement hem er middels het advies van de juridische dienst om te beginnen van in kennis gesteld dat besluit nr. 14/2018 automatisch op zijn situatie van toepassing was. Daarnaast zou het Parlement, zodra het de nodige informatie van de Camera dei deputati (kamer van afgevaardigden, Italië) zou hebben ontvangen, rekwirant in kennis stellen van het nieuwe bedrag van zijn ouderdomspensioen en het eventuele verschil over de volgende twaalf maanden terugvorderen. Ten slotte heeft het rekwirant meegedeeld dat het definitieve bedrag van zijn pensioen zou worden vastgesteld bij een formele handeling waartegen een klacht zou kunnen worden ingediend of beroep tot nietigverklaring zou kunnen worden ingesteld.
18 Bij nota van 11 april 2019 heeft het hoofd van de eenheid rekwirant in de eerste plaats meegedeeld dat, zoals hij had aangekondigd in zijn bij de pensioenafrekening van rekwirant van de maand februari 2019 gevoegde nota, het bedrag van diens ouderdomspensioen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL zou worden aangepast ten belope van de verlaging van de soortgelijke pensioenen die de kamer van afgevaardigden krachtens besluit nr. 14/2018 in Italië aan voormalige nationale parlementsleden uitkeert. In de tweede plaats zou het pensioenbedrag van rekwirant vanaf de maand april 2019, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, worden aangepast overeenkomstig het ontwerp voor de vaststelling van de nieuwe pensioenbedragen dat bij die nota was gevoegd. In de derde plaats is rekwirant bij de nota van 11 april 2019 een termijn van 30 dagen toegekend, te rekenen vanaf de datum van ontvangst, om zijn opmerkingen te maken. Bij gebreke van dergelijke opmerkingen zouden de gevolgen van deze nota als definitief worden beschouwd en zouden met name de voor de maanden januari tot en met maart 2019 ten onrechte ontvangen bedragen worden teruggevorderd.
19 Bij e-mail van 23 mei 2019 heeft rekwirant zijn opmerkingen aan het Parlement gezonden.
20 Op 10 juni 2019 heeft rekwirant bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de nota van 11 april 2019 ingesteld, dat is ingeschreven onder zaaknummer T‑347/19. Dit beroep is bij beschikking van 3 juli 2020, Falqui en Poggiolini/Parlement (T‑347/19 en T‑348/19, EU:T:2020:303), kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Rekwirant heeft geen hogere voorziening ingesteld tegen deze beschikking.
21 In het litigieuze besluit heeft het hoofd van de eenheid erop gewezen dat de door rekwirant ingediende opmerkingen geen gegevens bevatten die een herziening van het standpunt van het Parlement, zoals tot uiting gebracht in het ontwerpbesluit, rechtvaardigden. Bijgevolg waren het bedrag van het ouderdomspensioen en het daaruit voortvloeiende schema voor de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen, zoals herberekend en meegedeeld in de bijlage bij het ontwerpbesluit, definitief geworden op de datum van kennisgeving van het litigieuze besluit.
22 Rekwirant heeft in eerste instantie geen kennisgeving van het litigieuze besluit ontvangen, daar deze door de Italiaanse post was teruggezonden naar de Belgische post. Pas op 29 augustus 2019, toen het Parlement zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid in zaak T‑347/19 opwierp, heeft rekwirant kennisgenomen van het litigieuze besluit. Evenwel heeft het Parlement rekwirant, na de neerlegging van die exceptie van niet-ontvankelijkheid, in tweede instantie met succes in kennis gesteld van het litigieuze besluit.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
23 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 oktober 2019, heeft rekwirant beroep tot nietigverklaring van de nota van 11 april 2019 en van het advies van de juridische dienst ingesteld.
24 Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring heeft rekwirant drie middelen aangevoerd. Het eerste middel was ontleend aan schending van de uitvoeringsbepalingen. Het tweede middel was erop gebaseerd dat het Parlement, gelet op de vermeende onrechtmatigheid van besluit nr. 14/2018 in het licht van het Italiaanse recht, had moeten weigeren dat besluit op de situatie van rekwirant toe te passen. Het derde middel was ontleend aan schending van de beginselen van voorrang van het Unierecht, rechtszekerheid, bescherming van het gewettigd vertrouwen en evenredigheid.
25 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht die drie middelen afgewezen en bijgevolg het beroep verworpen.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
26 Rekwirant verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het advies van de juridische dienst, het ontwerpbesluit en het litigieuze besluit nietig te verklaren; – het Parlement te verwijzen in de kosten van beide instanties.
27 Het Parlement verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirant te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten in eerste aanleg.
28 Op 12 januari 2022 heeft Falqui ter griffie van het Hof een kopie neergelegd van uitspraak nr. 4/2021 van de Consiglio di giurisdizione della Camera dei deputati (arbitrageraad van de kamer van afgevaardigden, Italië) van 23 december 2021 (hierna: „uitspraak nr. 4/2021”), waarbij besluit nr. 14/2018 nietig is verklaard. Dit document is in dat stadium niet aan het dossier toegevoegd.
29 Op 9 maart 2022 hebben rekwiranten in de zaak Santini e.a./Parlement (C‑198/21 P) dezelfde uitspraak neergelegd ter griffie van het Hof.
30 In de onderhavige zaak alsmede in de zaken Coppo Gavazzi e.a./Parlement (C‑725/20 P) en Santini e.a./Parlement (C‑198/21 P) heeft de griffie op 16 maart 2022 aan de partijen in die zaken een maatregel tot organisatie van de procesgang gezonden waartoe de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal krachtens artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof hadden besloten. Deze maatregel hield in dat zij werden verzocht alle documenten over te leggen die van invloed konden zijn op het voorwerp van de hen betreffende zaak, en met name uitspraak nr. 4/2021.
31 Op 23 maart 2022 heeft rekwirant verschillende documenten overgelegd, waaronder uitspraak nr. 4/2021. Op 29 maart 2022 heeft ook het Parlement verschillende documenten overgelegd, waaronder uitspraak nr. 4/2021 en een document met als opschrift „Nieuwe regels voor de berekening van de pensioenen, vastgesteld door de Italiaanse kamer van afgevaardigden”. Het Parlement heeft het Hof ook meegedeeld dat het, na ontvangst van de aanvullende verduidelijkingen, waar het de kamer van afgevaardigden om had verzocht met betrekking tot de concrete toepassing van die regels, een nieuwe berekening van het ouderdomspensioen van rekwirant zou maken en hem een nieuw ontwerpbesluit betreffende de vaststelling van zijn pensioenrechten zou toezenden, waarover hij vóór de vaststelling van een definitief besluit opmerkingen zou kunnen indienen.
32 Op 21 september 2022 heeft het Parlement het definitieve besluit tot vaststelling van het nieuwe bedrag van het ouderdomspensioen van rekwirant, met de verschuldigde achterstallige bedragen, vastgesteld (hierna: „nieuw besluit van het Parlement”).
33 Bij beslissing van 25 oktober 2022 heeft de president van het Hof partijen verzocht te preciseren of zij van mening waren dat, ten eerste, het nieuwe besluit van het Parlement ex tunc in de plaats was gekomen van het litigieuze besluit en, ten tweede, de hogere voorziening na de vaststelling van dit nieuwe besluit haar voorwerp behield.
34 Op 29 november 2022 heeft het Parlement gepreciseerd dat het van mening was dat het nieuwe besluit van het Parlement ex tunc in de plaats was gekomen van het litigieuze besluit, maar dat de hogere voorziening haar voorwerp behield. Het is immers in het belang van partijen en van een goede rechtsbedeling dat het Hof zich uitspreekt over de gegrondheid van de hogere voorziening, teneinde duidelijkheid te verschaffen over de vraag of het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en of het Parlement op basis van artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL het pensioen van rekwirant kan herberekenen in geval van een wijziging in de toepasselijke nationale regeling.
35 Bij op 29 november 2022 neergelegde brief heeft rekwirant te kennen gegeven dat hij er nog steeds belang bij had dat het Hof zich uitspreekt over de uitlegging van artikel 75, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen. Bij het nieuwe besluit van het Parlement is het zich immers automatisch blijven baseren op de nationale regels om de berekeningswijze van het bedrag van het uit hoofde van de regeling KVL uitgekeerde ouderdomspensioen te wijzigen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat het betrokken voormalige lid van het Europees Parlement in dit opzicht het risico loopt te worden geconfronteerd met veranderlijke besluiten van een nationaal politiek orgaan.
Hogere voorziening
36 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening, waarmee hij in wezen beoogt op te komen tegen het feit dat het Gerecht heeft bevestigd dat de uitlegging van artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL (hierna: „interne regels van het Parlement”), juist is, voert rekwirant vijf middelen aan. Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is ontleend aan een onjuiste uitlegging van artikel 1, lid 2, en artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL en van artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen, het tweede aan schending van artikel 28 van het Statuut van de leden en het derde aan een onjuiste beoordeling van de gevolgen van besluit nr. 14/2018. Het tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, is ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het evenredigheidsbeginsel. Met zijn derde middel betoogt rekwirant dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat een nationale pensioenregeling door het Parlement automatisch op zijn voormalige leden kan worden toegepast, zonder dat deze instelling de rechtmatigheid van die nationale regeling heeft getoetst. Het vierde middel betreft een onjuiste opvatting van het Gerecht omdat het geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van een rechterlijke beslissing die was gegeven na besluit nr. 14/2018. Het vijfde middel, dat uit drie onderdelen bestaat, is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht op meerdere punten, voor zover het, ten eerste, ten onrechte het tweede en het derde middel van het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk heeft verklaard, ten tweede, zich onbevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen op de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden bedragen ingeval het beroep zou slagen en, ten derde, het rekwirant heeft verwezen in zijn eigen kosten en in die van het Parlement.
Opmerkingen vooraf over het voortbestaan van het procesbelang van rekwirant
37 Blijkens punt 32 van het onderhavige arrest strekt het nieuwe besluit van het Parlement, dat in de loop van de procedure bij het Hof is vastgesteld, tot vaststelling van het nieuwe bedrag van het aan rekwirant uitgekeerde ouderdomspensioen, met de verschuldigde achterstallige bedragen.
38 In dit verband zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het voorwerp van het geding, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing moet blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen veronderstelt dat de uitkomst van de hogere voorziening de partij die het heeft ingesteld, tot voordeel kan strekken (arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie,C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Het feit dat de door een verzoeker of een rekwirant aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren, doet zijn procesbelang echter niet noodzakelijkerwijs verdwijnen (zie in die zin arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 62).
40 In bepaalde omstandigheden kan een verzoeker of een rekwirant een belang behouden bij de nietigverklaring van een in de loop van het geding ingetrokken handeling, teneinde de auteur van de aangevochten handeling ertoe te brengen in de toekomst passende wijzigingen aan te brengen en aldus het risico te voorkomen dat de onrechtmatigheid die beweerdelijk aan de aangevochten handeling kleeft, wordt herhaald (arrest van 6 september 2018, Bank Mellat/Raad,C‑430/16 P, EU:C:2018:668, punt 64 en de aangehaalde rechtspraak).
41 In casu volgt ondubbelzinnig uit het in punt 34 van het onderhavige arrest samengevatte antwoord van het Parlement van 29 november 2022 dat deze instelling ook in de toekomst de pensioenen van voormalige leden van het Europees Parlement wil herberekenen in geval van een wijziging in de in artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL bedoelde nationale regeling (hierna: „dynamische regeling”).
42 Hoewel het Parlement het litigieuze besluit heeft vervangen door het nieuwe besluit, is dit besluit gebaseerd op een uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op voormalige leden van het Europees Parlement die een ouderdomspensioen genieten, en die, zoals rekwirant, binnen de werkingssfeer van bijlage III bij de regeling KVL vallen (hierna: „betrokken voormalige leden van het Europees Parlement”).
43 Juist deze uitlegging stelt rekwirant ter discussie in het kader van de onderhavige hogere voorziening. Hieruit volgt dat rekwirant, ondanks de vervanging ex tunc van het litigieuze besluit, nog steeds belang heeft bij de vaststelling dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de juistheid van deze uitlegging te bevestigen, aangezien deze uitlegging door het Parlement kan worden gehanteerd wanneer het, in de toekomst, soortgelijke besluiten vaststelt als het litigieuze of het nieuwe besluit van het Parlement, zodat niet alleen het risico bestaat dat de gestelde onrechtmatigheid wordt herhaald in de zin van de in punt 40 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak, maar ook het risico dat het Gerecht in geval van een beroep tot nietigverklaring van dergelijke soortgelijke besluiten opnieuw de vermeende onjuiste rechtsopvattingen zou volgen die deze rechterlijke instantie ertoe hebben gebracht de gegrondheid van die uitlegging te bevestigen.
44 Hieruit vloeit voort dat moet worden geoordeeld dat rekwirant een procesbelang behoudt om bij het Hof op te komen, voor zover de onderhavige hogere voorziening is gericht tegen de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest die de noodzakelijke onderbouwing vormen van het oordeel van het Gerecht dat uit de interne regels van het Parlement volgt dat het verplicht is de dynamische regeling toe te passen op rekwirant.
Eerste middel
Argumenten van partijen
45 Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen.
46 Met het eerste onderdeel betoogt rekwirant dat, anders dan het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, de regeling KVL bij het Statuut van de leden is ingetrokken en voor de toekomst buiten toepassing is verklaard.
47 Krachtens artikel 1, lid 2, van bijlage III bij de regeling KVL was de bij deze regeling ingevoerde pensioenregeling immers slechts voorlopig van aard. Evenwel preciseren de uitvoeringsbepalingen dat, ter bescherming van de legitieme verwachtingen van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, op basis van de regels in de regeling KVL reeds verleende of althans reeds opgebouwde pensioenrechten ongewijzigd blijven.
48 Blijkens overweging 7 van de uitvoeringsbepalingen alsmede artikel 75 daarvan, gelezen in het licht van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, zijn uitkeringen die zijn toegekend of opgebouwd op basis van de regeling KVL in de periode waarin deze van kracht was, anders dan het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest heeft overwogen, onaantastbaar. De verwijzing naar het nationale recht, in bijlage III bij de regeling KVL, moet dus worden begrepen als een verwijzing naar de nationale wetgeving zoals deze van toepassing was op het tijdstip waarop het recht op pensioen werd verworven.
49 Anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, kan het feit dat de regeling KVL preciseert dat de daarbij ingevoerde pensioenregeling „voorlopig” was ingesteld, „[i]n afwachting van een definitieve communautaire pensioenregeling voor alle leden van het Europees Parlement”, niet aldus worden uitgelegd dat deze regeling na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden moest worden gehandhaafd. Het gebruik van de tegenwoordige tijd geeft enkel uitdrukking aan het feit dat de regel toen, op het tijdstip van de invoering ervan en tot de intrekking ervan, actueel was.
50 Artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen bepaalt niet dat voor de reeds toegekende pensioenen of de reeds opgebouwde pensioenen in de toekomst de regel blijft gelden volgens welke het bedrag van het pensioen van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement te allen tijde moet zijn afgestemd op het bedrag dat de nationale parlementsleden genieten, maar dat de uitkering van de pensioenen die in het verleden reeds zijn toegekend op basis van deze regel, „wordt […] voortgezet” en dat de reeds opgebouwde pensioenrechten „in stand [blijven]”.
51 Indien de op basis van de regeling KVL toegekende of opgebouwde uitkeringen niet onaantastbaar zouden zijn krachtens de uitvoeringsbepalingen, zouden deze in strijd zijn met hun doel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, daar de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement geconfronteerd zouden worden met wijzigingen die worden aangebracht aan de regels voor de berekening van hun ouderdomspensioen wegens nieuwe nationale regels ter zake, terwijl de leden van het Europees Parlement die hun mandaat hebben uitgeoefend vanaf de zittingsperiode 2009‑2014 recht hebben op een ouderdomspensioen waarvan het bedrag vast en onaantastbaar is.
52 Met het tweede onderdeel van zijn eerste middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het in punt 62 van het bestreden arrest heeft overwogen dat zijn uitlegging van de interne regels van het Parlement, in punt 57 van dat arrest, volgens welke deze instelling gehouden is altijd dezelfde regels betreffende de hoogte en de berekeningswijze van de ouderdomspensioenen van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement toe te passen als die welke zijn vastgesteld in het recht van de lidstaat waarin zij waren verkozen, niet in strijd is met artikel 28 van het Statuut van de leden, omdat deze bepaling enkel van toepassing is op pensioenrechten die de parlementsleden krachtens de nationale regelingen hebben verworven terwijl de pensioenrechten van rekwirant zijn verworven op basis van de bepalingen van bijlage III bij de regeling KVL.
53 Uit artikel 1, lid 2, en artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL vloeit voort dat het daarmee nagestreefde doel erin bestond elk verschil in behandeling te vermijden tussen enerzijds de leden van het Europees Parlement die zijn verkozen in lidstaten die, op hun eigen kosten, een gelijk pensioen als dat van de leden van het nationale parlement waarborgden en, anderzijds, de leden van het Europees Parlement die zijn verkozen in lidstaten die, zoals de Italiaanse Republiek, voor hen niet voorzagen in pensioenen die gelijk zijn aan die van de leden van het nationale parlement.
54 Zelfs indien met het Gerecht zou moeten worden aangenomen dat artikel 28 van het Statuut van de leden enkel verwijst naar de leden van het Europees Parlement die een recht op pensioen hebben verworven „krachtens de nationale regelingen”, zou de doelstelling om de twee in het vorige punt bedoelde categorieën van leden van het Europees Parlement gelijk te trekken zich ertegen verzetten dat de overgangsregeling voor voormalige leden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Statuut van de leden reeds een ouderdomspensioen genoten, in wezen zou kunnen verschillen naargelang dit pensioen wordt toegekend door een lidstaat dan wel door het Parlement op grond van bijlage III bij de regeling KVL.
55 Met het derde onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirant het Gerecht te hebben geoordeeld dat besluit nr. 14/2018 slechts invloed heeft gehad op het bedrag van de ouderdomspensioenen van de voormalige leden van het Italiaanse parlement, terwijl het van invloed is geweest op hun recht op pensioen als zodanig, en dit met terugwerkende kracht.
56 Volgens dit besluit werden de pensioenrechten die reeds waren verworven en vastgesteld op basis van de Italiaanse regeling van vóór 2012, die voorzag in de toekenning van een uitkering van gemengde aard waarin pensioen en verzekering waren gecombineerd, immers vervangen door een op premiebetaling berustend pensioenstelsel. Hieruit volgt dat het Parlement, door besluit nr. 14/2018 toe te passen op de situatie van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, niet alleen het bedrag van hun ouderdomspensioen wijzigt, maar ook hun verworven recht op pensioen, door dit recht met terugwerkende kracht in te trekken en te vervangen door een ander recht, waarvan de aard en de toekenningsvoorwaarden verschillen.
Beoordeling door het Hof
– Opmerkingen vooraf
57 Met het eerste onderdeel van zijn eerste middel betoogt rekwirant dat de regeling KVL bij het Statuut van de leden is ingetrokken en voor de toekomst buiten toepassing is verklaard, zodat het bedrag van de uitkeringen die op grond van de regeling KVL werden toegekend of waren opgebouwd tijdens de periode waarin deze van kracht was, onaantastbaar is geworden.
58 Met een dergelijke grief betwist rekwirant in wezen de gegrondheid van de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
59 Dit geldt ook voor het tweede onderdeel omdat de uitlegging van artikel 28 van het Statuut van de leden die het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest heeft gegeven en volgens welke deze bepaling enkel van toepassing is op pensioenrechten die de leden krachtens de nationale regelingen hebben verworven, een van de redenen vormt waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat artikel 75, lid 2, eerste volzin, van de uitvoeringsbepalingen niet aldus kon worden uitgelegd dat het de betrokken voormalige leden het recht op een vast en onveranderlijk bedrag aan ouderdomspensioen zou garanderen.
60 Met het derde onderdeel van dit middel voert rekwirant aan dat besluit nr. 14/2018 van invloed is geweest op zijn recht op pensioen. Met dit onderdeel betwist rekwirant dus niet de juistheid van de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
61 Bijgevolg dienen alleen het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel te worden onderzocht.
– Ten gronde
62 Rekwirant verwijt het Gerecht in wezen dat het in punt 67 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het Parlement zich op goede gronden op zijn interne regels kon baseren om de dynamische regeling op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement toe te passen.
63 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL „de hoogte en de berekeningswijze van het voorlopige pensioen [gelijk zijn] aan die van het pensioen van de leden van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement is verkozen”.
64 Zoals het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest in wezen heeft aangegeven, blijkt uit de uitdrukking „[d]e hoogte en de berekeningswijze van het voorlopige pensioen zijn gelijk” dat het Parlement op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement de regels voor de berekening van de pensioenen moet toepassen zoals deze worden toegepast op de leden van het parlement van de lidstaat waarin die voormalige leden van het Europees Parlement zijn verkozen. Met andere woorden, deze instelling is verplicht de dynamische regeling toe te passen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
65 Deze uitlegging van artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL is in overeenstemming met het doel dat met deze bepaling wordt nagestreefd, zoals dat voortvloeit uit artikel 1, lid 2, van die bijlage.
66 Volgens laatstgenoemde bepaling komen immers enkel de voormalige leden van het Europees Parlement voor wie de pensioenregeling van de lidstaat waar zij zijn verkozen niet voorziet in een pensioen of voor wie de hoogte en/of berekeningswijze van het pensioen waarop zij aanspraak kunnen maken, niet dezelfde zijn als die welke gelden voor de leden van het nationale parlement, in aanmerking voor het in artikel 2, lid 1, van die bijlage bedoelde pensioen.
67 Artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL heeft dus hoofdzakelijk tot doel voormalige leden van het Europees Parlement die zich in de in artikel 1, lid 2, van die bijlage bedoelde situatie bevinden, in staat te stellen op dezelfde wijze te worden behandeld als de leden van het Europees Parlement wier nationale pensioenregeling wel een recht op pensioen bevatte waarvan de hoogte en/of de berekeningswijze identiek waren aan die welke golden voor de leden van hun nationale parlement.
68 De uitlegging van deze bepaling in die zin dat zij het Parlement verplicht de dynamische regeling toe te passen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, heeft dus tot gevolg dat op hen, net als op die andere voormalige leden van het Europees Parlement, de wijzigingen in de regels voor de berekening van het pensioenbedrag van de leden van hun nationaal parlement van toepassing zijn.
69 Dit op bijlage III bij de regeling KVL gebaseerde stelsel is op grond van artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden gehandhaafd, met name wat de ouderdomspensioenen van voormalige leden van het Europees Parlement betreft.
70 Het is juist dat artikel 74 van de uitvoeringsbepalingen bepaalt dat de regeling KVL wordt ingetrokken op de dag dat het Statuut van de leden in werking treedt. Zoals deze bepaling uitdrukkelijk vermeldt, geldt deze intrekking van de regeling KVL evenwel onder voorbehoud van de overgangsbepalingen van titel IV van die uitvoeringsbepalingen. Een van die overgangsbepalingen is artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen.
71 Krachtens artikel 75, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen, dat, zoals het Gerecht in punt 51 van he bestreden arrest heeft geconstateerd, van toepassing is op rekwirant, wordt de uitkering van de ouderdomspensioenen die krachtens bijlage III bij de regeling KVL zijn toegekend en die de rechthebbenden vóór de datum van inwerkingtreding van het statuut reeds genoten, overeenkomstig deze bijlage voortgezet.
72 Zoals het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest op goede gronden heeft opgemerkt, moet uit de bewoordingen van deze bepaling, en meer in het bijzonder uit de gebiedende formulering „wordt […] overeenkomstig [bijlage III bij de regeling KVL] voortgezet”, alsmede uit het gebruik van de tegenwoordige tijd in deze formulering, worden afgeleid dat de dynamische regeling na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden van toepassing blijft op de voormalige leden van het Europees Parlement.
73 Bijgevolg heeft het Gerecht, anders dan rekwirant in het kader van dit eerste onderdeel betoogt, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 49 van het bestreden arrest te oordelen dat de bepalingen van bijlage III bij de IDF-verordening niet zijn ingetrokken na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden.
74 Aan de uitlegging van artikel 75, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen volgens welke de dynamische regeling van toepassing blijft op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden, wordt, anders dan rekwirant betoogt, niet afgedaan door lid 2 van die bepaling, en evenmin door overweging 7 van die uitvoeringsbepalingen of door artikel 28 van het Statuut van de leden.
75 Wat om te beginnen artikel 75, lid 2, eerste volzin, van de uitvoeringsbepalingen betreft, daarin is bepaald dat „de pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het [Statuut van de leden] overeenkomstig bijlage III [bij de regeling KVL] zijn opgebouwd, […] in stand [blijven]”.
76 Anders dan rekwirant stelt, kan uit deze bepaling geen enkele waarborg worden afgeleid met betrekking tot de betaling van een ouderdomspensioen dat wordt berekend op basis van de op de dag van inwerkingtreding van het Statuut van de leden geldende regels voor de berekening van de nationale pensioenen.
77 In dit verband moet worden opgemerkt dat bij het Statuut van de leden en de uitvoeringsbepalingen twee opeenvolgende pensioenregelingen zijn ingevoerd die twee soorten pensioenrechten inhouden, te weten, enerzijds, de ouderdomspensioenrechten die vóór 14 juli 2009, de datum van inwerkingtreding van dat Statuut, waren opgebouwd op basis van de interne regels van het Parlement, en anderzijds, de ouderdomspensioenrechten die sinds die datum zijn opgebouwd op basis van artikel 49 van de uitvoeringsbepalingen.
78 Zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest heeft vastgesteld is in dit verband artikel 75, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen van toepassing op voormalige leden van het Europees Parlement, waaronder rekwirant, die bijdragen aan de begroting van de Unie hebben betaald uit hoofde van artikel 2, lid 2, van bijlage III bij de regeling KVL en die vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden van het Europees Parlement al een pensioen krachtens die bijlage genoten, terwijl artikel 75, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen van toepassing is op voormalige leden van het Europees Parlement die weliswaar ook dergelijke bijdragen hebben betaald, maar op de datum van inwerkingtreding van het Statuut van de leden nog geen ouderdomspensioen genoten.
79 Overeenkomstig artikel 75, lid 2, tweede volzin, van de uitvoeringsbepalingen wordt „aan degenen die [overeenkomstig bijlage III bij de regeling KVL] pensioenrechten hebben opgebouwd, […] een pensioen uitgekeerd dat overeenkomstig [die bijlage] op basis van de opgebouwde rechten wordt berekend, zodra zij overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en een verzoek als bedoeld in artikel 3, lid 2, van bovengenoemde bijlage III hebben ingediend”.
80 Aangezien artikel 75, lid 2, tweede volzin, van de uitvoeringsbepalingen voorwaarden bevat waaraan voormalige leden van het Europees Parlement moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een pensioen dat wordt berekend op basis van hun overeenkomstig bijlage III bij de regeling KVL opgebouwde rechten, is deze bepaling niet van toepassing op voormalige leden van het Europees Parlement die vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden al een pensioen krachtens die bijlage genoten, zoals rekwirant.
81 Voor zover in de tweede volzin van artikel 75, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen is bepaald dat aan de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement op grond van bijlage III bij de regeling KVL een ouderdomspensioen wordt uitgekeerd op basis van krachtens deze regeling opgebouwde rechten, moet het begrip „opgebouwde pensioenrechten” in de zin van dat artikel 75, lid 2, bovendien aldus worden opgevat dat het ziet op de pensioenrechten die voortvloeien uit de bijdragen die elk van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement heeft betaald en die de berekeningsgrondslag vormen voor het ouderdomspensioen dat op grond van artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL aan hem wordt uitgekeerd. Dit begrip kan derhalve niet aldus worden opgevat dat het verwijst naar een vermeend recht op een vast en onveranderlijk bedrag aan ouderdomspensioen, dat wordt berekend op basis van de nationale regels die van kracht waren op het tijdstip van inwerkingtreding van het Statuut van de leden of bij de toetreding tot de bij die bepaling ingevoerde pensioenregeling.
82 Wat vervolgens overweging 7 van de uitvoeringsbepalingen betreft, deze vermeldt, ten eerste, dat „het beginsel van [bescherming van het] gewettigd vertrouwen gebiedt dat degenen die een bepaalde uitkering uit hoofde van de regeling KVL genieten, ook na de intrekking van de regeling KVL recht houden op die uitkering” en, ten tweede, dat „uit hoofde van de regeling KVL vóór de inwerkingtreding van het [Statuut van de leden] opgebouwde pensioenrechten onverlet [blijven]”.
83 Uit deze overweging vloeit voort dat daarin wordt gepreciseerd dat de krachtens deze regeling toegekende uitkeringen worden voortgezet, zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat deze regeling na die datum niet meer van toepassing zou zijn.
84 Het begrip „opgebouwde pensioenrechten” heeft in die overweging dus dezelfde draagwijdte als in artikel 75, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen, zoals gepreciseerd in punt 81 van het onderhavige arrest.
85 De waarborg in artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen dat voor de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement die bijdragen hebben betaald uit hoofde van de bij de regeling KVL ingevoerde pensioenregeling, die regeling blijft gelden en dat zij het recht blijven houden dat het bedrag van hun ouderdomspensioen wordt bepaald volgens de dynamische regeling, draagt bij tot de verwezenlijking van het doel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
86 In deze context van een onderzoek van de interne regels van het Parlement kon het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, vaststellen dat de interne regels van het Parlement expliciet vereisen dat het Parlement altijd dezelfde regels betreffende de hoogte en de berekeningswijze van de pensioenen toepast als die welke in het recht van de betrokken lidstaat zijn vastgesteld.
87 Wat ten slotte artikel 28 van het Statuut van de leden betreft, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat deze bepaling enkel van toepassing is op pensioenrechten die voormalige leden van het Europees Parlement niet op grond van bijlage III bij de regeling KVL maar op grond van nationale pensioenregelingen hebben verworven, zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van deze bepaling. Anders dan rekwirant betoogt, is deze bepaling als zodanig niet van invloed op de uitlegging van artikel 75, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen.
88 Anders dan rekwirant betoogt roept voorts het feit dat de krachtens de nationale pensioenregeling verworven rechten ingevolge artikel 28 van het Statuut van de leden gehandhaafd blijven op de dag waarop dat statuut van toepassing wordt, geen verschil in behandeling in het leven ten nadele van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, wier pensioenbedragen uit hoofde van de dynamische regeling kunnen worden gewijzigd. Uit artikel 28 van het Statuut van de leden volgt immers enkel dat de vaststelling van dit statuut geen afbreuk doet aan de pensioenrechten die voormalige leden van het Europees Parlement hebben opgebouwd krachtens de nationale pensioenregelingen, en niet dat het de lidstaten wordt verboden de regels voor de berekening van de krachtens die regelingen uitgekeerde ouderdomspensioenen te wijzigen.
89 Zowel uit de bewoordingen als uit de context en het doel van de interne regels van het Parlement blijkt dus dat het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kon oordelen dat het Parlement zich op goede gronden op zijn interne regels kon baseren om de dynamische regeling toe te passen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
90 Het eerste middel moet bijgevolg deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden verklaard.
Tweede middel
Argumenten van partijen
91 Het tweede middel bestaat in wezen uit twee onderdelen.
92 Met het eerste onderdeel betoogt rekwirant dat het Gerecht, om de in het kader van het eerste middel uiteengezette redenen, in de punten 94 tot en met 98 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het Parlement het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen niet had geschonden omdat het rekwirant geen andere toezegging had gedaan dan die welke zijn vervat in artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen en artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL.
93 Met het tweede middel stelt rekwirant dat het Gerecht in de punten 100 tot en met 110 van het bestreden arrest het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
94 Ten eerste is het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest ten onrechte niet in het licht van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, zoals dat voortvloeit uit de uitvoeringsbepalingen, maar in het licht van het doel van de Italiaanse Republiek om de overheidsuitgaven te verlagen wegens een ernstige economische crisis, nagegaan of het litigieuze besluit in overeenstemming was met dit beginsel. Aangezien zijn pensioen op de begroting van de Unie drukt en niet op die van die lidstaat, kan een dergelijk doel volgens rekwirant niet worden ingeroepen om zijn pensioenbedrag te verlagen.
95 Ten tweede heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de evenredigheid van het litigieuze besluit is gewaarborgd door het feit dat besluit nr. 14/2018 „een aantal bepalingen bevat die de evenredigheid ervan waarborgen, in het bijzonder artikel 1, leden 6 en 7, van [laatstgenoemd] besluit”. Een uitspraak van de arbitrageraad van de kamer van afgevaardigden heeft artikel 1, lid 7, van besluit nr. 14/2018 echter nietig verklaard op grond dat deze bepaling niet volstond ter compensatie van de onevenredige aantastingen die dat besluit meebracht.
96 Ten derde betoogt rekwirant dat het duidelijk is dat de verlaging van het bedrag van zijn ouderdomspensioen onevenredig en buitensporig is, aangezien het litigieuze besluit dit pensioen heeft verlaagd van 3108,58 EUR tot 1644 EUR.
97 Het Parlement betoogt dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.
Beoordeling door het Hof
– Opmerkingen vooraf
98 Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel betoogt rekwirant in wezen dat de toepassing van nieuwe regels voor de berekening van het bedrag van zijn ouderdomspensioen niet in overeenstemming is met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien de interne regels van het Parlement beogen te waarborgen dat de regels voor de berekening van de pensioenen van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement onveranderlijk zijn.
99 Met een dergelijke grief betwist rekwirant dus in wezen de juistheid van de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
100 Met het tweede onderdeel van dit middel betwist rekwirant dat bij het onderzoek van de rechtmatigheid van het bestreden besluit rekening kan worden houden met de doelstellingen van besluit nr. 14/2018 en met de waarborgen die dit besluit zou bevatten met betrekking tot de evenredigheid van de verlaging van het bedrag van het ouderdomspensioen.
101 Deze grief betreft de juistheid van de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven van de interne regels van het Parlement, in die zin dat deze regels, tot aanpassingen van de pensioenen van de voormalige leden van het Europees Parlement moeten leiden, gelet op de doelen van de nationale pensioenregelingen en rekening gehouden met de door deze regelingen geboden waarborgen.
102 Daaruit volgt dat de gegrondheid van het tweede middel dient te worden onderzocht.
– Ten gronde
103 Vooraf zij eraan herinnerd dat een Uniehandeling volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zo veel mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de geldigheid ervan en dat het gehele primaire recht, waaronder met name de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), in acht wordt genomen. Wanneer een bepaling van afgeleid Unierecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, verdient de uitlegging die ervoor zorgt dat de bepaling in overeenstemming is met het primaire recht dan ook de voorkeur boven de uitlegging die met zich meebrengt dat zij in strijd is met dat recht (arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains,C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 Bijgevolg moet worden onderzocht of de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het die dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, welke uitlegging ertoe heeft geleid dat het litigieuze besluit is vastgesteld, in overeenstemming is met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
105 Volgens de rechtspraak van het Hof kan niemand zich met succes op schending van dit beginsel beroepen wanneer de overheid hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan. Het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen kan worden ingeroepen door eenieder bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft gewekt. In dit verband vormen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen die uit bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld, toezeggingen die dergelijke verwachtingen kunnen wekken (zie in die zin arrest van 23 januari 2019, Deza/ECHA,C‑419/17 P, EU:C:2019:52, punten 69 en 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106 Wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer in staat is de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel van de Unie te voorzien, kan hij zich daarentegen niet op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 23 januari 2019, Deza/ECHA,C‑419/17 P, EU:C:2019:52, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat blijkens de punten 63 tot en met 89 van het onderhavige arrest de interne regels van het Parlement de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement enkel het recht waarborgen op een pensioen waarvan de hoogte en de berekeningswijze identiek zijn aan die van het pensioen dat wordt ontvangen door de leden van het parlement van de lidstaat waarin zij zijn verkozen.
108 Ten tweede heeft het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwirant noch had aangetoond, noch had gesteld dat het Parlement hem andere toezeggingen had gedaan dan die welke in die bepalingen zijn vervat.
109 Het feit dat rekwirant is toegetreden tot de bij artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL ingevoerde pensioenregeling, geeft hem evenwel niet het recht op een vast en onveranderlijk ouderdomspensioen op het tijdstip van zijn toetreding tot die regeling. Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld in punt 97 van het bestreden arrest, was de enige nauwkeurige en onvoorwaardelijke toezegging die het Parlement hem kon geven, immers de toezegging dat aan hem overeenkomstig de interne regels van het Parlement een ouderdomspensioen zou worden uitgekeerd waarvan, overeenkomstig de dynamische regeling, de hoogte en de voorwaarden dezelfde zouden zijn als die welke golden voor de leden van het parlement van de lidstaat waarin hij was verkozen.
110 Hieruit volgt dat de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, in overeenstemming is met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
111 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
112 Wat het tweede onderdeel van dit middel betreft, moet worden vastgesteld dat voor zover de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, kan leiden tot een verlaging van het bedrag van een pensioen die invloed heeft op de levenskwaliteit van de betrokkene, deze uitlegging kan leiden tot een beperking van het in artikel 17 van het Handvest verankerde recht op eigendom (zie naar analogie arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 1 september 2015, Da Silva Carvalho Rico tegen Portugal, CE:ECHR:2015:0901DEC001334114, § 33).
113 Het recht op eigendom is echter niet absoluut en de uitoefening ervan kan dus aan beperkingen worden onderworpen, op voorwaarde, met name, dat deze hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang (zie in die zin arrest van 13 juni 2017, Florescu e.a.,C‑258/14, EU:C:2017:448, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest zijn beperkingen van het in artikel 17 van het Handvest verankerde recht op eigendom immers in overeenstemming met laatstgenoemde bepaling voor zover zij bij wet zijn gesteld, de wezenlijke inhoud van het recht op eigendom eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
115 Opgemerkt zij dat met de toepassing van de dynamische regeling op voormalige leden van het Europees Parlement die zich in de in artikel 1, lid 2, van bijlage III bij de regeling KVL bedoelde situatie bevinden, een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd, aangezien, zoals blijkt uit punt 53 van het onderhavige arrest, daarmee wordt beoogd enerzijds de leden van het Europees Parlement die ofwel in de lidstaat waar zij waren verkozen niet in aanmerking kwamen voor een pensioen, ofwel in aanmerking kwamen voor een pensioen waarvan de hoogte en/of de wijze van berekening ervan niet gelijk waren aan die welke voor de leden van het nationale parlement gelden, en anderzijds de leden van het Europees Parlement wier nationale pensioenregeling wel voorzag in een dergelijke hoogte en/of in dezelfde berekeningswijze als die welke golden voor de leden van het nationale parlement, gelijk te behandelen.
116 De doelstellingen van besluit nr. 14/2018, dat krachtens de dynamische regeling van toepassing is op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement, zijn daarentegen zuiver nationaal. Als zodanig kunnen zij dus geen rechtvaardiging vormen voor een verlaging van het bedrag van de pensioenen, aangezien deze bedragen worden uitgekeerd uit hoofde van een pensioenregeling die niet krachtens het nationale recht maar krachtens het Unierecht is ingevoerd en ten laste komt van de begroting van de Unie.
117 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 102 tot en met 108 van het bestreden arrest ten onrechte rekening gehouden met de door dat nationale besluit nagestreefde doelstellingen om te onderzoeken of de door het litigieuze besluit veroorzaakte aantasting van het recht op eigendom van rekwirant gerechtvaardigd was.
118 Evenwel zij in herinnering gebracht dat wanneer blijkt dat de motivering van een arrest van het Gerecht in strijd is met het Unierecht maar het dictum ervan op basis van andere rechtsgronden gerechtvaardigd is, die strijdigheid met het Unierecht niet betekent dat dit arrest moet worden vernietigd, maar wel dat het anders dient te worden gemotiveerd en dat de hogere voorziening moet worden afgewezen (arrest van 14 december 2023, Commissie/Amazon.com e.a.,C‑457/21 P, EU:C:2023:985, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119 Derhalve moet worden nagegaan of de afwijzing van de grief inzake schending van het in artikel 17 van het Handvest verankerde recht op eigendom gegrond is op basis van andere rechtsgronden dan die waarop de in punt 117 van het onderhavige arrest genoemde onjuiste rechtsopvatting berust.
120 In dit verband moet worden vastgesteld dat de toepassing van de dynamische regeling op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement daadwerkelijk beantwoordt aan deze in punt 115 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling van gelijke behandeling, aangezien daardoor de beide in dat punt genoemde categorieën leden van het Europees Parlement altijd onderworpen zijn aan de nationale regels voor de berekening van de ouderdomspensioenen van de leden van het parlement van de betrokken lidstaat.
121 Deze toepassing was voorts noodzakelijk om dat doel te bereiken, aangezien alleen een gelijktrekking van de hoogte en/of de wijze van berekening van het pensioen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, van bijlage III bij de regeling KVL, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van die bijlage, tot gelijke behandeling van die categorieën van leden van het Europees Parlement kon leiden.
122 Ondanks de in punt 117 van het onderhavige arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting is de afwijzing van de grief inzake schending van het in artikel 17 van het Handvest verankerde recht op eigendom dus gegrond, aangezien de betrokken beperking van het recht op eigendom voldoet aan alle voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest.
123 Gelet op het voorgaande is het tweede middel ongegrond.
Derde middel
Argumenten van partijen
124 Met zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het in punt 43 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Unierechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van besluit nr. 14/2018 te beoordelen. Voor zover de interne regels van het Parlement naar de nationale regelingen verwijzen, kan een dergelijke regeling volgens rekwirant door het Parlement niet worden toegepast zonder voorafgaande toetsing van de rechtmatigheid ervan.
125 Alleen een dergelijke toetsing, op het niveau van de Unie, van de rechtmatigheid van de nationale regeling waarborgt dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt geëerbiedigd, aangezien rekwirant, in zijn hoedanigheid van voormalig lid van het Europees Parlement dat nooit lid is geweest van de Italiaanse kamer van afgevaardigden, niet de mogelijkheid heeft gehad om in Italië deze rechtmatigheid te betwisten, aangezien de nationale regeling formeel niet op hem van toepassing is.
126 Voorts blijkt uit een aantal publicaties van nationale deskundigen dat de laatste hervorming van de pensioenen van de leden van het Italiaanse parlement leidt tot een stelsel zonder enige actuariële grondslag dat, in strijd met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, afbreuk doet aan hun legitieme verwachtingen en aan de stabiliteit van het bedrag van hun ouderdomspensioen.
127 Het Parlement stelt dat het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard.
Beoordeling door het Hof
– Opmerkingen vooraf
128 Met het derde middel betoogt rekwirant dat de interne regels van het Parlement niet aldus kunnen worden uitgelegd dat een nationale pensioenregeling door het Parlement automatisch op zijn voormalige leden kan worden toegepast, zonder dat deze instelling de rechtmatigheid van die nationale regeling heeft getoetst.
129 Dit middel betreft dus de uitlegging van de interne regels van het Parlement en moet derhalve ten gronde worden onderzocht.
– Ten gronde
130 Zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel van de onderhavige hogere voorziening kon het Gerecht in de punten 54 en 57 van het bestreden arrest op goede gronden oordelen dat het Parlement op rekwirant dezelfde regels betreffende de hoogte en de berekeningswijze van de pensioenen diende toe te passen als die welke in het Italiaanse recht waren vastgesteld.
131 Het Gerecht heeft er in diezelfde punten tevens terecht op gewezen dat het Parlement niet aan deze verplichting hoeft te voldoen indien die toepassing zou leiden tot schending van een hogere rechtsregel van de Unie, zoals een algemeen beginsel van dat recht of een bepaling van het Handvest.
132 Het Parlement dient zich er immers van te vergewissen dat de toepassing van zijn interne regels, waardoor de pensioenen van zijn voormalige leden worden aangepast aan de ontwikkeling van de nationale regelingen, niet in strijd is met de algemene beginselen van het Unierecht of met het Handvest. Deze instelling moet zich bijgevolg onthouden van een dergelijke aanpassing indien deze onverenigbaar blijkt te zijn met het Unierecht.
133 Hoewel uit het voorgaande volgt dat het Parlement besluit nr. 14/2018 niet automatisch op zijn voormalige leden kon toepassen zonder rekening te houden met de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest, volgt daaruit echter niet dat die instelling de rechtmatigheid van dat besluit moest onderzoeken.
134 Het Gerecht heeft in dit verband in punt 73 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat de toetsing van de rechtmatigheid van dit besluit van Italiaans recht is voorbehouden aan de bevoegde Italiaanse autoriteiten. De in het vorige punt bedoelde verplichting van het Parlement bestaat er niet in dat wordt ingegaan op de rechtmatigheid van de nationale pensioenregelingen, maar dat wordt gewaarborgd dat de toepassing van zijn eigen interne regels, waardoor de pensioenen van voormalige leden van het Europees Parlement worden aangepast op basis van een dergelijke nationale regeling, verenigbaar is met het Unierecht.
135 Hieruit volgt dat het derde middel ongegrond is.
Vierde middel
Argumenten van partijen
136 Met het vierde middel betoogt rekwirant dat een voormalig lid van het nationale parlement, sinds de in punt 95 van het onderhavige arrest bedoelde uitspraak van de arbitrageraad van de kamer van afgevaardigden, met name kan verzoeken om herziening van het bedrag van zijn ouderdomspensioen in specifieke, maar vrij onnauwkeurige situaties, namelijk in geval van invaliditeit van de betrokkene, wanneer hij levensreddende medicijnen moet nemen, ingeval hij niet over andere beduidende inkomsten beschikt of indien hij erin slaagt aan te tonen dat de herziening van het bedrag van zijn ouderdomspensioen krachtens besluit nr. 14/2018 tot een ernstige verslechtering van zijn leefomstandigheden heeft geleid. Een dergelijk systeem, dat een onderzoek naar de persoonlijke situatie van de betrokkene veronderstelt, kan niet worden toegepast op het niveau van de Unie. Het Gerecht heeft daarmee geen rekening gehouden.
137 Het Parlement stelt dat het vierde middel niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door het Hof
138 Ter ondersteuning van zijn vierde middel voert rekwirant een grief aan die enkel betrekking heeft op het litigieuze besluit en geen invloed heeft op de juistheid van de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke deze instelling de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
139 Bijgevolg hoeft het vierde middel niet te worden onderzocht.
Vijfde middel
Argumenten van partijen
140 Het vijfde middel van de hogere voorziening bestaat uit drie onderdelen.
141 Met het eerste onderdeel betoogt rekwirant dat, anders dan het Gerecht in de punten 112 tot en met 119 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, het ontwerpbesluit en het advies van de juridische dienst nietig moeten worden verklaard omdat het om voor hem bezwarende handelingen gaat.
142 Met het tweede onderdeel betoogt rekwirant dat, anders dan het Gerecht in de punten 120 tot en met 122 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden bedragen ingeval het beroep slaagt, niet kan worden gelijkgesteld met een bevel aan de instellingen van de Unie, waarvoor het Gerecht niet bevoegd zou zijn.
143 Met het derde onderdeel van dit middel komt rekwirant op tegen de beslissing van het Gerecht inzake de kosten.
Beoordeling door het Hof
144 Geen van de onderdelen van het vijfde middel van rekwirant strekt ertoe, al was het maar indirect, op te komen tegen de juistheid van de uitlegging van de interne regels van het Parlement volgens welke het de dynamische regeling moet toepassen op de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement.
145 Het vijfde middel hoeft bijgevolg niet te worden onderzocht.
146 Aangezien alle door rekwirant ter ondersteuning van zijn hogere voorziening aangevoerde middelen zijn afgewezen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
147 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
148 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van het Parlement.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Enrico Falqui draagt zijn eigen kosten alsmede die van het Europees Parlement.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 14 december 2023, C-457/21, ECLI:EU:C:2023:985
- HvJ EU 21 juni 2022, C-817/19, ECLI:EU:C:2022:491
- HvJ EU 23 januari 2019, C-419/17, ECLI:EU:C:2019:52
- HvJ EU 6 september 2018, C-430/16, ECLI:EU:C:2018:668
- HvJ EU 4 september 2018, C-57/16, ECLI:EU:C:2018:660
- HvJ EU 13 juni 2017, C-258/14, ECLI:EU:C:2017:448
- HvJ EU 28 mei 2013, C-239/12, ECLI:EU:C:2013:331