HvJ EU 19 september 2024, C-88/23, ECLI:EU:C:2024:765
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
19 september 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Elektronische handel – Diensten van de informatiemaatschappij – Richtlijn 2000/31/EG – Gecoördineerd gebied – Artikel 2, onder h) – Onlinepromotie en ‑verkoop van cosmetische producten – Uitsluiting van het gecoördineerde gebied van etiketteringsverplichtingen voor producten die worden gepromoot en verkocht door een dienstverlener van de informatiemaatschappij – Richtlijn 75/324/EEG – Artikel 8, lid 2 – Verordening (EG) nr. 1223/2009 – Artikel 19, lid 5 – Mogelijkheid voor de lidstaat van bestemming om het gebruik van een taal van zijn keuze op te leggen”
In zaak C‑88/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea Hovrätt, Patent‑ och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) bij beslissing van 13 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 15 februari 2023, in de procedure
Parfümerie Akzente GmbH
tegen
KTF Organisation AB
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Piçarra, N. Jääskinen en M. Gavalec (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: S. Spyropoulos, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– Parfümerie Akzente GmbH, vertegenwoordigd door P. Järvengren Gerner en T. Kronhöffer, advokater,
– KTF Organisation AB, vertegenwoordigd door S. Brandt, advokat,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door F.‑L. Göransson en H. Shev als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda en M. Guiresse als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri en F. Severi als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P.‑J. Loewenthal, U. Małecka, N. Ruiz García en A. Sävje als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder h), ii), en artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178; blz. 1), van artikel 8, lid 2, van richtlijn 75/324/EEG van de Raad van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende aerosols (PB 1975, L 147, blz. 40), zoals laatst gewijzigd bij richtlijn (EU) 2016/2037 van de Commissie van 21 november 2016 (PB 2016, L 314, blz. 11; hierna: „richtlijn 75/324”), en van artikel 19, lid 5, van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB 2009, L 342, blz. 59).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen KTF Organisation AB (hierna: „KTF”) en Parfümerie Akzente GmbH waarbij een vordering is ingesteld teneinde laatstgenoemde met name te verbieden in Zweden cosmetische producten op de markt te brengen die niet van een Zweeds etiket zijn voorzien.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2000/31
3 In de overwegingen 11, 21 en 24 van richtlijn 2000/31 staat te lezen: „(11) Deze richtlijn laat het in de communautaire besluiten vastgestelde niveau van bescherming van met name volksgezondheid en consumentenbelangen onverlet. Onder meer richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [(PB 1993, L 95, blz. 29)] en richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten [(PB 1997, L 144, blz. 19)] zijn van essentieel belang voor de bescherming van de consument op contractueel gebied; die richtlijnen zijn ook in volle omvang van toepassing op diensten van de informatiemaatschappij. Tot hetzelfde communautaire acquis dat volledig van toepassing is op diensten van de informatiemaatschappij behoren met name de volgende richtlijnen: richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende en vergelijkende reclame [(PB 1984, L 250, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB 1997, L 290, blz. 18)] […]. De onderhavige richtlijn mag geen afbreuk doen aan de […] richtlijnen betreffende de bescherming van de volksgezondheid. Deze richtlijn vormt een aanvulling op de eisen ten aanzien van de informatieverstrekking zoals die zijn neergelegd in de bovengenoemde richtlijnen, en in het bijzonder in [richtlijn 97/7]. […] (21) […] Het gecoördineerde gebied heeft alleen betrekking op vereisten voor onlineactiviteiten zoals online‑informatie, onlinereclame, online winkelen en onlinecontracten, en niet op wettelijke vereisten van de lidstaten voor goederen, zoals veiligheidsnormen, etiketteringsverplichtingen of aansprakelijkheid [voor] goederen, dan wel de vereisten van de lidstaten in verband met de levering of het vervoer van goederen, met inbegrip van distributie van geneesmiddelen. […] […] (24) In de context van de onderhavige richtlijn, ondanks de regel dat diensten van de informatiemaatschappij aan de bron gecontroleerd worden, is het onder de in deze richtlijn gestelde voorwaarden gegrond dat de lidstaten maatregelen kunnen treffen die tot doel hebben het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij te beperken.”
4 Artikel 1 („Doel en toepassingsgebied”) van richtlijn 2000/31 bepaalt in lid 3: „Deze richtlijn vormt een aanvulling op het communautaire recht dat van toepassing is op de diensten van de informatiemaatschappij en doet niet af aan het in de communautaire besluiten en nationale wetgeving ter uitvoering daarvan vastgelegde niveau van bescherming, inzonderheid van de volksgezondheid en de consumentenbelangen, voor zover de vrijheid om diensten van de informatiemaatschappij te verlenen daardoor niet beperkt wordt.”
5 Artikel 2 („Definities”) van deze richtlijn bepaalt: „Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] h) ‚gecoördineerd gebied’: de in de nationale rechtsstelsels vastgelegde vereisten voor dienstverleners van de informatiemaatschappij en diensten van de informatiemaatschappij, ongeacht of die vereisten van algemene aard zijn dan wel specifiek daarop zijn toegesneden: i) Het gecoördineerde gebied omvat vereisten waaraan de dienstverlener moet voldoen met betrekking tot: – het starten van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake kwalificatie, vergunning en aanmelding, – het uitoefenen van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake gedrag van de dienstverlener, vereisten inzake kwaliteit en inhoud van de dienst inclusief inzake reclame en contracten, of vereisten inzake aansprakelijkheid van de dienstverlener. ii) Het gecoördineerde gebied omvat niet vereisten met betrekking tot: – goederen als zodanig, – de levering van goederen, – diensten die niet langs elektronische weg verleend worden.”
6 Artikel 3 („Interne markt”) van deze richtlijn bepaalt: „1. Iedere lidstaat zorgt ervoor dat de diensten van de informatiemaatschappij die worden verleend door een op zijn grondgebied gevestigde dienstverlener voldoen aan de in die lidstaat geldende nationale bepalingen die binnen het gecoördineerde gebied vallen. 2. De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied. […] 4. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij van lid 2 af te wijken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: […]”
Richtlijn 75/324
7 Artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 75/324 bepaalt: „1. Onverminderd verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad [van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB 2008, L 353, blz. 1)] moeten op elke aerosol, of op een daaraan gehecht etiket ingeval het niet mogelijk is aanduidingen aan te brengen op de aerosol wegens de kleine afmetingen daarvan (totale capaciteit van ten hoogste 150 ml), duidelijk zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar de volgende aanduidingen zijn aangebracht: a) naam en adres of het gedeponeerde merk van degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de aerosol, b) het symbool van overeenstemming met de onderhavige richtlijn, namelijk het teken ‚3’ (omgekeerde epsilon), […] d) de aanduidingen vermeld in punt 2.2 van de bijlage, […] 2. De lidstaten kunnen als voorwaarde voor het op hun grondgebied in de handel brengen van aerosols eisen dat de desbetreffende etiketten in hun landstaal of ‑talen zijn gesteld.”
8 De bijlage bij richtlijn 75/324 bepaalt in punt 2.2 („Etikettering”): „Onverminderd [verordening nr. 1272/2008] moet op elke aerosol de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare vermelding worden aangebracht: […] d) wanneer de aerosol een consumentenproduct is, de voorzorgsmaatregel P102 die is vastgelegd in deel 1, tabel 6.1, van bijlage IV bij [verordening nr. 1272/2008]; e) eventuele aanvullende waarschuwingen voor het gebruik waarbij de gebruiker wordt gewezen op de specifieke gevaren van het product; indien bij de aerosol afzonderlijke instructies zijn gevoegd, moeten daarin ook de aanvullende waarschuwingen voor het gebruik zijn opgenomen.”
Verordening nr. 1223/2009
9 Artikel 3 („Veiligheid”) van verordening nr. 1223/2009 bepaalt: „Cosmetische producten die op de markt worden aangeboden, moeten veilig zijn voor de volksgezondheid wanneer zij onder normale of redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden worden aangewend, met name rekening houdend met het volgende: a) de aanbiedingsvorm […]; b) de etikettering; c) aanwijzingen voor het gebruik en de verwijdering; […] De aanwezigheid van waarschuwingen houdt niet in dat de in artikel 2 en artikel 4 bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om de andere bij deze verordening gestelde eisen na te komen.”
10 Artikel 19 („Etikettering”) van deze verordening bepaalt: „1. Onverminderd andere bepalingen in dit artikel worden cosmetische producten slechts op de markt aangeboden indien op de recipiënt en op de verpakking in onuitwisbare letters, goed leesbaar en zichtbaar, de volgende aanduidingen [zijn] aangebracht: […] c) de datum waarop het cosmetische product, mits op passende wijze bewaard, zijn oorspronkelijke functie blijft vervullen en met name aan artikel 3 blijft voldoen (‚minimale houdbaarheidsdatum’). […] d) de bijzondere voorzorgen in verband met het gebruik, en ten minste die welke zijn aangegeven in de bijlagen III tot en met VI en eventuele aanwijzingen omtrent bijzondere voorzorgsmaatregelen voor cosmetische producten voor professioneel gebruik; […] f) de functie van het cosmetische product, behalve wanneer deze blijkt uit de aanbiedingsvorm ervan; […] 5. De taal waarin de in lid 1, onder b), c), d) en f) en in de leden 2, 3 en 4 bedoelde aanduidingen worden vermeld, wordt bepaald door de wetgeving van de lidstaten waarin het product aan de eindgebruiker wordt aangeboden. […]”
Zweeds recht
11 Lag (2002:562) om elektronisk handel och andra informationssamhällets tjänster [wet (2002:562) inzake elektronische handel en andere diensten van de informatiemaatschappij; hierna: „wet inzake elektronische handel”], die is vastgesteld tot omzetting van richtlijn 2000/31, bepaalt in § 3: „Een dienstverlener die in een ander [land van de Europese Economische Ruimte (EER)] dan Zweden is gevestigd, heeft het recht om, zonder belemmering van Zweedse voorschriften binnen het gecoördineerde gebied, diensten van de informatiemaatschappij te verstrekken aan afnemers in Zweden. Een rechterlijke instantie of een andere autoriteit kan evenwel bij wet een maatregel nemen tot beperking van het vrije verkeer van dergelijke diensten indien dit noodzakelijk is ter bescherming van 1. de openbare orde en veiligheid; 2. de volksgezondheid of 3. de consumenten. Die maatregel moet worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst die afbreuk doet of ernstig afbreuk kan doen aan een van deze beschermde belangen. De maatregel moet evenredig zijn aan het te beschermen belang.”
12 Krachtens § 5 van die wet is, binnen het gecoördineerde gebied, het Zweedse recht van toepassing op diensten van de informatiemaatschappij die worden geleverd door in Zweden gevestigde dienstverleners, ook als die diensten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor in een andere EER-staat gevestigde afnemers.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 Parfümerie Akzente is een Duitse onderneming die via haar website (parfumdreams.se) haarverzorgingsproducten en andere cosmetische producten promoot en verkoopt. De reclame en de verkoop op de website zijn gericht op de Zweedse markt en Zweedse consumenten.
14 KTF is een beroepsvereniging van ondernemingen die cosmetische producten en hygiëneproducten invoeren, produceren of in de handel brengen, waaraan zij een brede waaier aan diensten verstrekt. In februari 2020 heeft KTF bij de Patent‑ och marknadsdomstol (rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendoms-, mededingings- en consumentenzaken Stockholm, Zweden) tegen Parfümerie Akzente een vordering ingesteld wegens oneerlijke praktijken teneinde laatstgenoemde op straffe van een dwangsom te verbieden om, ten eerste, welbepaalde reclame-uitingen te gebruiken bij het aanprijzen van cosmetische producten en haarverzorgingsproducten, ten tweede, reclame te maken voor bepaalde cosmetische producten in spuitbussen die niet zijn voorzien van een Zweeds etiket, hetgeen in strijd is met de Zweedse regeling tot omzetting van richtlijn 75/324 en, ten derde, bepaalde cosmetische producten, met name haarkleur- en ‑bleekmiddelen, die evenmin zijn voorzien van een Zweeds etiket, op de markt aan te bieden, hetgeen met name in strijd is met artikel 19, lid 1, onder d), van verordening nr. 1223/2009 en bijlage III daarbij.
15 Parfümerie Akzente erkent dat zij producten zonder een Zweeds etiket heeft gepromoot en verkocht maar is van mening dat richtlijn 2000/31 zich ertegen verzet dat de verlener van een dienst van de informatiemaatschappij aan strengere regels wordt onderworpen dan die van de staat waar hij is gevestigd.
16 Bij vonnis van 24 september 2021 heeft de Patent‑ och marknadsdomstol geoordeeld dat de betwiste verkoopbevorderende praktijken een oneerlijke praktijk opleverden. Bijgevolg heeft hij op grond van de Zweedse regels inzake handelspraktijken aan Parfümerie Akzente het verbod opgelegd om deze voort te zetten.
17 In dat verband heeft deze rechter opgemerkt dat Parfümerie Akzente niet had aangegeven waarom de Zweedse regeling inzake handelspraktijken restrictiever was dan richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22), of dan het Duitse materiële recht.
18 Parfümerie Akzente heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Svea Hovrätt, Patent‑ och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden), de verwijzende rechter.
19 In de eerste plaats herinnert die rechter er met name aan dat uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31 volgt dat de lidstaten het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet mogen beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied. Volgens hem volgt bovendien uit het arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punten 53‑68), dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de verlener van dergelijke diensten niet wordt onderworpen aan strengere voorschriften dan die waarin het materiële recht van de lidstaat waarin hij is gevestigd voorziet, behoudens wanneer artikel 3, lid 4, van die richtlijn het uitdrukkelijk toestaat.
20 Wat buiten Zweden gevestigde dienstverleners betreft, wijkt § 3, eerste alinea, van de wet inzake elektronische handel, waarmee artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31 is omgezet, volgens hem van deze laatste bepaling af. Zo wordt in § 3, eerste alinea, van deze wet niet vermeld dat, ten eerste, de Zweedse voorschriften die binnen het gecoördineerde gebied vallen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet mogen beperken, en ten tweede, de Zweedse voorschriften kunnen worden toegepast voor zover ze niet strenger zijn dan die welke zijn neergelegd in het materiële recht van de lidstaat waar de dienstverlener is gevestigd.
21 Indien § 3, eerste alinea, van de wet inzake elektronische handel aldus zou moeten worden uitgelegd dat een buitenlandse ondernemer in Zweden vrij zijn diensten mag aanbieden zonder dat de Zweedse voorschriften daaraan in de weg staan, zou een dergelijke toepassing van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31 in overeenstemming zijn met het arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685).
22 Een dergelijke uitlegging zou echter afbreuk kunnen doen aan de tenuitvoerlegging van richtlijn 2005/29 aangezien zij tot gevolg zou hebben dat de Zweedse voorschriften waarmee deze richtlijn is omgezet niet worden toegepast op dienstverleners die zijn gevestigd in een andere lidstaat, vanwaaruit zij diensten van de informatiemaatschappij verstrekken. Bovendien zouden concurrenten van een dergelijke dienstverlener of consumentenverenigingen die menen dat zij door bepaalde onlinehandelspraktijken worden benadeeld, zich genoopt zien om zich te wenden tot de rechtbanken en andere autoriteiten van de lidstaat waar die dienstverlener is gevestigd teneinde hun rechten te doen gelden in een andere dan hun eigen taal en daarbij het materiële recht van een andere lidstaat toe te passen. Een dergelijk vooruitzicht zou afbreuk doen aan de doelstelling van richtlijn 2005/29 om te zorgen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming.
23 In de tweede plaats benadrukt de verwijzende rechter dat blijkens artikel 2, onder h), van richtlijn 2000/31, gelezen in samenhang met overweging 21 ervan, de vereisten die de lidstaten stellen met betrekking tot goederen, zoals normen inzake veiligheid, etikettering, levering en vervoer ervan, niet binnen het gecoördineerde gebied vallen. De nationale regels inzake de voorwaarden waaronder een op het internet verkocht goed op het grondgebied van een lidstaat kan worden geleverd, vallen volgens hem dus buiten de werkingssfeer van deze richtlijn.
24 Noch in richtlijn 2000/31 noch in de rechtspraak van het Hof wordt echter nader bepaald welke voorschriften moeten worden toegepast wanneer de onlinepromotie en ‑verkoop producten betreft die beweerdelijk niet zijn geëtiketteerd in overeenstemming met de vereisten die gelden voor die producten als zodanig in de lidstaat van de consument die deze aankoopt. Volgens de verwijzende rechter rijst dus de vraag of het gecoördineerde gebied in de zin van richtlijn 2000/31 zich uitstrekt tot vereisten voor de onlinepromotie en ‑verkoop van een product waarvan wordt beweerd dat het niet voldoet aan de vereisten die voor dat product als zodanig gelden.
25 De verwijzende rechter merkt op dat de vereisten voor de levering en voor het product als zodanig volgens artikel 2, onder h), ii), van richtlijn 2000/31, zoals uitgelegd in het arrest van 2 december 2010, Ker-Optika (C‑108/09, EU:C:2010:725), weliswaar van het gecoördineerde gebied moeten worden uitgesloten, maar dat het arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764, punten 54‑59), er daarentegen op wijst dat een ondergeschikt element dat onlosmakelijk met de onlineverkoopdienst verbonden is binnen het gecoördineerde gebied kan vallen, zelfs als dit element afzonderlijk beschouwd buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
26 Wanneer de onlineverkoop uitsluitend is gericht op consumenten in een lidstaat waar de dienstverlener niet is gevestigd, zouden er bovendien voorschriften van verschillende lidstaten van toepassing kunnen zijn op de verschillende stappen voor het in de handel brengen van het product mocht het gecoördineerde gebied wél de vereisten voor onlinepromotie en ‑verkoop, maar niet die inzake de levering of het product als zodanig omvatten. De doelstelling van richtlijn 2000/31 om rechtsonzekerheid weg te nemen en het vrije verkeer met betrekking tot met name onlineverkoop te bevorderen, zou dan worden miskend.
27 Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat bepalingen van andere Unieregelingen, zoals artikel 8, lid 2, van richtlijn 75/324 en artikel 19, lid 5, van verordening nr. 1223/2009, voorzien in voorwaarden waaraan een product moet voldoen om op de markt te kunnen worden gebracht of aan eindgebruikers te kunnen worden geleverd in hun lidstaat.
28 In deze omstandigheden heeft de Svea hovrätt, Patent‑ och marknadsöverdomstol besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Dient artikel 3, lid 2, van [richtlijn 2000/31], gezien het recht van de Unie in het algemeen en de doeltreffende uitvoering ervan, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke nationale regels die binnen het gecoördineerde gebied vallen, waaronder nationale regels die uitvoering geven aan [richtlijn 2005/29], geen toepassing vinden indien de dienstverlener gevestigd is in en diensten van de informatiemaatschappij verstrekt vanuit een andere lidstaat, en indien niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van een uitzondering overeenkomstig de nationale regels ter uitvoering van artikel 3, lid 4, van [richtlijn 2000/31]? 2) Omvat het gecoördineerde gebied in de zin van [richtlijn 2000/31] de reclame op de website van de verkoper voor en de onlineverkoop van een product waarvan wordt beweerd dat de etikettering ervan in strijd is met de vereisten die voor het product als zodanig gelden in de lidstaat van de consument die dat product aankoopt? 3) Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend luidt, zijn de vereisten voor de levering en het product als zodanig echter overeenkomstig artikel 2, onder h), ii), van [richtlijn 2000/31] van het gecoördineerde gebied uitgesloten wanneer de levering van het product als zodanig een noodzakelijk onderdeel van de onlinepromotie en ‑verkoop vormt, of moet de levering van het product als zodanig worden geacht een nevenaspect te vormen van de onlinepromotie en ‑verkoop, waarmee het onlosmakelijk is verbonden? 4) Welke betekenis komt bij de beoordeling van de tweede en de derde vraag in voorkomend geval toe aan het feit dat de vereisten die gelden voor het product als zodanig voortvloeien uit nationale bepalingen die sectorspecifieke Uniewetgeving uitvoeren en aanvullen, waaronder artikel 8, lid 2, van [richtlijn 75/324] en artikel 19, lid 5, van [verordening nr. 1223/2009], en die inhouden dat de vereisten voor het product moeten worden nageleefd opdat het in de betrokken lidstaat op de markt kan worden gebracht of aan eindgebruikers kan worden geleverd?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede tot en met vierde vraag
29 Met zijn tweede tot en met vierde vraag, die als eerste en gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder h), i), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 aldus moet worden uitgelegd dat het „gecoördineerde gebied” zich uitstrekt tot vereisten die inzake de etikettering van producten die een dienstverlener van de informatiemaatschappij promoot en verkoopt op zijn website, worden gesteld door de lidstaat waar zich de consumenten bevinden op wie die onlineverkoopactiviteiten zijn gericht, op grond dat die vereisten, die voortvloeien uit de uitvoering van sectorspecifieke Uniewetgeving waaraan het in de handel brengen en de levering aan de eindgebruikers van de betrokken producten moeten voldoen, een nevenaspect vormen van en onlosmakelijk verbonden zijn met de onlinepromotie en ‑verkoop van die producten.
30 Richtlijn 2000/31 berust blijkens overweging 24 ervan op de regel dat diensten van de informatiemaatschappij aan de bron worden gecontroleerd. Hieruit volgt ten eerste dat volgens artikel 3, lid 1, van deze richtlijn „[iedere] lidstaat [ervoor zorgt] dat de diensten van de informatiemaatschappij die worden verleend door een op zijn grondgebied gevestigde dienstverlener voldoen aan de in die lidstaat geldende nationale bepalingen die binnen het gecoördineerde gebied vallen”. Ten tweede bepaalt dit artikel 3 in lid 2 dat „[de] lidstaten […] het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet [mogen] beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied”. Lid 4 van dat artikel 3 biedt de lidstaten evenwel de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden „maatregelen [te] nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij van lid 2 af te wijken”.
31 Luidens artikel 2, onder h), aanhef, van die richtlijn doelt het begrip „gecoördineerd gebied” op „de in de nationale rechtsstelsels vastgelegde vereisten voor dienstverleners van de informatiemaatschappij en diensten van de informatiemaatschappij, ongeacht of die vereisten van algemene aard zijn dan wel specifiek daarop zijn toegesneden”.
32 Artikel 2, onder h), i), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 bepaalt dat het „gecoördineerde gebied” onder meer vereisten omvat met betrekking tot het uitoefenen van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake kwaliteit en inhoud van de dienst, inclusief inzake reclame. In artikel 2, onder h), ii), eerste streepje, van deze richtlijn worden vereisten met betrekking tot goederen als zodanig evenwel van dat gebied uitgesloten.
33 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de etikettering, net als de verpakking, de vorm of de samenstelling, een vereiste met betrekking tot goederen als zodanig vormt (zie in die zin arresten van 24 november 1993, Keck en Mithouard, C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905, punt 15, en 6 juli 1995, Mars, C‑470/93, EU:C:1995:224, punt 12). Evenzo deelt overweging 21 van richtlijn 2000/31, in het licht waarvan artikel 2, onder h), ii), eerste streepje, ervan moet worden uitgelegd, de etiketteringsverplichtingen in bij de vereisten met betrekking tot goederen. Bijgevolg zijn etiketteringsverplichtingen van het gecoördineerde gebied uitgesloten.
34 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 59), waarbij het Hof heeft geoordeeld dat een reclameactiviteit, ongeacht of deze via fysieke of elektronische media wordt verricht, „een ondergeschikt element [was] dat onlosmakelijk verbonden [was] met de onlineverkoopdienst en uit dien hoofde in zijn geheel onder het in [deze richtlijn] ‚gecoördineerde gebied’ [viel]”.
35 Anders dan in het geval dat het Hof in de punten 55 tot en met 59 van dat arrest heeft onderzocht, heeft de Uniewetgever met artikel 2, onder h), ii), eerste streepje, van richtlijn 2000/31, zoals toegelicht in overweging 21 ervan, de vereisten met betrekking tot goederen als zodanig, waartoe de etiketteringsverplichtingen behoren, immers uitdrukkelijk van het gecoördineerde gebied willen uitsluiten, zoals in punt 33 van onderhavige arrest is onderstreept.
36 Het kan dus niet worden aangenomen dat etiketteringsverplichtingen met betrekking tot producten die online worden gepromoot en verkocht binnen het gecoördineerde gebied vallen, aangezien met dat standpunt wordt voorbijgegaan aan de uitdrukkelijke wil van de Uniewetgever.
37 Uit het voorgaande volgt dat een dienstverlener van de informatiemaatschappij valt onder zowel richtlijn 2000/31, met name wat de vereisten inzake onlinereclame betreft, als de Unieregels die uitvoering geven aan de verplichtingen inzake etikettering van de producten die hij op zijn website te koop aanbiedt.
38 Deze uitlegging verzekert de bescherming van de consument aangezien iedere betrokken lidstaat op zijn grondgebied direct kan toezien op de naleving van de regels inzake etikettering van producten.
39 In dit verband dient bovendien te worden opgemerkt dat richtlijn 2000/31 het bestaande niveau van bescherming van met name de volksgezondheid en de consumentenbelangen – zoals dat is vastgesteld in de Unierechtelijke handelingen, welke onverkort moeten worden toegepast op diensten van de informatiemaatschappij – onverlet laat, zoals volgt uit artikel 1, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 11 ervan.
40 Aangezien de vereisten met betrekking tot goederen als zodanig, met name die inzake de etikettering ervan, zijn uitgesloten van het in artikel 2, onder h), van richtlijn 2000/31 bedoelde gecoördineerde gebied, moeten deze in de context van het hoofdgeding worden gezocht in richtlijn 75/324 en verordening nr. 1223/2009.
41 Deze twee handelingen van afgeleid recht bieden de lidstaten de mogelijkheid om op hun grondgebied het gebruik van een bepaalde taal op te leggen. Uit artikel 8, lid 2, van richtlijn 75/324 blijkt namelijk dat „[d]e lidstaten als voorwaarde voor het op hun grondgebied in de handel brengen van aerosols [kunnen] eisen dat de desbetreffende etiketten in hun landstaal of ‑talen zijn gesteld”. Daarnaast bepaalt artikel 19, lid 5, van verordening nr. 1223/2009 dat de taal waarin onder meer de in lid 1, onder c), d) en f), van deze bepaling bedoelde aanduidingen, namelijk de minimale houdbaarheidsdatum, de bijzondere voorzorgen in verband met het gebruik en de functie van het cosmetische product, worden vermeld, „wordt bepaald door de wetgeving van de lidstaten waarin het product aan de eindgebruiker wordt aangeboden”.
42 Zoals het Hof reeds in verband met artikel 19, lid 5, van verordening nr. 1223/2009 heeft geoordeeld, zou de bescherming van de volksgezondheid niet ten volle kunnen worden gewaarborgd indien de consumenten niet in staat zijn om volledig kennis te nemen van met name de aanduidingen betreffende de functie van het cosmetische product in kwestie en de bijzondere voorzorgsmaatregelen die bij het gebruik ervan in acht moeten worden genomen, en om die aanduidingen te begrijpen. De informatie die de fabrikanten of distributeurs van de in deze verordening bedoelde cosmetische producten op de recipiënt en de verpakking van het product moeten aanbrengen, verliest haar praktisch nut wanneer zij niet wordt verstrekt in een taal die begrijpelijk is voor de personen waarvoor zij bestemd is, tenzij die informatie doeltreffend kan worden verstrekt door middel van pictogrammen of andere tekens dan woorden [arrest van 17 december 2020, A.M. (Etikettering van cosmetische producten), C‑667/19, EU:C:2020:1039, punt 47].
43 Artikel 8, lid 2, van richtlijn 75/324 verlangt dat de lidstaten die gebruikmaken van de mogelijkheid waarin deze bepaling voorziet, eisen dat het etiket van een aerosol volledig is gesteld in de relevante landstaal of ‑talen. Daarentegen moeten voor cosmetische producten enkel de in artikel 19, lid 5, van verordening nr. 1223/2009 vermelde aanduidingen zijn gesteld in de taal die is bepaald door de lidstaat waar het cosmetische product aan de eindgebruiker wordt aangeboden.
44 Niettemin kan de dienstverlener van de informatiemaatschappij, indien hij dat wenst, zorgen voor een vertaling, in de taal van de consument, van de informatie waarvan de vertaling door deze bepaling niet dwingend wordt voorgeschreven (zie naar analogie arrest van 3 juni 1999, Colim, C‑33/97, EU:C:1999:274, punt 42).
45 In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat artikel 2, onder h), van richtlijn 2000/31 aldus moet worden uitgelegd dat het „gecoördineerde gebied” zich niet uitstrekt tot vereisten die inzake de etikettering van producten die een dienstverlener van de informatiemaatschappij promoot en verkoopt op zijn website, worden gesteld door de lidstaat waar zich de consumenten bevinden op wie deze onlineverkoopactiviteiten zijn gericht.
Eerste vraag
46 Gelet op het antwoord op de tweede tot en met de vierde vraag, hoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord aangezien deze berust op de premisse dat de Zweedse regelingen inzake de etikettering van aerosols en cosmetische producten binnen het in artikel 2, onder h), van richtlijn 2000/31 bedoelde gecoördineerde gebied vallen.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, onder h), van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”)
moet aldus worden uitgelegd dat
het „gecoördineerde gebied” zich niet uitstrekt tot vereisten die inzake de etikettering van producten die een dienstverlener van de informatiemaatschappij promoot en verkoopt op zijn website, worden gesteld door de lidstaat waar zich de consumenten bevinden op wie deze onlineverkoopactiviteiten zijn gericht.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Zweeds.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 17 december 2020, C-667/19, ECLI:EU:C:2020:1039
- HvJ EU 1 oktober 2020, C-649/18, ECLI:EU:C:2020:764
- HvJ EU 25 oktober 2011, C-509/09, ECLI:EU:C:2011:685
- HvJ EU 2 december 2010, C-108/09, ECLI:EU:C:2010:725
- HvJ EU 3 juni 1999, C-33/97, ECLI:EU:C:1999:274
- HvJ EU 6 juli 1995, C-470/93, ECLI:EU:C:1995:224