HvJ EU 29 februari 2024, C-584/22, ECLI:EU:C:2024:188
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
29 februari 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen – Richtlijn \(EU\) 2015/2302 – Artikel 12, lid 2 – Recht van een reiziger om een pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen – Onvermijdbare en buitengewone omstandigheden – Verspreiding van COVID-19 – Aanzienlijke gevolgen voor de uitvoering van de pakketreis of voor het personenvervoer naar de bestemming – Voorzienbaarheid van die gevolgen op de dag van de beëindigingsverklaring – Gebeurtenissen die zich voordoen na de opzegging maar nog voor het begin van de pakketreis”
In zaak C‑584/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken Duitsland) bij beslissing van 2 augustus 2022, ingekomen bij het Hof op 5 september 2022, in de procedure
QM
tegen
Kiwi Tours GmbH,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: K. Hötzel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 juni 2023,
gelet op de opmerkingen van:
– QM, vertegenwoordigd door J. Kummer en P. Wassermann, Rechtsanwälte,
– Kiwi Tours GmbH, vertegenwoordigd door S. Bergmann, Rechtsanwältin,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Dimitrakopoulou, C. Kokkosi, S. Trekli en E. Tsaousi als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė, B.‑R. Killmann en I. Rubene als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 september 2023,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen QM en Kiwi Tours GmbH over het recht op terugbetaling van alle bedragen die de betrokken reiziger overeenkomstig zijn pakketreisovereenkomst heeft betaald, met inbegrip van de beëindigingsvergoeding die hem is aangerekend, nadat hij die overeenkomst wegens het aan de verspreiding van COVID-19 verbonden gezondheidsrisico had opgezegd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 29 tot en met 31 van richtlijn 2015/2302 zijn geformuleerd als volgt: „(29) Rekening houdend met de specifieke kenmerken van pakketreisovereenkomsten dient te worden vastgelegd welke rechten en verplichtingen de partijen die de overeenkomst sluiten, hebben in de periode vóór en na het begin van de pakketreis, met name wanneer de pakketreis niet naar behoren wordt uitgevoerd of wanneer bepaalde omstandigheden veranderen. (30) Daar pakketreizen vaak lang van tevoren worden gekocht, kunnen zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Daarom dient de reiziger onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid te hebben een pakketreisovereenkomst aan een andere reiziger over te dragen. In dergelijke gevallen dient de organisator de mogelijkheid te hebben zijn onkosten terug te vorderen, bijvoorbeeld wanneer een subcontractant een vergoeding vraagt voor het wijzigen van de naam van de reiziger of voor het annuleren en vervangen van een reisbiljet. (31) Reizigers dienen ook in staat te zijn de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis te allen tijde te beëindigen tegen betaling van een passende en gerechtvaardigde beëindigingsvergoeding, rekening houdend met te verwachten kostenbesparingen en inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Zij dienen eveneens het recht te hebben de pakketreisovereenkomst zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen wanneer onvermijdbare en buitengewone omstandigheden aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis. Voorbeelden zijn oorlog of andere ernstige veiligheidsproblemen zoals terrorisme, grote gevaren voor de menselijke gezondheid zoals de uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming, of natuurrampen zoals overstromingen, aardbevingen of weersomstandigheden, waardoor veilig reizen naar de in de pakketreisovereenkomst overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden.”
4 Artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn luidt als volgt: „Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en de verwezenlijking van een hoog en zo uniform mogelijk niveau van consumentenbescherming door bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake tussen reizigers en handelaren gesloten overeenkomsten betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen onderling aan te passen.”
5 Artikel 3 („Definities”) van die richtlijn bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities: […] 12. ‚onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’: een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren; […]”
6 Artikel 12 („Beëindiging van de pakketreisovereenkomst en recht van herroeping vóór het begin van de pakketreis”) van dezelfde richtlijn bepaalt in de leden 1 tot en met 4 het volgende: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de reiziger vóór het begin van de pakketreis de pakketreisovereenkomst te allen tijde kan beëindigen. Bij beëindiging van de pakketreisovereenkomst door de reiziger uit hoofde van dit lid kan de reiziger worden verplicht tot betaling van een passende en gerechtvaardigde beëindigingsvergoeding aan de organisator. In de pakketreisovereenkomst kunnen redelijke gestandaardiseerde beëindigingsvergoedingen worden bepaald op basis van het tijdstip van de beëindiging vóór het begin van de pakketreis en de verwachte kostenbesparingen en inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Indien er geen gestandaardiseerde beëindigingsvergoedingen zijn vastgesteld, stemt het bedrag van de beëindigingsvergoeding overeen met de prijs van de pakketreis minus de kostenbesparingen en inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Indien de reiziger hierom verzoekt, verstrekt de organisator een verantwoording van het bedrag van de beëindigingsvergoedingen. 2. Niettegenstaande lid 1 heeft de reiziger, indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming, het recht de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen. In geval van beëindiging van de pakketreisovereenkomst op grond van dit lid heeft de reiziger recht op een volledige terugbetaling van alle voor de pakketreis betaalde bedragen, maar kan hij geen aanspraak maken op een bijkomende schadevergoeding. 3. De organisator kan de pakketreisovereenkomst beëindigen en de reiziger alle voor de pakketreis betaalde bedragen volledig terugbetalen zonder een bijkomende schadevergoeding verschuldigd te zijn, indien: […] b) de organisator de overeenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden en hij de reiziger er onverwijld en vóór het begin van de pakketreis van in kennis stelt dat de overeenkomst wordt beëindigd. 4. De organisator verricht alle terugbetalingen die op grond van de leden 2 en 3 zijn vereist, of betaalt met betrekking tot lid 1 alle bedragen terug die door of namens de reiziger voor de pakketreis zijn betaald, minus de passende beëindigingsvergoeding. De terugbetalingen worden onverwijld aan de reiziger gedaan en in elk geval uiterlijk binnen 14 dagen na de beëindiging van de pakketreisovereenkomst.”
7 Artikel 23, lid 2, van richtlijn 2015/2302 bepaalt: „Reizigers kunnen geen afstand doen van de rechten die zij genieten uit hoofde van de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn.”
Duits recht
8 § 651h („Beëindiging vóór het begin van de reis”) van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „burgerlijk wetboek”), bepaalt: „(1) De reiziger kan vóór het begin van de reis de overeenkomst te allen tijde beëindigen. Bij beëindiging van de overeenkomst door de reiziger verliest de reisorganisator het recht op de overeengekomen reissom. De reisorganisator kan echter een passende schadevergoeding in rekening brengen. (2) In de overeenkomst kunnen – ook in standaardbedingen – passende forfaitaire beëindigingsvergoedingen worden bepaald, die zijn gebaseerd op: 1. de periode tussen de beëindigingsverklaring en het begin van de reis; 2. de verwachte kostenbesparingen van de reisorganisator, en 3. de verwachte inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Indien er in de overeenkomst geen forfaitaire beëindigingsvergoedingen zijn vastgesteld, stemt het bedrag van de beëindigingsvergoeding overeen met de prijs van de reis minus de kostenbesparingen en inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Indien de reiziger hierom verzoekt, verstrekt de reisorganisator een verantwoording van het bedrag van de beëindigingsvergoeding. (3) In afwijking van lid 1, derde volzin, kan de reisorganisator geen schadevergoeding eisen indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming. Omstandigheden zijn onvermijdbaar en buitengewoon in de zin van deze ondertitel, wanneer zij door de partij die zich erop beroept, niet kunnen worden gecontroleerd en de gevolgen ervan ook niet hadden kunnen worden vermeden wanneer alle redelijke voorzorgsmaatregelen waren getroffen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 In januari 2020 heeft QM voor zichzelf en zijn echtgenote bij Kiwi Tours een pakketreis naar Japan geboekt voor de periode van 3 tot en met 12 april 2020. De totale prijs van de pakketreis bedroeg 6148 EUR, waarvan QM 1230 EUR heeft aanbetaald.
10 Nadat de Japanse autoriteiten een reeks maatregelen hadden getroffen om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, heeft QM bij brief van 1 maart 2020 deze pakketreisovereenkomst opgezegd wegens het gezondheidsrisico dat van COVID-19 uitging.
11 Kiwi Tours heeft vervolgens een beëindigingsfactuur voor nog eens 307 EUR opgesteld, die QM heeft betaald.
12 Op 26 maart 2020 heeft Japan een inreisverbod afgekondigd. Daarop heeft QM Kiwi Tours om terugbetaling van die beëindigingsvergoeding gevraagd, wat deze laatste heeft geweigerd.
13 QM heeft een vordering tot terugbetaling ingesteld bij het Amtsgericht (rechter in eerste aanleg, Duitsland), dat Kiwi Tours heeft veroordeeld tot volledige terugbetaling van de betaalde beëindigingsvergoeding. Het Landgericht (rechter in tweede aanleg, Duitsland), waarbij Kiwi Tours hoger beroep heeft ingesteld, heeft die vordering tot terugbetaling afgewezen op grond dat het op het ogenblik van de opzegging van de pakketreisovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is niet mogelijk was om op basis van een beoordeling vooraf vast te stellen dat er sprake was van „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van § 651h, lid 3, van het burgerlijk wetboek. Volgens laatstbedoelde rechter had QM dan ook niet het recht om deze pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen.
14 QM heeft cassatieberoep ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken Duitsland), de verwijzende rechter. Het Bundesgerichtshof wijst erop dat het Landgericht in hoger beroep terecht heeft geoordeeld dat de voorwaarden voor het recht om een pakketreisovereenkomst zonder betaling van een beëindigingsvergoeding op te zeggen, die zijn bepaald in § 651h, lid 3, van het burgerlijk wetboek – waarbij artikel 12 van richtlijn 2015/2302 in het interne recht is omgezet –, met name zijn vervuld wanneer de uitvoering van de betrokken reis volgens een „prognose” die vóór het begin ervan is verricht, voor de reiziger aanzienlijke gezondheidsrisico’s zou meebrengen. De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat het Landgericht in casu bij de beoordeling van het bestaan van een dergelijk risico blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen. Zo valt het niet uit te sluiten dat het Landgericht, indien het dat risico correct had beoordeeld, tot de slotsom zou zijn gekomen dat een reis naar Japan reeds op het ogenblik van opzegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reisovereenkomst voor de reizigers ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebracht.
15 De verwijzende rechter legt uit dat hij daarom overeenkomstig het Duitse procesrecht de zaak in principe naar het Landgericht moet terugverwijzen voor uitspraak over deze kwestie. Hij zou het hoger beroep tegen de beslissing van het Amtsgericht evenwel zelf kunnen behandelen en verwerpen, indien ook omstandigheden die zich pas na de beëindiging van de betrokken reisovereenkomst hebben voorgedaan relevant zijn voor de beoordeling of QM het recht had om zijn reisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen. Het staat volgens de verwijzende rechter namelijk vast dat deze reis uiteindelijk niet kon worden uitgevoerd ten gevolge van het inreisverbod dat Japan op 26 maart 2020 wegens de verspreiding van COVID-19 had afgekondigd.
16 In dat licht is de verwijzende rechter geneigd aan te nemen dat volgens artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 eveneens rekening moet worden gehouden met de omstandigheden die zich pas na de beëindiging van de betrokken pakketreisovereenkomst hebben voorgedaan.
17 Om te beginnen meent hij dat lid 2 van artikel 12 van deze richtlijn formeel weliswaar in een ander geval van opzegging voorziet dan lid 1 ervan, maar dat dit onderscheid ten gronde alleen van belang is om de rechtsgevolgen van de betrokken opzegging vast te stellen. In lid 2 van dit artikel 12 is namelijk in afwijking van lid 1 ervan bepaald dat er geen recht op betaling van een beëindigingsvergoeding bestaat. Deze rechtsgevolgen hangen krachtens dat artikel 12, lid 2, niet af van de redenen die de betrokken reiziger voor de annulatie van zijn reis heeft aangevoerd, maar uitsluitend van de vraag of er zich daadwerkelijk omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van deze reis.
18 Voorts wordt een dergelijke uitlegging volgens de verwijzende rechter gestaafd door het doel van de betaling van een beëindigingsvergoeding, ongeacht of deze vergoeding wordt beschouwd als „een met schadevergoeding vergelijkbare betaling” dan wel als een „bedrag dat in de plaats komt van de prijs van de betrokken reis”. Indien na de opzegging van de pakketreisovereenkomst zou blijken dat de uitvoering van de reis in het gedrang komt en de reisorganisator daarom ook zonder dat de betrokken reiziger zijn reisovereenkomst had opgezegd de reissom in ieder geval volledig zou hebben moeten terugbetalen, is er immers geen sprake van schade als gevolg van de opzegging, noch van een recht op een vervangende betaling in de plaats van de reissom, aangezien een dergelijk recht slechts een bestaansreden heeft wanneer de organisator zonder die opzegging recht zou hebben gehad op betaling van de reissom.
19 Ten slotte pleiten ook overwegingen van consumentenbescherming ervoor dat rekening wordt gehouden met omstandigheden die zich pas na de opzegging van de betrokken pakketreisovereenkomst hebben voorgedaan. Volgens de verwijzende rechter vereist een hoog niveau van reizigersbescherming dat de betrokken reiziger ook bij vroegtijdige opzegging van zijn reisovereenkomst geen betalingen verschuldigd is voor een reis waarvan de uitvoering naderhand in het gedrang blijkt te komen. In onzekere situaties zouden die reizigers er namelijk van kunnen worden weerhouden om tijdig gebruik te maken van hun recht om de overeenkomst op te zeggen zonder een vergoeding te betalen. Die mogelijkheid om op te zeggen zonder een vergoeding te betalen heeft overigens niet tot gevolg dat reizigers erop kunnen speculeren dat een opkomende crisis zal aanhouden. Integendeel, als dit recht om de overeenkomst op te zeggen zonder een vergoeding te betalen afhankelijk werd gemaakt van het tijdstip van de opzegging, zou speculatief gedrag juist worden aangemoedigd, met name bij de betrokken organisator, die aanleiding zou kunnen zien om de reis pas kort vóór het begin ervan te annuleren en zo de mogelijkheid open te laten dat reizigers toch nog hun reis annuleren en een beëindigingsvergoeding moeten betalen, wat voor hem financieel voordeliger zou zijn.
20 De verwijzende rechter is van mening dat aan de voorgaande argumenten niet wordt afgedaan door het feit dat artikel 12, lid 4, van richtlijn 2015/2302 voorziet in een maximumtermijn voor terugbetaling van veertien dagen na de opzegging. Uit deze bepaling kan namelijk niet worden afgeleid dat het bedrag van de beëindigingsvergoeding uiterlijk bij het verstrijken van deze termijn definitief moet vaststaan. Evenzo is die rechter van oordeel dat de leden 1 en 2 van artikel 12 van deze richtlijn niet aldus mogen worden uitgelegd dat ze respectievelijk een regel en een uitzondering vaststellen, aangezien zij eerder beogen een passend evenwicht te vinden tussen het gerechtvaardigde belang van de reisorganisator bij vergoeding en de doelstelling van een hoog niveau van reizigersbescherming.
21 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 12, lid 2, van [richtlijn 2015/2302] aldus worden uitgelegd dat voor de beoordeling van de gegrondheid van de beëindiging [van de betrokken pakketreisovereenkomst] alleen de onvermijdbare en buitengewone omstandigheden relevant zijn die zich op het tijdstip van beëindiging reeds hebben voorgedaan, dan wel aldus dat ook rekening moet worden gehouden met onvermijdbare en buitengewone omstandigheden die zich daadwerkelijk voordoen na de beëindiging, maar nog vóór het geplande begin van de reis?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er zich „buitengewone en onvermijdbare omstandigheden [hebben voorgedaan] die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of […] voor het personenvervoer naar de bestemming”, in de zin van deze bepaling, enkel rekening mag worden gehouden met de situatie op de datum waarop de reiziger zijn reisovereenkomst heeft opgezegd dan wel ook moet worden gekeken naar buitengewone en onvermijdbare omstandigheden die zich voordoen na die datum maar vóór het begin van de betrokken pakketreis.
23 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 bepaalt dat „indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming”, een reiziger het recht heeft een pakketreisovereenkomst vóór het begin van deze pakketreis zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen en de volledige terugbetaling van alle voor die pakketreis betaalde bedragen te verkrijgen.
24 Het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 wordt in artikel 3, punt 12, gedefinieerd als „een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren”.
25 In overweging 31 van die richtlijn wordt de draagwijdte van dit begrip verduidelijkt als volgt: „Voorbeelden zijn oorlog of andere ernstige veiligheidsproblemen zoals terrorisme, grote gevaren voor de menselijke gezondheid zoals de uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming, of natuurrampen zoals overstromingen, aardbevingen of weersomstandigheden, waardoor veilig reizen naar de in de pakketreisovereenkomst overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden”.
26 In de eerste plaats volgt uit de bewoordingen van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 dat het recht om de pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen, verplicht moet worden uitgeoefend „vóór het begin van de pakketreis”.
27 De voorwaarde voor de uitoefening van dit recht dat „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden […] aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of […] voor het personenvervoer naar de bestemming” moet noodzakelijkerwijs zijn vervuld op de datum van die opzegging, met andere woorden „vóór het begin van de pakketreis”.
28 De beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan dient in temporeel opzicht dan ook te worden gemaakt op het tijdstip van de opzegging van de betrokken pakketreisovereenkomst.
29 Hieruit volgt dat deze voorwaarde, voor zover die ten eerste vereist dat er zich „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” voordoen, moet worden geacht te zijn vervuld wanneer er zich ten tijde van de opzegging van de betrokken pakketreisovereenkomst daadwerkelijk dergelijke omstandigheden hebben voorgedaan, wat veronderstelt dat er op dat tijdstip sprake is van een situatie die beantwoordt aan de definitie van het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden”, zoals het in artikel 3, punt 12, van richtlijn 2015/2302 is omschreven en in overweging 31 daarvan is toegelicht.
30 Voor zover deze omstandigheden ten tweede „aanzienlijke gevolgen voor de uitvoering van de pakketreis, of voor het personenvervoer naar de bestemming” moeten hebben, is de beoordeling van die gevolgen noodzakelijkerwijs prospectief van aard, aangezien zij pas definitief duidelijk worden op de geplande datum van uitvoering van de betrokken pakketreis.
31 Dit betekent dat deze beoordeling moet berusten op een prognose aangaande de waarschijnlijkheid dat de onvermijdbare en buitengewone omstandigheden die de betrokken reiziger inroept „aanzienlijke gevolgen voor de uitvoering van de pakketreis” zullen hebben in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302.
32 Bovendien moeten de waarschijnlijkheid en het aanzienlijke karakter van die gevolgen worden beoordeeld vanuit het oogpunt van een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende reiziger, in die zin dat een dergelijke reiziger er redelijkerwijs van kon uitgaan dat de onvermijdbare en buitengewone omstandigheden die hij inroept waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen zouden hebben voor de uitvoering van zijn pakketreis of voor het personenvervoer naar de bestemming (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:xxx, punt 71).
33 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden”, in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302, die zich voordoen na de opzegging van de overeenkomst in die context van invloed kunnen zijn, dient te worden geoordeeld dat daar geen rekening mee kan worden gehouden.
34 Dienaangaande is het ten eerste, in tegenstelling tot wat de verwijzende rechter suggereert, niet mogelijk dat het recht waarin dit artikel 12, lid 2, voorziet om een pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen, tegelijk wordt bepaald door de situatie op het tijdstip van de opzegging van deze overeenkomst en, los daarvan, door de situatie op een tijdstip na deze opzegging maar vóór het begin van de pakketreis.
35 Indien de situatie op die verschillende tijdstippen in aanmerking zou worden genomen, zou dat immers tot tegenstrijdige of onsamenhangende resultaten kunnen leiden. Volgens een dergelijke benadering zou het kunnen dat de betrokken reiziger eerst, op het tijdstip van de opzegging van zijn pakketreisovereenkomst, daar het recht toe heeft zonder een vergoeding verschuldigd te zijn, maar dat recht vervolgens, na die opzegging, met terugwerkende kracht weer verliest wegens gebeurtenissen die zich nadien hebben voorgedaan. Omgekeerd zou dat recht hem eerst, op het tijdstip van opzegging, kunnen worden geweigerd, maar zou het hem vervolgens wegens dergelijke gebeurtenissen kunnen worden toegekend, zoals ook de advocaat-generaal in punt 44 van haar conclusie heeft opgemerkt.
36 Bovendien vindt de in punt 33 van het onderhavige arrest vermelde uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 steun in de context van die bepaling, aangezien de incoherentie van een oplossing zoals bedoeld in het vorige punt wordt bevestigd door de samenhang tussen dit lid 2 van artikel 12 en lid 1 ervan. Hoewel deze twee bepalingen de reiziger elk een verschillend recht tot opzegging toekennen, zou een en dezelfde opzegging van de betrokken pakketreisovereenkomst namelijk al naargelang van de ontwikkeling van de situatie ofwel onder de eerste, ofwel onder de tweede van deze bepalingen kunnen vallen.
37 Voor de beoordeling of de betrokken pakketreisovereenkomst is opgezegd wegens „buitengewone en onvermijdbare omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid, 2, van richtlijn 2015/2302 moet dan ook een welbepaald tijdstip in aanmerking worden genomen.
38 Ten tweede is dat tijdstip, zoals in punt 29 van het onderhavige arrest is vastgesteld, de datum van de opzegging van de betrokken reisovereenkomst.
39 Ten derde is in die context om verschillende redenen een uitlegging van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 geboden die uitsluit dat een datum na de opzegging van de betrokken reisovereenkomst in aanmerking kan worden genomen.
40 Om te beginnen zou het verband dat die bepaling legt tussen de opzegging door een reiziger van zijn pakketreisovereenkomst zonder een beëindigingsvergoeding te betalen en de omstandigheid dat er zich „buitengewone en onvermijdbare omstandigheden” in de zin van deze bepaling voordoen, vanuit het oogpunt van de betrokken reiziger een willekeurig karakter krijgen indien zou worden erkend dat de uitoefening van het opzeggingsrecht dat hij aan deze bepaling ontleent, afhangt van een voorwaarde waarvan uiteindelijk pas achteraf kan worden vastgesteld of eraan is voldaan.
41 Voorts bepaalt artikel 12, lid 4, van richtlijn 2015/2302 dat de organisator van de pakketreis met name na opzegging zonder dat een beëindigingsvergoeding verschuldigd is in de zin van artikel 12, lid 2, van die richtlijn, aan de betrokken reiziger onverwijld en „in elk geval” uiterlijk binnen 14 dagen na de beëindiging van de overeenkomst alle bedragen die voor de pakketreis zijn betaald, moet terugbetalen. Deze termijn beoogt te waarborgen dat deze reiziger spoedig na die beëindiging weer vrij kan beschikken over het bedrag dat hij voor die pakketreis had betaald (arrest van 8 juni 2023, UFC – Que choisir en CLCV, C‑407/21, EU:C:2023:449, punt 30).
42 Dat een dergelijke maximumtermijn is opgelegd, wijst erop dat de reisorganisator in principe onmiddellijk na de opzegging van de betrokken pakketreisovereenkomst, en dus zonder de verdere ontwikkeling van de situatie af te wachten, in staat moet zijn om te bepalen of de reiziger zich al dan niet terecht beroept op het recht om zijn pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen en, zo ja, het nodige moet kunnen doen om ervoor te zorgen dat alle bedragen die voor de pakketreis zijn betaald binnen de voorgeschreven termijn worden terugbetaald.
43 Ten slotte vindt deze uitlegging steun in het doel van richtlijn 2015/2302, dat volgens artikel 1 ervan met name bestaat in het verwezenlijken van een hoog niveau van consumentenbescherming.
44 Ten eerste verleent artikel 12, lid 2, van deze richtlijn de betrokken reiziger, indien er zich „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” voordoen, namelijk een eigen recht om de reisovereenkomst op te zeggen, dat losstaat van het recht van de betrokken organisator om de overeenkomst op grond van artikel 12, lid 3, van die richtlijn op te zeggen. Wil die reiziger zich met succes op zijn recht kunnen beroepen, moet hij op het tijdstip van de opzegging dus kunnen beoordelen of aan de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht is voldaan.
45 Daarentegen zou er tot op de geplande begindatum van de pakketreis een situatie van onzekerheid blijven bestaan indien de mogelijkheid om dat recht uit te oefenen afhankelijk werd gemaakt van ontwikkelingen die zich voordoen na de beëindigingsverklaring.
46 Ten tweede zou de betrokken reiziger misschien wel beter beschermd zijn indien ontwikkelingen die zich voordoen na de opzegging van een pakketreisovereenkomst maar vóór het begin van de pakketreis en die de uitvoering daarvan uiteindelijk daadwerkelijk verhinderen, beslissend zouden worden geacht voor de uitoefening van het in artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 bedoelde recht om die overeenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen. Het omgekeerde zou echter evenzeer waar zijn, indien na de opzegging van de overeenkomst zou blijken dat het wegens een onverwachte verbetering van de betrokken situatie toch mogelijk is deze pakketreis uit te voeren. In dit laatste geval zou deze reiziger namelijk het recht om zijn pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen worden ontzegd, terwijl hij zich op het tijdstip van de opzegging van de reisovereenkomst had gebaseerd op een redelijke prognose dat de reis waarschijnlijk niet zou kunnen doorgaan.
47 In casu blijkt uit de informatie die door de verwijzende rechter is verstrekt dat de betrokken reiziger zich op de toenemende verspreiding van COVID-19 en de COVID-19-pandemie heeft beroepen als „buitengewone en onvermijdbare omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 om zijn pakketreisovereenkomst op te zeggen zonder een beëindigingsvergoeding te betalen.
48 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de uitbraak van een wereldwijde gezondheidscrisis als de COVID-19-pandemie als zodanig moet worden geacht onder het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 te kunnen vallen (arrest van 8 juni 2023, UFC – Que choisir en CLCV, C‑407/21, EU:C:2023:449, punt 45).
49 Gelet op al het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er zich „buitengewone en onvermijdbare omstandigheden [hebben voorgedaan] die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of […] voor het personenvervoer naar de bestemming” in de zin van deze bepaling, enkel rekening mag worden gehouden met de situatie op de datum waarop de reiziger zijn reisovereenkomst heeft opgezegd.
Kosten
50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 12, lid 2, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad,
moet aldus worden uitgelegd dat
bij de beoordeling of er zich „buitengewone en onvermijdbare omstandigheden [hebben voorgedaan] die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of […] voor het personenvervoer naar de bestemming” in de zin van deze bepaling, enkel rekening mag worden gehouden met de situatie op de datum waarop de reiziger zijn reisovereenkomst heeft opgezegd.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.