HvJ EU 12 december 2024, C-419/23, ECLI:EU:C:2024:1016
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
12 december 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 63 VWEU – Vrij verkeer van kapitaal – Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Eigendomsrecht – Vruchtgebruik op landbouwgrond – Nationale regeling waarbij het recht van vruchtgebruik van rechtswege en zonder schadevergoeding wordt geschrapt – Arrest waarin niet-nakoming wordt vastgesteld – Herinschrijving in het kadaster van een eerder doorgehaald recht van vruchtgebruik zonder toetsing van de rechtmatigheid van de oorspronkelijke inschrijving – Oorspronkelijke inschrijving die definitief is geworden”
In zaak C‑419/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Győri Törvényszék (rechter in eerste aanleg Győr, Hongarije) bij beslissing van 21 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 6 juli 2023, in de procedure
CN
tegen
Nemzeti Földügyi Központ,
in tegenwoordigheid van:
GW,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, S. Rodin, N. Jääskinen en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth, M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Mataija, A. Tokár en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CN en de Nemzeti Földügyi Központ (nationaal centrum voor grondzaken, Hongarije) over de rechtmatigheid van een besluit waarbij deze overheidsinstantie het recht van vruchtgebruik van GW op landbouwgrond van CN heeft heringeschreven in het kadaster.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 63, lid 1, VWEU bepaalt: „In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.”
4 Artikel 17, lid 1, van het Handvest bepaalt: „Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.”
Hongaars recht
Hongaars burgerlijk wetboek
5 Krachtens § 5:147, lid 1, van de Polgári Törvénykönyvről szóló 2013. évi V. törvény (wet nr. V van 2013 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) geeft het recht van vruchtgebruik de houder ervan het recht andermans goederen te bezitten, te gebruiken, te exploiteren en de vruchten ervan te genieten.
Regeringsbesluit 171/1991
6 Bij § 1, lid 5, van 171/1991 Korm. rendelet (regeringsbesluit 171/1991) van 27 december 1991, in werking getreden op 1 januari 1992, is uitgesloten dat personen die geen onderdaan zijn van Hongarije, met uitzondering van personen met een permanente verblijfsvergunning en personen die erkend zijn als vluchteling, productiegrond verwerven.
Wet productiegrond van 1994
7 De termőföldről szóló 1994. évi LV. törvény (wet nr. LV van 1994 inzake productiegrond; hierna: „wet productiegrond van 1994”) behield dit verbod op het verwerven van productiegrond, en heeft het uitgebreid tot rechtspersonen, ongeacht of zij al dan niet in Hongarije zijn gevestigd.
8 Deze wet is met ingang van 1 januari 2002 gewijzigd bij de termőföldről szóló 1994. évi LV. törvény módosításáról szóló 2001. évi CXVII. törvény (wet nr. CXVII van 2001 tot wijziging van wet nr. LV van 1994 inzake productiegrond) om ook de mogelijkheid uit te sluiten dat bij overeenkomst een recht van vruchtgebruik op productiegrond wordt gevestigd ten gunste van natuurlijke personen die geen onderdaan zijn van Hongarije, en van rechtspersonen.
9 Na deze wijzigingen was in § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994 bepaald dat „[d]e bepalingen van hoofdstuk II betreffende de beperking van de eigendomsverkrijging moeten worden toegepast om bij overeenkomst het recht van vruchtgebruik en het recht van gebruik te vestigen. […]”
10 § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994 is vervolgens gewijzigd bij de egyes agrár tárgyú törvények módosításáról szóló 2012. évi CCXIII. törvény (wet nr. CCXIII van 2012 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw). In zijn gewijzigde versie, die op 1 januari 2013 in werking is getreden, bepaalde § 11, lid 1, dat „[h]et bij overeenkomst gevestigde recht van vruchtgebruik [nietig is], behalve indien het ten gunste van een naast familielid is gevestigd”.
11 Bij wet nr. CCXIII van 2012 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw is in de wet productiegrond van 1994 ook een nieuwe § 91, lid 1, ingevoegd, volgens welke bepaling „op 1 januari 2013 bestaande rechten van vruchtgebruik die voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd die eindigt na 30 december 2032, zijn gevestigd op grond van een overeenkomst tussen personen die geen naaste familieleden zijn, […] van rechtswege [tenietgaan] op 1 januari 2033”.
Wet nr. CXXII van 2013 betreffende de verkoop van landbouw‑ en bosbouwgrond
12 De mező‑ és erdőgazdasági földek forgalmáról szóló 2013. évi CXXII. törvény (wet nr. CXXII van 2013 betreffende de verkoop van landbouw‑ en bosbouwgrond) is vastgesteld op 21 juni 2013 en in werking getreden op 15 december 2013.
13 In § 37, lid 1, van deze wet is het voorschrift behouden dat een bij overeenkomst gevestigd recht van vruchtgebruik of van gebruik op landbouwgrond nietig is, behalve indien het ten gunste van een naast familielid is gevestigd.
Wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen
14 De mező‑ és erdőgazdasági földek forgalmáról szóló 2013. évi CXXII. törvénnyel összefüggő egyes rendelkezésekről és átmeneti szabályokról szóló 2013. évi CCXII. törvény (wet nr. CCXII van 2013 houdende een aantal bepalingen en overgangsmaatregelen betreffende wet nr. CXXII van 2013 inzake de verkoop van landbouw‑ en bosbouwgrond; hierna: „wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen”) is vastgesteld op 12 december 2013 en in werking getreden op 15 december 2013.
15 In § 108, lid 1, van deze wet is, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, het volgende bepaald: „Op 30 april 2014 bestaande rechten van vruchtgebruik of van gebruik die voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd die eindigt na 30 april 2014, zijn gevestigd op grond van een overeenkomst tussen personen die geen naaste familieleden zijn, gaan van rechtswege teniet op 1 mei 2014.”
16 Bij wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw is hoofdstuk 20/F ingevoegd in de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen. Dit hoofdstuk bevat de nieuwe §§ 108/B en 108/F en heeft als opschrift „Bijzondere bepalingen ter omzetting van het [arrest van het Hof van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432)], dat werd gewezen in een zaak voor het Hof naar aanleiding van het van rechtswege tenietgaan van rechten van vruchtgebruik op landbouwgrond”. Het is op 1 januari 2022 in werking getreden.
17 § 108/B, lid 1, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen, zoals voortvloeiend uit wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw, bepaalt: „Een natuurlijke of rechtspersoon wiens recht van vruchtgebruik overeenkomstig de op 30 april 2014 geldende versie van § 108, lid 1, […] in het kadaster is doorgehaald, of zijn rechtsopvolger, kan overeenkomstig het onderhavige hoofdstuk de herinschrijving van het doorgehaalde recht van vruchtgebruik in het kadaster en de in het onderhavige hoofdstuk bedoelde schadeloosstelling vorderen.”
18 § 108/F, leden 6 tot en met 8, van deze wet, zoals voortvloeiend uit wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw, bepaalt: „6. Bij besluit moet worden vastgesteld dat het doorgehaalde recht van vruchtgebruik kan worden heringeschreven wanneer: a) een van de in lid 7 genoemde personen niet wordt geacht te goeder trouw te zijn, en b) er geen sprake is van een juridisch obstakel voor herinschrijving in de zin van lid 8. 7. De volgende partijen worden niet geacht te goeder trouw te zijn: a) de eigenaar wiens eigendomsrecht reeds bestond op het tijdstip waarop het recht van vruchtgebruik is doorgehaald; b) de eigenaar wiens eigendomsrecht tot stand is gekomen krachtens een overeenkomst die na 6 maart 2018 is gesloten of krachtens een overeenkomst die voor 6 maart 2018 is gesloten, maar na deze datum aan de bevoegde autoriteit is overgelegd in het kader van een procedure van wet [nr. CXXII van 2013 betreffende de verkoop van landbouw‑ en bosbouwgrond], (met name de procedure voor inschrijving in het kadaster), dan wel krachtens een uiterste wilsbeschikking die na 6 maart 2018 is opgesteld; c) de eigenaar wiens eigendomsrecht op het onroerend goed na 6 maart 2018 tot stand is gekomen (anders dan krachtens overeenkomst of vererving); d) de eigenaar die weliswaar wordt geacht te goeder trouw te zijn in de zin van b) of c), maar na 6 maart 2018 een vruchtgebruik op de onroerende zaak heeft gevestigd; e) de vruchtgebruiker wiens recht van vruchtgebruik op het onroerend goed is gevestigd krachtens een overeenkomst of uiterste wilsbeschikking daterend van na 6 maart 2018, of die zich het recht van vruchtgebruik heeft voorbehouden bij de overdracht, na deze datum, van het eigendomsrecht op dit onroerend goed; f) de eigenaar die zijn eigendomsrecht op het onroerend goed door vererving heeft verkregen van een onder a) tot en met d) bedoelde eigenaar. 8. De omstandigheid dat het onroerend goed in kwestie is onteigend of dat in plaats daarvan het eigendomsrecht op het onroerend goed in kwestie bij een koopovereenkomst is overgedragen, vormt een juridisch obstakel voor de herinschrijving.”
Kadasterwet
19 § 94 van de ingatlan-nyilvántartásról szóló 1997. évi CXLI. törvény (wet nr. CXLI van 1997 betreffende het kadaster), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „kadasterwet”), bepaalt: „1. Met het oog op de doorhaling in het kadaster van de rechten van vruchtgebruik en de rechten van gebruik (voor de toepassing van dit artikel hierna samen: ‚rechten van vruchtgebruik’) die krachtens § 108, lid 1, van de [wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen] tenietgaan, moet de natuurlijke persoon die houder van rechten van vruchtgebruik is, op aanmaning van de met het bijhouden van het kadaster belaste autoriteit, welke aanmaning wordt verstuurd op uiterlijk 31 oktober 2014, binnen 15 dagen na ontvangst van de aanmaning op het daartoe door de minister opgestelde formulier verklaren wat zijn eventuele naaste familieband is tot de persoon die op het aan de inschrijving in het kadaster ten grondslag liggende document als eigenaar van de grond is vermeld. Bij gebreke van een verklaring binnen de gestelde termijn wordt na 31 december 2014 geen gevolg meer gegeven aan het verzoek om een bewijs van inschrijving. […] 3. Indien uit de verklaring geen naaste familieband blijkt of indien binnen de gestelde termijn geen verklaring is afgelegd, haalt de met het bijhouden van het kadaster belaste autoriteit, binnen 6 maanden na het verstrijken van de termijn waarbinnen de verklaring moet worden afgelegd en uiterlijk op 31 juli 2015, ambtshalve de rechten van vruchtgebruik door in het kadaster. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20 Op 30 december 2001 hebben de vennootschap Readiness Kft. en GW een overeenkomst gesloten waarbij een recht van vruchtgebruik is gevestigd op landbouwgrond van de vennootschap op het grondgebied van de gemeente Kőszeg (Hongarije). Het recht van vruchtgebruik van GW werd bij besluit van 29 januari 2002 in het kadaster ingeschreven en werd niet aangevochten.
21 Op 18 mei 2012 werd CN in het kadaster ingeschreven als eigenaar van deze landbouwgrond.
22 Op 27 juli 2015 heeft de Vas Megyei Kormányhivatal Szombathelyi Járási Hivatal (overheidsdienst voor de provincie Vas – districtskantoor Szombathely, Hongarije) het recht van vruchtgebruik van GW in het kadaster doorgehaald krachtens § 108, lid 1, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen en § 94, leden 1 en 3, van de kadasterwet op grond dat GW geen naast familielid was van de eigenaar van de landbouwgrond in kwestie.
23 Het Hof heeft in zijn arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157), voor recht verklaard dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan eerder gevestigde rechten van vruchtgebruik op landbouwgrond waarvan de houders geen naast familielid zijn van de eigenaar van die grond, van rechtswege tenietgaan en als gevolg daarvan uit het kadaster worden geschrapt.
24 In zijn arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432), heeft het Hof geoordeeld dat Hongarije zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest niet is nagekomen door § 108, lid 1, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen vast te stellen en aldus de rechten van vruchtgebruik op landbouw‑ en bosbouwgrond in Hongarije die direct of indirect in handen waren van onderdanen van andere lidstaten, van rechtswege te schrappen.
25 Overeenkomstig §§ 108/B en 108/F van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen, die in deze wet waren ingevoegd bij wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw, heeft het nationaal centrum voor grondzaken bij besluit van 30 november 2022 de herinschrijving van het vruchtgebruik van GW in het kadaster gelast. In dit besluit merkte dit centrum op dat CN niet geacht kon worden te goeder trouw te zijn in de zin van § 108/F, lid 7, van deze wet aangezien zij op de datum van de doorhaling van het vruchtgebruik in het kadaster eigenaar van de landbouwgrond in kwestie was.
26 CN heeft tegen dit besluit tot herinschrijving bij de verwijzende rechter beroep tot nietigverklaring ingesteld, op grond dat het vruchtgebruik van GW op 29 januari 2002 onrechtmatig in het kadaster werd ingeschreven. Op grond van § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994, zoals op die datum van toepassing, mocht vruchtgebruik op landbouwgrond na 1 januari 2002 immers niet in het kadaster worden ingeschreven, wanneer dat vruchtgebruik werd gevestigd ten gunste van een natuurlijke persoon die geen Hongaarse onderdaan was.
27 Volgens het nationaal centrum voor grondzaken en GW moet het beroep worden verworpen, aangezien er geen sprake is van enig juridisch obstakel voor herinschrijving van het betrokken vruchtgebruik in het kadaster, en aangezien volgens de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen in de versie die voortvloeit uit wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw, ten behoeve van deze herinschrijving niet hoeft te worden onderzocht of de oorspronkelijke inschrijving van het recht van vruchtgebruik in het kadaster rechtmatig was.
28 Vooraf merkt de verwijzende rechter om te beginnen op dat CN in Duitsland is gevestigd en dat investeringen in onroerende goederen op het grondgebied van een lidstaat door niet-ingezetenen onder de werkingssfeer van artikel 63 VWEU vallen. Voorts benadrukt hij dat niet CN maar de vorige eigenaar van de landbouwgrond in het hoofdgeding het recht van vruchtgebruik aan GW heeft verleend. CN kan daarom niet worden aangemerkt als iemand die te kwader trouw heeft gehandeld. Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat CN wegens de doorhaling van het vruchtgebruik van GW in het kadaster, tot aan de herinschrijving van dat vruchtgebruik de volle eigendom van deze landbouwgrond genoot. Na de doorhaling van het vruchtgebruik van GW in het kadaster kon CN er dan ook rechtmatig van uitgaan dat zij de betreffende grond onbelast mocht exploiteren en kon zij een waardevermeerdering van die grond verwachten.
29 Tegen de achtergrond van deze verduidelijkingen benadrukt de verwijzende rechter in de eerste plaats dat het overeenkomstig § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994 na 1 januari 2002 verboden was om een vruchtgebruik te vestigen op productiegrond ten behoeve van personen die geen Hongaars onderdaan zijn. Volgens de nationale rechtspraak verzette deze bepaling zich er eveneens tegen dat een dergelijk recht na deze datum in het kadaster werd ingeschreven, zelfs al was de overeenkomst inzake vruchtgebruik daarvoor al gesloten.
30 In casu werd het vruchtgebruik van GW op de landbouwgrond die in het hoofdgeding aan de orde is, gevestigd bij overeenkomst van 30 december 2001, maar pas op 29 januari 2002 ingeschreven. Bijgevolg is de inschrijving van dit recht van vruchtgebruik in het kadaster volgens de verwijzende rechter onrechtmatig. Het besluit tot inschrijving is evenwel definitief geworden omdat er geen beroep tegen is ingesteld.
31 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat het besluit tot herinschrijving van het recht van vruchtgebruik van GW in het kadaster zijn grondslag vindt in de ter uitvoering van het arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432) vastgestelde §§ 108/B en 108/F van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen zoals voortvloeiend uit wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw.
32 Volgens § 108/F, lid 6, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen moet bij besluit worden vastgesteld dat het doorgehaalde recht van vruchtgebruik kan worden heringeschreven wanneer de eigenaar of de vruchtgebruiker niet wordt geacht te goeder trouw te zijn in de zin van § 108/F, lid 7.
33 Overeenkomstig deze laatste bepaling wordt de vruchtgebruiker slechts geacht te kwader trouw te zijn indien zijn recht op het onroerend goed is gevestigd krachtens een overeenkomst of uiterste wilsbeschikking daterend van na 6 maart 2018, of indien hij zich het recht van vruchtgebruik heeft voorbehouden bij de overdracht, na deze datum, van het eigendomsrecht op dit onroerend goed. De vruchtgebruiker wordt daarentegen geacht niet te kwader trouw te zijn wanneer zijn vruchtgebruik in strijd met de op het moment van deze inschrijving geldende nationale wettelijke regeling in het kadaster werd ingeschreven.
34 Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof in de punten 112, 117 en 122 van het arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157), gelast dat er een nationale procedure moet worden ingevoerd waarbij per geval kan worden onderzocht of de inschrijving van de rechten van vruchtgebruik rechtmatig was.
35 In de derde plaats stelt de verwijzende rechter vast dat uit het arrest van 10 maart 2022, Grossmania (C‑177/20, EU:C:2022:175), volgt dat een definitief geworden bestuurlijk besluit, zoals de inschrijving van het vruchtgebruik van GW in het kadaster, de bevoegde nationale rechterlijke instantie niet belemmert om de nodige maatregelen te treffen om het nuttig effect van het Unierecht te waarborgen, wanneer als gevolg van de noodzaak het rechtszekerheidsbeginsel te eerbiedigen, de beginselen van doeltreffendheid van het Unierecht en van loyale samenwerking in gevaar komen.
36 In casu moet volgens de verwijzende rechter, gelet op het beginsel dat rechten van vruchtgebruik slechts kunnen worden doorgehaald indien de bevoegde nationale rechterlijke instanties per geval kunnen onderzoeken of de oorspronkelijke inschrijving rechtmatig was, worden vastgesteld dat de oorspronkelijke inschrijving van het vruchtgebruik van GW in het kadaster en bijgevolg de herinschrijving van dit recht van vruchtgebruik, onrechtmatig waren. § 108/F, lid 7, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen, zoals voortvloeiend uit wet nr. CL van 2021 tot wijziging van bepaalde wetten betreffende de landbouw, belet hem echter dit te onderzoeken.
37 In deze omstandigheden heeft de Győri Törvényszék (rechter in eerste aanleg Győr, Hongarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 63 [VWEU] en artikel 17 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat die na de doorhaling van een recht van vruchtgebruik dat onrechtmatig, maar definitief was ingeschreven in het kadaster, de herinschrijving van dat recht van vruchtgebruik oplegt naar aanleiding van de uitkomst van een niet-nakomingsprocedure, zonder voor te schrijven dat moet worden onderzocht of het recht van vruchtgebruik rechtmatig was ingeschreven?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
38 De Hongaarse regering betwist de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag op grond dat de bepalingen van het Unierecht waarvan de verwijzende rechter uitlegging vraagt, geen verband houden met het bij hem aanhangige geding. Zo is de nationale regeling in het hoofdgeding ten eerste zonder onderscheid van toepassing en weerhield deze regeling niet-Hongaarse onderdanen er niet van om in Hongarije te investeren of hun investeringen daar aan te houden. Ten tweede heeft verzoekster in het hoofdgeding te kwader trouw gehandeld aangezien het Unierecht niet kan worden ingeroepen om een onrechtmatige praktijk te rechtvaardigen.
39 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat wanneer niet duidelijk blijkt dat de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, de exceptie van niet-toepasselijkheid van deze bepaling op het hoofdgeding niet ziet op de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar op de grond van de gestelde vragen (arrest van 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Het blijkt niet duidelijk dat artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest niet op het hoofdgeding van toepassing zijn. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde landbouwgrond eigendom is van CN, die gevestigd is in een andere lidstaat dan Hongarije. De elementen van het hoofdgeding spelen zich dus niet af binnen één enkele lidstaat.
41 Bovendien houdt de omstandigheid, gesteld al dat die vaststaat, dat verzoekster in het hoofdgeding zich in werkelijkheid wil beroepen op het Unierecht om een juridisch onrechtmatige praktijk te rechtvaardigen, verband met een aspect van de grond van de zaak en tast dit de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag niet aan.
42 Bijgevolg is de prejudiciële vraag ontvankelijk.
Ten gronde
43 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een recht van vruchtgebruik op in die lidstaat gelegen landbouwgrond dat na de definitieve inschrijving ervan in het kadaster geschrapt en doorgehaald is ingevolge een met deze artikelen strijdige regeling van die lidstaat, op verzoek van de persoon die dit recht werd ontnomen, in het kadaster moet worden heringeschreven, zelfs wanneer de oorspronkelijke inschrijving van dat recht in strijd was met de nationale wettelijke regeling die ten tijde van die inschrijving van toepassing was.
Opmerkingen vooraf
44 In de eerste plaats heeft GW op 30 december 2001 een vruchtgebruikovereenkomst gesloten met een Hongaarse vennootschap die eigenaar was van de landbouwgrond voordat de eigendom aan CN werd overgedragen, zoals in punt 20 van het onderhavige arrest is uiteengezet. Dit recht van vruchtgebruik is op 29 januari 2002 in het kadaster ingeschreven.
45 De verwijzende rechter is van oordeel dat de inschrijving in het kadaster onrechtmatig was omdat deze na 1 januari 2002 heeft plaatsgevonden, ook al was de overeenkomst rechtmatig bij het vestigen van het vruchtgebruik.
46 Hij zet uiteen dat het, ingevolge een wijziging die bij de in punt 8 van het onderhavige arrest genoemde wet nr. CXVII van 2001 werd aangebracht in § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994, vanaf 1 januari 2002 verboden was om ten behoeve van buitenlandse onderdanen een recht van vruchtgebruik op landbouwgrond te vestigen. De Hongaarse rechterlijke instanties hebben deze bepaling aldus uitgelegd dat een recht van vruchtgebruik op deze grond ten behoeve van een buitenlandse onderdaan na 1 januari 2002 niet meer in het kadaster ingeschreven kon worden, zelfs als het voor deze datum was gevestigd.
47 In de tweede plaats moet om te beginnen worden opgemerkt dat het recht van vruchtgebruik van GW op 27 juli 2015 in het kadaster is doorgehaald overeenkomstig § 108, lid 1, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen omdat de betrokkene geen naast familielid was van de eigenaar van de landbouwgrond.
48 In zijn arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432), heeft het Hof echter geoordeeld dat Hongarije zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 63 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 17 van het Handvest, niet was nagekomen door § 108, lid 1, van de wet overgangsmaatregelen van 2013 vast te stellen.
49 Om gevolg te geven aan dit arrest heeft de Hongaarse wetgever de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen gewijzigd om onder bepaalde voorwaarden de herinschrijving in het kadaster van overeenkomstig § 108, lid 1, van deze wet doorgehaalde rechten van vruchtgebruik mogelijk te maken.
50 Op 30 november 2022 heeft GW krachtens deze nieuwe wetgeving de herinschrijving van zijn vruchtgebruik in het kadaster verkregen.
51 Uit de verwijzingsbeslissing kan voorts worden afgeleid dat het recht van vruchtgebruik van GW onder de werkingssfeer van artikel 63 VWEU valt aangezien de betrokkene een onderdaan is van een andere lidstaat dan Hongarije. De prejudiciële vraag moet dus op basis van deze premisse worden beantwoord, waarbij het niettemin aan de verwijzende rechter staat om die te toetsen.
52 In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat de herinschrijving van de in strijd met artikel 63 VWEU in het kadaster geschrapte rechten van vruchtgebruik het meest geschikte middel is om, op zijn minst voor de toekomst, de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de betrokkene zich zou hebben bevonden indien zijn rechten niet onrechtmatig waren geschrapt. In specifieke gevallen kunnen er echter objectieve en legitieme obstakels, met name van juridische aard, aan zo een maatregel in de weg staan, met name wanneer, sinds de schrapping van de rechten van vruchtgebruik, de grond waarop die rechten rustten te goeder trouw is verworven door een nieuwe eigenaar of is herverkaveld. Alleen indien een dergelijke herinschrijving daadwerkelijk onmogelijk blijkt te zijn, is het voor het ongedaan maken van de onwettige gevolgen van de schending van het Unierecht noodzakelijk dat de voormalige houders van de geschrapte rechten van vruchtgebruik een recht op een – al dan niet financiële – compensatie wordt toegekend, waarvan de waarde zodanig is dat deze de economische schade als gevolg van de schrapping van die rechten financieel vergoedt (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punten 66 en 68).
53 Tegen de achtergrond van deze verduidelijkingen moet worden vastgesteld of artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest zich verzetten tegen de herinschrijving in het kadaster van een recht van vruchtgebruik op landbouwgrond in Hongarije op aanvraag van de persoon die dit recht werd ontnomen, wanneer de eigenaar van deze landbouwgrond niet in Hongarije gevestigd is en dit vruchtgebruik oorspronkelijk ingeschreven was in strijd met de nationale wettelijke regeling die ten tijde van die inschrijving van toepassing was.
Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
54 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, vallen onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU. Dat is met name het geval bij beleggingen in onroerende goederen die, zoals in casu, bestaan in het verwerven van eigendomsrechten op landbouwgrond [zie in die zin arresten van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punten 56 en 57, en 18 januari 2024, JD (Woonplaatsvereiste),C‑562/22, EU:C:2024:55, punten 30 en 31].
56 Voorts kan een nationale maatregel die zonder onderscheid van toepassing is, een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormen wanneer daardoor de situatie van een investeerder wordt beïnvloed en in het bijzonder wanneer daardoor investeerders uit andere lidstaten ervan worden weerhouden om in de betrokken lidstaat te investeren of een investering aan te houden (zie in dit verband met name arresten van 4 juni 2002, Commissie/Frankrijk, C‑483/99, EU:C:2002:327, punten 38‑42; 13 mei 2003, Commissie/Spanje, C‑463/00, EU:C:2003:272, punten 54‑62; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 65, en 8 mei 2013, Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punten 64‑66).
57 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat CN in Duitsland gevestigd is en dat volgens de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, een recht van vruchtgebruik op landbouwgrond in Hongarije, waaronder die waarvan CN de eigenaar is, ten gunste van derden moet worden hersteld, waardoor de waarde van deze landbouwgrond vermindert en de eigenaren, ook diegenen die in een andere lidstaat gevestigd zijn, worden beperkt in het genot van de goederen waarin zij voor de aankoop ervan kapitaal hebben geïnvesteerd.
58 Een dergelijke regeling vormt dus een beperking op de in artikel 63 VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid (zie naar analogie arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 64).
Bestaan van een rechtvaardigingsgrond
59 Een maatregel die het vrije verkeer van kapitaal beperkt, is slechts toelaatbaar voor zover hij ten eerste gerechtvaardigd is door de in artikel 65 VWEU genoemde redenen of door dwingende redenen van algemeen belang en ten tweede het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat hij geschikt is om de verwezenlijking van het rechtmatig nagestreefde doel te waarborgen en niet verdergaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punten 59 en 60].
60 Bovendien dient er ook aan te worden herinnerd dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst en dat zij dus met name moeten worden geëerbiedigd wanneer, zoals in het onderhavige geval, een nationale regeling de uitoefening van een of meer door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden kan belemmeren en de betrokken lidstaat zich beroept op redenen als bedoeld in artikel 65 VWEU of op door het Unierecht erkende dwingende redenen van algemeen belang om een dergelijke belemmering te rechtvaardigen. In een dergelijk geval kan de betrokken nationale regeling volgens vaste rechtspraak slechts in aanmerking komen voor deze uitzonderingen wanneer zij in overeenstemming is met de grondrechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punten 63 en 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61 In casu blijkt in de eerste plaats uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling tot doel heeft om gevolg te geven aan het arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432), waarin werd geoordeeld dat de eerdere Hongaarse wetgeving strijdig was met artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest, door de vruchtgebruikers te herstellen in hun rechten die hun, net als het geval was bij GW, waren ontnomen op een wijze die onverenigbaar was met deze artikelen.
62 Er moet worden opgemerkt dat een dergelijk doel een dwingende reden van algemeen belang kan zijn.
63 In dit verband zij beklemtoond dat indien het Hof vaststelt dat een lidstaat de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, deze lidstaat krachtens artikel 260, lid 1, VWEU gehouden is om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof, dat gezag van gewijsde heeft voor de feitelijke en juridische punten die door de betrokken rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht. De Hongaarse wetgever was dus gehouden om de nationaalrechtelijke bepalingen te wijzigen die in een dergelijk arrest strijdig met het Unierecht waren bevonden (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punten 35 en 36).
64 In de tweede plaats moet er, wat de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel betreft, ten eerste aan worden herinnerd dat een nationale wettelijke regeling slechts geschikt is om de verwezenlijking van het gestelde doel te verzekeren wanneer zij de verwezenlijking ervan werkelijk coherent en systematisch nastreeft [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 61]. In casu wijst niets erop dat de regeling in het hoofdgeding niet geschikt is om de rechten die de vruchtgebruikers in kwestie aan het Unierecht ontlenen, te herstellen.
65 Een dergelijke regeling lijkt ten tweede niet verder te gaan dan nodig is om dat doel te bereiken, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
66 Zoals in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is het dus alleen als er sprake is van objectieve en legitieme obstakels voor de herinschrijving van het recht van vruchtgebruik in het kadaster mogelijk om de voormalige houder van dit recht in plaats van deze herinschrijving compensatie te bieden. Het feit dat de oorspronkelijke inschrijving van het vruchtgebruik van GW in het kadaster volgens de verwijzende rechter in strijd was met § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994, in de versie die op de datum van inschrijving van toepassing was, vormt geen dergelijk objectief en legitiem obstakel.
67 In dit verband vloeit allereerst uit de verwijzingsbeslissing voort dat toen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vruchtgebruikovereenkomst werd gesloten, de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen die destijds van toepassing waren. Met dit gegeven moet rekening worden gehouden [zie naar analogie, arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punten 73‑75]. Enkel de inschrijving van dit recht op vruchtgebruik in het kadaster kan als onrechtmatig beschouwd worden volgens een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van § 11, lid 1, van de wet productiegrond van 1994, zoals van toepassing op de datum van inschrijving van het recht van vruchtgebruik van GW in het kadaster. Het staat een lidstaat echter vrij om wettelijke bepalingen vast te stellen op grond waarvan een dergelijke onrechtmatigheid die uit het nationaal recht voortvloeit, niet meer wordt gesanctioneerd.
68 Verder dient eraan te worden herinnerd dat het recht van vruchtgebruik dat in het hoofdgeding aan de orde is, op 29 januari 2002 in het kadaster werd ingeschreven en dat deze inschrijving definitief is geworden. Volgens Hongaars recht heeft een dergelijke inschrijving tot gevolg dat het betrokken recht van vruchtgebruik bestaat tot bewijs van het tegendeel [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 79]. Ook staat vast dat GW tot 27 juli 2015 ongestoord van dit recht heeft kunnen genieten. Daarom biedt het rechtszekerheidsbeginsel eveneens steun voor het herstel van het recht van vruchtgebruik van GW, zelfs al kon de oorspronkelijke inschrijving ervan in het kadaster als onrechtmatig worden beschouwd [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 80].
69 Voorts hadden op een dergelijke onrechtmatigheid die zich voordeed tijdens de oorspronkelijke inschrijving van het recht van vruchtgebruik in het kadaster, sancties kunnen worden gesteld die minder diep ingrijpen in de betrokken rechten van vruchtgebruikers, indien de Hongaarse autoriteiten voortvarender te werk waren gegaan om deze onrechtmatigheid van meet af aan te bestraffen [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 108].
70 Bovendien is het eigendomsrecht van CN, zoals de advocaat-generaal in de punten 66 tot en met 68 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet onevenredig aangetast door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling. Deze regeling heeft immers enkel tot gevolg dat CN de rechten terugkrijgt die zij had verkregen van de voormalige blote eigenaar van de landbouwgrond in kwestie, want het recht van vruchtgebruik van GW op deze landbouwgrond was al definitief in het kadaster ingeschreven voordat CN de blote eigenaar daarvan was geworden.
71 Ten slotte heeft het Hof inderdaad geoordeeld, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, dat een beoordeling per geval van de omstandigheden waarin een recht van vruchtgebruik werd gevestigd, een meer evenredige maatregel zou zijn ter bestrijding van misbruik op het gebied van de verwerving en exploitatie van landbouwgrond, dan de beslissing van de Hongaarse wetgever om rechten van vruchtgebruik in handen van personen die geen naaste familie zijn van de eigenaar van de betrokken grond, van rechtswege te schrappen [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond),C‑235/17, EU:C:2019:432, punten 115‑119]. Evenwel volgt uit deze beoordeling niet dat die ook toepasbaar is op het geval dat de wetgever de herinschrijving van dergelijke rechten in het kadaster voorschrijft, en dat niet om misbruik te bestrijden maar opdat de rechten worden geëerbiedigd die particulieren aan het Unierecht ontlenen.
72 In de derde plaats moet nog worden onderzocht, zoals in punt 60 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, of het eigendomsrecht dat wordt gewaarborgd door artikel 17 van het Handvest, zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die in het hoofdgeding.
73 In dit verband heeft op grond van artikel 17, lid 1, van het Handvest eenieder het recht om de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken en mag niemand zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed.
74 Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist. Voorts kunnen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen worden gesteld op de uitoefening van de in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden, zoals het eigendomsrecht, mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, zij de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
75 Hoewel nergens blijkt dat het recht van blote eigendom van CN op de landbouwgrond in kwestie niet rechtmatig is verworven in de zin van artikel 17, lid 1, van het Handvest, geldt dit niet voor de handeling waarmee CN, door de doorhaling in het kadaster van de inschrijving van het recht van vruchtgebruik van GW op de landbouwgrond in kwestie, de volle eigendom ervan heeft verkregen. Zoals uit punt 61 van het onderhavige arrest blijkt, heeft er immers een dergelijke handeling in strijd met artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest plaatsgevonden.
76 Hieruit volgt dat de volle eigendom van de landbouwgrond die in het hoofdgeding aan de orde is en die CN heeft verkregen door de doorhaling van het vruchtgebruik van GW overeenkomstig § 108, lid 1, van de wet van 2013 betreffende overgangsmaatregelen en § 94, leden 1 en 3, van de kadasterwet zoals geldend op datum van deze doorhaling, niet kan worden beschouwd als „rechtmatig verkregen” in de zin van artikel 17, lid 1, van het Handvest. Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling waarbij dit vruchtgebruik in het kadaster werd heringeschreven, niet worden beschouwd als een beperking van de rechten die CN aan artikel 17 van het Handvest kan ontlenen.
77 Uit een en ander volgt dat artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een recht van vruchtgebruik dat gevestigd is op in die lidstaat gelegen landbouwgrond en na de definitieve inschrijving ervan in het kadaster geschrapt en doorgehaald is ingevolge een met deze artikelen strijdige regeling van die lidstaat, op verzoek van de persoon die dit recht werd ontnomen in het kadaster moet worden heringeschreven, zelfs wanneer de oorspronkelijke inschrijving van dat recht in strijd was met de nationale wettelijke regeling die ten tijde van die inschrijving van toepassing was.
Kosten
78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een recht van vruchtgebruik dat gevestigd is op in die lidstaat gelegen landbouwgrond en na de definitieve inschrijving ervan in het kadaster geschrapt en doorgehaald is ingevolge een met deze artikelen strijdige regeling van die lidstaat, op verzoek van de persoon die dit recht werd ontnomen in het kadaster moet worden heringeschreven, zelfs wanneer de oorspronkelijke inschrijving van dat recht in strijd was met de nationale wettelijke regeling die ten tijde van die inschrijving van toepassing was.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Hongaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 januari 2024, C-562/22, ECLI:EU:C:2024:55
- HvJ EU 24 juli 2023, C-107/23, ECLI:EU:C:2023:606
- HvJ EU 10 maart 2022, C-177/20, ECLI:EU:C:2022:175
- HvJ EU 21 mei 2019, C-235/17, ECLI:EU:C:2019:432
- HvJ EU 6 maart 2018, C-52/16, ECLI:EU:C:2018:157
- HvJ EU 8 mei 2013, C-197/11, ECLI:EU:C:2013:288
- HvJ EU 10 november 2011, C-212/09, ECLI:EU:C:2011:717
- HvJ EU 13 mei 2003, C-463/00, ECLI:EU:C:2003:272
- HvJ EU 4 juni 2002, C-483/99, ECLI:EU:C:2002:327