HvJ EU 5 december 2024, C-379/23, ECLI:EU:C:2024:1002
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
5 december 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Oneerlijke handelspraktijken – Richtlijn 2005/29/EG – Artikel 2, onder c), d) en i) – Artikel 3, lid 1 – Toepassingsgebied – Begrip ‚product’ – Gezamenlijk aanbod bestaande uit de taxatie en de aankoop van een goed”
In zaak C‑379/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Patent‑ och marknadsöverdomstolen (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) bij beslissing van 13 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2023, in de procedure
Guldbrev AB
tegen
Konsumentombudsmannen,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en Z. Csehi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Guldbrev AB, vertegenwoordigd door D. Tornberg en M. Zeitlin, advokater,
– de Konsumentombudsman, vertegenwoordigd door G. Wikström, processråd,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland, I. Rubene en N. Ruiz García als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Guldbrev AB en de Konsumentombudsman (consumentenombudsman, Zweden; hierna: „KO”) over de verenigbaarheid met het Unierecht en het nationale recht van bepaalde handelspraktijken van Guldbrev met betrekking tot de taxatie en de aankoop van goud bij consumenten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 6 tot en met 8, 17 en 23 van richtlijn 2005/29 luiden: „(6) [D]e wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, [wordt] bij deze richtlijn geharmoniseerd. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beschermt deze richtlijn de consumenten tegen de gevolgen van oneerlijke handelspraktijken indien deze gevolgen substantieel zijn, maar erkent de richtlijn ook dat de gevolgen voor de consumenten in sommige gevallen verwaarloosbaar kunnen zijn. […] (7) Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. […] (8) Deze richtlijn beschermt de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. […] […] (17) Met het oog op een grotere rechtszekerheid is het wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijk zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9. De lijst mag alleen worden aangepast door herziening van deze richtlijn. […] (23) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verwijderen van de barrières die de nationale wetten inzake oneerlijke handelspraktijken voor de werking van de interne markt opwerpen en het bieden van een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming, door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken onderling aan te passen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de [Unie] kunnen worden verwezenlijkt, kan de [Unie], overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vermelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om de belemmeringen voor de interne markt te verwijderen en een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen.”
4 Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Doel” en bepaalt: „Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.”
5 Artikel 2 van die richtlijn heeft als opschrift „Definities” en luidt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] c) product: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen; d) handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten; […] i) uitnodiging tot aankoop: een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen; […]”
6 Artikel 3 van deze richtlijn heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1: „Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.”
7 Artikel 4 van richtlijn 2005/29 heeft als opschrift „Interne markt” en luidt als volgt: „De lidstaten mogen geen beperkingen opleggen aan het vrij verrichten van diensten of aan het vrije verkeer van goederen om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied.”
8 Artikel 5 („Verbod op oneerlijke handelspraktijken”) van deze richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 („Oneerlijke handelspraktijken”) van die richtlijn, verbiedt oneerlijke handelspraktijken en stelt de criteria vast aan de hand waarvan kan worden bepaald of praktijken oneerlijk zijn. In het bijzonder wordt in lid 5 van dat artikel bepaald: „Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.”
9 Artikel 11 van die richtlijn heeft als opschrift „Handhaving” en bepaalt in lid 1, eerste alinea, het volgende: „De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.”
10 Bijlage I bij richtlijn 2005/29 heeft als opschrift „Handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd” en luidt: „Misleidende handelspraktijken […] 5. Producten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden zonder dat de handelaar aangeeft dat er een gegrond vermoeden bestaat dat hij deze producten of gelijkwaardige producten niet tegen die prijs kan leveren of door een andere handelaar kan doen leveren gedurende een periode en in hoeveelheden die, rekening houdend met het product, de omvang van de voor het product gevoerde reclame en de aangeboden prijs, redelijk zijn (lokkertjes). 6. Producten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden en vervolgens: […] c) een exemplaar van het artikel met gebreken tonen, met de bedoeling een ander product aan te prijzen (‚bait and switch’).”
Zweeds recht
11 § 5 van marknadsföringslag (2008:486) [wet (2008:486) op de handelspraktijken; hierna: „wet op de handelspraktijken”], waarbij richtlijn 2005/29 in Zweeds recht is omgezet, bepaalt dat „[r]eclame […] in overeenstemming [moet] zijn met de goede reclamepraktijken”.
12 § 6 van deze wet bepaalt: „Reclame die niet in overeenstemming is met de goede reclamepraktijken in de zin van § 5, wordt als oneerlijk beschouwd indien zij het vermogen van de ontvanger om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen merkbaar aantast of kan aantasten.”
13 § 8 van die wet luidt als volgt: „Reclame die misleidend is op grond van § 9, § 10 of §§ 12 tot en met 17 wordt als oneerlijk beschouwd indien zij het vermogen van de ontvanger om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen aantast of kan aantasten. Misleidende reclame als bedoeld in de punten 1 tot en met 23 van bijlage I bij richtlijn [2005/29] wordt altijd als oneerlijk beschouwd.”
14 § 9 van die wet luidt: „Alle reclame moet zo worden ontworpen en gepresenteerd dat daaruit duidelijk blijkt dat het om reclame gaat. Het moet ook duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor de reclame. […]”
15 § 10 van de wet op de handelspraktijken bepaalt: „Bij het voeren van reclame mag een handelaar geen gebruikmaken van onjuiste beweringen of andere presentaties die misleidend zijn met betrekking tot de eigen bedrijfsactiviteiten of die van iemand anders. De eerste alinea is met name van toepassing op presentaties met betrekking tot 1) de aanwezigheid, aard, hoeveelheid, kwaliteit en andere onderscheidende kenmerken van het product; […] 4) de prijs van het product, de basis voor de berekening van de prijs, specifieke prijsvoordelen en betalingsvoorwaarden; […] Evenmin mag een handelaar essentiële informatie weglaten bij het maken van reclame voor zijn eigen of andermans bedrijfsactiviteiten. Misleidende weglatingen omvatten ook gevallen waarin de essentiële informatie wordt verstrekt op een onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige of anderszins ongepaste manier.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Guldbrev is een naamloze vennootschap naar Zweeds recht die actief is in de onlinetaxatie en -aankoop van goud van consumenten. Aangezien zij geen fysieke winkel heeft, taxeert zij het goud dat consumenten opsturen op basis van het karaatgehalte en het gewicht. Indien de consument het eens is over het bedrag van de door de onderneming aangeboden financiële tegenprestatie, vindt de transactie plaats.
17 Omdat de KO van mening was dat bepaalde reclame-uitingen van Guldbrev op haar websites, op sociale netwerken en in brieven aan consumenten misleidend en oneerlijk waren, heeft hij zich tot de Patent‑ och marknadsdomstol (rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendoms-, mededingings‑ en consumentenzaken, Zweden) gewend met het verzoek deze onderneming te verbieden dergelijke reclame te voeren en haar te gelasten bepaalde informatie aan consumenten te verstrekken.
18 Ter ondersteuning van dit verzoek heeft de KO om te beginnen uiteengezet dat er bij de reclame van Guldbrev voor goudprijzen sprake was van lokaanbiedingen en „bait and switch”-praktijken, die in strijd zijn met verschillende bepalingen van bijlage I bij richtlijn 2005/29. Vervolgens heeft Guldbrev nagelaten de reclame op de websites voldoende duidelijk als zodanig te identificeren en te preciseren dat zij de initiatiefnemer van de reclame was. Ten slotte zijn de door die onderneming opgegeven maximumprijzen onredelijk, volledig onvoorspelbaar of onmogelijk te verkrijgen wegens de eisen die zij aan de consumenten stelt. Dit doet afbreuk aan het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.
19 Guldbrev heeft de vorderingen van de KO bestreden en heeft in wezen aangevoerd dat er in het hoofdgeding geen omstandigheden voorhanden zijn op grond waarvan richtlijn 2005/29 of de wet op de handelspraktijken van toepassing zijn, aangezien de litigieuze praktijken betrekking hebben op aankoopdiensten. Volgens die onderneming is de reclame in kwestie misleidend noch oneerlijk en beschikt de consument over voldoende informatie over de wijze waarop de prijs wordt bepaald.
20 Bij vonnis van 25 maart 2022 heeft de Patent‑ och marknadsdomstol Guldbrev op straffe van een dwangsom verboden haar promotionele activiteiten voort te zetten, en haar gelast om in haar reclame bepaalde informatie te verstrekken. Na te hebben geoordeeld dat de activiteiten van deze onderneming op het gebied van de taxatie en de aankoop van goud handelspraktijken vormden die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2005/29 vielen, heeft die rechter geoordeeld dat bepaalde reclame-uitingen niet voldeden aan de vereisten van de wet op de handelspraktijken, waarbij die richtlijn in Zweeds recht is omgezet.
21 Guldbrev heeft tegen bepaalde delen van dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Patent‑ och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden), de verwijzende rechter.
22 Dienaangaande herinnert deze rechter eraan dat op grond van de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 2, onder c) en d), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 kan worden aangenomen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame intrinsiek een handelspraktijk in de zin van deze richtlijn kan vormen, mits zij betrekking heeft op een product in de zin van die richtlijn. Hij herinnert er evenwel aan dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag of het aanbod van een handelaar, zoals dat in het hoofdgeding, betrekking heeft op een product in de zin van die richtlijn. Een antwoord op deze vraag zou het mogelijk maken te bepalen of de voorschriften van nationaal recht moeten worden uitgelegd in het licht van de materiële regels van diezelfde richtlijn.
23 In deze omstandigheden heeft de Svea hovrätt, Patent‑ och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd: „1) Vormt, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, de taxatie en de aankoop van goud van consumenten een product (gecombineerd product) in de zin van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn [2005/29] betreffende oneerlijke handelspraktijken? 2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is de taxatie van goud in de voor de verwijzende rechter aan de orde zijnde situatie dan een product in de zin van richtlijn [2005/29]?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de dienst bestaande in de taxatie van een goed, die een handelaar ten behoeve van een consument verricht voordat hij dat goed van deze consument aankoopt, waarbij de aankoop afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de na de taxatie vastgestelde prijs, samen met die aankoop een „product” in de zin van die bepalingen vormt.
25 Vooraf zij opgemerkt dat, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, de verwijzende rechter deze vraag stelt om na te gaan of richtlijn 2005/29 van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin een handelaar goud koopt van een consument en daartoe twee commerciële handelingen combineert in één enkel commercieel aanbod, te weten de dienst van taxatie van dat goed en de aankoop van dat goed van diezelfde consument. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt in het bijzonder dat verzoekster in het hoofdgeding slechts bereid is om goud van de consument te kopen indien deze consument de taxatiedienst aanvaardt die zij verricht om de kwaliteit en de aankoopprijs van het goud te bepalen. Deze aankoopprijs wordt dus vastgesteld op het moment van de taxatie en is bindend voor de consument indien hij wenst dat de transactie plaatsvindt.
26 De in het hoofdgeding aan Guldbrev verweten handelingen bestaan met name in bepaalde reclame-uitingen voor goudprijzen, die volgens de KO „misleidende handelspraktijken” in de zin van punt 5, en punt 6, onder c), van bijlage I bij richtlijn 2005/29 vormen. De verwijzende rechter is van oordeel dat die reclame-uitingen daadwerkelijk „handelspraktijken” in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van deze richtlijn kunnen vormen en dus binnen het toepassingsgebied van die richtlijn kunnen vallen, op voorwaarde evenwel dat de dienst bestaande in de taxatie van goud en de aankoop van dat goud tegen de aldus getaxeerde prijs kunnen worden geacht samen een „product” in de zin van laatstgenoemde bepalingen te vormen.
27 Wat dit laatste betreft, bepaalt artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 dat deze richtlijn van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5 van die richtlijn, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product. Hoewel artikel 5 oneerlijke handelspraktijken verbiedt en de criteria vaststelt aan de hand waarvan kan worden bepaald of dergelijke praktijken oneerlijk zijn, komt de vraag of handelingen zoals de in geding zijnde reclame als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, in geen van beide door de verwijzende rechter gestelde vragen aan bod.
28 Wat daarentegen de andere door de verwijzende rechter in zijn eerste vraag genoemde bepalingen betreft, definieert artikel 2 van richtlijn 2005/29, respectievelijk onder c), d) en i), het begrip „product” als „een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen”, het begrip „handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten” als „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten” en het begrip „uitnodiging tot aankoop” als een „commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen”.
29 Hieruit volgt dat een handeling rechtstreeks verband moet houden met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten om als „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 te kunnen worden aangemerkt en dus binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn te kunnen vallen (zie in die zin arrest van 4 juli 2019, Kirschstein, C‑393/17, EU:C:2019:563, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 In casu is de dienst bestaande in de taxatie van goud een product dat „aan consumenten” wordt geleverd in de zin van die bepalingen, terwijl het bij de aankoop van goud gaat om de verkoop van een goed door een consument aan een handelaar. Bijgevolg kan reclame die rechtstreeks verband houdt met de aankoop van goud, maar niet met de taxatie ervan, enkel in het door de verwijzende rechter in zijn vraag bedoelde geval worden beschouwd als een „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29, namelijk in het geval waarin de taxatiedienst en de aankoop samen kunnen worden beschouwd als een aan de consument geleverd „product” in de zin van die bepalingen.
31 Bovendien zij erop gewezen dat artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 het begrip „handelspraktijk” in bijzonder ruime bewoordingen definieert (zie in die zin arrest van 23 april 2009, VTB‑VAB en Galatea, C‑261/07 en C‑299/07, EU:C:2009:244, punt 49). Dienaangaande is het enige criterium dat in die bepaling wordt gesteld dat de praktijk van de handelaar rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een goed of dienst aan een consument (arresten van 19 september 2013, CHS Tour Services, C‑435/11, EU:C:2013:574, punt 27), en 16 april 2015, UPC Magyarország, C‑388/13, EU:C:2015:225, punt 35).
32 Wat in het bijzonder gezamenlijke aanbiedingen betreft, waarbij minstens twee verschillende producten of diensten worden gecombineerd in één enkel aanbod, heeft het Hof reeds geoordeeld dat zij commerciële handelingen vormen die duidelijk deel uitmaken van het marketingbeleid van een ondernemer en rechtstreeks verband houden met de verkoopbevordering en de afzet van zijn producten. Bijgevolg vormen zij wel degelijk handelspraktijken in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 en vallen zij dus binnen het toepassingsgebied ervan (arresten van 23 april 2009, VTB‑VAB en Galatea, C‑261/07 en C‑299/07, EU:C:2009:244, punt 50, en 7 september 2016, Deroo-Blanquart, C‑310/15, EU:C:2016:633, punt 28).
33 Aangezien de handelaar de consument in casu een dienst bestaande in de taxatie van goud aanbiedt, waarbij hij deze dienst combineert met de aankoop van dit goud, op voorwaarde dat de na de taxatie vastgestelde prijs wordt aanvaard, is er, in de zin van de in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, slechts sprake van een handelspraktijk van de handelaar indien die handelaar reclame maakt voor de taxatiedienst.
34 Wat dit laatste betreft, zij in herinnering gebracht dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie op autonome en eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 24 oktober 2024, Kwantum Nederland en Kwantum België, C‑227/23, EU:C:2024:914, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen betreft, staat niets in de in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte definitie van het begrip „product” eraan in de weg dat een gezamenlijk aanbod dat, zoals in casu, is gebaseerd op het combineren van minstens twee verschillende producten of diensten in één enkel aanbod van een handelaar aan een consument, onder dit begrip valt. Wat de andere in punt 28 vermelde bepalingen betreft, die het begrip „product” vermelden in de definities die zij bevatten, blijkt uit de bewoordingen ervan evenmin dat een dergelijk aanbod niet onder dat begrip kan vallen.
36 Wat in de tweede plaats de context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat richtlijn 2005/29 zich onderscheidt door een bijzonder ruim materieel toepassingsgebied (arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország, C‑388/13, EU:C:2015:225, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Dit bijzonder ruime toepassingsgebied kan de volle werking van richtlijn 2005/29 verzekeren door te waarborgen dat oneerlijke handelspraktijken, zoals artikel 11, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn vereist, „in het belang van de consumenten” doeltreffend worden bestreden, overeenkomstig het in artikel 1 van deze richtlijn genoemde doel om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Trento Sviluppo en Centrale Adriatica, C‑281/12, EU:C:2013:859, punt 32).
38 Het door richtlijn 2005/29 nagestreefde doel, dat erin bestaat de consument ten volle te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken, komt namelijk voort uit de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt en met name over minder informatie beschikt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd. De bepalingen van die richtlijn zijn aldus vooral geformuleerd vanuit de optiek van de consument als doelwit en slachtoffer van oneerlijke handelspraktijken (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs, C‑59/12, EU:C:2013:634, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Bijgevolg vormen de dienst bestaande in de taxatie van goud en de aankoop van dat goud, wegens het – uit punt 25 van het onderhavige arrest blijkende – onlosmakelijke verband tussen beiden, samen een „product” in de zin van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29, zodat handelingen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame kunnen worden aangemerkt als „handelspraktijken” in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van die richtlijn en dus binnen het toepassingsgebied ervan kunnen vallen.
40 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de dienst bestaande in de taxatie van een goed, die een handelaar ten behoeve van een consument verricht voordat hij dat goed van deze consument aankoopt, waarbij de aankoop afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de na de taxatie vastgestelde prijs, samen met die aankoop een „product” in de zin van die bepalingen vormt, zodat de handelingen die rechtstreeks verband houden met de bevordering van de verkoop van dat product aan consumenten, binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.
Tweede vraag
41 De tweede vraag is slechts gesteld voor het geval dat het Hof de eerste vraag ontkennend zou beantwoorden. Zoals in het vorige punt is vastgesteld, moet deze eerste vraag evenwel bevestigend worden beantwoord.
42 Derhalve behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)
moeten aldus worden uitgelegd dat
de dienst bestaande in de taxatie van een goed, die een handelaar ten behoeve van een consument verricht voordat hij dat goed van deze consument aankoopt, waarbij de aankoop afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de na de taxatie vastgestelde prijs, samen met die aankoop een „product” in de zin van die bepalingen vormt, zodat de handelingen die rechtstreeks verband houden met de bevordering van de verkoop van dat product aan consumenten, binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Zweeds.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 24 oktober 2024, C-227/23, ECLI:EU:C:2024:914
- HvJ EU 4 juli 2019, C-393/17, ECLI:EU:C:2019:563
- HvJ EU 7 september 2016, C-310/15, ECLI:EU:C:2016:633
- HvJ EU 16 april 2015, C-388/13, ECLI:EU:C:2015:225
- HvJ EU 19 december 2013, C-281/12, ECLI:EU:C:2013:859
- HvJ EU 3 oktober 2013, C-59/12, ECLI:EU:C:2013:634
- HvJ EU 19 september 2013, C-435/11, ECLI:EU:C:2013:574
- HvJ EU 23 april 2009, C-261/07, ECLI:EU:C:2009:244