HvJ EU 16 november 2023, C-427/22, ECLI:EU:C:2023:877
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
16 november 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Economisch en monetair beleid – Prudentiële vereisten voor kredietinstellingen – Verordening (EU) nr. 575/2013 – Artikel 4, lid 1, punten 1 en 42 – Definities – Begrippen ‚kredietinstelling’ en ‚vergunning’ – Verlenen van kredieten zonder vergunning”
In zaak C‑427/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) bij beslissing van 21 juni 2022, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2022, in de strafrechtelijke procedure tegen
BG,
in tegenwoordigheid van:
Varhovna kasatsionna prokuratura,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, P.G. Xuereb en A. Kumin (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Nijenhuis, D. Triantafyllou en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, punten 1 en 42, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen BG, die schuldig is bevonden aan het verstrekken van leningen op interest aan twee natuurlijke personen zonder over de hiertoe vereiste machtiging te beschikken.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 575/2013
3 Overweging 5 van verordening nr. 575/2013 luidt als volgt: „Deze verordening en richtlijn 2013/36/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338)] moeten samen het juridische kader vormen dat van toepassing is op de toegang tot de werkzaamheden, het toezichtskader en de prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (gezamenlijk ‚instellingen’ genoemd). Om die reden moet deze verordening in onderlinge samenhang worden gelezen met die richtlijn.”
4 Artikel 1 van die verordening, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt in de eerste alinea het volgende: „In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen waarop overeenkomstig richtlijn [2013/36] toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden: a) eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico en afwikkelingsrisico; b) vereisten ter beperking van grote risicoblootstellingen; c) na de inwerkingtreding van de in artikel 460 bedoelde gedelegeerde handeling, liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico; d) rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c) en met betrekking tot hefboomfinanciering; e) openbaarmakingsvereisten.”
5 Artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (1) ‚kredietinstelling’: een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; […] (3) ‚instelling’: een kredietinstelling of een beleggingsonderneming; […] (26) ‚financiële instelling’: een onderneming die geen instelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij richtlijn [2013/36] genoemde werkzaamheden, […]; […] (42) ‚vergunning’: een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen; […]”
6 Artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 (PB 2019, L 314, blz. 1) (hierna: „gewijzigde verordening nr. 575/2013”), luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) ‚kredietinstelling’: een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan uit een van de volgende activiteiten: a) het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; b) het uitvoeren van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad [van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (PB 2014, L 173, blz. 349)] bedoelde activiteiten, waarbij een van de volgende voorwaarden van toepassing is, maar de onderneming geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, geen instelling voor collectieve belegging of geen verzekeringsonderneming is: i) de totale waarde van de geconsolideerde activa van de onderneming is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard EUR; ii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen die groep die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard EUR aan totale activa bezitten en die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij richtlijn [2014/65] bedoelde activiteiten uitoefenen, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR; of iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij richtlijn [2014/65] bedoelde activiteiten uitoefenen, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR, indien de geconsolideerde toezichthouder in overleg met het college van toezichthouders daartoe beslist om potentiële risico’s van omzeiling en potentiële risico’s voor de financiële stabiliteit van de [Europese] Unie aan te pakken; voor de toepassing van punt b), onder ii) en iii), worden, indien de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa meegerekend van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land die in de Unie een vergunning heeft in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep”.
7 Overeenkomstig artikel 62, punt 1, van verordening 2019/2033 is het opschrift van verordening nr. 575/2013 vervangen door: „Verordening [nr. 575/2013] van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012”.
Richtlijn 2013/36
8 De overwegingen 2 en 42 van richtlijn 2013/36 luiden als volgt: „(2) Deze richtlijn dient onder meer de bepalingen te bevatten die betrekking hebben op de vergunningverlening voor de bedrijfsuitoefening, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en van het recht van het vrij verrichten van diensten, en de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst in dit verband, alsook de bepalingen inzake het aanvangskapitaal en de toetsing door toezichthouders van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. […] Deze richtlijn moet […] in samenhang met verordening [nr. 575/2013] worden gelezen en moet […], samen met die verordening, het rechtskader vormen dat van toepassing is op het bankbedrijf, het toezichtskader en de prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. […] (42) Deze richtlijn dient alle in de wetgeving van de lidstaten voorkomende bepalingen met betrekking tot strafrechtelijke sancties onverlet te laten.”
9 Artikel 1 van deze richtlijn luidt als volgt: „Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot: a) toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (gezamenlijk ‚instellingen’ genoemd); […]”
10 Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1 het volgende: „Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities: 1) ‚kredietinstelling’: een kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van verordening [nr. 575/2013]; […] 22) ‚financiële instelling’: een financiële instelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26), van verordening [nr. 575/2013]; […] 38) ‚vergunning’: een vergunning als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 42), van verordening [nr. 575/2013]; […]”
11 Hoofdstuk 1 van titel III van richtlijn 2013/36, met als opschrift „Algemene vereisten voor de toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen”, bevat onder meer de artikelen 8 en 9.
12 Artikel 8, met als opschrift „Vergunning”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten schrijven voor dat kredietinstellingen een vergunning verkrijgen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. […]”
13 Artikel 9, met als opschrift „Verbod op het bedrijfsmatig aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden van het publiek voor personen of voor ondernemingen die geen kredietinstelling zijn”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten verbieden personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek deposito’s of andere terugbetaalbare gelden aan te trekken.”
14 Richtlijn 2013/36 bevat een titel V, met als opschrift „Bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten”, waarvan hoofdstuk 1, met als opschrift „Algemene beginselen”, onder meer artikel 34 bevat.
15 Dit artikel 34, getiteld „Financiële instellingen”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die vermeld staan in de lijst in bijlage I op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 2, en de artikelen 40 tot en met 46, hetzij door een bijkantoor te vestigen hetzij door diensten te verrichten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, waarvan de statuten de betrokken werkzaamheden toestaan en die aan elk van de volgende voorwaarden voldoet: […]”
16 De punten 1 en 2 van bijlage I bij richtlijn 2013/36, met als opschrift „Lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen”, luiden als volgt: „1. Het aantrekken van deposito’s en andere terugbetaalbare gelden. 2. Verstrekken van leningen, waaronder consumentenkrediet, kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerend goed, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (met inbegrip van voorschotten).”
Richtlijn 2014/65
17 Bijlage I bij richtlijn 2014/65 heeft als opschrift „Lijsten van diensten en activiteiten en van financiële instrumenten”. Deel A van deze bijlage I, met als opschrift „Beleggingsdiensten en -activiteiten”, noemt in de punten 3 en 6: „3. Het handelen voor eigen rekening. […] 6. Het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie.”
Bulgaars recht
Wetboek van strafrecht
18 Artikel 252, lid 1, van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht) bepaalt: „Eenieder die zonder geldige machtiging beroepsmatig bank-, verzekerings- of andere financiële transacties verricht, betalingsdiensten aanbiedt of elektronisch geld uitgeeft waarvoor een dergelijke machtiging is vereist, is strafbaar met een gevangenisstraf van drie tot vijf jaar en met een verbeurdverklaring van maximaal de helft van zijn goederen.”
Wet betreffende de kredietinstellingen
19 Artikel 2, lid 1, van de Zakon za kreditnite institutsii (wet betreffende de kredietinstellingen) (DV nr. 59 van 21 juli 2006), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet betreffende de kredietinstellingen”), definieert het begrip „bank” (kredietinstelling) als volgt: „Een rechtspersoon die bij het publiek deposito’s of andere terugbetaalbare gelden aantrekt en voor eigen rekening en eigen risico kredieten of andere financieringen verstrekt.”
20 Artikel 3, lid 1, punt 3, van deze wet definieert het begrip „financiële instelling” als een persoon die geen instelling of industriële holding is en waarvan de hoofdactiviteit met name bestaat in het verstrekken van kredieten met gelden die niet afkomstig zijn van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden die bij het publiek zijn aangetrokken.
21 Artikel 3a, lid 1, van deze wet bepaalt: „Voor het beroepsmatig verrichten van de in artikel 2, lid 2, punten 6, 7 en 12, en artikel 3, lid 1, punten 2 en 3, bedoelde activiteiten moet de persoon zijn ingeschreven in een openbaar register van de [Balgarska narodna banka (Bulgaarse nationale bank) (BNB)] indien één of meerdere van deze activiteiten voor hem een kernactiviteit zijn. De criteria voor de definitie van een kernactiviteit zijn vastgelegd in het reglement van de BNB.”
22 Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van dezelfde wet is voor de uitoefening van bankactiviteiten een door de BNB verleende machtiging vereist.
23 Volgens lid 4 van de aanvullende bepalingen van de wet betreffende de kredietinstellingen past deze wet met name de bepalingen van richtlijn 2013/36 toe.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
24 Van april 2016 tot en met september 2017 verstrekte BG, een Bulgaars onderdaan die gedurende deze periode gemeenteraadslid was, aan twee natuurlijke personen leningen op interest.
25 Bij vonnis van 1 oktober 2020 is BG schuldig bevonden aan het beroepsmatig verrichten van banktransacties zonder over de machtiging te beschikken die hiertoe door de wet betreffende de kredietinstellingen wordt vereist. Bijgevolg is hij op grond van met name artikel 252, lid 1, van het wetboek van strafrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met een proefperiode van vier jaar en tot de verbeurdverklaring van bepaalde goederen waarvan hij eigenaar was.
26 Dit vonnis is in hoger beroep bevestigd bij arrest van 15 april 2021. BG heeft vervolgens tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije).
27 De verwijzende rechter merkt op dat hij, overeenkomstig de relevante bepalingen van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), onder meer kan beslissen om de verdachte vrij te spreken indien op grond van de feiten kan worden geconcludeerd dat hij niet de dader is van de hem ten laste gelegde handeling of indien deze handeling geen strafbaar feit oplevert, of dat hij het in hoger beroep gewezen arrest kan wijzigen door die handeling te kwalificeren als een ander strafbaar feit waarop dezelfde of een lagere straf staat dan op het strafbare feit waaraan hij schuldig is bevonden.
28 De verwijzende rechter geeft aan dat, om te bepalen of hij een van deze bevoegdheden kan uitoefenen, eerst de draagwijdte moet worden verduidelijkt van de definities in artikel 4, lid 1, punten 1 en 42, van verordening nr. 575/2013, gelezen in samenhang met artikel 9, lid 1, van richtlijn 2013/36 en met bijlage I, punten 1 en 2, bij deze richtlijn. De uitlegging van deze Unierechtelijke bepalingen is immers relevant om te bepalen wat de werkelijke betekenis is van de verschillende bestanddelen van het in artikel 252, lid 1, van het wetboek van strafrecht bedoelde strafbare feit, en in het bijzonder van het begrip „banktransactie” in dat artikel.
29 Dienaangaande verduidelijkt de verwijzende rechter ten eerste dat de betekenis van deze bestanddelen volgens de praktijk van de Bulgaarse rechtspraak en rechtsleer in het nationale recht wordt bepaald door niet-strafrechtelijke wetten, waaronder de wet betreffende de kredietinstellingen, die de activiteiten van banken reguleren en begrippen als „bank”, „banktransactie”, „bankactiviteit” en „bankkrediet” definiëren. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt voorts dat deze wet de bepalingen van richtlijn 2013/36 toepast.
30 Met betrekking tot de betekenis van het begrip „bankactiviteit” bepaalt deze wet dat deze activiteit erin bestaat dat een kredietinstelling bij het publiek deposito’s of andere terugbetaalbare gelden aantrekt en voor eigen rekening en eigen risico leningen of andere financieringen verstrekt. Volgens die rechter stemt de definitie van dit begrip derhalve overeen met die van artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013.
31 Ten tweede preciseert de verwijzende rechter dat het verrichten van bankactiviteiten en met name het verstrekken van bankkredieten zonder dat de BNB daartoe machtiging op grond van een vergunningsregeling heeft verleend volgens artikel 252, lid 1, van het wetboek van strafrecht, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, van de wet betreffende de kredietinstellingen, een strafbaar feit behelst.
32 Ten derde merkt die rechter op dat meerdere van zijn recente beslissingen het begrip „banktransactie” in de zin van artikel 252, lid 1, van het wetboek van strafrecht hebben verduidelijkt. In deze beslissingen is namelijk geoordeeld dat het beroepsmatig verstrekken van leningen op interest met middelen die niet afkomstig zijn van bij het publiek aangetrokken deposito’s, niet als een „banktransactie” kan worden gedefinieerd. In de zaken die tot deze beslissingen hebben geleid zijn de verdachten vrijgesproken op grond van de overweging dat deze bepaling enkel van toepassing is op bankactiviteiten waarvoor een machtiging op grond van een vergunningsregeling is vereist.
33 Ten vierde verduidelijkt de verwijzende rechter dat het verlenen van kredieten met middelen die niet voortvloeien uit het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek, een financiële transactie is waarvoor artikel 3a, lid 1, van de wet betreffende de kredietinstellingen een registratieregeling en geen vergunningsregeling voorschrijft. De beroepsmatige uitoefening van deze activiteit zonder een dergelijke registratie vormt dan ook geen strafbaar feit.
34 Die rechter twijfelt echter over de precieze betekenis die moet worden gegeven aan de definitie van „kredietinstelling” in artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013. Hij vraagt zich af of het gebruik van het voegwoord „en” in deze definitie, die de activiteit van het aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden bij het publiek koppelt aan de activiteit van kredietverlening, betekent dat een dergelijke instelling slechts leningen verstrekt met bij het publiek aangetrokken gelden en niet ook leningen mag verstrekken met middelen uit andere bronnen, zoals geïnde vergoedingen of interesten. Deze twijfel vloeit eveneens voort uit artikel 9, lid 1, van richtlijn 2013/36, dat uitdrukkelijk verbiedt dat personen of ondernemingen die geen kredietinstellingen zijn, deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek aantrekken, alsook uit bijlage I, punten 1 en 2, bij deze richtlijn, waar deze twee activiteiten afzonderlijk worden vermeld.
35 Verder is de verwijzende rechter van mening dat de uitlegging van de definitie van het begrip „vergunning” in artikel 4, lid 1, punt 42, van verordening nr. 575/2013 moet worden verduidelijkt. Deze term verwijst naar het document waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de in deze verordening en in richtlijn 2013/36 bedoelde werkzaamheden uit te oefenen. Meer in het bijzonder vraagt deze rechter zich af of deze definitie, die verwijst naar „een akte […], ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen”, zowel betrekking heeft op de machtiging op grond van een vergunningsregeling, die in het nationale recht wordt voorgeschreven voor kredietinstellingen, als op de machtiging op grond van een registratieregeling, die in het nationale recht wordt voorgeschreven voor financiële instellingen.
36 Derhalve heeft de Varhoven kasatsionen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet de definitie van ‚kredietinstelling’ in artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening [nr. 575/2013] aldus worden uitgelegd dat kredietverlening uitsluitend mag geschieden met gelden uit deposito’s of andere terugbetaalbare gelden die bij het publiek zijn aangetrokken, of kan een kredietinstelling ook leningen verstrekken met middelen uit andere bronnen? 2) Hoe moet de inhoud van een ‚akte […], ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen’ in de zin van artikel 4, lid 1, punt 42, van verordening [nr. 575/2013] worden uitgelegd, en valt daaronder voor krediettransacties zowel de machtiging op grond van een vergunningsregeling als de machtiging op grond van een registratieregeling?”
Procedure bij het Hof
37 De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van zijn verzoek wijst hij op de spoedeisendheid van de bij hem aanhangige zaak, aangezien de aan BG ten laste gelegde feiten dateren van 2016 en de duur van de procedure in het hoofdgeding afbreuk kan doen aan het recht op een eerlijk proces.
38 Op 14 juli 2022 heeft de Eerste kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist dat dit verzoek niet hoefde te worden ingewilligd omdat niet aan de spoedeisendheidsvoorwaarde van artikel 107 was voldaan.
Bevoegdheid van het Hof
39 Vooraf zij erop gewezen dat de feiten van het hoofdgeding niet vallen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 575/2013, waarvan de uitlegging het voorwerp van het verzoek om een prejudiciële beslissing vormt.
40 Volgens vaste rechtspraak is het Hof echter bevoegd om uitspraak te doen over verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake bepalingen van het Unierecht wanneer de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet rechtstreeks binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar deze Unierechtelijke bepalingen intern toepasselijk zijn op grond van een verwijzing in het nationale recht naar de inhoud ervan (arrest van 7 november 2018, C en A, C‑257/17, EU:C:2018:876, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In dat geval heeft de Unie er immers stellig belang bij dat de bepalingen die uit het Unierecht zijn overgenomen, uniform worden uitgelegd, om toekomstige verschillen in de uitlegging te vermijden (arrest van 7 november 2018, C en A, C‑257/17, EU:C:2018:876, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Dat het Hof Unierechtelijke bepalingen uitlegt in situaties die niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, is dan ook gerechtvaardigd wanneer deze bepalingen door het nationale recht rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk zijn gemaakt op dergelijke situaties, met het oog op het garanderen van een gelijke behandeling van deze situaties en situaties die binnen de werkingssfeer van die bepalingen vallen (arresten van 7 november 2018, C en A, C‑257/17, EU:C:2018:876, punt 33, en 10 september 2020, Tax-Fin-Lex, C‑367/19, EU:C:2020:685, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Dienaangaande zij er nog aan herinnerd dat de concrete elementen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de bepalingen van het Unierecht door het nationale recht rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk zijn gemaakt, uit de verwijzingsbeslissing moeten blijken [zie in die zin arrest van 27 april 2023, Banca A (Toepassing van de fusierichtlijn in een interne situatie), C‑827/21, EU:C:2023:355, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 In casu heeft de verwijzende rechter – die in het kader van het bij artikel 267 VWEU ingestelde stelsel van rechterlijke samenwerking als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen (arrest van 7 november 2018, C en A, C‑257/17, EU:C:2018:876, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak) – uiteengezet waarom hij zich vragen stelt over de uitlegging van verordening nr. 575/2013 en het verband tussen deze verordening en de nationale bepalingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn. Uit de concrete elementen in de verwijzingsbeslissing blijkt aldus dat die rechter zich moet baseren op de definities in die verordening om zich in het kader van die procedure ten gronde uit te spreken.
45 Derhalve moet worden vastgesteld dat deze definities door het Bulgaarse recht rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing zijn verklaard op situaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde is en dat de Unie er dus stellig belang bij heeft dat het Hof zich uitspreekt over het verzoek om een prejudiciële beslissing.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
46 Om te beginnen zij opgemerkt dat artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013, waarnaar in de eerste vraag wordt verwezen en waarin het begrip „kredietinstelling” wordt gedefinieerd, is gewijzigd bij verordening 2019/2033.
47 Vóór deze wijziging werd dit begrip gedefinieerd als „een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening”.
48 Sinds die wijziging wordt een „kredietinstelling” beschouwd als een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan uit een of meer van de activiteiten bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder a) en b), van gewijzigde verordening nr. 575/2013.
49 Deze activiteiten zijn overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), „het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening” en, overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), „het uitvoeren van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij richtlijn [2014/65] bedoelde activiteiten”, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
50 In casu zij ten eerste opgemerkt dat volgens de toelichting van de verwijzende rechter de definitie van het begrip „kredietinstelling” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013 relevant is voor de uitlegging van de strafbepaling op grond waarvan BG is veroordeeld.
51 Ten tweede heeft deze veroordeling betrekking op feiten die hebben plaatsgevonden tussen april 2016 en september 2017, dat wil zeggen vóór de wijziging van artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013 bij verordening 2019/2033 in werking is getreden.
52 Het is echter niet uitgesloten dat deze wijziging gevolgen heeft voor het beginsel van de toepassing met terugwerkende kracht van de meest gunstige strafwet (lex mitior). Uit het dossier bij het Hof blijkt weliswaar niet hoe dit beginsel in het Bulgaarse recht is verankerd, maar het is een beginsel dat hoe dan ook wordt gewaarborgd door artikel 7, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [zie in die zin arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 september 2009, Scoppola tegen Italië (nr. 2), CE:ECHR:2009:0917JUD001024903, § 109], waarbij de Republiek Bulgarije partij is.
53 Bijgevolg moet er voor de beantwoording van de eerste vraag rekening mee worden gehouden dat artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013 bij verordening 2019/2033 is gewijzigd.
54 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt ten slotte dat BG geen van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 bedoelde activiteiten heeft uitgeoefend.
55 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 aldus moet worden uitgelegd dat een onderneming slechts onder het begrip „kredietinstelling” in de zin van dit artikel 4, lid 1, punt 1, valt wanneer haar werkzaamheden bestaan in het verlenen van kredieten met gelden afkomstig van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden die bij het publiek zijn aangetrokken, met uitsluiting van middelen uit andere bronnen.
56 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen, maar ook met de context, de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de ontstaansgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante gegevens voor de uitlegging ervan bevatten (arrest van 16 maart 2023, Towercast, C‑449/21, EU:C:2023:207, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Wat de bewoordingen van artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 betreft, zij erop gewezen dat deze bepaling uit twee onderdelen bestaat, te weten, ten eerste, „het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden” en, ten tweede, „het verlenen van kredieten voor eigen rekening”. Deze twee onderdelen zijn met elkaar verbonden door het voegwoord „en”.
58 Hieruit moet worden afgeleid dat een onderneming die geen van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), bedoelde activiteiten uitoefent, slechts onder het begrip „kredietinstelling” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, valt indien haar activiteit cumulatief bestaat uit het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.
59 Voorts is het weliswaar niet uitgesloten dat kredieten worden verleend met middelen uit andere bronnen dan deposito’s of andere terugbetaalbare gelden die bij het publiek zijn aangetrokken, maar bestaat er in de regel noodzakelijkerwijs een verband tussen het aantrekken van deposito’s en kredietverlening.
60 Dit wordt bevestigd door de doelstelling van artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 om een functionele definitie van het begrip „kredietinstelling” te geven.
61 Deze bepaling vindt immers haar oorsprong in artikel 1, eerste streepje, van de Eerste richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 1977, L 322, blz. 30).
62 Uit de ontstaansgeschiedenis van deze laatste bepaling blijkt dat de definitie van het begrip „kredietinstelling” uitgaat van de functie die met name de banken in het geldverkeer van de nationale volkshuishoudingen vervullen, waarbij hun kerntaak erin bestaat een band te leggen tussen enerzijds sparen en beleggen, dat wil zeggen middelen bijeen te brengen, en anderzijds deze weer uit te lenen (voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen [COM(74) 2010 definitief, blz. 6]).
63 Hieruit volgt dat een onderneming die geen deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek aantrekt en dus slechts kredieten verleent met middelen uit andere bronnen, niet onder het begrip „kredietinstelling” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 valt.
64 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door het feit dat artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening nr. 575/2013 na de wijziging bij verordening 2019/2033 thans verwijst naar een onderneming waarvan de werkzaamheden „bestaan uit een van de volgende activiteiten”.
65 Bij die wijziging heeft de Uniewetgever er immers van afgezien om in artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), de activiteit van het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek los te koppelen van de activiteit van kredietverlening, hetgeen bevestigt dat deze twee activiteiten als één geheel moeten worden opgevat. Bovendien verwijst artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), anders dan deze bepaling, op zijn beurt naar de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij richtlijn 2014/65 bedoelde „activiteiten”.
66 Wat voor het overige de vragen van de verwijzende rechter over artikel 9, lid 1, van richtlijn 2013/36 en bijlage I bij deze richtlijn betreft, zij opgemerkt dat, ten eerste, artikel 9, lid 1, uitdrukkelijk verbiedt dat personen of ondernemingen die geen kredietinstellingen zijn deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek aantrekken, zonder ook de activiteit van kredietverlening te vermelden, en ten tweede, de punten 1 en 2 van bijlage I het aantrekken van deposito’s en de verlening van kredieten afzonderlijk vermelden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de uitlegging van het begrip „kredietinstelling” in de zin van verordening nr. 575/2013.
67 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 aldus moet worden uitgelegd dat een onderneming slechts onder het begrip „kredietinstelling” in de zin van dit artikel 4, lid 1, punt 1, valt indien haar activiteit cumulatief bestaat uit het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek en kredietverlening voor eigen rekening, waarbij deze bij het publiek aangetrokken deposito’s of andere gelden bestemd zijn voor de verlening van kredieten, die bovendien ook met middelen uit andere bronnen kunnen worden verstrekt.
Tweede vraag
68 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „vergunning” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 42, van verordening nr. 575/2013 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder voor krediettransacties ook een registratieregeling valt.
69 Om te beginnen moet de context van deze vraag worden onderzocht.
70 Zo is ten eerste, overeenkomstig de strafbepaling die in het hoofdgeding aan de orde is, te weten artikel 252, lid 1, van het wetboek van strafrecht, met name eenieder strafbaar „die zonder geldige machtiging beroepsmatig bank-, verzekerings- of andere financiële transacties verricht”. Volgens de toelichting van de verwijzende rechter is deze bepaling slechts van toepassing op activiteiten waarvoor een machtiging op grond van een vergunningsregeling is voorgeschreven.
71 Ten tweede is volgens die rechter de kredietverlening met gelden die niet voortvloeien uit het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek, zo niet een bankverrichting, op zijn minst toch een financiële verrichting, waarvoor het nationale recht een registratieregeling en geen vergunningsregeling voorschrijft, zodat het beroepsmatig verrichten van een dergelijke activiteit zonder registratie geen strafbaar feit behelst.
72 De verwijzende rechter lijkt van oordeel te zijn dat de uitlegging van het begrip „vergunning” in de zin van verordening nr. 575/2013 relevant is voor de uitlegging van het begrip „machtiging” in de zin van artikel 252, lid 1, van het wetboek van strafrecht, want indien een registratieregeling op basis van een ruime uitlegging ook onder deze begrippen valt, moet het zonder registratie uitvoeren van financiële verrichtingen zoals gewone krediettransacties ook worden geacht onder het in die bepaling bedoelde strafbare feit te vallen.
73 Dienaangaande moet in navolging van de Europese Commissie worden opgemerkt dat het begrip „vergunning” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 42, van verordening nr. 575/2013 moet worden begrepen in de context van deze verordening, die richtlijn 2013/36 omvat.
74 Deze richtlijn regelt in hoofdstuk 1 van titel III de algemene vereisten voor de toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen. In het bijzonder bepaalt artikel 8, lid 1, van die richtlijn dat de lidstaten voorschrijven dat kredietinstellingen een vergunning verkrijgen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen.
75 Wat daarentegen financiële instellingen betreft, waartoe volgens de definitie van artikel 4, lid 1, punt 26, van verordening nr. 575/2013 ondernemingen behoren die geen kredietinstellingen zijn en waarvan de hoofdactiviteit (uitsluitend of onder meer) bestaat in kredietverlening, bevat richtlijn 2013/36 in titel V enkel bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.
76 Hieruit volgt dat de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een financiële instelling in de zin van verordening nr. 575/2013 enkel op nationaal niveau zijn geregeld, zodat de draagwijdte van het begrip „vergunning” in de zin van deze verordening voor het hoofdgeding irrelevant is wat de voorwaarden van dergelijke vergunningen betreft.
77 Derhalve hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 1, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019,
moet aldus worden uitgelegd dat
een onderneming slechts onder het begrip „kredietinstelling” in de zin van dit artikel 4, lid 1, punt 1, valt indien haar activiteit cumulatief bestaat uit het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek en kredietverlening voor eigen rekening, waarbij deze bij het publiek aangetrokken deposito’s of andere gelden bestemd zijn voor de verlening van kredieten, die bovendien ook met middelen uit andere bronnen kunnen worden verstrekt.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.