HvJ EU 9 november 2023, C-477/22, ECLI:EU:C:2023:838

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

9 november 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Wegvervoer – Harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard – Verordening (EG) nr. 561/2006 – Artikel 3, onder a) – Begrip ‚[lijn]traject van niet meer dan 50 km’ – Wegvervoer door voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer – Traject van niet meer dan 50 km – Niet-toepassing van verordening nr. 561/2006 – Voertuigen voor gemengd gebruik – Artikel 4, onder e) en j) – Begrippen ‚andere werkzaamheden’ en ‚rijtijd’ – Artikel 6, leden 3 en 5 – Totale rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken – Tijd die is besteed aan het besturen van een voertuig dat van de werkingssfeer van deze verordening is uitgesloten”

In zaak C‑477/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 12 mei 2022, ingekomen bij het Hof op 15 juli 2022, in de procedure

ARST SpA – Azienda regionale sarda trasporti

tegen

TR,

OS,

EK,

UN,

RC,

RS,

OA,

ZB,

HP,

WS,

IO,

TK,

ME,

SK,

TF,

TC,

ND,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, N. Piçarra (rapporteur), M. Safjan, N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– ARST SpA – Azienda regionale sarda trasporti, vertegenwoordigd door S. Manso, avvocato,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Garofoli, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Malferrari, P. Messina en G. Wilms als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, onder a), artikel 4, onder j), en artikel 6, leden 3 en 5, van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB 2006, L 102, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 (PB 2014, L 60, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 561/2006”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ARST SpA – Azienda regionale sarda trasporti (hierna: „Arst”), een plaatselijk openbaarvervoersbedrijf van de regio Sardinië (Italië), en meerdere werknemers van deze vennootschap, over de door deze werknemers gevorderde betaling door Arst van een vergoeding en/of compensatie die in verhouding staat tot de gemiste rusturen en de uren bovenop de maximale totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 2002/15

3 Artikel 3, onder a), punt 1, van richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB 2002, L 80, blz. 35) omschrijft het begrip „arbeidstijd” als volgt: „1. in het geval van mobiele werknemers: de periode tussen het begin en het einde van het werk, waarin de werknemer op het werk is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn taken of activiteiten uitoefent, dat wil zeggen: – de tijd die wordt besteed aan alle wegvervoersactiviteiten. Deze activiteiten zijn met name: i) rijden; ii) laden en lossen; iii) toezicht houden op het in- en uitstappen van passagiers; iv) schoonmaken en technisch onderhoud; v) alle andere werkzaamheden om de veiligheid van het voertuig, de lading of de passagiers te verzekeren, dan wel om te voldoen aan de wettelijke of bestuursrechtelijke verplichtingen die direct met het specifieke vervoer in kwestie verband houden met inbegrip van toezicht op het laden en lossen, afwikkeling van administratieve formaliteiten bij de politie, de douane, de immigratie-autoriteiten, enz. – de perioden waarin de werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en op de werkplek moet blijven, gereed om aan het werk te gaan, en daarbij belast is met bepaalde aan die dienst verbonden taken, met name de wachttijden bij laden of lossen wanneer de verwachte duur daarvan niet vooraf bekend is, […]. […]”

Verordening nr. 561/2006

4 De overwegingen 17 en 24 van verordening nr. 561/2006 luiden: „(17) Deze verordening strekt tot verbetering van de sociale omstandigheden van de werknemers op wie ze van toepassing is, alsmede tot verbetering van de verkeersveiligheid in het algemeen. Dit gebeurt vooral aan de hand van bepalingen in verband met de maximum rijtijd per dag, per week en per periode van twee opeenvolgende weken, de bepaling die een bestuurder verplicht om ten minste één keer per periode van twee opeenvolgende weken minstens één normale wekelijkse rusttijd te nemen en de bepalingen die voorschrijven dat een dagelijkse rusttijd in geen geval minder dan negen aaneengesloten uren mag duren. […] […] (24) De lidstaten dienen regels vast te stellen voor voertuigen die bestemd zijn voor geregelde diensten [van] personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km. Deze regels moeten een adequate bescherming bieden in de vorm van toegestane rijtijden en voorgeschreven onderbrekingen en rusttijden.”

5 Volgens artikel 1 ervan geeft deze verordening „voorschriften voor de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van bestuurders in het wegvervoer van goederen en personen, met als doel de voorwaarden voor concurrentie tussen verschillende wijzen van vervoer over land te harmoniseren, met name met betrekking tot de wegvervoerssector, en ter verbetering van de werkomstandigheden en de verkeersveiligheid” en heeft zij „tevens tot doel betere controle en handhaving door de lidstaten en betere arbeidsomstandigheden in de wegvervoerssector te bevorderen”.

6 Artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalt: „Deze verordening is van toepassing op wegvervoer: […] b) van personen door voertuigen die zijn gebouwd of permanent zijn toegerust om meer dan negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, te kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd.”

7 Artikel 3 van verordening nr. 561/2006 bepaalt: „Deze verordening is niet van toepassing op wegvervoer door: a) voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een [lijn]traject van niet meer dan 50 km; […]”

8 Artikel 4 van verordening nr. 561/2006 is geformuleerd als volgt: „Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: […] e) ‚andere werkzaamheden’: alle activiteiten die worden gedefinieerd als arbeidstijd in artikel 3, onder a), van richtlijn [2002/15], behalve ‚rijden’, met inbegrip van alle werkzaamheden voor dezelfde of voor een andere werkgever in of buiten de vervoerssector; […] h) ‚wekelijkse rusttijd’: een wekelijkse periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, en die een ‚normale wekelijkse rusttijd’ en een ‚verkorte wekelijkse rusttijd’ omvat: – ‚normale wekelijkse rusttijd’: een periode van rust van ten minste 45 uur; […] j) ‚rijtijd’: de duur van de rijactiviteit zoals geregistreerd: – automatisch of semiautomatisch door het controleapparaat [bedoeld in verordening nr. 165/2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer]; of – op manuele wijze zoals vereist door [verordening nr. 165/2014]; k) ‚dagelijkse rijtijd’: de totale bij elkaar opgetelde rijtijd tussen het einde van de ene dagelijkse rusttijd en het begin van de volgende dagelijkse rusttijd of tussen een dagelijkse en een wekelijkse rusttijd; […] n) ‚geregelde diensten van personenvervoer’: nationale en internationale diensten als omschreven in [artikel 2, punt 2, van verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006 (PB 2009, L 300, blz. 88)]; […] q) ‚rijperiode’: de bij elkaar opgetelde rijtijd vanaf het ogenblik dat een bestuurder begint te rijden na een rusttijd of een onderbreking, totdat hij een rusttijd neemt of een onderbreking neemt. Een rijperiode kan al dan niet onderbroken worden. […]”

9 Artikel 6 van verordening nr. 561/2006 bepaalt in de leden 3 en 5: „3. De totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken mag niet meer bedragen dan 90 uur. […] 5. De bestuurder registreert als ‚andere werkzaamheden’ alle tijd besteed volgens de omschrijving in artikel 4, onder e), en alle tijd die hij heeft besteed aan het besturen van een voertuig voor commerciële activiteiten die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen, […].”

10 Volgens artikel 15 van deze verordening „[zorgen] [d]e lidstaten […] ervoor dat bestuurders van de in artikel 3, onder a), omschreven voertuigen onder de toepassing vallen van nationale regels die een adequate bescherming bieden in de vorm van toegestane rijtijden en voorgeschreven onderbrekingen en rusttijden.”

Verordening nr. 1073/2009

11 Artikel 2, punt 2, van verordening nr. 1073/2009 definieert het begrip „geregeld vervoer” als „vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of afgezet”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Op 5 september 2011 hebben meerdere bij Arst tewerkgestelde bestuurders in het wegvervoer van personen een vordering ingesteld bij de Tribunale di Oristano (rechter in eerste aanleg Oristano, Italië), die ertoe strekte deze onderneming te veroordelen om hun een vergoeding en/of compensatie te betalen die in verhouding staat tot de in strijd met verordening nr. 561/2006 gemiste rusturen en de uren bovenop de maximale totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken. Die bestuurders hebben aangevoerd dat wegens de diensttijden die door Arst waren vastgesteld in de periode tussen 11 april 2007, de datum van inwerkingtreding van deze verordening, en 6 december 2010, geen van hen de „normale wekelijkse rusttijd” in de zin van artikel 4, onder h), van die verordening heeft genoten en dat zij de maximale totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken bedoeld in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 hebben overschreden.

13 Arst heeft op haar beurt betoogd dat verordening nr. 561/2006 krachtens artikel 3, onder a), ervan niet van toepassing is op die bestuurders, aangezien zij slechts één of twee keer en enkel in bepaalde diensten ritten hebben afgelegd waarbij de in deze bepaling vastgestelde limiet was overschreden.

14 Deze rechter in eerste aanleg heeft die vordering in haar geheel toegewezen, maar heeft het bedrag van de door UN en TF gevorderde vergoeding gehalveerd omdat zij een kortere periode als bestuurders hadden gewerkt.

15 Arst heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Corte d’appello di Cagliari (rechter in tweede aanleg Cagliari, Italië), die bij arrest van 10 maart 2016 het bedrag heeft verlaagd dat de rechter in eerste aanleg Arst had gelast aan die bestuurders te betalen en de vordering voor het overige heeft afgewezen.

16 De Corte d’appello di Cagliari heeft in de eerste plaats geoordeeld dat het begrip „traject” in de zin van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 bij vervoer buiten de stad verwijst naar het totale traject dat de bestuurder op een werkdag aflegt, zodat het aantal kilometers van alle ritten die de bestuurder op een werkdag uitvoert, in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling of de in deze bepaling bedoelde limiet van 50 km is overschreden. In de tweede plaats heeft de Corte d’appello di Cagliari in het licht van artikel 4, onder j) en k), van deze verordening geoordeeld dat de „dagelijkse rijtijd” samenvalt met de werkdag en derhalve heeft deze rechter het argument van Arst afgewezen volgens hetwelk alleen de duur van de rijactiviteit in aanmerking moet worden genomen om na te gaan of de totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken bedoeld in artikel 6, lid 3, van die verordening in acht is genomen.

17 Arst heeft cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter, waarmee zij opkomt tegen de uitlegging die de Corte d’appello di Cagliari in zijn arrest van 10 maart 2016 heeft gegeven aan zowel het begrip „traject” in de zin van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 als het in artikel 6, lid 3, van deze verordening opgenomen begrip „totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken”.

18 De verwijzende rechter merkt op dat Arst personenvervoer over de weg verzorgt met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers worden opgenomen of afgezet. Aangezien verordening nr. 561/2006 krachtens artikel 3, onder a), ervan niet van toepassing is op wegvervoer door voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een lijntraject van niet meer dan 50 km, vraagt die rechter zich af of de term „traject” betrekking heeft op de door de betrokken onderneming vastgestelde route met het oog op de betaling van het vervoerbewijs, zoals volgens hem lijkt te kunnen worden afgeleid uit de bewoordingen van die bepaling, die verwijst naar het „[lijn]traject”. Tegelijkertijd vraagt de verwijzende rechter zich af of deze term veeleer verwijst naar de kilometers die een bestuurder op een werkdag met het voertuig aflegt, ook op meerdere routes, zoals lijkt te kunnen worden opgemaakt uit het doel van de verordening, dat volgens overweging 17 ervan bestaat in „verbetering van de sociale omstandigheden van de werknemers op wie ze van toepassing is, alsmede […] verbetering van de verkeersveiligheid in het algemeen”.

19 De verwijzende rechter preciseert dat de eerste vraag voortvloeit uit het feit dat Arst op verschillende routes de geregelde dienst van personenvervoer verzorgt en dat haar bestuurders op dezelfde werkdag en met hetzelfde voertuig meerdere routes afleggen. De verwijzende rechter wijst er ook op dat voertuigen die voor deze dienst gebruikt worden, op gemengde wijze voor zowel kortere als langere afstanden dan 50 km worden ingezet en merkt op dat volgens het arrest van 9 september 2021, Ministère public (Extraterritoriale sancties) (C‑906/19, EU:C:2021:715), verordening nr. 561/2006 van toepassing is op voertuigen die op die wijze worden gebruikt. De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat gemengd gebruik niet betekent dat de gehele vervoerdienst van Arst binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.

20 Wat voorts artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of bij de beoordeling of de totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken in acht is genomen, uitsluitend rekening moet worden gehouden met de gedurende die twee weken geregistreerde „rijtijd(en)” in de zin van artikel 4, onder j), van deze verordening, dan wel of ook alle „andere werkzaamheden” van de betrokken bestuurder in de zin van artikel 6, lid 5, van die verordening in aanmerking moeten worden genomen. De verwijzende rechter is van oordeel dat niet duidelijk kan worden vastgesteld of die „andere werkzaamheden” relevant zijn voor de berekening van de in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 vastgestelde totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken. Hij wijst er ook op dat de Corte d’appello di Cagliari het argument van Arst heeft afgewezen volgens hetwelk uitsluitend de tijd die de bestuurder achter het stuur heeft doorgebracht in aanmerking mag worden genomen.

21 In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Dient artikel 3, onder a), van verordening [nr. 561/2006] aldus te worden uitgelegd dat de term ‚traject’ van niet meer dan 50 km betrekking heeft op het aantal kilometers van de door de vervoersonderneming voor de betaling van het vervoerbewijs vastgestelde route (lijn), op het totale aantal kilometers dat de bestuurder in de dagelijkse diensttijd aflegt, op de maximale afstand die het voertuig over de weg aflegt ten opzichte van zijn vertrekpunt (straal), of op een ander criterium dat wordt gebruikt om het aantal kilometers van het traject te berekenen? Kan de vervoersonderneming hoe dan ook worden vrijgesteld van de toepassing van verordening [nr. 561/2006] voor voertuigen die zij uitsluitend gebruikt voor routes van minder dan 50 km, of moet de verordening op de gehele vervoerdienst van de onderneming worden toegepast omdat zij met andere voertuigen routes van meer dan 50 km aflegt? 2) Moet artikel 6, lid 3, van verordening [nr. 561/2006] aldus worden uitgelegd dat de ‚totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken’ de som is van de ‚rijtijden’ gedurende de twee weken – overeenkomstig de definitie in artikel 4, onder j)[, van deze verordening] – of omvat die rijtijd ook andere activiteiten, met name de volledige diensttijd van de bestuurder gedurende de twee weken of alle ‚andere werkzaamheden’ als bedoeld in artikel 6, lid 5[, van die verordening]?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

22 De eerste prejudiciële vraag valt uiteen in twee delen, die achtereenvolgens moeten worden onderzocht.

Eerste deel van de eerste vraag

23 Met het eerste deel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „[lijn]traject van niet meer dan 50 km” overeenkomt met het aantal kilometers van de door de vervoersonderneming vastgestelde route voor de geregelde diensten van personenvervoer die zij aanbiedt.

24 Het begrip „lijntraject” is niet gedefinieerd in verordening nr. 561/2006 en artikel 3, onder a), ervan bevat geen verwijzing naar het recht van de lidstaten om een dergelijk begrip te definiëren. Voor de uitlegging van deze bepaling moet dus rekening worden gehouden met de betekenis die de termen van deze bepaling gewoonlijk hebben in de omgangstaal, alsook met de context van die bepaling en de doelstelling die met de betrokken regeling wordt nagestreefd (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Pricoforest, C‑13/21, EU:C:2022:531, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 In de omgangstaal verwijst de term „traject” naar een met name over de weg gevolgde of te volgen route of reisweg die een vertrekpunt verbindt met een aankomstpunt. De term „lijn” verwijst naar een ononderbroken streep die deze punten verbindt.

26 De bewoordingen van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 hebben derhalve betrekking op een concrete over de weg afgelegde of af te leggen afstand volgens een reisweg die een vertrekpunt verbindt met een aankomstpunt, teneinde geregelde diensten van personenvervoer te verzorgen waarvoor het betrokken voertuig wordt gebruikt (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Pricoforest, C‑13/21, EU:C:2022:531, punt 24). Deze bewoordingen bevatten geen verwijzing naar de afstand die een bestuurder tijdens een bepaalde werktijd daadwerkelijk over de weg aflegt noch naar de maximale afstand die door het betrokken voertuig wordt afgelegd vanaf het vertrekpunt.

27 Het begrip „geregeld vervoer” is in artikel 2, punt 2, van verordening nr. 1073/2009, waarnaar artikel 4, onder n), van verordening nr. 561/2006 verwijst, gedefinieerd als „vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of afgezet”. Het begrip „bepaalde reisweg” sluit uit dat rekening wordt gehouden met de afstand die een bestuurder tijdens een bepaalde werktijd daadwerkelijk over de weg aflegt of met de maximale afstand die door het betrokken voertuig wordt afgelegd vanaf het vertrekpunt, die deze reisweg overschrijden.

28 Bijgevolg moet het begrip „[lijn]traject van niet meer dan 50 km” in de zin van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 aldus worden opgevat dat het betrekking heeft op een bepaalde reisweg van niet meer dan 50 km die een vertrekpunt verbindt met een aankomstpunt en, in voorkomend geval, vooraf vastgestelde tussenstops heeft om reizigers op te nemen of af te zetten. Dergelijk personenvervoer over de weg is derhalve op grond van deze bepaling uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening, ongeacht of de daarvoor ingezette bestuurders meer dan één van die reiswegen op dezelfde werkdag en met hetzelfde voertuig afleggen.

29 Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gesteld, moeten bestuurders van voertuigen waarop verordening nr. 561/2006 krachtens artikel 3, onder a), ervan niet van toepassing is, overeenkomstig artikel 15 van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 24 ervan, in ieder geval onder de toepassing vallen van nationale regels die een adequate bescherming beogen te bieden in de vorm van toegestane rijtijden en voorgeschreven onderbrekingen en rusttijden. De toepasselijke nationale wetgeving moet in elk geval de voorschriften van richtlijn 2002/15 over met name werktijden, onderbrekingen en rusttijden eerbiedigen.

30 Gelet op een en ander moet op het eerste deel van de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „[lijn]traject van niet meer dan 50 km” overeenkomt met de door de vervoersonderneming vastgestelde route van niet meer dan 50 km die het betrokken voertuig over de weg moet afleggen om een vertrekpunt te verbinden met een aankomstpunt en, in voorkomend geval, vooraf vastgestelde tussenstops te bedienen, teneinde de geregelde dienst van personenvervoer te verzorgen waarvoor dit voertuig wordt gebruikt.

Tweede deel van de eerste vraag

31 Met het tweede deel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder b), juncto artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op het gehele wegvervoer dat door de betrokken onderneming wordt verricht, wanneer de voor de geregelde diensten van personenvervoer ingezette voertuigen hoofdzakelijk worden gebruikt voor trajecten van niet meer dan 50 km en occasioneel voor trajecten van meer dan 50 km.

32 Vooraf zij eraan herinnerd dat de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006 met betrekking tot geregelde diensten van personenvervoer over de weg om te beginnen wordt omschreven in artikel 2, lid 1, onder b), ervan, waarin is bepaald dat deze verordening van toepassing is op wegvervoer van personen door voertuigen die zijn gebouwd of permanent zijn toegerust om meer dan negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, te kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd.

33 Voorts is verordening nr. 561/2006 volgens artikel 3, onder a), ervan niet van toepassing op wegvervoer door „voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km”. Aangezien deze bepaling een uitzondering op de werkingssfeer van deze verordening invoert, moet zij strikt worden uitgelegd, zodat de gevolgen ervan niet verder gaan dan wat noodzakelijk is ter bescherming van de belangen die deze uitzondering beoogt te waarborgen [zie in die zin arrest van 9 september 2021, Ministère public (Extraterritoriale sancties), C‑906/19, EU:C:2021:715, punt 33].

34 Hieruit volgt dat wanneer, zoals in casu, een onderneming geregelde diensten van personenvervoer over een traject van meer dan 50 km verzorgt met voertuigen die normaliter worden gebruikt voor geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km, dergelijk gemengd gebruik er niet toe kan leiden dat verordening nr. 561/2006 van toepassing wordt op het gehele geregelde personenvervoer door die onderneming. Geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km zijn immers uitdrukkelijk van de werkingssfeer van deze verordening uitgesloten krachtens artikel 3, onder a), ervan.

35 Gelet op het voorgaande moet op het tweede deel van de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder b), juncto artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op het gehele wegvervoer dat door de betrokken onderneming wordt verricht, wanneer de voor de geregelde diensten van personenvervoer ingezette voertuigen hoofdzakelijk worden gebruikt voor trajecten van niet meer dan 50 km en occasioneel voor trajecten van meer dan 50 km. Deze verordening is alleen van toepassing wanneer die trajecten meer dan 50 km bedragen.

Tweede vraag

36 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling opgenomen begrip „totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken” niet alleen betrekking heeft op de „rijtijd” in de zin van artikel 4, onder j), van deze verordening, maar ook op alle „andere werkzaamheden” in de zin van artikel 6, lid 5, van die verordening die de bestuurder gedurende die twee weken verricht.

37 Volgens artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 „[mag] [d]e totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken […] niet meer bedragen dan 90 uur”.

38 Met name in de Spaanse, de Duitse, de Franse, de Hongaarse en de Portugese taalversie van deze bepaling wordt verwezen naar het begrip „rijtijd”, dat in artikel 4, onder j), van deze verordening is omschreven als de „duur van de rijactiviteit zoals geregistreerd” overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 165/2014. Daarentegen komt de uitdrukking periodo di guida in de Italiaanse taalversie van artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 overeen met het begrip „rijperiode”, dat in artikel 4, onder q), van deze verordening is omschreven als „de bij elkaar opgetelde rijtijd vanaf het ogenblik dat een bestuurder begint te rijden na een rusttijd of een onderbreking, totdat hij een rusttijd neemt of een onderbreking neemt”, waarbij wordt gepreciseerd dat „[e]en rijperiode […] al dan niet onderbroken [kan] worden.”

39 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat zowel het begrip „rijtijd” als het begrip „rijperiode” in de zin van artikel 4, onder j) en q), van verordening nr. 561/2006 betrekking heeft op de tijd die de bestuurder aan het rijden is, ook al heeft het eerste begrip alleen betrekking op de geregistreerde duur.

40 Het begrip „andere werkzaamheden” is in artikel 4, onder e), van verordening nr. 561/2006 daarentegen omschreven als „alle activiteiten die worden gedefinieerd als arbeidstijd […], behalve rijden,” in de zin van artikel 3, onder a), punt 1, van richtlijn 2002/15. Volgens deze laatste bepaling omvat „arbeidstijd” onder andere „de tijd die wordt besteed aan alle wegvervoersactiviteiten”, met name „rijden”, „laden en lossen”, „toezicht houden op het in- en uitstappen van passagiers”, „schoonmaken en technisch onderhoud” en „alle andere werkzaamheden om de veiligheid van het voertuig, de lading of de passagiers te verzekeren, dan wel om te voldoen aan de wettelijke of bestuursrechtelijke verplichtingen die direct met het specifieke vervoer in kwestie verband houden”.

41 Hieruit volgt dat de begrippen „rijtijd” en „rijperiode” in de zin van artikel 4, onder j) en q), van verordening nr. 561/2006 uitsluitend de rijactiviteit omvatten en niet ziet op alle activiteiten die de bestuurder tijdens zijn arbeidstijd verricht.

42 Bovendien verplicht artikel 6, lid 5, van verordening nr. 561/2006 de bestuurder om niet alleen „alle tijd besteed volgens de omschrijving in artikel 4, onder e), [van deze verordening]” – namelijk alle activiteiten die worden gedefinieerd als „arbeidstijd”, behalve rijden – als „andere werkzaamheden” te registreren, maar ook „alle tijd die hij heeft besteed aan het besturen van een voertuig voor commerciële activiteiten die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen”.

43 Hieruit volgt dat bij de berekening van de totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken, die overeenkomstig artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 niet meer dan 90 uur mag bedragen, uitsluitend rekening dient te worden gehouden met de tijdvakken die de bestuurder besteedt aan het rijden en die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen. Indien de tijd die de bestuurder besteedt aan het rijden met een voertuig waarop verordening nr. 561/2006 krachtens artikel 3, onder a), ervan niet van toepassing is, zou worden meegeteld bij die berekening, zou dit er namelijk op neerkomen dat artikel 6, lid 3, van deze verordening wordt toegepast op wegvervoer dat uitdrukkelijk van de werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.

44 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling opgenomen begrip „totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken” alleen de „rijtijd” in de zin van artikel 4, onder j), van deze verordening omvat, met uitsluiting van alle „andere werkzaamheden” in de zin van artikel 6, lid 5, van die verordening die de bestuurder gedurende die twee weken verricht.

Kosten

45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, onder a), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „[lijn]traject van niet meer dan 50 km” overeenkomt met de door de vervoersonderneming vastgestelde route van niet meer dan 50 km die het betrokken voertuig over de weg moet afleggen om een vertrekpunt te verbinden met een aankomstpunt en, in voorkomend geval, vooraf vastgestelde tussenstops te bedienen, teneinde de geregelde dienst van personenvervoer te verzorgen waarvoor dit voertuig wordt gebruikt.

2) Artikel 2, lid 1, onder b), juncto artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 165/2014, moet aldus worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op het gehele wegvervoer dat door de betrokken onderneming wordt verricht, wanneer de voor de geregelde diensten van personenvervoer ingezette voertuigen hoofdzakelijk worden gebruikt voor trajecten van niet meer dan 50 km en occasioneel voor trajecten van meer dan 50 km. Deze verordening is alleen van toepassing wanneer die trajecten meer dan 50 km bedragen.

3) Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 561/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 165/2014, moet aldus worden uitgelegd dat het in deze bepaling opgenomen begrip „totale bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken” alleen de „rijtijd” in de zin van artikel 4, onder j), van deze verordening omvat, met uitsluiting van alle „andere werkzaamheden” in de zin van artikel 6, lid 5, van die verordening die de bestuurder gedurende die twee weken verricht.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken